Jurisprudentie
Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:
19-10-2026, Rb Roermond, Turkije, beroep gegrond [aanvraag voor, besluit na 12 juni 2026; vluchtelingenstatus; ingangsdatum verblijfsvergunning]
Reden signalering:
De rechtbank komt tot de conclusie dat eisers erkend moeten worden als vluchtelingen en dat aan hen verblijfstitels, verblijfsvergunningen en bijbehorende verblijfspassen moeten worden verleend waaruit blijkt dat zij met ingang van 25 april 2023 zijn erkend als vluchtelingen en waaruit blijkt dat aan hen een verblijfsvergunning met een duur van vijf jaar is verleend.
Eisers hebben op 25 april 2023 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder heeft deze verzoeken op 9 augustus 2026, 3 jaar, 3 maanden en 14 dagen later, ingewilligd. In deze besluiten heeft verweerder erkend dat eisers vluchtelingen zijn en beslist om aan hen een verblijfsvergunning te verlenen. Verweerder heeft aan eisers een verblijfspas verleend met als ingangsdatum 10 augustus 2026 en een geldigheidsduur van drie jaar.
De rechtbank stelt in deze procedure vast dat het verlenen van een verblijfspas met als ingangsdatum 10 augustus 2026 en met een geldigheidsduur van drie jaar niet dwingend volgt uit Verordening 2024/1347. De rechtbank stelt ook vast dat het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel, alsmede het Unierechtelijke verbod op willekeur zich verzetten tegen de verlening van een verblijfspas met als ingangsdatum 10 augustus 2026 en met een geldigheidsduur van drie jaar.
Dat de nationale wetgever op de hoogte is van de aanzienlijke achterstanden in het tijdig beslissen op verzoeken om internationale bescherming en desondanks heeft gekozen om onmiddellijke werking toe te kennen aan artikel 44, lid 2, van de Vreemdelingenwet 2000 laat onverlet dat de Unierechtelijke algemene rechtsbeginselen in de weg staan aan de toepassing van deze nationale wetsbepaling in de onderhavige procedure. Dat de rechtbank niet bevoegd is om te toetsen aan artikel 120 van de Nederlandse grondwet, laat onverlet dat de rechtbank verplicht is om het Unierecht toe te passen omdat de onderhavige procedure wordt beheerst door het Unierecht.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eisers erkend moeten worden als vluchtelingen en dat aan hen verblijfstitels, verblijfsvergunningen en bijbehorende verblijfspassen moeten worden verleend waaruit blijkt dat zij met ingang van 25 april 2023 zijn erkend als vluchtelingen en waaruit blijkt dat aan hen een verblijfsvergunning met een duur van vijf jaar is verleend. Gelet op het aanzienlijke tijdsverloop in deze procedure zal de rechtbank zelf voorzien en verweerder opdragen om tot de verlening van de juiste vergunningen over te gaan.
Gehele uitspraak; ECLI:NL:RBDHA:2026:30774, Rechtbank Den Haag, NL26.51300 en NL26.51303.
16-10-2026, Rb Roermond, Oekraïne, beroep gegrond [Richtlijn Tijdelijke Bescherming; beroep niet tijdig beslissen; arrest Hof van Justitie EU 1 oktober 2026]
Reden signalering:
Beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel. Eiser valt onder de Richtlijn tijdelijke bescherming. De rechtbank is van oordeel dat artikel 43a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in strijd is met de Procedurerichtlijn en onverbindend moet worden geacht. Zij stelt vervolgens vast dat de enkele omstandigheid dat eiser onder de Richtlijn valt, niet tot gevolg heeft dat de beslistermijn van zes maanden is opgeschort of verlengd.
Eiser heeft op 27 oktober 2022 met het formulier M35H formeel een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000.
Op 1 februari 2024 heeft verweerder een ingebrekestelling ontvangen wegens het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. Eiser heeft vervolgens op 16 maart 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat eiser onder de Richtlijn tijdelijke bescherming valt. De tijdelijke bescherming is nog niet beëindigd. Gelet op het bepaalde in artikel 43a van de Vw 2000 is de beslistermijn daarom nog niet aangevangen. De ingebrekestelling is dan ook prematuur ingediend, zodat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De rechtbank deelt het standpunt van verweerder niet. Zoals volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 oktober 2026 (ECLI:EU:C:2026:806) verzet artikel 31 van de Procedurerichtlijn zich ertegen dat de behandeling van verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend door begunstigden van tijdelijke bescherming automatisch wordt opgeschort gedurende de periode van tijdelijke bescherming, zodat de beslistermijn voor deze verzoeken pas na afloop van die periode aanvangt of doorloopt. De rechtbank is daarom van oordeel dat artikel 43a, eerste lid, van de Vw 2000 in zoverre onverbindend moet worden geacht. Hoewel het de bevoegde autoriteiten vrij staat om de behandeling van sommige van deze verzoeken om internationale bescherming tijdelijk uit te stellen met toepassing van artikel 42, vierde lid, of artikel 43, van de Vw 2000, is de rechtbank niet gebleken dat dit is gebeurd en dat dit tot gevolg zou hebben dat het beroep in dit geval niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De omstandigheid dat eiser valt onder de Richtlijn tijdelijke bescherming laat in dit geval dus onverlet dat de beslistermijn is begonnen op het moment als bepaald in artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 en in beginsel zes maanden bedraagt.
Verweerder heeft sinds 27 september 2022 herhaaldelijk gebruik gemaakt van de bevoegdheid om in asielzaken de beslistermijn met negen maanden te verlengen. Dit is gebeurd met opeenvolgende besluiten tot wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000. Het in deze zaak toepasselijke verlengingsbesluit is echter onverbindend. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1749. Dit betekent dat verweerder in dit geval binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiser moest nemen.
Uit het voorgaande volgt dat de beslistermijn liep tot en met 27 april 2023. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen die termijn op de aanvraag heeft beslist. Omdat hij dit heeft nagelaten, een geldige ingebrekestelling heeft ontvangen en sindsdien (meer dan) twee weken zijn verstreken voordat beroep is ingesteld, is het beroep ontvankelijk. Nu niet gebleken is dat verweerder inmiddels op de aanvraag heeft beslist en niet geoordeeld kan worden dat het beroep onredelijk laat is ingediend, is dit beroep gegrond en moet het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag worden vernietigd.
De rechtbank zal verder een termijn stellen waarbinnen verweerder het besluit op de aanvraag moet nemen en bekendmaken. Met de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact is de voornemenprocedure komen te vervallen. Dat betekent dat verweerder sneller tot besluitvorming kan overgaan. De rechtbank ziet daarom aanleiding om kortere termijnen te stellen dan voorheen. Zij hanteert thans in asielzaken in beginsel de volgende termijnen. Als de vreemdeling nog niet is gehoord over de reden voor zijn aanvraag: een termijn van acht weken om hem alsnog te horen en daarna een termijn van vier weken om te beslissen, waarbij verweerder in ieder geval binnen twaalf weken moet beslissen. Als de vreemdeling wel al is gehoord: een termijn van vier weken om alsnog te beslissen. Als de bovengrens van 21 maanden, genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, (bijna) is overschreden stelt de rechtbank de nadere termijn zodanig dat deze in redelijkheid niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is.
Uit de stukken is niet gebleken dat eiser al nader is gehoord. Daarnaast is vanaf de datum van de asielaanvraag (27 oktober 2022) de bovengrens van 21 maanden inmiddels zeer ruim overschreden. De rechtbank zal daarom in dit geval verweerder opdragen om binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak het besluit op de aanvraag te nemen en bekend te maken.
De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven, waarbij zij in dit geval de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) op 21 mei 2026 vastgestelde aanbeveling over de rechterlijke dwangsom bij beroep niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken7 zal volgen. Zij zal de hoogte van deze dwangsom daarom vaststellen op € 50,- voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:30469, Rechtbank Den Haag, NL26.14567.
15-10-2026, Rb Haarlem, Oekraïne, beroep gegrond [Krim, binnenlands beschermingsalternatief; artikel 8 EVRM]
Reden signalering:
Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er niet in geslaagd om aan te tonen dat er voor eiser een binnenlands beschermingsalternatief is, nu verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser in de westelijke oblasten van Oekraïne geen vrees voor vervolging of ernstige schade heeft. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij in Oekraïne gemobiliseerd zal worden en dat hij dit niet zal kunnen weigeren. Daarnaast heeft verweerder bij het tegenwerpen van het binnenlands beschermingsalternatief onvoldoende de situatie van binnenlands ontheemden in Oekraïne betrokken, op grond van artikel 8, vijfde lid, van de Kwalificatieverordening.
Achtergrond en asielrelaas
Eiser is geboren op [datum] 1993, heeft de Oekraïense nationaliteit en stelt ook de Russische nationaliteit te hebben. Eiser is geboren op de Krim in Oekraïne. In 2014 is de Krim geannexeerd door Rusland. Eiser heeft altijd (tot 2022) op de Krim gewoond. Hij heeft, naast een Oekraïens paspoort, ook een Russisch paspoort. Na de annexatie van de Krim was het volgens eiser namelijk noodzakelijk om een Russisch paspoort aan te vragen om daar op een normale wijze te kunnen leven en gebruik te maken van de voorzieningen.
Eiser was vanaf 2017 werkzaam als zeeman. In februari 2022 was hij vanwege zijn werk nog in (de haven van) Rotterdam toen de oorlog tussen Oekraïne en Rusland uitbrak. Hij heeft vervolgens op 1 maart 2022 in Nederland asiel aangevraagd.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is tegen de oorlog. Hij kan niet aanzien dat het land waar hij voor zijn asielaanvraag woonde (Rusland) soldaten stuurt om te vechten tegen het land waarin eiser geboren is (Oekraïne). Als eiser zou teruggaan naar Oekraïne, dan zou hij gemobiliseerd worden voor de oorlog wat er mogelijk toe leidt dat hij moet vechten tegen mensen die afkomstig zijn uit de Krim. Als eiser zou teruggaan naar Rusland en hij zou zeggen dat hij tegen de oorlog is, zou hij strafrechtelijk vervolgd worden of het leger in moeten gaan. Dat is tegen zijn principes. Hij wil niet vechten.
Het bestreden besluit
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser als ongegrond afgewezen en aan hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:
- Identiteit, Oekraïense nationaliteit en herkomst;
- Politieke mening.
Verweerder vindt beide asielmotieven geloofwaardig. Verweerder neemt geen standpunt in over eisers Russische nationaliteit. Dat komt – kortgezegd – omdat de annexatie van de Krim niet wordt erkend door de lidstaten van de Europese Unie. Dat standpunt heeft ook weer gevolgen voor de (erkenning van) afgegeven reisdocumenten in die regio.
Verweerder toetst vervolgens of uit de asielmotieven volgt dat eiser gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder toetst de gestelde vrees van eiser aan de autoriteiten van Rusland, nu zij de facto het gezag hebben op de Krim. Verweerder vindt de vrees van eiser, dat hij bij terugkeer naar de Krim (strafrechtelijk) vervolgd wordt door de autoriteiten van Rusland als hij zich openlijk uitspreekt tegen de oorlog, aannemelijk. Dit leidt echter niet tot vluchtelingschap, omdat er volgens verweerder een binnenlands beschermingsalternatief in Oekraïne voor eiser aanwezig is.
Eiser krijgt ook geen reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Hij heeft in zijn nader gehoor verklaard dat hij een relatie heeft met een Nederlandse vrouw en heeft meerdere documenten overgelegd ter onderbouwing van die relatie. Verweerder neemt dan ook aan dat er tussen eiser en zijn partner sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, maar stelt zich op het standpunt dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt.
Toepasselijk recht
Op 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.
In artikel 8 van de Kwalificatieverordening is vastgelegd hoe het binnenlands beschermingsalternatief beoordeeld moet worden. Dit artikel is op een aantal punten gewijzigd ten opzichte van artikel 8 van de Kwalificatierichtlijn.
Ter zitting heeft de rechtbank aan partijen voorgehouden dat de Kwalificatieverordening geen overgangsrecht kent en dat dit gevolgen heeft voor hoe de rechtbank het binnenlands beschermingsalternatief in deze zaak moet beoordelen. Verweerder heeft toen aangegeven dat hij het standpunt inneemt dat het binnenlands beschermingsalternatief beoordeeld moet worden aan de hand van het recht dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, maar wel verzocht om een nadere termijn als de rechtbank van oordeel is dat het nieuwe recht (onder artikel 8 van de Kwalificatieverordening) van toepassing is.
Verweerder heeft na de heropening van het onderzoek in zijn reactie van 30 juli 2026 afstand genomen van het ter zitting ingenomen standpunt en heeft erkend dat artikel 8 van de Kwalificatieverordening in dit geval van toepassing is. Verweerder stelt zich daarbij gemotiveerd op het standpunt dat ook als uitgegaan wordt van dat artikel, verweerder aan eiser een binnenlands beschermingsalternatief heeft kunnen tegenwerpen.
De rechtbank stelt daarmee vast dat niet in geschil is dat artikel 8 van de Kwalificatieverordening van toepassing is in deze zaak. Zij zal het tegengeworpen binnenlands beschermingsalternatief aan de hand van dit artikel beoordelen.
Heeft verweerder terecht een binnenlands beschermingsalternatief tegengeworpen?
Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte een binnenlands beschermingsalternatief heeft tegengeworpen. Verweerder heeft niet goed gemotiveerd dat eiser kan terugkeren naar gebieden in Oekraïne die buiten de frontlinie van het conflict vallen. Eiser heeft allereerst een gegronde vrees voor vervolging in die gebieden omdat hij bij terugkeer naar Oekraïne gemobiliseerd zal worden. Hij vreest te worden betrokken bij het plegen van oorlogsmisdaden die in zijn ogen door beide partijen in het conflict worden gepleegd. Verder is het volgens eiser niet mogelijk om de westelijke delen van Oekraïne op een veilige en wettige wijze te bereiken. Zijn Oekraïense paspoort is niet meer geldig en hij heeft geen enkele hulp van de Oekraïense ambassade ontvangen. Verder kan niet van eiser verwacht worden dat hij zich zal kunnen vestigen in Oekraïne. Eiser heeft alleen in de Krim gewoond en heeft elders in Oekraïne geen netwerk en is als ontheemde helemaal op zichzelf aangewezen. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stellingen een rapport van TOELT8 van 17 februari 2026 overgelegd.
Veilige en wettelijke wijze reizen naar en toegang verschaffen tot het gebied
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het standpunt inneemt dat eiser op een veilige en wettige manier kan reizen naar en zich toegang kan verschaffen tot de westelijke delen van Oekraïne. Verweerder wijst erop dat uit landeninformatie volgt dat een Oekraïense staatsburger voor terugkeer naar Oekraïne in beginsel moet beschikken over een geldig paspoort of een laissez-passer (LP), en dat indien een paspoort niet kan worden verlengd bij de Oekraïense autoriteiten een LP kan worden aangevraagd. Dat eisers Oekraïense paspoort is verlopen, betekent niet dat hij zich niet kan wenden tot het Oekraïense consulaat in Nederland voor het verkrijgen van een vervangend reisdocument. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Ook wijst verweerder erop dat, hoewel reizen per vliegtuig naar Oekraïne niet mogelijk is, de landsgrenzen met EU-lidstaten open zijn en eiser op die manier terug kan reizen naar de westelijke delen van Oekraïne. De rechtbank leest dit ook in de door verweerder aangehaalde landeninformatie. Eiser heeft ook geen landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat hij niet op veilige en wettelijke wijze kan reizen naar en zich toegang kan verschaffen tot de westelijke delen van Oekraïne.
Gegronde vrees voor vervolging/ernstige schade in het aangewezen gebied
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar de westelijke delen van Oekraïne geen gegronde vrees heeft voor vervolging of risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 EVRM.
De rechtbank overweegt hierbij allereerst dat verweerder zich – in dit verband – ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Oekraïne gemobiliseerd zal worden zonder een kans te krijgen om dienst te weigeren. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de bewijslast of er voor eiser een binnenlands beschermingsalternatief is, op verweerder rust. Uit de door eiser overgelegde landeninformatie van TOELT volgt dat mannen vanaf 25 jaar gemobiliseerd kunnen worden en dat er gedwongen mobilisatie voorkomt, bijvoorbeeld door op straat mannen aan te houden en mee te nemen naar het militair commissariaat. Ook volgt uit de landeninformatie van TOELT dat de Oekraïense ombudsman in maart 2025 heeft geconstateerd dat er sprake is van systematische en wijdverbreide schendingen van mensenrechten door Oekraïense militaire wervingsfunctionarissen. Deze schendingen betreffen fysiek geweld, het weigeren van een advocaat, mobilisatie van invalide personen, en meer. Verweerder heeft hier geen landeninformatie tegenovergesteld. Daarnaast heeft eiser informatie overgelegd waaruit volgt dat het afgelopen jaar het aantal Russische aanvallen in het westen van Oekraïne is toegenomen, waarbij burgerslachtoffers zijn gevallen. UNCHR concludeert in een bericht van november 2025 dat geen enkel deel van het land als veilig kan worden beschouwd. Weliswaar volgt uit het rapport van TOELT dat de meeste burgerdoden in de bezette gebieden vallen, maar uit diezelfde informatie blijkt ook dat er een toename is van aanvallen in de westelijke oblasten. Gelet op het voorgaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser in het beschermingsalternatief geen reëel risico loopt op ernstige schade.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van het binnenlands beschermingsalternatief niet voldoende heeft gemotiveerd dat er sprake is van toegankelijke, doeltreffende en duurzame bescherming in de westelijke delen van Oekraïne en dat eiser daar in zijn basisbehoeften kan voorzien, zoals is bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Kwalificatieverordening. Verweerder neemt in zijn aanvullende reactie van 30 juli 2026 het standpunt in dat uit de overgelegde informatie van TOELT niet volgt dat eiser als volwassen Oekraïense man op voorhand geen toegang kan krijgen tot basisvoorzieningen in de westelijke oblasten. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Zij wijst er daarbij allereerst op dat eiser terug zal keren naar Oekraïne als binnenlands ontheemde. Uit de landeninformatie van TOELT volgt onder andere dat binnenlands ontheemden gebrek ervaren aan onder meer medicijnen, powerbanks/generatoren, eten, accommodatie, kleding, gezondheidszorg en toiletartikelen. Slechts 11% van de bevraagde binnenlands ontheemden geeft aan nergens tekort aan te hebben. Verder volgt uit de landeninformatie van TOELT dat er begin 2026 10,8 miljoen inwoners van Oekraïne humanitaire hulp nodig hadden en dat er sinds oktober 2025 dagelijks aanvallen door Rusland worden uitgevoerd op de energie-infrastructuur en dat deze aanvallen door het hele land plaatsvonden, waardoor veel mensen zonder stroom, water en verwarming zitten of zeer beperkt toegang hebben tot stroom en verwarming. Verweerder stelt zich op het standpunt dat daar tegenover staat dat de TOELT-rapportage ook vermeldt dat Oekraïne een regeling kent voor binnenlands ontheemden voor financiële hulp, hulp bij het zoeken naar woonruimte, toegang tot gezondheidszorg en onderwijs en dat tijdelijke opvang wordt geregeld door lokale overheden, ngo’s en vrijwilligers en dat hulp beschikbaar is via onder meer e-dopomoga, Diia, het UNHCR, het Rode Kruis en Unicef.
De rechtbank is van oordeel dat, hoewel hieruit volgt dat er initiatieven zijn om ontheemden hulp te bieden, dit onverlet laat dat uit de door eiser overgelegde bronnen blijkt dat er sprake is van tekorten in basisvoorzieningen voor binnenlands ontheemden. Daaruit volgt dat het sociale stelsel van Oekraïne moeite heeft om de vier miljoen binnenlands ontheemden te ondersteunen, waardoor men in toenemende mate is aangewezen op ngo’s en lokale initiatieven. De regering en gemeenten hebben ook moeite om sociale huisvesting te bieden. Ook blijkt uit informatie van eiser dat het afgelopen jaar meer aanvallen plaatsvonden in het westen van Oekraïne, waarbij naast burgerslachtoffers, grote schade is aangericht aan kritieke infrastructuur zoals energievoorzieningen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit onvoldoende betrokken bij het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief.
Nu de rechtbank tot het oordeel komt dat verweerder de beoordeling van het binnenlands beschermingsalternatief op meerdere punten niet deugdelijk heeft gemotiveerd en het bestreden besluit reeds daarom niet in stand kan blijven, zal de rechtbank de beroepsgrond gericht tegen de 15c-beoordeling niet bespreken.
Heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor een reguliere vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM?
Eiser heeft een relatie met een Nederlandse vrouw. Hij voert aan dat de belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen. Hij wijst er onder andere op dat de omstandigheid dat hij geen strafrechtelijke antecedenten heeft in zijn voordeel zou moeten worden meegewogen. Verder moet bij het economisch belang worden betrokken dat eiser heeft aangetoond een vast inkomen te hebben.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een reguliere vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Zij kan de motivering van verweerder met betrekking tot de belangenafweging op meerdere punten niet volgen.
De rechtbank wijst er allereerst op dat verweerder geen gewicht heeft toegekend aan de belangen van eiser en de belangen van de Nederlandse staat in de belangenafweging. Nu het onduidelijk is welk gewicht er is toegekend aan de belangen, kan de rechtbank niet beoordelen of verweerder het standpunt heeft kunnen innemen dat de belangenafweging resulteert in een ‘fair balance’ tussen het belang van de uitoefening van het gezinsleven van eiser in Nederland en het Nederlands algemeen belang.
Verder overweegt de rechtbank ook dat verweerder de belangen van de Nederlandse staat niet op een inzichtelijke manier heeft gemotiveerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit een opsomming gemaakt van de belangen van de Nederlandse staat. Verweerder benoemt onder andere als belang ‘openbare orde’ met als motivering ‘U bent geen gevaar voor de openbare orde, u heeft namelijk geen antecedenten’. Het is de rechtbank onduidelijk waarom dit – gelet op deze motivering – wordt genoemd als belang van de Nederlandse staat. Verder heeft verweerder in die opsomming ook ‘economisch belang’ genoemd als belang. Hij erkent dat eiser een vast inkomen heeft en zichzelf hiermee kan onderhouden, maar concludeert dat deze omstandigheden niet betekenen dat eiser recht heeft op bescherming van zijn privéleven in Nederland, omdat deze omstandigheden niet betekenen dat hij daardoor aan Nederland is gebonden. De rechtbank overweegt dat het onduidelijk is waarom het economisch belang in dit geval een belang van de Nederlandse staat is, nu verweerder hierbij juist benoemt dat eiser een vast inkomen heeft en zichzelf daarmee kan onderhouden. Tot slot benoemt verweerder ook als belang ‘reguliere voorwaarden’ met als motivering ‘Indien u verblijf bij uw partner beoogt, kan u hier een reguliere aanvraag voor indienen, waarbij beoordeeld zal worden of u aan deze voorwaarden voldoet.’. Ook voor dit belang geldt dat het de rechtbank onduidelijk is waarom dit een belang is van de Nederlandse staat.
Conclusie en gevolgen
Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag, is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, is gegrond omdat het bestreden besluit op meerdere punten in strijd is met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:30926, Rechtbank Den Haag, NL25.15045.
12-10-2026, Rb Zwolle, beroep gegrond [Griekse statushouders; landeninformatie; zelfredzaameid]
Reden signalering:
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit de meest recente landeninformatie uit het rapport van RSA van 27 april 2026 en het rapport van AIDA van 23 juli 2026 niet heeft meegewogen. Uit deze landeninformatie leidt de rechtbank af dat de problematiek voor Griekse statushouders niet is afgenomen ondanks de inspanningen die door de overheid zijn gedaan. De rechtbank is van oordeel dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
Eiser heeft op 6 juli 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 augustus 2026 deze aanvraag in de versnelde asielprocedure niet-ontvankelijk verklaard. Eisers asielaanvraag is niet-ontvankelijk, omdat hij internationale bescherming heeft in een ander land van de Europese Unie. Eiser heeft namelijk sinds 29 juni 2026 internationale bescherming in Griekenland. Eiser heeft dit tijdens het nader gehoor bevestigd. Van een intrekking van de status is niet gebleken. Ook heeft eiser een band met Griekenland, hij heeft daar namelijk een asielstatus.
Eiser voert aan dat de beoordeling en de motivering in het bestreden besluit of sprake is van een situatie die in strijd is met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest, onvoldoende is gekoppeld aan de individuele en feitelijke situatie van eiser. Volgens eiser verkeerde hij in een toestand van materiële deprivatie. Eiser betoogt met verwijzing naar landeninformatie, dat na het verlenen van de status geen aanspraak meer kan worden gemaakt op materiële voorzieningen. Ook terugkerende statushouders, zoals eiser, komen voor huisvesting en toeslagen niet meer in aanmerking. Met verwijzing naar landeninformatie stelt eiser dat de omstandigheden voor statushouders die terugkeren naar Griekenland nog steeds erbarmelijk zijn en volgens eiser de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim halen.
Verder stelt eiser dat hij niet kan worden aangemerkt als zelfredzaam. Hij kan zich namelijk niet handhaven in Griekenland.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning kan niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Het uitgangspunt is dat de minister daarbij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is dan aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen. Voor Griekenland ligt dit echter anders. Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1626) volgt dat er grote zorgen bestaan over de situatie van terugkerende statushouders in Griekenland. De Afdeling heeft daarom geoordeeld dat de minister niet zonder meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en kan concluderen dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer in Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken. De minister moet daarom motiveren dat Griekse statushouders bij terugkeer naar Griekenland niet terechtkomen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021 heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht. In vervolg daarop heeft de minister in IB 2022/84 een vaste gedragslijn neergelegd op grond waarvan hij kon oordelen of in voorkomend geval een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kon worden verklaard. IB 2022/84 is uiteindelijk vervangen door IB 2024/31, IB 2025/20 en IB 2026/1. Volgens IB 2024/31 kon een asielaanvraag slechts niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling een verblijfsvergunning, een belastingnummer en een sociaalzekerheidsnummer had. Ook was vereist dat de vreemdeling in Griekenland onderdak en voorzieningen had en deze opnieuw kon verkrijgen. Dit is in IB 2026/1 losgelaten. Een asielaanvraag van een Griekse statushouder kan niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd. Een vreemdeling wordt zelfredzaam geacht als hij een volwassen, alleenstaande man is die niet kwetsbaar is en beschikt over een geldige verblijfsvergunning.
Recent (op 25 augustus 2026) is een nieuw informatiebericht verschenen, namelijk IB 2026/31. Dit nieuwe informatiebericht bevat een uitbreiding van de criteria zoals benoemd in IB 2026/1, maar geen wijziging ten opzichte van het voorgaande zelfredzaamheidscriterium.
In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat eiser zelfredzaam is. Volgens de minister blijkt namelijk uit landeninformatie dat eiser niet zal terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie bij terugkeer naar Griekenland, omdat het voor hem niet onmogelijk is om daar in zijn basisbehoeften te voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister hiermee een te zware eis aan eiser. Een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, zoals bedoeld in het arrest Ibrahim, is namelijk wezenlijk anders dan een situatie waarin het niet onmogelijk is om in de basisbehoeften te voorzien.
Als onderbouwing voor het standpunt dat eiser niet in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt heeft de minister gewezen op informatie waaruit volgt dat zowel de overheid als veel NGO’s actief zijn om statushouders te ondersteunen, dat het mogelijk is om onderdak te verkrijgen en dat de situatie op de arbeidsmarkt is verbeterd. De minister heeft desgevraagd echter niet toegelicht op grond van welke concrete informatie sprake is van een verbetering ten opzichte van de situatie voor Griekse statushouders in 2021.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit de meest recente landeninformatie uit het rapport van RSA van 27 april 2026 en het rapport van AIDA van 23 juli 2026 niet heeft meegewogen. Uit deze landeninformatie leidt de rechtbank af dat de problematiek voor Griekse statushouders niet is afgenomen ondanks de inspanningen die door de overheid zijn gedaan. Statushouders lopen volgens het rapport van AIDA nog steeds een direct en ernstig risico te worden blootgesteld aan omstandigheden van materiële deprivatie, zonder toegang tot basisvoorzieningen en zonder de noodzakelijke documenten om hun integratie te starten. Uit het RSA-rapport volgt dat de toegang van statushouders tot essentiële rechten en hun contacten met overheidsinstanties in Griekenland afhankelijk is van het bezit van documenten, waarbij het bezit van het ene document voorwaarde voor het verkrijgen van het andere document is of waarbij het voldoen aan voorwaarden vrijwel onmogelijk is. Zo is een sociaalzekerheidsnummer (AMKA) nodig is om toegang te hebben tot zorg en voorzieningen, tot de arbeidsmarkt en voor het aanvragen van steunprogramma’s, maar kan dat nummer niet worden verkregen zonder een bewijs van tewerkstelling. Vaststaat dat eiser niet meer beschikt over zijn verblijfsdocument nu hij dat heeft weggemaakt. De minister stelt zich op het standpunt dat het niet noodzakelijk is dat eiser daadwerkelijk over zijn Griekse verblijfsdocument beschikt, omdat hij een vervangend document kan aanvragen in Griekenland. De rechtbank is van oordeel dat de minister daar ten onrechte niet bij heeft betrokken dat het voor terugkerende statushouders, die niet meer in het bezit zijn van hun Griekse verblijfsvergunning (ADET), maanden kan duren voordat deze opnieuw wordt afgegeven. Als gevolg daarvan kan de statushouder geen belastingnummer (AFM) en sociaalzekerheidsnummer (AMKA) verkrijgen waardoor er ook geen toegang is tot huisvesting, sociale voorzieningen, zorg en arbeid. Het standpunt van de minister dat eiser in dat geval zwart werk kan verrichten als dit een inkomen verschaft en via zijn netwerk of op illegale wijze woonruimte kan verkrijgen, volgt de rechtbank niet.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
De minister heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal zij de overige gronden onbesproken laten.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:30185, Rechtbank Den Haag, NL26.49293.
15-10-2026, Rb Amsterdam, beroep gegrond [Griekse statushouders; verouderd beleid toegepast; leefomstandigheden in Griekenland]
Reden signalering:
Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister IB 2026/1 heeft toegepast. Op het moment van beslissen, was IB 2026/1 niet meer van toepassing. Want per 25 augustus 2026 is IB 2026/1 vervangen door IB 2026/31. De minister heeft, door het niet juist toepassen van het beleid, het besluit onzorgvuldig voorbereid. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser onvoldoende zorgvuldig is gehoord. Tijdens het nader gehoor is eiser ook uitgebreid bevraagd over zijn asielrelaas. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze wijze van horen onvoldoende duidelijk dat de minister voornemens was zijn aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren en eiser terug te sturen naar Griekenland. Daarnaast is eiser weliswaar bevraagd over de omstandigheden waaronder hij in Griekenland geleefd heeft, maar er is niet expliciet gevraagd naar omstandigheden die maken dat eiser niet teruggestuurd zou kunnen worden. Er is ook niet doorgevraagd op de situatie van eiser in Griekenland.
De minister heeft met het bestreden besluit van 6 augustus 2026 de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser al internationale bescherming is verleend in Griekenland. De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het beroep op 17 september 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld.
Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is onder meer de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, gaat over het overgangsrecht wat betreft afdoeningsgronden. Op grond van dit artikel zijn de artikelen van de Vw 2000 en het Vb 2000 zoals deze golden tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing, omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vw 2000 en het Vb 2000 dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.
Heeft verweerder het juiste beleid toegepast?
Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister IB 2026/1 heeft toegepast. Op het moment van beslissen, was IB 2026/1 niet meer van toepassing. Want per 25 augustus 2026 is IB 2026/1 vervangen door IB 2026/31. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat IB 2026/31 een uitwerking is van IB 2026/1. De rechtbank volgt deze toelichting niet. In IB 2026/31 staat namelijk expliciet vermeld: ‘Dit IB vervangt IB 2026/1. Dit IB is zowel van toepassing op aanvragen van voor 12 juni 2026 als aanvragen van na die datum.’ Daarnaast verschilt IB 2026/31 op inhoudelijk en tekstueel niveau van IB 2026/1. Zo stelt IB 2026/1 als voorwaarde voor zelfredzaam dat de vreemdeling ‘niet kwetsbaar’ is, terwijl IB 2026/31 als voorwaarde stelt dat er ‘geen sprake is van omstandigheden die de zelfredzaamheid van de vreemdeling (significant) belemmeren’. Daarnaast wordt in IB 2026/31 als voorwaarde gesteld dat de vreemdeling geacht kan worden ‘zich gedurende de aanvraag periode voor een verlenging van de verblijfsvergunning in Griekenland zonder geldige vergunning staande te houden’, een voorwaarde die in IB 2026/1 niet expliciet gesteld wordt. Ook ten aanzien van het horen van de vreemdeling verschillen IB 2026/1 en 2026/31 van elkaar. De minister heeft, door het niet juist toepassen van het beleid, het besluit onzorgvuldig voorbereid. In zoverre is het beroep gegrond. In het kader van de finale geschilbeslechting en omdat de rechtbank de bevoegdheid heeft om, als zij van oordeel is dat zij beschikt over alle feitelijke en juridische gegevens een bindende uitspraak kan doen over het verzoek om internationale bescherming, zal de rechtbank ook inhoudelijk toetsen.
Is het gehoor zorgvuldig afgenomen?
Eiser voert aan dat het gehoor niet zorgvuldig is afgenomen. Hij is tijdens het gehoor namelijk onvoldoende bevraagd op omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van eisers zelfredzaamheid in Griekenland.
De rechtbank overweegt dat uit zowel IB 2026/1, waar de minister aan heeft getoetst, als uit IB 2026/31, dat van toepassing is, volgt dat moet worden doorgevraagd op de situatie in Griekenland na vergunningverlening, omdat dit iets zegt over de vraag of de vreemdeling zich zelfstandig heeft kunnen handhaven. Verder moet worden gevraagd naar de reden van vertrek uit Griekenland.
De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende zorgvuldig is gehoord. De rechtbank overweegt dat eiser tijdens het nader gehoor is medegedeeld dat het nader gehoor diende om eisers asielrelaas en de redenen voor zijn vertrek uit zijn land van herkomst vast te stellen. Tijdens het nader gehoor is eiser ook uitgebreid bevraagd over zijn asielrelaas. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze wijze van horen onvoldoende duidelijk dat de minister voornemens was zijn aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren en eiser terug te sturen naar Griekenland. Daarnaast is eiser weliswaar bevraagd over de omstandigheden waaronder hij in Griekenland geleefd heeft, maar er is niet expliciet gevraagd naar omstandigheden die maken dat eiser niet teruggestuurd zou kunnen worden. Er is ook niet doorgevraagd op de situatie van eiser in Griekenland. Als eiser verklaart dat hij ongeveer vier à vijf maanden op straat heeft geleefd, wordt er verder niet doorgevraagd hoe eiser in die periode zichzelf staande heeft kunnen houden. Verderop in het nader gehoor wordt wel gevraagd waar eiser heeft verbleven in die tijd, maar wordt niet gevraagd hoe hij zichzelf heeft kunnen redden. Verder is er, in weerwil van IB 2026/31, niet gevraagd naar de reden van vertrek uit Griekenland. Ook is eiser niet gevraagd of hij bekend is met vluchtelingenhulporganisaties in Griekenland en of hij deze eerder heeft benaderd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser onvoldoende de mogelijkheid heeft gehad om alles naar voren te brengen wat relevant kan zijn voor de beoordeling of hij kan terugkeren naar Griekenland.
Deze beroepsgrond slaagt.
Komt eiser bij terugkeer terecht in een situatie als bedoeld in het arrest Ibrahim?
Eiser voert aan dat de minister het toetsingskader van het arrest Ibrahim niet goed heeft toegepast. De minister heeft namelijk niet aan de hand van de individuele omstandigheden van eiser onderzocht of eiser bij terugkeer terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. De minister heeft zich beperkt tot de algemene vaststelling dat eiser niet kwetsbaar is omdat hij een alleenstaande volwassen man is. Eiser wijst in dit kader ook op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 3 september 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:25628).
De rechtbank is van oordeel dat de minister het toetsingskader van Ibrahim niet goed heeft toegepast. De minister heeft namelijk niet kenbaar onderzocht of eiser bij terugkeer vanwege bijzondere kwetsbaarheid het risico loopt om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest doordat hij in een staat van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt, maar heeft zich beperkt tot de vaststelling dat eiser zelfredzaam is. Zoals hierboven genoemd heeft de Afdeling in dit kader al overwogen dat de Griekse autoriteiten in de praktijk vaak niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terechtkomen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften – zoals wonen, eten en zich wassen – en die dus in strijd is met artikel 4 van het Handvest. De rechtbank ziet dit terug in de verklaringen van eiser. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij opvang heeft gehad bij de moskee en ook enige tijd in een hotel heeft verbleven, maar hij heeft óók verklaard dat hij vier à vijf maanden op straat en in parken heeft geslapen. Dat betekent dat eiser meer dan de helft van zijn verblijf in Griekenland op straat heeft geleefd. De minister heeft dit niet kenbaar in het bestreden besluit betrokken. Daarnaast heeft eiser verklaard analfabeet te zijn, wat relevant is voor de beoordeling van het bestaan van bijzondere kwetsbaarheid. De minister heeft dit laatste ook niet kenbaar in het bestreden besluit betrokken.
Bij het verweerschrift heeft de minister een hogerberoepschrift ingediend tegen de uitspraak van zittingsplaats Haarlem. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat hieruit volgt dat de situatie in Griekenland verbeterd is en dat zelfredzame Griekse statushouders zich daar kunnen handhaven. De rechtbank is van oordeel dat de minister met dit hogerberoepschrift nog steeds niet goed gemotiveerd heeft dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 4 van het Handvest. De rechtbank legt dit hierna uit.
Het hogerberoepschrift gaat over de algemene situatie in Griekenland, terwijl de minister een individuele beoordeling dient te maken ten aanzien van de situatie van eiser. In het hogerberoepschrift wordt vastgesteld dat verbetering van de situatie van Griekse statushouders complex is en van vele factoren afhankelijk is, maar dat met name het beschikken over documenten en de inrichting van de bureaucratie een rol speelt hierin. Vervolgens wordt een aantal initiatieven genoemd die de toegang tot werkgelegenheid, de regelgeving en de wijze van verkrijging van documenten zouden moeten verbeteren. De genoemde initiatieven betreffen echter voornamelijk toekomstige, abstracte of onzekere ontwikkelingen (cursivering door de rechtbank):
“De Griekse Asieldienst zou momenteel werken aan een hervorming van de wetgeving die het mogelijk zou maken om aanvragen voor een ADET-verlenging via een speciaal online platform in te dienen. Ook wordt gewerkt aan het definiëren van specifieke standaarden voor deze certificaten (…). Statushouders zouden dit certificaat kunnen gebruiken bij het reactiveren van hun sociale zekerheidsnummer (…).”
“Er is meer bereidheid, zowel vanuit de politiek als vanuit het bedrijfsleven, om statushouders te laten integreren in de arbeidsmarkt en om hierin te investeren. Voormalig minister van Migratie en Asiel Dimitros Kairidis, aangesteld in juni 2023 en opgevolgd in juni 2024 door Nikolaos Panagiotopoulos, zou hier een belangrijke rol in spelen. De overheid werkte samen met UNHCR, IOM en ngo’s bij projecten bedoeld om de arbeidsintegratie van statushouders te bevorderen.”
“Bronnen benoemden enkele toekomstige wetwijzigingen – het kon echter nietworden geverifieerd wat de status was van de toekomstige wetswijzigingen enwanneer deze geïmplementeerd zouden worden:
- Verwachte wetswijziging voor wat betreft het aantal dagen die een statushouder in een opvangfaciliteit mag verblijven na het verkrijgen van een status – dit zou gewijzigd worden van dertig naar zestig dagen.
- Veranderingen om de uitgifte van ADETs te versnellen en om de certificaten die statushouders ontvangen zodra hun aanvraag tot een ADET is geregistreerd uniform te maken en specifieke kenmerken toe te voegen, zoals een pasfoto.
- Er zouden plannen zijn om de termijn waarbinnen een statushouder zich moet aanmelden voor het HELIOS-programma te verlengen van twaalf naar vierentwintig maanden.”
De concrete initiatieven die genoemd worden in het hogerberoepschrift komen neer op het bestaan van “diverse” ngo’s die “werken aan de arbeidsintegratie van statushouders”, een “coverage- programma” waar onder andere statushouders een beroep op kunnen doen voor het verkrijgen van huisvesting, en het Helios+-programma, waar eiser niet onder valt omdat hij langer dan 24 maanden geleden zijn status heeft gekregen in Griekenland. De rechtbank is van oordeel dat ook deze concrete initiatieven onvoldoende onderbouwing bieden voor het standpunt dat eiser bij terugkeer niet vanwege bijzondere kwetsbaarheid in een situatie terecht zal komen als bedoeld in het arrest Ibrahim, gelet op wat de Afdeling heeft geoordeeld in haar uitspraken van 28 juli 2021 en eisers verklaringen. De minister zal een op eisers situatie toegespitste, individuele, beoordeling moeten maken of hij bij terugkeer naar Griekenland het risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd komt met artikel 4 van het Handvest en daarbij deze verklaringen van eiser moeten betrekken. Omdat de minister, zoals hierboven overwogen, eiser onvoldoende heeft gehoord over zijn situatie in Griekenland, zal de minister eiser eerst opnieuw moeten horen alvorens deze beoordeling te maken.
Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
De minister heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers aanvraag te nemen. De rechtbank overweegt hiertoe dat de rechtbank op dit moment niet beschikt over alle feitelijke en juridische gegevens. Eiser is een staatloze Palestijn uit Gaza en zou op die grond in aanmerking kunnen komen voor subsidiaire bescherming. Eiser heeft echter al internationale bescherming in Griekenland en, zoals hierboven overwogen, is onduidelijk hoe de situatie daar voor hem is en of eiser terug kan keren naar Griekenland. De rechtbank kan daardoor nu geen bindende uitspraak doen. De minister dient eiser dan ook eerst nader te horen over zijn situatie in Griekenland, de redenen voor zijn vertrek en een eventuele terugkeer naar Griekenland. Bij een eventueel nieuw te nemen besluit dient de minister ook het analfabetisme van eiser te betrekken en wat dat betekent voor de vraag of eiser in een situatie van materiele deprivatie terecht zal komen bij terugkeer naar Griekenland.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:30742, Rechtbank Den Haag, NL26.46181 en NL26.46182.
20-10-2026, Rb Middelburg, beroep ongegrond [Griekse statushouders; zelfredzaamheid]
Reden signalering:
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van eiser kan worden verwacht dat hij bij terugkeer naar Griekenland zelfredzaam is. De praktische en bureaucratische hordes die eiser zal moeten nemen om zijn rechten in Griekenland te effectueren zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van die aard dat eiser een reëel risico loopt om in een situatie van verregaande materiële deprivatie terecht te komen die een schending van artikel 3 EVRM of artikel 4 van het Handvest opleveren. Dat sommige (aanvraag)procedures anders zijn ingericht voor Grieken en andere EU-burgers dan voor statushouders, betekent nog niet dat zij anders worden behandeld zoals bedoeld in het arrest Ibrahim.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag met het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser al internationale bescherming heeft in Griekenland. Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan de vaste gedragslijn die is vastgelegd in Informatiebericht (IB) 2026/31. Omdat eiser een gezonde, volwassen man is, zonder meereizende gezinsleden, beschouwt verweerder hem als zelfredzaam en niet-kwetsbaar. Het is voor hem daarom niet onmogelijk om bij terugkeer naar Griekenland in zijn basisbehoeften te voorzien. De hoge drempel voor schending van artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest wordt in zijn geval niet gehaald.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan eiser een vluchtelingenstatus is verleend in Griekenland. Ook is niet in geschil dat de situatie voor statushouders in Griekenland vaak moeilijker is dan in Nederland. Verweerder kan ook daarom niet zondermeer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Griekenland, maar moet op basis van een beoordeling van de individuele omstandigheden vaststellen of een vreemdeling zelfredzaam is of dreigt in een situatie van verregaande materiële deprivatie terecht te komen.
Verweerder heeft terecht gewezen op de jurisprudentie van het HvJEU waaruit blijkt dat voor statushouders zoals eiser de lat voor het aannemen van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest bijzonder hoog ligt: “het ontbreken van bestaansondersteunende voorzieningen of voorzieningen die duidelijk beperkter zijn dan die in andere lidstaten worden geboden, zonder dat zij evenwel anders worden behandeld dan de onderdanen van die lidstaat, kan alleen dan leiden tot de vaststelling dat de statushouder wordt blootgesteld aan een dergelijk risico, wanneer die omstandigheid tot gevolg heeft dat de statushouder vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie.” Uit het aangehaalde arrest van het EHRM volgt verder dat de situatie van statushouders onvermijdelijk leidt tot een situatie van ontbering, verlies, moeilijkheden en uitdagingen, voor wat betreft financiën, taal, administratieve procedures, huisvesting, en andere praktische zaken, maar dat het nog steeds op de weg van verzoekers ligt om te onderbouwen dat hun terugkeer naar de lidstaat die de status heeft verleend een situatie oplevert die een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM inhoudt.
In IB 2026/31 staat dat de aanvraag van een statushouder uit Griekenland alleen niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Als de statushouder een alleenstaande, meerderjarige man is, en er geen sprake is van omstandigheden die de zelfredzaamheid van de vreemdeling (significant) belemmeren, wordt de zelfredzaamheid aangenomen. De rechtbank acht deze door verweerder opgestelde gedragslijn, zoals weergegeven in IB 2026/31, niet onredelijk. Voor een goede beoordeling van het voorliggende beroep acht de rechtbank het niet nodig om de interne notities waar op sommige plaatsen in het informatiebericht naar wordt verwezen, op te vragen. De Europeesrechtelijke en nationale context geven voldoende inzicht om het informatiebericht te kunnen duiden en te beoordelen.
Eiser voldoet aan de in IB 2026/31 opgesomde voorwaarden voor het aannemen van zelfredzaamheid. Er is in geval van eiser niet gebleken van bijzondere elementen van kwetsbaarheid. Het gegeven dat hij alleen reist kan niet worden aangemerkt als bijzonder element van kwetsbaarheid. Ook uit het overleggen van een afsprakenbriefje met een huisarts volgt zonder verdere onderbouwing geen bijzondere kwetsbaarheid. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder het bestreden besluit terecht mede heeft gebaseerd op het korte verblijf van eiser in Griekenland, zijn beperkte pogingen om aan werk of huisvesting te komen en zijn verklaringen dat hij geen fiscaal nummer heeft aangevraagd en geen beroep heeft gedaan op de hulporganisaties in Griekenland. Uit de verklaringen van eiser is evenmin gebleken dat hem in Griekenland medisch noodzakelijke hulp is geweigerd. Dat de wachttijden voor niet spoedeisende hulp soms lang kunnen zijn, betekent niet dat hij geen toegang heeft kunnen krijgen tot medische voorzieningen.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van eiser kan worden verwacht dat hij bij terugkeer naar Griekenland zelfredzaam is. De praktische en bureaucratische hordes die eiser zal moeten nemen om zijn rechten in Griekenland te effectueren zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van die aard dat eiser een reëel risico loopt om in een situatie van verregaande materiële deprivatie terecht te komen die een schending van artikel 3 EVRM of artikel 4 van het Handvest opleveren. Dat sommige (aanvraag)procedures anders zijn ingericht voor Grieken en andere EU-burgers dan voor statushouders, betekent nog niet dat zij anders worden behandeld zoals bedoeld in het arrest Ibrahim. Het bestreden besluit is voldoende gemotiveerd.
Conclusie
Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:30895, Rechtbank Den Haag, NL26.55583.
01-10-2026, Rb Amsterdam, beroep gegrond [Griekse statushouders; IB 2026/1; zelfredzaamheid; artikel 3 EVRM]
Reden signalering:
De rechtbank is van oordeel dat de minister met IB 2026/1 en de overige overgelegde stukken niet heeft onderbouwd dat sprake is van een structurele verbetering voor Griekse statushouders ten opzichte van de situatie in 2021. Evenmin is voldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
Eiser stelt de Palestijnse nationaliteit te hebben, afkomstig te zijn uit Gaza en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. Hij is Gaza in februari 2024 ontvlucht vanwege de oorlog. Zijn huis in Gaza is verwoest. Hij heeft op 13 oktober 2025 in Griekenland asiel aangevraagd. Die aanvraag is door de Griekse autoriteiten op 31 oktober 2025 ingewilligd. Aan eiser is een vluchtelingenstatus verleend, geldig tot en met 30 oktober 2028. Eiser heeft daarna twee maanden in Griekenland verbleven, waarna hij is doorgereisd naar Duitsland en vervolgens naar Nederland. Op 4 maart 2026 heeft hij asiel aangevraagd in Nederland.
Het bestreden besluit
De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat eiser in Griekenland internationale bescherming geniet. Uit Eurodac en informatie van de Griekse autoriteiten is gebleken dat eiser sinds 31 oktober 2025 internationale bescherming heeft in Griekenland. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser, gelet op zijn asielstatus in Griekenland, een zodanige band met Griekenland heeft dat het redelijk is dat hij daarheen terugkeert. De minister verwacht dat eiser in Griekenland in zijn meest basale behoeftes kan voorzien, desnoods via steun van derde partijen zoals ngo's. Daarnaast neemt de minister aan dat eiser zelfredzaam is in Griekenland, omdat hij daar een geldige verblijfsvergunning heeft, hij zelfstandig huisvesting heeft kunnen vinden en hij niet kwetsbaar is. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem onmogelijk is om te kunnen werken. Eiser zal bij terugkeer naar Griekenland dan ook niet terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. De minister heeft eiser het bevel gegeven om onmiddellijk naar het grondgebied van Griekenland te gaan.
Eiser is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag en voert daartoe het volgende aan. Allereerst heeft de minister niet gemotiveerd dat de situatie voor statushouders in Griekenland is verbeterd sinds de uitspraken van de Afdeling5 van 28 juli 20216. De omstandigheden voor statushouders die terugkeren naar Griekenland zijn nog steeds erbarmelijk en halen volgens eiser de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim7. Ter onderbouwing van deze problemen en de positie van statushouders in Griekenland, verwijst eiser naar een recent rapport van Refugee Support Aegean (RSA) en Stiftung PRO ASYL8 en naar het meest recente AIDA9-rapport10. Eiser had in Griekenland geen woning, geen werk, geen Grieks belastingnummer, geen toegang tot medische voorzieningen en geen financiële ondersteuning. Terugkeer naar Griekenland is volgens eiser dan ook in strijd met artikel 3 van het EVRM. Ten onrechte gaat de minister ten aanzien van Griekenland daarom uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Het juridische kader
Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is onder meer de Vw 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vw 2000 en het Vb 2000 zoals deze golden tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vw 2000 en het
Vb 2000 dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Het uitgangspunt hierbij is in het algemeen dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in een lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag11 en het EVRM (het zogenoemd interstatelijk vertrouwensbeginsel). Het is dan in beginsel aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen.
Uit het arrest Ibrahim van het Hof volgt dat de lidstaten van de bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren geen gebruik kunnen maken als de vreemdeling, bij terugkeer naar de lidstaat die hem internationale bescherming heeft geboden, het risico loopt om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. In het arrest heeft het Hof overwogen dat, ondanks het uitgangspunt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet kan worden uitgesloten dat statushouders in een lidstaat het risico lopen om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. De tekortkomingen vallen alleen onder artikel 4 van het Handvest als ze een ‘bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid’ bereiken. Deze drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften en waardoor zijn gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 28 juli 2021 geoordeeld dat de minister ten aanzien van Griekenland niet zonder meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Meer concreet kan de minister er niet zonder meer van uitgaan dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer in Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken. In die uitspraken is vermeld dat een Griekse wetswijziging van maart 2020 (onder andere) tot gevolg heeft dat terugkerende statushouders niet meer in aanmerking komen voor huisvesting en toelagen, en dat de druk op voorzieningen voor statushouders is toegenomen. Hierdoor zijn duizenden statushouders dakloos geworden. Daarnaast moeten terugkerende statushouders die niet meer in het bezit zijn van hun Griekse verblijfsvergunning (ADET) maanden wachten tot deze opnieuw wordt afgegeven, waardoor zij geen belastingnummer (AFM) en geen sociaalzekerheidsnummer (AMKA) kunnen bemachtigen. Dit bemoeilijkt vervolgens de toegang tot huisvesting, sociale voorzieningen, zorg en de arbeidsmarkt. De Afdeling heeft overwogen dat de Griekse autoriteiten weliswaar niet onverschillig staan tegenover de situatie van statushouders, maar dat zij in de praktijk vaak niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terechtkomen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen.
Naar aanleiding van deze uitspraken van de Afdeling heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht. Op 24 juni 2022 is het eerste ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding van dit feitenonderzoek heeft de minister in IB 2022/8412 een vaste gedragslijn neergelegd op grond waarvan hij kon beoordelen of in voorkomend geval een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kon worden verklaard. IB 2022/84 is op 15 mei 2024 vervangen door IB 2024/31. Op 3 september 2024 is het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding hiervan heeft de minister op 12 mei 2025 IB 2024/31 vervangen door IB 2025/20. Dit IB is uiteindelijk vervangen door IB 2026/1 en IB 2026/31.
Volgens IB 2024/31 kon een asielaanvraag slechts niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling een verblijfsvergunning, een belastingnummer en een sociaalzekerheidsnummer had. Ook was vereist dat de vreemdeling in Griekenland onderdak en voorzieningen had en deze opnieuw kon verkrijgen. Dit is in IB 2026/1, het IB dat de minister in de zaak van eiser heeft toegepast, losgelaten. Een asielaanvraag van een Griekse statushouder kan nu niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd. Een vreemdeling wordt zelfredzaam geacht als hij een volwassen, alleenstaande man is die niet kwetsbaar is en beschikt over een geldige verblijfsvergunning.
Internationale bescherming in Griekenland
De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de Griekse autoriteiten aan eiser een vluchtelingenstatus hebben verleend en dat eisers Griekse asielvergunning een geldigheidsduur heeft van 31 oktober 2025 tot en met 30 oktober 2028. Het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de stukken in het dossier, zodat daarvan kan worden uitgegaan.
Zorgvuldigheid van het gehoor
In de aanvullende gronden heeft eiser aangevoerd dat het gehoor niet zorgvuldig is geweest omdat er een nader gehoor heeft plaatsgevonden en geen ‘gehoor bescherming EU’ zoals is vereist volgens IB 2026/1. Eiser heeft daardoor onvoldoende naar voren kunnen brengen over de situatie in Griekenland.
Naar het oordeel van de rechtbank is het gehoor zorgvuldig geweest. Weliswaar heeft het verslag de titel ‘nader gehoor’, maar uit het verslag van het gehoor blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister voldoende heeft doorgevraagd naar de situatie in Griekenland. Zo is door de hoormedewerker gevraagd naar eisers verblijfsstatus in Griekenland, de documenten, zijn ervaringen in Griekenland en of hij daar ondersteuning heeft gekregen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiser meermaals in de gelegenheid is gesteld om dat wat volgens hem niet tijdens het gehoor naar voren is gekomen alsnog aan te vullen. Zo heeft eiser correcties en aanvullingen kunnen indienen, en dit ook gedaan. Ook heeft eiser in beroep en ter zitting geen concrete punten aangevoerd die hij niet tijdens het gehoor naar voren zou hebben kunnen brengen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Terugkeer naar Griekenland en artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet in een situatie terechtkomt die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
De rechtbank stelt voorop dat in IB 2026/1 is vermeld dat het informatiebericht is gebaseerd op het tweede feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland van september 2024, dat is verricht naar aanleiding van de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021. Ook wordt verwezen naar de mededeling van de Europese Commissie van 4 april 2025 over migratiebeheer op het Griekse vasteland en de positie van statushouders. Daarnaast bevat IB 2026/1 het uitgangspunt dat een aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd. Daarbij wordt uitgegaan van een niet kwetsbare, volwassen en alleenstaande man met een geldige Griekse verblijfsvergunning. Het is niet noodzakelijk dat de documenten daadwerkelijk kunnen worden overgelegd; als zij zijn verloren, kunnen in Griekenland vervangende documenten worden aangevraagd.
Allereerst overweegt de rechtbank dat uit IB 2026/1 en het bestreden besluit niet blijkt dat de situatie in Griekenland voor statushouders daadwerkelijk is verbeterd sinds 2021. De minister heeft weliswaar verwezen naar het tweede feitenonderzoek van september 2024 en naar de mededeling van de Europese Commissie van 4 april 2025, maar heeft desgevraagd niet concreet toegelicht op grond van welke informatie sprake zou zijn van een structurele verbetering ten opzichte van de situatie in 2021. Integendeel, uit het tweede feitenonderzoek volgt dat er nog steeds grote problemen zijn voor Griekse statushouders en dat mogelijk zelfs sprake is van een verslechtering. Ook uit dit tweede verslag feitenonderzoek blijkt, net als uit het eerste verslag feitenonderzoek en uit de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021, dat het vinden van huisvesting/onderdak voor terugkerende statushouders zeer problematisch is, dat statushouders die niet beschikken over hun ADET, AMKA of AFM geen toegang hebben tot sociale uitkeringen, werk, gezondheidszorg en huisvesting, dat de wachttijden voor het opnieuw aanvragen van die documenten lang (maanden tot meer dan één jaar) zijn en dat veel terugkerende statushouders uiteindelijk in dakloosheid of illegale huisvesting terecht komen. Meer concreet blijkt uit het tweede verslag dat voor het verkrijgen van een sociaal zekerheidsnummer (AMKA) inmiddels (sinds april 2024) een arbeidscontract of werkgeversverklaring is vereist. Dit is een extra complicatie voor het verkrijgen van documenten. Ook meldt het feitenrapport dat het vinden van onderdak via HELIOS binnen twaalf maanden na het verlenen van het eerste verblijfsrecht moet geschieden, vanuit de asiel-opvanglocatie, en dat de meeste terugkerende statushouders niet aan deze toelatingseisen voldoen. Ook als de terugkerende statushouders genoeg financiële middelen hadden om huur te betalen, resulteerden de wachttijden voor de juiste verblijfsdocumenten, administratieve procedures en de moeilijkheid om aan werk of een uitkering te komen later alsnog in dakloosheid of in informele huisvesting.
Ook de verwijzing naar het HELIOS+ programma leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel de Europese Commissie in haar mededeling van 4 april 2025 wijst op dit programma, dat begin 2025 is gestart en is gericht op integratie van statushouders in Griekenland door huursubsidie, taaltraining en ondersteuning bij werk, blijkt uit het door eiser overgelegde rapport van RSA en Stiftung PRO ASYL van april 2026 dat de schaal van het programma ver achterblijft bij de werkelijke behoeften. Zo heeft het HELIOS+ programma een doelstelling van 4.323 statushouders per jaar terwijl de Griekse autoriteiten vorig jaar al 134.576 asielaanvragen hebben ingewilligd. Daarnaast blijkt uit dit rapport dat HELIOS+ geen huisvesting biedt maar alleen huursubsidie en dat daaraan strenge voorwaarden zijn verbonden. De huursubsidie is alleen beschikbaar voor werklozen aan wie niet eerder dan 24 maanden voor de inschrijving internationale of tijdelijke bescherming is verleend. Ook wordt in dat rapport gewezen op het risico dat dakloosheid en extreme onzekerheid vrijwel onvermijdelijke gevolgen zijn van uitzetting van statushouders naar Griekenland.
Naast de verwijzing naar de twee hierboven genoemde verslagen van onderzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 2022 en 2024, heeft de minister in het verweerschrift nog aanvullend verwezen naar de Update 2023 en Update 2024 van AIDA. Volgens de minister blijkt daaruit dat de overheid en veel ngo’s actief zijn om statushouders te ondersteunen, dat het mogelijk is om onderdak te verkrijgen en dat de situatie op de arbeidsmarkt is verbeterd. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De stukken dateren van een aantal jaren geleden. Uit het rapport van RSA en Stiftung PRO ASYL van 27 april 2026 en het rapport van AIDA van 23 juli 2026 (Update 2025), waar eiser naar heeft verwezen en die van recentere data zijn, blijkt dat de problematiek niet is afgenomen ondanks de inspanningen die zijn gedaan. Statushouders lopen volgens het rapport van AIDA zelfs nog steeds een direct en ernstig risico te worden blootgesteld aan omstandigheden van materiële deprivatie, zonder toegang tot basisvoorzieningen en zonder de noodzakelijke documenten om hun integratie te starten.
In het verweerschrift heeft de minister ter onderbouwing van zijn standpunt verder nog gewezen op twee uitspraken van het Duitse Hessischer Verwaltungsgerichtshof van 6 augustus 2024 en een uitspraak van het Duitse Bundesverwaltungsgericht van 23 oktober 2025. In die uitspraken heeft het Verwaltungsgerichtshof geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat alleenstaande, gezonde en arbeidsgeschikte mannelijke statushouders die naar Griekenland terugkeren, door structurele tekortkomingen in het Griekse opvangsysteem een reëel risico lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling. Wel erkent het hof dat het systeem aanzienlijke tekortkomingen heeft en dat terugkerende statushouders in de eerste zes maanden grote materiële problemen kunnen ondervinden, omdat zij weinig of geen steun krijgen bij huisvesting of werk. Volgens het hof wordt daarmee echter nog niet de hoge drempel van zeer verregaande materiële deprivatie bereikt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze uitspraak dat niet kan worden uitgesloten dat iemand in een situatie van materiële deprivatie terechtkomt. De omstandigheid dat voor teruggekeerde statushouders in Griekenland voor een periode van zes maanden grote materiële problemen kunnen ontstaan, bevestigt juist dat de situatie in Griekenland nog steeds zorgelijk is en maakt het oordeel in deze zaak niet anders.
Voor wat betreft de verwijzing van de minister naar de ontvankelijkheidsbeslissing van 7 juli 2026 van het EHRM in de zaak D.O. en L.A. tegen Zweden23, overweegt de rechtbank dat die zaak een individuele beoordeling van de ontvankelijkheid betrof, waarbij een rol speelde dat er financiële ondersteuning van familie aanwezig was. Het is in de situatie van eiser niet gebleken dat dat hier ook het geval is. Uit deze ontvankelijkheidsbeslissing kan dan ook niet worden afgeleid dat de situatie in Griekenland voor statushouders in het algemeen daadwerkelijk is verbeterd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister met IB 2026/1 en de overige overgelegde stukken niet heeft onderbouwd dat sprake is van een structurele verbetering voor Griekse statushouders ten opzichte van de situatie in 2021. Evenmin is voldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die in strijd is met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest.
Conclusie en gevolgen
De minister heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd.24 De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank de minister niet op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Deze zaak ging tot nu toe namelijk alleen over de ontvankelijkheid van de aanvraag van eiser en het is nu aan de minister een inhoudelijk besluit te nemen op de aanvraag. De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.25 De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:29057, Rechtbank Den Haag, NL26.46662 en NL26.46663.
07-10-2026, ABRvS, verwijzingsuitspraak [prejudiciële vragen; AMbV; beperking beroepsomvang; artikel 47 Handvest EU]
Reden signalering:
Deze verwijzingsuitspraak gaat over de uitleg van artikel 84, tweede lid, van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (EU) nr. 2024/1351, PB 2024, L 1351, gerectificeerd bij 2025/90929 (de Amb-verordening). Daarbij is de vraag of en, zo ja, wanneer artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening van toepassing is op beroepsprocedures over vóór 12 juni 2026 geregistreerde verzoeken om internationale bescherming, waarin de minister de verantwoordelijke lidstaat heeft bepaald aan de hand van de in Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening) neergelegde criteria. In het verlengde daarvan speelt een vraag over de uitleg en de geldigheid van de artikelen 84, tweede lid, en 85 en de in artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening neergelegde beperking van de beroepsomvang in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten (het EU Handvest).
Voorlopig oordeel van de Afdeling
De Afdeling is vooralsnog van oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel en het recht op effectieve rechtsbescherming dat is neergelegd in artikel 47 van het EU Handvest, gelet op artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening, zich ertegen verzetten dat de procedureregel in artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening onmiddellijke toepassing vindt in procedures waarin het verzoek om internationale bescherming voor 12 juni 2026 is geregistreerd en de minister de verantwoordelijke lidstaat dus heeft bepaald aan de hand van de in de Dublinverordening neergelegde criteria. De Afdeling licht dit hieronder toe.
Voor alle verzoeken die voor 12 juni 2026 zijn geregistreerd, geldt overeenkomstig het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening dat een lidstaat de verantwoordelijkheid moet bepalen op grond van de Dublinverordening. De Afdeling stelt vast dat uit de tekst van artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening niet valt af te leiden of voor de toepassing van dit artikellid relevant is dat het eerste verzoek om internationale bescherming is geregistreerd in een van de lidstaten of het verzoek om internationale bescherming is geregistreerd in de nu overdragende lidstaat. In deze zaak is zowel het verzoek in België als dat in Nederland geregistreerd voor 12 juni 2026, zodat het antwoord op deze vraag niet bepalend is voor de beoordeling.
Artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening heeft volgens de Afdeling niet alleen betekenis voor het antwoord op de vraag op grond van welk recht de minister na 12 juni 2026 de verantwoordelijke lidstaat moet bepalen. Artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening heeft volgens de Afdeling ook na 12 juni 2026 betekenis in lopende procedures in zaken over overdrachtsbesluiten. Naar het voorlopig oordeel van de Afdeling blijft in zaken waarin de lidstaat het verzoek om internationale bescherming voor 12 juni 2026 heeft geregistreerd, de Dublinverordening bepalend in rechterlijke procedures over de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. Een beperkte uitleg van het overgangsrecht die vervolgens in de weg staat aan de rechterlijke toetsing van de wijze waarop een lidstaat de verantwoordelijkheid heeft bepaald, lijkt in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en recht op effectieve rechtsbescherming. Naar het oordeel van de Afdeling is deze lezing in lijn met de rechtspraak van het Hof over artikel 47 van het EU Handvest, waaruit volgt dat een verzoeker als appellant in beroep tegen een overdrachtsbesluit moet kunnen aanvoeren dat een lidstaat de criteria voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat onjuist heeft toegepast (zie de arresten van het Hof van 7 juni 2016, Ghezelbash, ECLI:EU:C:2016:409, punten 30 tot en met 61, en Karim, ECLI:EU:C:2016:410, punten 20 tot en met 27).
Naar het voorlopig oordeel van de Afdeling is het daarbij niet relevant of de minister voor of na 12 juni 2026 een besluit op het verzoek om internationale bescherming heeft genomen, maar of de lidstaat het verzoek om internationale bescherming voor of na 12 juni 2026 heeft geregistreerd. De Afdeling acht het, mede in het licht van het gelijkheidsbeginsel, namelijk onwenselijk als de draagwijdte van het recht op beroep in lopende procedures over verzoeken die voor 12 juni 2026 zijn geregistreerd, afhankelijk zou worden van het verloop van de procedure, terwijl de Uniewetgever voor de overgangsrechtelijke bepaling in artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening uitdrukkelijk en uitsluitend aansluiting heeft gezocht bij de datum van registratie van het verzoek om internationale bescherming. De enkele omstandigheid dat een vreemdeling na 12 juni 2026 beroep aantekent tegen een overdrachtsbesluit is volgens de Afdeling om dezelfde reden niet bepalend, omdat dat moment op zijn beurt weer afhangt van de datum waarop de minister een besluit op het verzoek neemt.
De Afdeling kiest er daarom voor om, in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen in deze zaak, een ruime uitleg te geven aan de rechtsbescherming van vreemdelingen. Dat betekent dat zij in alle zaken over vóór 12 juni 2026 in Nederland geregistreerde verzoeken om internationale bescherming, waarin de minister de verantwoordelijke lidstaat overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening heeft bepaald aan de hand van de in de Dublinverordening neergelegde criteria, de draagwijdte van het beroep vaststelt op dezelfde manier als zij dat deed op grond van artikel 27 van de Dublinverordening en de bestaande rechtspraak daarover. De Afdeling zal bij haar beoordeling van uitspraken van de rechtbank in eerste aanleg toetsen of deze kunnen standhouden in het licht van deze ruime uitleg. De Afdeling begrijpt artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening in dat verband zo dat onder ‘vastgestelde criteria’ alle bepalingen uit de Dublinverordening vallen op grond waarvan een lidstaat zijn verantwoordelijkheid kan bepalen. Deze criteria zijn naar het voorlopig oordeel van de Afdeling dus niet beperkt tot de materiële criteria voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat uit hoofdstuk III van de Dublinverordening in het geval van overname, maar omvatten ook de bepalingen over terugname en de discretionaire en procedurele bepalingen, zoals de artikelen 17 en 29 van de Dublinverordening. De Afdeling wijst er, ter vergelijking, op dat enkele rechters in andere lidstaten dezelfde uitleg geven aan de omvang van artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening (zie onder meer de uitspraak van Verwaltungsgericht Aachen van 14 juli 2026, ECLI:DE:VGAC:2026:0714.4L490.26A.00).
Aanleiding voor de eerste en tweede prejudiciële vraag
De Afdeling stelt tegelijkertijd vast dat dit voorlopig oordeel mogelijk op gespannen voet staat met het Unierechtelijke uitgangspunt dat procedureregels geacht worden te gelden vanaf de datum waarop zij in werking treden en dus ook van toepassing zijn op alle lopende procedures (zie de arresten van het Hof van 12 november 1981, Meridionale Industria Salumi e.a., ECLI:EU:C:1981:270, punt 9, en 26 maart 2015,
Commissie/Moravia Gas Storage, ECLI:EU:C:2015:203, punt 33). Dat is niet het geval als een procedureregel gepaard gaat met bijzondere bepalingen die specifieke voorwaarden hierover vastleggen of wanneer het stadium waarin de desbetreffende procedure zich bevindt daartoe aanleiding geeft, omdat onmiddellijke toepassing betekent dat het artikel terugwerkende kracht krijgt (zie de arresten van het Hof van 6 maart 2025, FT tegen België, ECLI:EU:C:2025:141, punt 72, en 27 juni 2017, NC, ECLI:EU:C:2017:437, punten 35 tot en met 38). De Afdeling gaat daar hieronder nader op in. De Afdeling wijst er daarbij op dat enkele rechters in andere lidstaten uitgaan van de onmiddellijke werking van artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening, ook wanneer het gaat om verzoeken om internationale bescherming die voor 12 juni 2026 zijn geregistreerd (zie onder meer deze uitspraken van Oberverwaltungsgericht Mecklenburg-Vorpommern van 22 juni 2026, ECLI:DE:OVGMV:2026:0622, onder 19, Verwaltungsgericht Stuttgart van 3 augustus 2026, ECLI:DE:VGSTUTT:2026:0803.A13K6575.26.00, onder 20 tot en met 23, en het Oostenrijkse Bundesverwaltungsgericht van 2 juli 2026, ECLI:AT:BVWG:2026:W610.2345633.1.00, onder 1.2).
Volgens de hoofdregel van artikel 85 van de Amb-verordening heeft de verordening onmiddellijke werking vanaf 12 juni 2026. De Amb-verordening voorziet niet in een specifieke overgangsrechtelijke bepaling die regelt dat artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening geen onmiddellijke toepassing vindt. Gelet op de letterlijke bewoordingen van artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening valt artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening niet onder het toepassingsbereik van het daarin neergelegde overgangsrecht. Het artikellid heeft immers geen invloed op de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat door de bevoegde autoriteit, maar regelt slechts de draagwijdte van het recht op beroep dat tegen een overdrachtsbesluit openstaat.
Onmiddellijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening betekent in het geval van appellant verder strikt genomen niet dat het artikellid verboden terugwerkende kracht krijgt, omdat appellant zijn beroepsprocedure heeft ingeleid na 12 juni 2026. Daarmee doet zich niet een situatie voor waarin een eerder op grond van artikel 27 van de Dublinverordening verworven en toegepast recht alsnog wordt beperkt door de onmiddellijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening. Dat zou pas anders kunnen zijn in gevallen waarin het beroepschrift voor 12 juni 2026 is ingediend of de rechter voor die datum het onderzoek ter zitting heeft gesloten.
Aanleiding voor de derde prejudiciële vraag
Voor zover artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening wel van toepassing is, volgt de Afdeling, gelet op de letterlijke bewoordingen van dit artikellid, vooralsnog appellant niet in zijn betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het betoog dat Zweden niet de verantwoordelijke lidstaat is, buiten de draagwijdte van het rechtsmiddel in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Amb-verordening valt. Anders dan appellant betoogt, is de Afdeling voorlopig van oordeel dat de omstandigheid dat pas in de Nederlandse procedure aan het licht is gekomen dat de Belgische autoriteiten van de verkeerde informatie zijn uitgegaan, niet valt onder ‘omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening’ in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Amb-verordening. De omstandigheid dat de Zweedse autoriteiten de verblijfsvergunning van appellant hebben ingetrokken, heeft zich immers niet voorgedaan na het overdrachtsbesluit. Dat in de Belgische procedure niet in geschil was dat de Zweedse autoriteiten zijn verblijfsvergunning hebben ingetrokken per 17 februari 2023 en dat hij daartegen geen effectief rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden, maakt dit niet anders.
Als artikel 85, in combinatie gelezen met het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening zo moet worden uitgelegd dat de beperking van de rechterlijke toetsing op grond van artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening onmiddellijke werking heeft bij verzoeken die een lidstaat voor 12 juni 2026 heeft geregistreerd, rijst bij de Afdeling daarom in deze zaak de vraag of artikelen 84, tweede lid, en 85 van de Amb-verordening geldig zijn in het licht van het recht op effectieve rechtsbescherming op grond van artikel 47 van het EU Handvest.
Prejudiciële vragen
Gelet op alles wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, verzoekt de Afdeling het Hof om, bij wijze van prejudiciële beslissing, antwoord te geven op de volgende prejudiciële vragen:
- Eerste vraag
Moet artikel 84, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer, gerectificeerd bij 2025/90929, aldus worden uitgelegd dat met de "volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 vastgelegde criteria" uitsluitend de in hoofdstuk III van deze Verordening neergelegde materiële criteria worden bedoeld? Zo nee, welke bepalingen uit Verordening (EU) nr. 604/2013 worden daar nog meer mee bedoeld?
- Tweede vraag
-
Moeten de artikelen 84, tweede lid, en 85 van Verordening (EU) nr. 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer, gelezen in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel en het recht op effectieve rechtsbescherming, neergelegd in artikel 47 van het EU Handvest, zo worden uitgelegd dat artikel 43, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2024/1351 van toepassing is op een beroepsprocedure tegen een overdrachtsbesluit waarin de minister de verantwoordelijke lidstaat overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2024/1351 heeft bepaald aan de hand van de in Verordening (EU) nr. 604/2013 vastgelegde criteria?
-
Is het, mede in het licht van het gelijkheidsbeginsel, voor de beantwoording van deze vraag van belang of de minister voor of na 12 juni 2026 een besluit op het verzoek om internationale bescherming heeft genomen of is daarvoor een moment in de beroepsprocedure bepalend, zoals de datum waarop het rechtsmiddel is aangewend of de rechter het onderzoek op de zitting heeft gesloten?
- Derde vraag
Indien het antwoord op vraag 2a bevestigend luidt: zijn de artikelen 84, 85, tweede lid, en 43, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2024/1351 geldig in het licht van het recht op effectieve rechtsbescherming, neergelegd in artikel 47 van het EU Handvest, als artikel 43, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2024/1351 ertoe leidt dat de in dat artikellid neergelegde beperking van de draagwijdte van het rechtsmiddel een verzoeker belet om de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat te betwisten wanneer het verzoek om internationale bescherming is geregistreerd voor 12 juni 2026?
Verzoek om versnelde behandeling (PPA)
De Afdeling verzoekt het Hof om toepassing van de versnelde procedure (PPA). De prejudiciële vragen gaan over het overgangsrecht van de Amb-verordening en de rechterlijke toetsing van overdrachtsbesluiten. De uitleg van het Hof is nu van het grootste belang, omdat de Amb-verordening, als essentieel onderdeel van het EU Asiel- en Migratiepact, op 12 juni 2026 van kracht is geworden en deze vragen voorliggen in alle zaken over overdrachtsbesluiten waarin de betrokken lidstaat een verzoek om internationale bescherming voor 12 juni 2026 heeft geregistreerd. Dergelijke overgangsrechtelijke situaties doen zich op dit moment veelvuldig voor. De Afdeling licht het belang van een versnelde procedure verder toe.
Verzoekers om internationale bescherming in zaken als deze hebben in de eerste plaats recht op een spoedige behandeling van hun verzoek om internationale bescherming en daarmee ook op een spoedige vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. In de beroepsprocedure tegen een overdrachtsbesluit hebben zij recht op effectieve rechtsbescherming, zoals dat is neergelegd in artikel 47 van het EU Handvest. Hoe ver dat recht strekt is de kern van deze prejudiciële vragen.
Daarnaast geldt voor al deze zaken dat de overdracht is gebonden aan termijnen. Hoewel in bepaalde gevallen, zoals dat van appellant, de lidstaat de overdrachtstermijn kan verlengen, waardoor de uitleg van het Hof ook de komende jaren nog relevant blijft, geldt voor de meeste gevallen dat de mogelijkheid voor een lidstaat om een vreemdeling over te dragen na zes maanden verstrijkt. Met het verstrijken van de overdrachtstermijn verschuift de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming naar de verzoekende lidstaat. Om deze redenen zijn de beroepsprocedures over overdrachtsbesluiten ook gebonden aan korte termijnen. Als daarbij aan de verzoeker om internationale bescherming niet de juiste rechtsbescherming wordt geboden, is dat niet meer terug te draaien.
Tot slot is de beantwoording van deze prejudiciële vragen niet alleen van groot belang voor de verdere behandeling van een aanzienlijk aantal bij de Nederlandse bestuursrechter aanhangige zaken, maar voor de rechtsbescherming in alle lidstaten waarin deze vragen voorliggen. De Afdeling is ermee bekend dat het enkele feit dat een rechtsvraag in veel zaken speelt op zichzelf niet zonder meer een behandeling in een versnelde procedure rechtvaardigt. Zij wijst er daarom op dat haar nu al gebleken is dat er geen rechtseenheid is binnen de Unie over het overgangsrecht in de Amb-verordening (zie de onder 4.1 en 5 van deze uitspraak aangehaalde rechtspraak). Voor de uniforme toepassing van de Amb-verordening is de eenduidige uitleg en toepassing van het overgangsrecht echter van groot belang voor de goede werking van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (vgl. de beschikkingen van 15 februari 2017, Mengesteab, EU:C:2017:120, punten 11 tot en met 13, en Jafari, EU:C:2017:138, punten 11 tot en met 13, en de beschikking van 22 mei 2025, Framholm, C-195/25, punten 16 en 17). Het antwoord van het Hof zal dan ook van grote betekenis zijn voor de nationale autoriteiten en rechters in alle lidstaten die de Amb-verordening moeten toepassen.
De Afdeling zal de behandeling van het hoger beroep in zaak nr. BRS.26.004097 schorsen totdat het Hof uitspraak heeft gedaan.
Gehele uitspraak: Uitspraak BRS.26.004097 | Raad van State.
05-10-2026, Rb Roermond, beroep ongegrond [AMBV; overgangsrecht; verantwoordelijkheidsvaststelling; horen]
Reden signalering:
Het overgangsrecht in Verordening 2024/1351 ziet op de verantwoordelijkheidsvaststelling en niet op de procedureregels. Verweerder heeft verzuimd om eiser te horen – omdat eiser had moeten worden gehoord voorafgaand aan het uitbrengen van het voornemen, houdt dit gebrek verband met de verantwoordelijkheidsbepaling en kan eiser zich beroepen op dit gebrek.
Verordening 2024/1351 biedt geen mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissing van de beslisautoriteit om geen gebruik te maken van de bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht inhoudelijk te behandelen. De rechtbank neemt aan dat de Uniewetgever in Verordening 2024/1351 het arrest van 18 april 2024 in de zaak AHY heeft willen codificeren.
De beperking van de omvang van het rechtsmiddel zoals bepaald in artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 voor zover dit ziet op het niet omvatten van een mogelijkheid om te klagen over het niet toepassen van de discretionaire bevoegdheid, is niet in strijd met het Unierecht, omdat de toepassing van het beleid en het beslissen om al dan niet toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheid in een concrete procedure gebaseerd is op een nationale grondslag. De rechtbank ziet om deze reden dan ook geen aanleiding om een geldigheidsvraag aan het Hof te stellen, zoals de rechtbank die aanleiding wel heeft gezien met betrekking tot de vraag of het rechtsmiddel kan worden onderbouwd met een beroep op het belang van het kind of een beroep op het grondrecht op behoorlijk bestuur.
Eiser kan niet op grond van Verordening 2024/1351 opkomen tegen de beslissing van verweerder om de asielaanvraag niet onverplicht te behandelen. Dat laat echter onverlet dat eiser wel een rechtsmiddel moet kunnen aanwenden tegen een besluit dat verweerder neemt op grond van vastgesteld en gepubliceerd beleid. Dit volgt immers uit algemeen bestuurs(proces)recht.
In het Nederlandse bestuursprocesrecht is op dit moment geen zelfstandige procedure ingericht waarin een rechtsmiddel wordt toegekend aan een verzoeker wiens asielverzoek niet in behandeling wordt genomen en die het niet eens is met de beslissing van verweerder om geen gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid. Verweerder neemt bovendien één besluit op een asielaanvraag, dat zowel een overdrachtsbesluit omvat als een beslissing om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht inhoudelijk te behandelen.
De rechtbank overweegt daarom dat een verzoeker die een rechtsmiddel aanwendt tegen een overdrachtsbesluit, ook de mogelijkheid heeft om zich in datzelfde rechtsmiddel te beroepen op het door verweerder niet gebruikmaken van de bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht te behandelen. Het rechtsmiddel is dan, net als het besluit waarin een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen en een overdrachtsbesluit wordt vastgesteld, deels gegrond op het Unierecht en deels gegrond op het nationale bestuursprocesrecht.
De rechtbank stelt vast dat verweerder dus ander beleid voert op grond van de bevoegdheid die hij ontleent aan artikel 35, lid 1, van Verordening 2024/1351. Verweerder voert niet langer het beleid dat hij een asielaanvraag onverplicht inhoudelijk behandelt als de overdracht van onevenredige hardheid getuigt, maar dit uitsluitend doet als dit in het belang van verweerder is. Verweerder is bevoegd om dit beleid zo te voeren, reeds omdat er geen enkele verplichting bestaat om gebruik te maken van de in artikel 35, lid 1, van Verordening 2024/1351 neergelegde bevoegdheid en omdat het Hof in het eerder genoemde arrest van 18 april 2024 in de zaak AHY heeft verduidelijkt dat het gebruik van de facultatieve bepaling aan geen enkele specifieke voorwaarde is onderworpen (punt 39).
Verweerder heeft in het overdrachtsbesluit medegedeeld dat hij de asielaanvraag van eiser niet onverplicht behandelt omdat verweerder alleen gebruik maakt van deze bevoegdheid “als het voor de IND gunstiger is”. Eiser is opgekomen tegen deze (deel)beslissing door te wijzen op zijn medische conditie en de stelling dat verweerder meer onderzoek had moeten doen. Deze grond slaagt niet. Het zelf behandelen van de asielaanvraag zal niet “gunstiger” voor verweerder zijn omdat dit tot de conclusie kan leiden dat internationale bescherming of uitstel van vertrek moet worden verleend. Ook kan de inhoudelijke behandeling leiden tot de situatie dat geen internationale bescherming hoeft te worden verleend maar dat eiser, gelet op de omstandigheid dat hij (uitsluitend) de Libanese nationaliteit heeft, niet in een gedwongen kader kan terugkeren naar zijn land van herkomst. Hoewel verweerder -ook- in dit onderdeel van het besluit heeft volstaan met alleen het weergeven van het beoordelingskader en niet de toepassing daarvan, ziet de rechtbank geen aanleiding om dit besluitonderdeel van het overdrachtsbesluit te vernietigen. Eiser heeft immers niet gesteld dat het voor verweerder gunstiger is om zijn aanvraag wel inhoudelijk te behandelen dan hem over te dragen aan de Zweedse autoriteiten.
De rechtbank zal gelet op al het voorgaande het beroep ongegrond verklaren en vanwege het vastgestelde zorgvuldigheidsgebrek een proceskostenveroordeling uitspreken in verband met het indienen van het beroep. Verweerder is dus bevoegd om eiser over te dragen aan Zweden.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:29426, Rechtbank Den Haag, NL26.45259 hersteluitspraak.
05-10-2026, Rb Roermond, beroep gegrond [AMBV terugname; interstatelijk vertrouwensbeginsel; motivering]
Reden signalering:
De rechtbank heeft de indruk dat de overdrachtsbesluiten zoals deze nu worden vastgesteld, in wezen de standaardvoornemens zoals die voorheen werden genomen voor 12 juni 2026 zijn, maar nu als titel ‘besluit’ hebben gekregen. De rechtbank is verplicht en in staat om zelf een actuele refoulementbeoordeling te verrichten en om daarbij de beroepsgronden te beoordelen. De rechtbank gaat daartoe echter thans niet over omdat verweerder eerst een fatsoenlijk overdrachtsbesluit moet nemen waarin aan eiser wordt uitgelegd waarom hij eiser aan Frankijk wil overdragen en waarom hij daartoe, volgens verweerder, bevoegd is.
Eiser heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 23 juli 2026 een kennisgeving inzake terugname ingediend bij de Franse autoriteiten. De Franse autoriteiten hebben de ontvangst van deze kennisgeving niet, zoals voorgeschreven in artikel 41, lid 2, van Verordening 2024/1351, binnen twee weken bevestigd. Verweerder heeft de Franse autoriteiten op 11 augustus 2026 medegedeeld dat zij (niettemin) verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Deze bevoegdheid volgt uit Verordening 2024/1351. De onderhavige procedure betreft dus een terugnameprocedure die heeft plaatsgevonden op grond van de regeling voor terugnameprocedures in Verordening 2024/1351.
Eiser stelt zich onder meer op het standpunt dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen een overdracht aan Frankrijk kenbaar te maken en dat artikel 4 van het Handvest aan de overdracht in de weg staat. Eiser is eerder in Frankrijk verstoken gebleven van opvang en vreest na terugkeer wederom niet te worden opgevangen. Eiser heeft verwezen naar het AIDA-rapport van mei 2026, rechtspraak van het Hof en een uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 17 augustus 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:23878) om te onderbouwen dat de overdracht aan Frankrijk moet worden verboden. Eiser heeft tevens verklaard mentale problemen te hebben, vanaf zijn geboorte slecht te zien en door het leven op straat pijn aan zijn benen te hebben. Eiser heeft geen medische informatie overgelegd.
De rechtbank overweegt allereerst dat de Uniewetgever in artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 heeft beoogd om de omvang van het rechtsmiddel te beperken. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 18 en 21 september 2026 prejudiciële vragen gesteld en het Hof onder meer gevraagd om te beoordelen of deze beperking geldig is (ECLI:NL:RBDHA:2026:27252 & ECLI:NL:RBDHA:2026:27492). De rechtbank ziet in de onderhavige procedure geen aanleiding om de uitspraak op het beroep aan te houden in afwachting van het arrest. Artikel 22 van Verordening 2024/1351 verplicht niet tot het voeren van een persoonlijk onderhoud in terugnameprocedures en eiser heeft wel de gelegenheid gehad om schriftelijk bezwaren tegen de overdracht kenbaar te maken.
Op 16 juli 2026 is aan eiser kenbaar gemaakt welke advocaat hem in deze procedure zal bijstaan. Op 23 juli 2026 is eiser de brochure Verordening 2024/1351 verstrekt en is aan eiser via zijn gemachtigde kenbaar gemaakt dat deze verordening van toepassing is. In deze brief is niet vermeld dat er reeds een kennisgeving inzake terugname bij de Franse autoriteiten is ingediend. Eiser heeft niet gereageerd op deze brief. Het (aanvankelijke) overdrachtsbesluit is op 26 augustus 2026 vastgesteld. De rechtbank overweegt dat onvoldoende is geconcretiseerd waarom deze periode niet toereikend is geweest om bezwaren tegen ‘een’ overdracht aan te dragen. Weliswaar is het aan verweerder om uitdrukkelijk aan te geven dat hij de Franse autoriteiten verantwoordelijk acht, maar van enig misverstand bij eiser hierover is (kennelijk) geen sprake. Eiser heeft niet aangegeven dat hij zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen omdat hij niet in persoon is gehoord maar slechts schriftelijk bezwaren heeft kunnen uiten. Eiser is ter zitting ook in de gelegenheid gesteld om zelf bezwaren naar voren te brengen, maar heeft in aanvulling op de beroepsgronden geen andere argumenten aangedragen om te betogen dat hij zijn bezwaren niet deugdelijk kenbaar heeft kunnen maken en heeft ook geen andere bezwaren tegen de overdracht kenbaar gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
De rechtbank zal het overdrachtsbesluit evenwel vernietigen en motiveert dit als volgt.
Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel het uitgangspunt vormt bij het vaststellen van een overdrachtsbesluit en de rechterlijke controle hiervan. Dit betekent echter niet dat verweerder in elke zaak kan volstaan met het benoemen van dit uitgangspunt.
Het Hof heeft in haar arrest van 29 februari 2024 in de zaak X (ECLI:EU:C:2024:195, C-392/22) onder meer het navolgende overwogen: (..)
Bijgevolg moet rekening worden gehouden met elk gegeven dat de verzoeker heeft overgelegd om aan te tonen dat er een gevaar voor behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest bestaat, waarbij de rechterlijke instanties van de lidstaat die belast is met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat ertoe gehouden zijn om op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, de realiteit van de aangevoerde tekortkomingen te beoordelen [zie in die zin arresten van 19 maart 2019, Jawo, C-163/17, EU:C:2019:218, punt 90, en 30 november 2023, Ministero dell’Interno e.a. (Gemeenschappelijke Brochure – Indirect refoulement), C-228/21, C-254/21, C-297/21, C-315/21 en C-328/21, EU:C:2023:934, punt 136].
Bovendien moet worden opgemerkt dat de lidstaten, los van de inaanmerkingneming van de door de verzoeker verstrekte informatie, gehouden zijn een verzoeker niet aan de verantwoordelijke lidstaat over te dragen wanneer zij niet onkundig kunnen zijn van het feit dat de structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming in deze lidstaat verzoeken ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest (zie in die zin arresten van 21 december 2011, N. S. e.a., C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865, punt 94, en 19 maart 2019, Jawo, C-163/17, EU:C:2019:218, punt 85). Aldus kan niet worden uitgesloten dat de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, uit eigen beweging rekening zal moeten houden met relevante informatie waarvan hij kennis heeft om te beslissen over de toepassing van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening.
Hieruit volgt ten eerste dat de lidstaat die is belast met het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van een derdelander rekening moet houden met alle informatie die hem door deze derdelander wordt verstrekt en die relevant is om op correcte wijze de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, met name wat betreft het eventuele bestaan van een risico van een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling in geval van overdracht van deze verzoeker. Ten tweede moet de betrokken lidstaat meewerken aan de vaststelling van de feiten door te beoordelen of dit risico reëel is, op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten. In voorkomend geval moet deze lidstaat hierbij op eigen initiatief rekening houden met relevante informatie waarvan hij niet onkundig kan zijn met betrekking tot mogelijke structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die in de verantwoordelijke lidstaat om internationale bescherming verzoeken.
Dit arrest is gewezen in een procedure die werd beheerst door Verordening 604/2013. De rechtbank overweegt dat er echter geen enkele aanleiding bestaat om aan verweerder een geringere vergewisplicht toe te kennen indien de verantwoordelijkheidsvaststelling op grond van Verordening 2024/1351 plaatsvindt. Het refoulementverbod is absoluut en dit betekent dat verweerder -ook uit eigen beweging- moet nagaan of dit verbod in de weg staat aan het vaststellen van een overdrachtsbesluit. Verweerder dient zich hiervan te vergewissen alvorens hij een terugkeerbesluit vaststelt en niet pas als er gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op het beginsel van non-refoulement. De rechtbank kan in de onderhavige procedure niet vaststellen dat verweerder zich hiervan op enig moment voorafgaand aan het onderzoek ter zitting enige rekenschap heeft gegeven.
In het overdrachtsbesluit is niet aangegeven van welke informatie verweerder kennis heeft en heeft genomen om zich te vergewissen dat ook in de situatie van eiser kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In het besluit is om het beoordelingskader aan te geven verwezen naar het arrest van het Hof van 19 maart 2019 in de zaak Jawo (ECLI:EU:C:2019:218, C-163/17), bovengenoemd arrest van het Hof, het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3455). Tevens is verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:786) en aangegeven dat de Afdeling in die uitspraak heeft bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan..
De rechtbank acht deze motivering volstrekt ontoereikend en zal het overdrachtsbesluit om deze reden vernietigen.
Verweerder heeft het beoordelingskader kennelijk ‘overgeschreven’ uit overdrachtsbesluiten die zijn vastgesteld vóór 12 juni 2026. Verweerder heeft namelijk in het overdrachtsbesluit van 15 september 2026 onder meer het navolgende vermeld:
“De IND neemt een slechte behandeling in Frankrijk niet snel aan. Het EU+-land moet niet genoeg doen voor iemand die daar in de asielprocedure en opvang zit. De IND noemt dit structurele tekortkomingen.”
Verweerder benoemt ten onrechte dat sprake moet zijn van ‘structurele tekortkomingen’ in de asielprocedure en opvang. Daargelaten dat artikel 4 van het Handvest een algemene regeling is en elk reëel en voorzienbaar risico op een schending van artikel 4 van het Handvest meebrengt dat de overdracht is verboden, heeft de Uniewetgever in Verordening 2024/1351 niet meer vereist dat de 4 Handvest-schending moet voortkomen uit zogenoemde systeemfouten. De risicotaxatie vereist dus ‘slechts’ een individuele beoordeling en dit zal meebrengen dat verzoekers eenvoudiger in staat zullen zijn om een dergelijk risico aannemelijk te maken. Verweerder heeft dus in zijn besluit een verkeerde maatstaf gehanteerd en een te hoge drempel aangelegd bij het beoordelen of ten aanzien van eiser ook te gelden heeft dat kan worden uitgegaan van interstatelijk vertrouwen. Dit gebrek is reeds reden om het overdrachtsbesluit te vernietigen.
Voorts is het onbegrijpelijk dat voor zover verweerder verwijst naar de Afdeling, in het besluit niet naar de meest recente uitspraak wordt verwezen waarin de Afdeling beoordeelt of ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van interstatelijk vertrouwen. Het overdrachtsbesluit is volgens verweerder vastgesteld op 15 september 2026. Na de uitspraak van 13 februari 2026 waarnaar verweerder in zijn besluit verwijst, heeft de Afdeling meerdere uitspraken gedaan die onder meer zien op het interstatelijk vertrouwen ten aanzien van Frankrijk. Door niet te verwijzen naar de meeste recente uitspraak, wekt verweerder ook om deze reden de indruk dat andere besluiten worden ‘overgeschreven’, danwel van tekstblokken worden voorzien die niet regelmatig geactualiseerd worden.
De uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:786) die in het besluit is vermeld kan bovendien niet als onderbouwing van het overdrachtsbesluit dienen.
De rechtbank stelt vast dat er in deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling geen inhoudelijke overwegingen zijn gewijd aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit deze uitspraak kan bovendien niet worden afgeleid om welke lidstaat het in de procedure gaat, welke grieven zijn aangevoerd en of de Afdeling ambtshalve een aanvullende refoulementbeoordeling heeft verricht. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak van zittingsplaats Zwolle die de Afdeling in deze uitspraak heeft ‘omarmd’, niet is gepubliceerd. Verweerder heeft een, in wezen niet te rechtvaardigen, procedurele voorsprong op vreemdelingen doordat hij kennis heeft van alle uitspraken en de vreemdelingen alleen van de gepubliceerde of anderszins gedeelde uitspraken. Verweerder moet zich hiervan bewust zijn en dus begrijpen dat als hij in zijn besluit één uitspraak vermeldt om zijn motivering “ten aanzien van Frankijk is het interstatelijk vertrouwensbeginsel het uitgangspunt en de Afdeling vindt dat ook” te onderbouwen, dit een uitspraak moet zijn die ofwel inhoudelijk is gemotiveerd, ofwel een uitspraak is op het hoger beroep tegen een gepubliceerde rechtbankuitspraak.
Doordat verweerder zijn besluit baseert op een Afdelingsuitspraak waarin slechts wordt verwezen naar de motivering van een niet-gepubliceerde rechtbankuitspraak, kan eiser zijn verdedigingsrechten niet uitoefenen. De rechtbank acht dit een ernstig motiveringsgebrek. Dat de rechtbank wel de onderliggende uitspraak kan raadplegen en dat de rechtbank ook uit eigen beweging het refoulementrisico moet beoordelen doet op geen enkele wijze afbreuk aan het recht dat eiser heeft om kennis te kunnen nemen van stukken en uitspraken die verweerder ten grondslag legt aan zijn besluit. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat het niet aan eiser is om contact op te nemen met de rechtbank, zittingsplaats Zwolle, om de uitspraak op te vragen. Verweerder moet zelf eiser in staat stellen om het besluit en de motivering hiervan te kunnen begrijpen en zo nodig te kunnen betwisten. De rechtbank overweegt in aanvulling hierop dat zowel eiser als de rechtbank geen kennis hebben van de grieven die tegen de rechtbankuitspraak zijn gericht en dus niet weten wat de omvang van het geschil in hoger beroep is en wat de omvang van het ambtshalve onderzoek door de Afdeling is geweest.
De rechtbank overweegt voorts dat verweerder zich zelf moet vergewissen van actuele informatie om na te gaan wat de situatie van de in beginsel verantwoordelijke lidstaat is en niet kan volstaan met het verwijzen naar de Afdeling. Verweerder is het bestuursorgaan dat beslist op de asielaanvragen en moet zijn besluit zorgvuldig voorbereiden en deugdelijk motiveren. Deze verplichting geldt te meer indien er divergerende jurisprudentie is ten aanzien van de vraag of ten aanzien van de betreffende lidstaat kan worden uitgegaan van interstatelijk vertrouwen.
De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden, maar controleert ook of verweerder alvorens het terugkeerbesluit vast te stellen méér heeft gedaan dan de individuele feiten en omstandigheden vast te stellen en te verwijzen naar het interstatelijk vertrouwen en de Afdeling. Of in het geval van eiser ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwen kan worden uitgegaan is de inzet van deze concrete procedure. Verweerder moet dus meer motiveren dan dat dit beginsel het uitgangspunt van elke procedure is. Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder ten onrechte naar een niet-actuele en niet-inhoudelijk gemotiveerde uitspraak op een hoger beroep van een niet-gemotiveerde rechtbankuitspraak van de Afdeling verwezen. Verweerder heeft in het besluit bovendien geen enkele individuele omstandigheid van eiser benoemd behalve zijn naam, geboortedatum en nationaliteit. Ondanks dat de procedure een terugname betreft, bevat het dossier wel enkele mogelijk relevante gegevens. Uit het dossier blijkt dat er ook ten aanzien van Duitsland een Eurodac-treffer is. In het besluit is niet gemotiveerd waarom de kennisgeving inzake de terugname naar de Franse autoriteiten en niet naar de Duitse autoriteiten is verzonden. De Franse autoriteiten hadden weliswaar binnen twee weken na de ontvangst van de kennisgeving kunnen aantonen dat zij niet verantwoordelijk zijn, maar verweerder had in zijn overdrachtsbesluit de verantwoordelijkheidsbepaling ook kunnen toelichten. Eiser heeft in zijn gehoor(tje) bij de DISA op 26 mei 2026 bovendien verklaard twee kinderen te hebben die in Duitsland wonen. Eiser heeft ter zitting op vragen van de rechtbank verklaard niet naar Duitsland te willen. Daargelaten dat eiser geen keuze heeft als het gaat om de verantwoordelijkheidsvaststelling, verbaast het de rechtbank dat in het besluit geen enkele overweging is gewijd aan deze persoonlijke omstandigheden van eiser en enkel het procedureverloop is weergegeven met de vermelding dat Frankrijk verantwoordelijk geworden is doordat de Franse autoriteiten niet hebben gereageerd op de kennisgeving inzake de terugname. Eiser heeft in zijn gronden van 9 september 2026 verwezen naar het meest recente AIDA-rapport en zijn medische klachten benoemd. Het ‘vervangende overdrachtsbesluit’ is volgens verweerder vastgesteld op 15 september 2026. In dit besluit is niet ingegaan op de door eiser aangehaalde informatie en niet ingegaan op de door eiser gestelde medische problematiek.
De rechtbank overweegt dat de terugnameprocedure zoals die is neergelegd in Verordening 2024/1351, met minimale waarborgen voor eiser is omkleed en slechts minimale verplichtingen voor verweerder kent. Dit laat onverlet dat verweerder gebonden is aan algemene bestuursrechtelijke beginselen. Verweerder dient namelijk ook indien de grondslag van zijn besluit gelegen is in het Unierecht, zijn besluit ‘gewoon’ zorgvuldig voor te bereiden en ‘gewoon’ deugdelijk te motiveren zoals de Awb daartoe verplicht.
De rechtbank heeft inmiddels meerdere overdrachtsbesluiten die worden beheerst door Verordening 2024/1351 gezien. Deze besluiten zijn vergelijkbaar standaardmatig en vergelijkbare “aaneenrijgingen van tekstblokken”. De rechtbank heeft de indruk dat de overdrachtsbesluiten zoals deze nu worden vastgesteld, in wezen de standaardvoornemens zoals die voorheen werden genomen voor 12 juni 2026 zijn, maar nu als titel ‘besluit’ hebben gekregen. De rechtbank heeft na 12 juni 2026 van meerdere overdrachtsbesluiten kennis genomen en constateert dat alle deze besluiten nagenoeg identiek en gelijkluidend zijn en alleen van elkaar zijn te onderscheiden door de persoonsgegevens van de vreemdeling en de data van de procedurele fases. De rechtbank heeft ter zitting besproken dat de indruk ontstaat dat de beslismedewerker enkel hoeft te kiezen uit het format ‘terugname’ of ‘overname’ en vervolgens alleen de verantwoordelijke lidstaat hoeft in te vullen om een besluit ‘te produceren’. Het bestreden besluit is weliswaar in ‘begrijpelijke taal’ opgesteld, maar de enige relevante informatie in dit besluit zijn de persoonsgegevens van eiser, de vermelding dat het een terugnameprocedure betreft en de datum waarop de Franse autoriteiten verantwoordelijk zijn geworden.
De rechtbank acht een dergelijke wijze van motiveren van een overdrachtsbesluit ontoereikend. Artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 ziet onder meer op de omvang van het rechtsmiddel. De rechtbank overweegt dat de beoordeling van de inhoud van het rechtsmiddel in wezen pas aan de orde kan komen als sprake is van een volwaardig besluit. De rechtbank acht daar in de onderhavige procedure geen sprake van. De motivering in het besluit is onvoldoende toegespitst op de persoon en situatie van eiser. Het besluit lijkt veeleer op een ‘kale mededeling’ dan op een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit in een procedure die is ingeleid met een verzoek om internationale bescherming. Doordat verweerder het aanvankelijk vastgestelde overdrachtsbesluit heeft vervangen, is hij bovendien in de gelegenheid geweest om in het besluit te reageren op de beroepsgronden. Verweerder heeft echter volstaan met het ‘deleten’ van het tekstblok over het stopzetten van de opvang en heeft zelfs de datum van het besluit ongewijzigd gelaten.
De rechtbank is verplicht en in staat om zelf een actuele refoulementbeoordeling te verrichten en om daarbij de beroepsgronden te beoordelen. De rechtbank gaat daartoe echter thans niet over omdat verweerder eerst een fatsoenlijk overdrachtsbesluit moet nemen waarin aan eiser wordt uitgelegd waarom hij eiser aan Frankijk wil overdragen en waarom hij daartoe, volgens verweerder, bevoegd is. Als verweerder eerst invulling geeft aan zijn verplichting om een zorgvuldig voorbereid en afdoende gemotiveerd besluit te nemen, kan eiser vervolgens zijn verdedigingsrechten uitoefenen en zal de rechtbank -daarna- een rechtmatigheidsbeoordeling verrichten. Verweerder kan niet volstaan met een niet gemotiveerd besluit omdat de rechtbank toch wel gehouden is om zo nodig ambtshalve het refoulementrisico te beoordelen. De rechtbank vernietigt dus het overdrachtsbesluit omdat verweerder zijn werk alsnog naar behoren zal moeten doen.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:29424, Rechtbank Den Haag, NL26.51271 hersteluitspraak.
21-10-2026, Rb Rotterdam, beroep ongegrond [Unierecht, loungemaatregel, overlap screening en grensprocedure; rechtsbijstand]
Reden signalering:
Uit de Afdelingsuitspraak van 2 september 2026 volgt dat de werkwijze van verweerder waarbij asielaanvragen die aan de grens worden gedaan en waarbij de vreemdeling niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode in beginsel in de asielgrensprocedure worden behandeld, in overeenstemming is met de Procedureverordening. De rechtbank volgt deze uitleg en ziet dan ook geen aanleiding om de door zittingsplaats Amsterdam gestelde prejudiciële vragen af te wachten.
De rechtbank constateert dat in de vrijheidsontnemende maatregel een kruisje is gezet bij vrijheidsontneming ten aanzien van de screeningsprocedure en bij vrijheidsontneming ten aanzien van de asielgrensprocedure. Deze omstandigheden kunnen echter niet naast elkaar bestaan. Uit artikel 1, aanhef en onder a, van de Screeningsverordening volgt immers dat verzoekers die aan de buitengrens om internationale bescherming verzoeken, worden gescreend voordat zij naar een passende procedure worden doorverwezen. Hierin ziet de rechtbank echter geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten.
Werkwijze in strijd met het Unierecht
Eiser voert aan dat de huidige werkwijze van verweerder, waarbij iedere asielaanvraag die aan de grens wordt ingediend in de asielgrensprocedure wordt behandeld, niet in overeenstemming is met het Unierecht. Eiser doet in dit kader een beroep op de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:26975, waarin prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de gehanteerde werkwijze. Eiser verwijst in het bijzonder naar rechtsoverweging 5 van deze tussenuitspraak, waaruit de strijdigheid van de gehanteerde werkwijze met het ultimum remedium-karakter van de bewaringsmaatregel blijkt.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077, volgt dat door verweerder in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag worden gezien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Uit rechtsoverwegingen 1.1 en 4.1. van deze Afdelingsuitspraak volgt dat de werkwijze van verweerder waarbij asielaanvragen die aan de grens worden gedaan en waarbij de vreemdeling niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode in beginsel in de asielgrensprocedure worden behandeld en de grensdetentie wordt opgeheven wanneer de aanvraag niet verder kan worden behandeld in de asielgrensprocedure, in overeenstemming is met de Procedureverordening. De rechtbank volgt deze uitleg en ziet dan ook geen aanleiding om de door zittingsplaats Amsterdam gestelde prejudiciële vragen af te wachten. Dat de tussenuitspraak van latere datum is, maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Loungemaatregel
Eiser betoogt dat het onduidelijk is op welke grondslag eiser zich heeft moeten ophouden in de internationale lounge op Schiphol.
De rechtbank volgt eiser niet. Verweerder heeft eiser opgedragen zich voor de nacht op te houden in de internationale lounge op Schiphol op grond van artikel 4.6. van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4201, volgt dat dit artikel voorziet in een grondslag voor de oplegging van vrijheidsbeperkende maatregelen van individuele vreemdelingen bij een grensdoorlaatpost als gevolg van een relatief grote toestroom van vreemdelingen waarvan het vermoeden bestaat dat die vreemdelingen geen van allen aan de voorwaarden voor toegang voldoen. Uit deze uitspraak volgt verder dat het verblijf in de internationale lounge gedurende maximaal 24 uur in beginsel aanvaardbaar is. Voor zover er bij gemachtigde van eiser onduidelijkheid zou zijn over de wettelijke grondslag van de loungemaatregel, is de rechtbank van oordeel dat dit niet tot onrechtmatigheid hiervan kan leiden. De beroepsgrond slaagt niet.
Overlap screening en asielgrensprocedure
Eiser voert aan dat de screeningsprocedure nog niet was geëindigd toen de grensdetentie aanving. De screeningsprocedure en grensprocedure zijn verschillende trajecten. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte de screeningsprocedure niet afgewacht. De detentiemaatregel die op beide grondslagen steunt is derhalve onrechtmatig.
De rechtbank constateert dat in de vrijheidsontnemende maatregel een kruisje is gezet bij vrijheidsontneming ten aanzien van de screeningsprocedure en bij vrijheidsontneming ten aanzien van de asielgrensprocedure. Deze omstandigheden kunnen echter niet naast elkaar bestaan. Uit artikel 1, aanhef en onder a, van de Screeningsverordening volgt immers dat verzoekers die aan de buitengrens om internationale bescherming verzoeken, worden gescreend voordat zij naar een passende procedure worden doorverwezen. Hierin ziet de rechtbank echter geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. In dit kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077, r.o. 7 en 7.1. Artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 voorziet namelijk zowel in een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure. De beroepsgrond slaagt niet.
Rechtsbijstand
Eiser voert aan dat het lange tijd duurt voordat iemand in grensdetentie rechtsbijstand krijgt aangeboden. Er is voor deze procedure geen piketregeling.
Voor zover eiser betoogt dat de grensprocedure onrechtmatig is gelet op het gebrek aan een piketregeling en rechtsbijstand bij het gehoor voorafgaand de maatregel overweegt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 24 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6222, welke in hoger beroep is bevestigd door de Afdeling op 8 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2286 volgt dat weliswaar sprake is van een op relevante onderdelen vergelijkbare positie met vreemdelingen van wie op grond van artikel 59, 59a of 59b van de Vw de vrijheid wordt ontnomen, maar dat voor het ontbreken van een piketregeling in procedures zoals onderhavige een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Die rechtvaardiging is voornamelijk gelegen in het feit dat vreemdelingen aan de grens nog niet zijn toegelaten en vreemdelingen “in het land” wel. Daarnaast overweegt de rechtbank in de uitspraak van 24 juni 2022 dat vreemdelingen die aan de grens asiel hebben aangevraagd en over wie de beslissing tot toegang daarom is uitgesteld, een folder krijgen uitgereikt met informatie over rechtsbijstand en in het kader van die asielprocedure een raadsman krijgen toegewezen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid om rechtsbijstand te krijgen in zaken waarin de vreemdeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd, voldoende gewaarborgd. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze procedure anders te oordelen. Ook in het geval van eiser is een folder met informatie over rechtsbijstand uitgereikt in een voor hem begrijpelijke taal en is een raadsman toegewezen in het kader van de asielprocedure. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom beroepsgronden
Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de grensdetentie tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:30923, Rechtbank Den Haag, NL26.60792.
02-10-2026, Rb Den Haag MK, beroep gegrond [strengere vereisten nareis; oude aanvragen; artikel 8 EVRM]
Reden signalering:
Deze uitspraak gaat over de nieuwe strengere vereisten voor nareis die sinds 12 juni 2026 gelden (kerngezin, inkomenseis en wachttermijn). De rechtbank is van oordeel dat de nieuwe strengere eisen en de keuze om deze ook te laten gelden voor oude aanvragen niet in strijd zijn met hogere regels en rechtsbeginselen. Dat betekent niet dat de minister elke aanvraag zomaar mag afwijzen. De minister moet, gelet op de vereiste evenredigheid en het bepaalde in artikel 8 van het EVRM, in elke zaak rekening houden met alle belangen van de betrokkenen. In deze zaak heeft de minister dat onvoldoende gedaan.
Referent is een Syrische man die in 2024 in Nederland een verblijfsvergunning heeft gekregen als subsidiair beschermde. Hij heeft in januari 2025 voor zijn echtgenote en kinderen een nareisaanvraag ingediend. Zij verblijven in Turkije. De minister heeft deze aanvraag op 4 augustus 2026 afgewezen, omdat referent niet aan de sinds 12 juni 2026 geldende strengere voorwaarden voldoet. Over zijn echtgenote (eiseres) en zoon [eiser 2] (eiser 2) stelt de minister zich op het standpunt dat referent niet voldoet aan twee aanvullende voorwaarden: de inkomenseis en de wachttermijn. De afwijzing van hun aanvraag is volgens de minister niet in strijd met het recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven in artikel 8 EVRM, omdat de belangenafweging in hun nadeel uitvalt. Daarom is de afwijzing ook niet onevenredig volgens de minister. Voor zijn zoon [eiser 1] (eiser 1) heeft verweerder het standpunt ingenomen dat hij als meerderjarig kind van referent niet behoort tot het kerngezin en daarom niet in aanmerking komt voor nareis. Deze afwijzing is volgens de minister ook niet in strijd met artikel 8 EVRM.
Eisers en referent zijn het daar niet mee eens. Zij vinden allereerst dat de minister niet aan de nieuwe (strengere) regels had moeten toetsen, maar aan de regels zoals die golden toen zij de aanvraag indienden. Daar stonden de nu tegengeworpen voorwaarden niet in. Op basis van de oude regelgeving was er daarom wel een vergunning verleend, aldus eisers. Daarnaast vinden zij dat de nieuwe voorwaarden ook los daarvan niet mogen worden tegengeworpen, omdat deze niet evenredig zijn en in strijd met hoger recht.
De zaak gaat daarmee over de vraag of de minister een aantal van de nieuwe regels voor nareis mag tegenwerpen. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak alleen over de nareisregels die in deze zaak spelen. Deze uitspraak gaat daarom niet over bijvoorbeeld de beperking tot het kerngezin voor vluchtelingen of ongetrouwde koppels (van hetzelfde geslacht). Ook bevat de uitspraak geen oordeel over het stellen van een wachttermijn voor een subsidiair beschermde alleenstaande minderjarige vreemdeling.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het eerste deel van deze uitspraak gaat over de vragen of de nieuwe nareiswetgeving onmiddellijke werking heeft en zo ja, of dit evenredig is of in strijd met hoger recht.
In het tweede deel van deze uitspraak geeft de rechtbank een oordeel over het uitsluiten van de meerderjarige kinderen voor nareis en twee aanvullende voorwaarden die eisers worden tegengeworpen.
Hebben de nieuwe nareisregels onmiddellijke werking?
Eisers hebben hun beroepsgrond over artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit12 ingetrokken. De rechtbank moet echter binnen de omvang van het geding ambtshalve vaststellen welk recht van toepassing is en hoe dit recht moet worden uitgelegd. De rechtbank zal dit daarom hierna toch bespreken.
Als hoofdregel geldt dat een nieuw wetsartikel onmiddellijke werking heeft, als er in het artikel geen overgangsrecht is geregeld.13 Artikel 1.27, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit is een uitzondering op het onmiddellijkheidsbeginsel. Op grond van dat artikel geldt het recht dat gold ten tijde van de nareisaanvraag, tenzij uit de Vreemdelingenwet iets anders voortvloeit of het recht ten tijde van het besluit voor de vreemdeling gunstiger is. Het is duidelijk dat de nieuwe regels ongunstiger zijn voor eisers, omdat zij aan meer eisen moeten voldoen en omdat de meerderjarige kinderen zijn uitgesloten van nareis.
De minister betoogt dat de nieuwe regels onmiddellijke werking hebben en dus direct toepasbaar zijn op eisers, omdat in de Vreemdelingenwet geen overgangsrecht is opgenomen en het daarmee uit de wet voortvloeit.
De rechtbank volgt deze uitleg van de minister niet. In de Vreemdelingenwet (een formele wet) is inderdaad geen overgangsrecht opgenomen. In het Vreemdelingenbesluit (een materiële wet) heeft de wetgever echter wel overgangsrecht opgenomen. Dit staat in artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit. Voor zover de minister betoogt dat artikel 1.27, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit niet van toepassing is, volgt de rechtbank dit niet. Allereerst begrijpt de rechtbank dit betoog niet, nu de minister wel degelijk toepassing geeft aan deze bepaling. Daarbij komt dat uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in zaken zoals deze14 blijkt dat de wetgever in nieuwe regels een expliciete uitzondering op artikel 1.27, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit moet opnemen, wanneer hij hiervan wil afwijken. Anders zou het artikel zinledig worden. Omdat in de Vreemdelingenwet geen expliciete afwijking van artikel 1.27, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit is opgenomen, volgt de onmiddellijke werking daar niet uit.
De wetgever heeft echter wel een expliciete uitzondering in artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit zelf opgenomen, namelijk in het tweede lid. Daarin staat dat het eerste lid niet geldt voor de nareisregels die in de Vreemdelingenwet staan. Dit betekent dat de onmiddellijke werking uit het Vreemdelingenbesluit voortvloeit en niet uit de Vreemdelingenwet. Dit is overigens in lijn met de door de minister ingeroepen passages uit de memorie van toelichting, waaruit weliswaar blijkt dat de wetgever onmiddellijke werking voor ogen had, maar niet op welke plek dit uiteindelijk zal worden geregeld.
Is de onmiddellijke werking in strijd met algemene rechtsbeginselen?
Eisers voeren verder aan dat de onmiddellijke werking van de nieuwe nareisregels in strijd is met het evenredigheidbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het verbod op willekeur.
Omdat de onmiddellijke werking van de nieuwe wetsartikelen in een materiële wet is geregeld, hoeft de rechtbank de standpunten van partijen over het toetsingsverbod dat geldt bij een wet in formele zin niet te beoordelen. De rechtbank kan zonder beperkingen exceptief aan (on)geschreven hoger recht zoals het evenredigheidsbeginsel toetsen. De intensiteit van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt bepaald door onder meer de aard en de mate van de beleidsruimte van het bestuursorgaan, de aard en het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en de aard van de betrokken belangen en de mate waarin deze door het besluit worden geraakt. De beoordeling kan materieel terughoudend zijn als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden gemaakt. In dat geval heeft de rechter niet de taak om de waarde of het maatschappelijke gewicht dat aan de betrokken belangen wordt toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Naarmate die belangen zwaarder wegen, de nadelige gevolgen van het besluit ernstiger zijn of het besluit een grotere inbreuk maakt op fundamentele rechten, zal de toetsing intensiever zijn.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat onmiddellijke werking van de nareisregels onevenredig is.
De wetgever beoogt met de onmiddellijke werking de druk op de vreemdelingenopvang, voorzieningen en vreemdelingenketen te verlichten. Hoewel de rechtbank er niet van overtuigd is dat de druk op de vreemdelingenketen met de nieuwe nareisregels wordt verlicht, alleen al nu niet denkbeeldig is dat subsidiair beschermde statushouders nieuwe asielaanvragen gaan indienen om als vluchteling te worden erkend, vindt de rechtbank wel aannemelijk dat de druk op de opvang en voorzieningen door de directe toepassing van de aanvullende voorwaarden en beperking tot het kerngezin kan worden verlicht. Door de strengere voorwaarden is voorstelbaar dat de instroom vermindert, waardoor minder mensen opvang nodig hebben en er minder beroep wordt gedaan op de voorzieningen. In zoverre is de onmiddellijke werking geschikt om het beoogde doel te bereiken.
Ook is door de wetgever voldoende duidelijk gemaakt dat de onmiddellijke werking noodzakelijk is. Uit de stukken blijkt dat er een tekort aan opvangplekken is en dat de doorstroom vanuit een COA-opvanglocatie naar een woning moeizaam verloopt. Tegelijkertijd wachten er nog veel vreemdelingen op een beslissing op hun nareisaanvraag. Als het oude recht op hun aanvraag van toepassing zou zijn, zal het lang duren voordat de maatregelen effect hebben. Dat, zoals door eisers is betoogd, de problemen in de opvang en de vreemdelingenketen mede zouden zijn veroorzaakt door verkeerde keuzes in het verleden maakt niet dat de wetgever niet van de geschiktheid en noodzakelijkheid op dit moment mocht uitgaan.
Het is duidelijk dat de onmiddellijke werking voor eisers zeer nadelig uitpakt. De vraag die de rechtbank nog moet beantwoorden is of deze nadelige gevolgen onevenredig bezwarend voor eisers zijn. De rechtbank is van oordeel dat de gevolgen van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe regelgeving, gezien de door de wetgever betrokken belangen en wat hierover op zitting naar voren is gebracht, niet onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de gemaakte keuze zoals hiervoor al besproken. Hierbij weegt mee dat de wetgever veel ruimte toekomt om het moment van toepassing van nieuwe wetgeving te kiezen.
De keuze voor onmiddellijke werking van het nieuwe recht is evenmin in strijd met het vertrouwens-, rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel en van willekeur is geen sprake. De minister wijst er terecht op dat er al langer wordt gesproken over aanpassing van de nareisregels. Aan de onmiddellijke werking van nieuwe regels is verder inherent dat dit gevolgen kan hebben. Dat kan gunstig zijn of, zoals in dit geval, ongunstig. Het is niet zo dat regelgeving alleen maar in het voordeel van betrokkenen mag worden aangepast.
Er zijn verder geen uitlatingen of toezeggingen gedaan waaruit kon worden afgeleid dat de oude regelgeving onverkort zou blijven gelden voor lopende aanvragen. Dat iemand in een ongunstiger positie komt, hoe zuur dit voor de betrokken persoon ook is, is onvoldoende om te kunnen spreken van strijd met de hiervoor genoemde beginselen.
Is de onmiddellijke werking in strijd met Gezinsherenigingrichtlijn?
Eisers voeren ook aan dat onmiddellijke werking van de nieuwe wetsartikelen in strijd is met de Gezinsherenigingrichtlijn. De Gezinsherenigingrichtlijn was van toepassing op subsidiair beschermden toen zij hun nareisaanvraag indienden en was dit ook geweest wanneer de minister tijdig op hun aanvraag had beslist. Zij worden nu de dupe van een vertraging in de besluitvorming die geheel te wijten is aan de minister. Volgens eisers blijkt uit rechtspraak van het Hof van Justitie juist dat de toepasselijkheid van de Gezinsherenigingrichtlijn niet afhankelijk mag zijn van het moment waarop de minister zijn beslissing neemt. De wetgever heeft volgens eisers ook artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingrichtlijn niet geïmplementeerd en dus moet de rechtbank richtlijnconform bepalen wat de gevolgen zijn van het uitblijven van een tijdige beslissing. Volgens eisers moet het gevolg van het niet tijdig beslissen zijn dat de wetswijziging niet op hun aanvraag van toepassing is.
De rechtbank is van oordeel dat de Gezinsherenigingrichtlijn niet van toepassing is op eisers. Dit staat namelijk in de richtlijn. De Nederlandse wetgever heeft er in het verleden voor gekozen om de Gezinsherenigingrichtlijn volgens het nationale recht rechtstreeks en onvoorwaardelijk toe te passen op subsidiair beschermden. Dit betekent echter niet dat gezinshereniging van subsidiair beschermden onder het toepassingsbereik van de Gezinsherenigingrichtlijn valt. Anders dan eisers betogen, is er geen sprake van een facultatieve bepaling op grond waarvan de Nederlandse wetgever de Gezinsherenigingrichtlijn op subsidiair beschermden van toepassing heeft verklaard. In artikel 3, vijfde lid van de Gezinsherenigingrichtlijn staat inderdaad dat lidstaten gunstigere bepalingen mogen invoeren, maar het artikel is geen grondslag om als lidstaat het toepassingsbereik van de Gezinsherenigingrichtlijn unierechtelijk uit te breiden.
Het Hof van Justitie heeft zich in het verleden wel kunnen uitlaten over gezinshereniging van subsidiair beschermden, omdat de Nederlandse wetgever de unierechtelijke bepalingen intern toepasselijk had gemaakt doordat het nationale recht naar de inhoud ervan verwees. De noodzaak voor uniforme toepassing rechtvaardigt in zo’n geval dat het Hof van Justitie uitleg geeft over unierechtelijke bepalingen in situaties die niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen. Omdat de toepassing van de bepalingen van de Gezinsherenigingrichtlijn op subsidiair beschermden een nationaalrechtelijke keuze was in plaats van een unierechtelijke facultatieve keuze, treft de verwijzing naar het arrest Kaduna geen doel. En omdat de Gezinsherenigingrichtlijn niet meer één op één van toepassing is, mist de overige rechtspraak waar eisers op wijzen ook toepassing.
Dat het Belgisch Grondwettelijk Hof prejudiciële vragen heeft gesteld over de geldigheid van het uitsluiten van subsidiair beschermden van de Gezinsherenigingrichtlijn is onvoldoende om nu anders te oordelen. De rechtbank kan niet vooruitlopen op een mogelijk antwoord op die vragen.
Of de onmiddellijke werking van het tweestatusstelsel in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel zoals eisers aanvoeren26, zal de rechtbank niet beantwoorden. De rechtmatigheid van het tweestatusstelsel ligt op zichzelf namelijk niet ter beoordeling voor.
Is de onmiddellijke werking in strijd met het EVRM?
Verder voeren eisers aan dat onmiddellijke werking van de nieuwe regels in strijd is met artikelen 13 en 8 EVRM, omdat het voor referent niet mogelijk was/is om door te procederen voor een vluchtelingstatus. Door de wijziging in de nareisregels heeft het destijds ontbreken van een effectief rechtsmiddel tegen de verleende status nu zeer nadelige gevolgen.
Deze procedure gaat over een vergunning voor nareis. Over andere procedures mag de rechtbank niet oordelen. Dat betekent dat de rechtbank de effectiviteit van het rechtsmiddel in de eerdere asielprocedure niet kan beoordelen. Daarbij komt dat het op dit moment helemaal niet zeker is dat eisers en referent nadelige gevolgen ervaren doordat referent niet heeft kunnen procederen over de verleende status. De minister heeft gelijk dat dit niet in algemene zin kan worden gesteld. Bovendien heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat referent een nieuwe asielaanvraag kan indienen en dat in principe binnen zes maanden daarop zal worden beslist.
Tussenconclusie
De rechtbank stelt vast dat de nieuwe nareisregels onmiddellijke werking hebben en oordeelt gelet op het voorgaande dat de onmiddellijke werking van deze regels niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, andere beginselen of de Gezinsherenigingrichtlijn. De rechtbank zal nu de vraag beantwoorden of een aantal van de nieuwe regels mag worden tegengeworpen.
Afschaffing van het jongvolwassenenbeleid voor subsidiair beschermden in het kader van nareis
De minister heeft van september 2016 tot 3 juni 2026 een jongvolwassenenbeleid gevoerd in nareiszaken en reguliere zaken. Hij heeft in die periode het jongvolwassenenbeleid gebruikt om familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aan te nemen tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s), als dit kind ook na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk tot het gezin is blijven behoren. In een dergelijk geval stelde de minister bijkomende elementen van afhankelijkheid die verdergaan dan de normale emotionele banden niet als vereiste. De minister heeft op basis van de beslissing Mude en Hussein tegen Nederland van het EHRM geconcludeerd dat het EVRM niet dwingt tot het voeren van een jongvolwassenenbeleid en heeft het daarom afgeschaft.
Eisers voeren aan dat uit rechtspraak van het EHRM juist volgt dat gezinsleven moet worden aangenomen tussen ouders en meerderjarige kinderen die nog geen eigen gezin zijn gestart en niet op zichzelf wonen, ook als er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eisers wijzen op de uitspraak M.T. e.a. tegen Zweden, waaruit volgens hen blijkt dat deze regel niet alleen geldt voor gevestigde migranten die worden uitgezet.
De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van het EHRM over artikel 8 EVRM blijkt dat er geen gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen wordt aangenomen, tenzij kan worden aangetoond dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn die verdergaan dan normale emotionele banden. In het kader van de uitzetting van gevestigde migranten heeft het EHRM een uitzondering gemaakt voor jongvolwassenen die nog steeds bij hun ouders wonen en geen eigen gezin hebben gevormd. In die specifieke situatie wordt ervan uitgegaan dat afhankelijkheid tussen een ouder en meerderjarig kind bestaat. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat deze uitzondering ook geldt in andere situaties. Dit kan niet worden afgeleid uit de uitspraak waar zij op wijzen. Het EHRM benoemt in die uitspraak slechts dat zij in een aantal zaken geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen een ouder en jongvolwassene als voorwaarde heeft gesteld en wijst daarbij juist op de hiervoor beschreven uitzondering. In de latere beslissing Mude en Hussein tegen Nederland bevestigt het EHRM nogmaals dat uit artikel 8 EVRM geen positieve verplichting voortvloeit om in het kader van gezinshereniging specifieke regels vast te stellen over het gezinsleven tussen jongvolwassenen en hun ouders.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister van eiser 1 die 22 jaar oud is mag verwachten dat hij kan aantonen dat er tussen hem en referent bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die verdergaan dan normale emotionele banden.
In deze zaak heeft de minister referent/eisers niet gehoord, al heeft hij hen wel in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke zienswijze in te dienen omdat de zaak onderdeel uitmaakt van de pilot. Uit rechtspraak van de Afdeling ( uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918) en werkinstructie 2022/2033 blijkt dat horen in bezwaar het uitgangspunt is en dat de minister terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op de hoorplicht. Horen ligt in de rede als de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en als er sprake is van een besluit waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Daaronder valt de beoordeling of er sprake is van familie- of gezinsleven tussen referent en zijn meerderjarige kind. In dit geval is de bezwaarfase overgeslagen, omdat partijen daar tot op een bepaalde hoogte mee hebben ingestemd. Eisers wilden namelijk duidelijkheid krijgen over de nieuwe nareisregels: of deze wel of niet mogen worden toegepast op hun aanvraag en of de nieuwe regels überhaupt mogen. Zij hebben echter wel aangevoerd dat zij hiervan niet de dupe mogen worden. De rechtbank is het met eisers eens. Gelet op het feit dat de beoordeling in sterke mate afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, is de rechtbank van oordeel dat de minister referent/eisers moet horen. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren.
Inkomenseis, huisvestingseis en wachttermijn
Eisers voeren aan dat de inkomenseis, de huisvestingseis en de wachttermijn van twee jaar in strijd zijn met de Gezinsherenigingrichtlijn, het gelijkheidsbeginsel in artikel 14 in samenhang gelezen met artikel 8 van het EVRM en het evenredigheidsbeginsel.
De minister stelt zich op het standpunt dat de drie aanvullende voorwaarden niet in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Verder is volgens de minister de Gezinsherenigingrichtlijn niet van toepassing.
De rechtbank zal zich in deze uitspraak niet uitlaten over de beroepsgronden van eisers over de huisvestingseis omdat dit niet nodig is. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk dat referent en eisers voldoen aan deze voorwaarde. In de uitspraak van vandaag ECLI:NL:RBDHA:2026:28902 geeft de rechtbank wel een oordeel over deze aanvullende voorwaarde.
Artikel 14 en artikel 8 van het EVRM
Volgens eisers is hun positie vergelijkbaar met die van vluchtelingen die om gezinshereniging verzoeken. Met de nieuwe nareiswetgeving voor subsidiair beschermden worden strengere voorwaarden gesteld ten opzichte van vluchtelingen. Er wordt dus onderscheid gemaakt tussen twee gelijke groepen op basis van een verschillende status. Volgens eisers is het gemaakte onderscheid niet proportioneel. Verder wijzen eisers erop dat er geen ruimte is om de feitelijke situatie van de referent te betrekken.
Het EHRM heeft in de arresten M.A. tegen Denemarken en M.T. tegen Zweden erkend dat er relevante verschillen bestaan tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden en dat er geen internationale en Europese consensus is of het noodzakelijk is om onderscheid tussen de twee groepen te maken. In het licht van wat het EHRM heeft overwogen in deze arresten ziet de rechtbank geen grond om aan te nemen dat subsidiair beschermden in de situaties zoals hier aan de orde genoegzaam gelijk zijn te stellen met vluchtelingen.
Uit paragraaf C5/1.2 van de Vreemdelingencirculaire blijkt dat de minister een individuele beoordeling conform artikel 8 van het EVRM maakt als aan (één van) de aanvullende voorwaarden niet wordt voldaan. Het EHRM heeft zich al meermaals uitgelaten over een inkomenseis35 en wachttermijn36 die door andere verdragsstaten zijn ingesteld. Er valt uit deze rechtspraak op te maken dat de wetgever (dergelijke) voorwaarden mag stellen aan vreemdelingen die gezinshereniging beogen. Een verdragsstaat moet zo’n vereiste wel met voldoende flexibiliteit toepassen om het recht op gezinshereniging te kunnen waarborgen. Een verdragsstaat mag van referenten niet het onmogelijke verwachten om in aanmerking te kunnen komen voor gezinshereniging. Dit betekent dat de minister een individuele beoordeling moet maken.
Het EHRM heeft er wat betreft de wachttermijn op gewezen dat in de individuele beoordeling gewicht toekomt aan een gedwongen vertrek uit het land van herkomst en een onoverkomelijke belemmering om het familie- en gezinsleven in een ander land uit te oefenen naarmate er meer (wacht)tijd is verstreken. Het EHRM heeft verder bijvoorbeeld ook betrokken dat de gezinsleden in een zaak al langer van elkaar gescheiden waren: tijdens de vlucht, de periode waarin de referent op een beslissing op zijn asielaanvraag wachtte, de wachttermijn en de periode waarin ze wachtten op een beslissing op de nareisaanvraag.
Wat betreft de inkomenseis heeft het EHRM van belang geacht of een referent gelet op zijn individuele omstandigheden alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden om financiële zelfstandigheid te verkrijgen. Als voorbeelden van individuele omstandigheden die een rol kunnen spelen, noemt het EHRM de leeftijd van een referent, zijn eventuele beroepskwalificaties en werkervaring, de mate van integratie in een verdragsstaat, de kennis van de taal van de verdragsstaat, de gezondheid van een referent, de gezinssituatie en in hoeverre sprake is van inspanningen van een referent om werk te vinden. Zo vond het EHRM dat een parttime werkende alleenstaande moeder met drie minderjarige kinderen alles gedaan had wat redelijkerwijs van haar mag worden verwacht en dat het onwaarschijnlijk was dat zij binnen afzienbare tijd wel aan de financiële voorwaarde zou voldoen. Bij een dokter die was toegelaten tot een speciaal project om versneld zijn werk te mogen uitoefenen, heeft het EHRM betrokken dat hij goede vooruitzichten had om aan een inkomenseis te voldoen.
Gelet op het voorgaande is er dus wel degelijk ruimte om de feitelijke situatie te betrekken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Het evenredigheidsbeginsel
Eisers voeren aan dat het beleid neergelegd in paragraaf C5/1.2 van de Vreemdelingencirculaire te beperkt is en in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat dit beleid onvoldoende ruimte laat om de evenredigheid ten volle te beoordelen. Eisers wijzen op een uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
De minister betoogt dat het beleid helemaal niet te beperkt is, omdat aan het evenredigheidsbeginsel wordt getoetst in de vorm van een beoordeling (van de belangenafweging) van artikel 8 EVRM.
De rechtbank stelt vast dat artikelen 29c en 29d van de Vreemdelingenwet kan-bepalingen zijn. Dit betekent dat sprake is van een discretionaire bevoegdheid. Dat betekent dat de minister bij zijn keuze om wel of geen gebruik te maken van de in deze bepalingen neergelegde bevoegdheid rekening moet houden met het evenredigheidsbeginsel dat in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb staat. De voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van de toepassing van de bevoegdheden mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. De Afdeling heeft geoordeeld dat essentieel is dat de bepaling twee gelijkwaardige ‘ijkpunten’ heeft: aan de ene kant het met het besluit beoogde doel en aan de andere kant de (nadelige) gevolgen van het besluit. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is dus niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. Een besluit met ‘harde’ gevolgen is daarom niet per definitie een onevenredig besluit, aldus de Afdeling.
Eisers hebben op zichzelf gelijk dat dit een zelfstandige beoordeling is, die losstaat van de beoordeling of toepassing van de bevoegdheden – gelet op de betrokken belangen – strijd oplevert met artikel 8 EVRM. De minister moet zich daar bewust van zijn als hij een nareisaanvraag beoordeelt. Bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM moet de minister echter een evenwichtige belangenafweging maken waarbij hij alle omstandigheden meeweegt44, waardoor deze afweging in essentie niet wezenlijk verschilt van de evenredigheidsbeoordeling van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
In dit geval heeft de minister echter nagelaten om alle relevante omstandigheden en belangen mee te wegen. Zo heeft hij niet betrokken dat referent en eisers al lang van elkaar zijn gescheiden, terwijl er volgens rechtspraak van het EHRM juist meer gewicht aan de objectieve belemmering toekomt naarmate de tijd verstrijkt. De minister heeft ook niet betrokken dat referent en eisers heel lang hebben moeten wachten op een beslissing, óók nadat zij naar de rechter zijn gestapt om alsnog een besluit af te dwingen. Daarbij heeft de minister niet betrokken dat aan eisers wel een vergunning was verleend als hij tijdig op hun aanvraag had beslist. Voor zover de minister meent dat dit niet in een artikel 8 EVRM beoordeling kan worden betrokken, moet hij dit punt in een evenredigheidsbeoordeling betrekken.
Verder wordt uit de besluitvorming onvoldoende duidelijk in hoeverre de minister rekening heeft gehouden met de door referent aangetoonde medische beperkingen en welk effect dit heeft op zijn vermogen om aan de inkomenseis te voldoen. De minister stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat referent volledig en blijvend arbeidsongeschikt is, maar uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat een dergelijke lat in een individueel geval te hoog kan zijn. Als medische problemen effect hebben op iemands arbeidsvermogen, maar die persoon bijvoorbeeld wel in staat is om parttime te werken, dan ligt de lat lager. In zo’n geval kan het voldoende zijn dat iemand aantoont alles eraan gedaan te hebben om een passende parttime baan te vinden.
Conclusie en gevolgen
Het beroep van eisers tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 8 van het EVRM, 3:4, tweede lid, van de Awb en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank draagt de minister op om referent/eisers te horen.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:28901, Rechtbank Den Haag, NL25.51023.