Jurisprudentie
Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:
02-07-2026, Rb Den Haag, Syrië, beroep gegrond [artikel 15c-beoordeling; humanitaire omstandigheden]
Reden signalering:
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zou komen in een situatie in strijd met artikel 3 EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om te spreken van een volledige en individuele beoordeling van de vraag of eiser een risico loopt op schending van artikel 3 EVRM, nu deze enkele stelling geen blijk geeft van het onderzoeken en betrekken van de daartoe relevante (persoonlijke en algemene) omstandigheden. Net als bij de 15c-beoordeling heeft verweerder onvoldoende inzicht gegeven in hoe hij de causale relatie tussen het geweld en de humanitaire omstandigheden beoordeelt en waarom hieruit volgt dat de zwaardere toets aan de orde is. Tevens is nagelaten de persoonlijke omstandigheden in samenhang met de algemene situatie op inzichtelijke wijze te beoordelen.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië. Er is volgens verweerder geen sprake van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn. Uit het beleid van verweerder volgt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Er is sprake van een verbetering in de algemene veiligheids- en mensenrechtensituatie. Geweldsuitbarstingen zijn incidenteel van aard en het aantal burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld is laag, zo blijkt uit het ambtsbericht van mei 2025. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft geen risicoverhogende individuele omstandigheden aangevoerd.
Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene veiligheidssituatie in Syrië. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld en dat eiser geen slachtoffer zal worden van willekeurig geweld.5 Uit landeninformatie blijkt dat er in Syrië en de regio Daraa (waar eiser vandaan komt), nog steeds sprake is van (willekeurig) geweld en dat de autoriteiten geen bescherming kunnen bieden. Verweerder had ook de slechte humanitaire situatie in Syrië moeten betrekken in deze beoordeling. Eiser voert verder aan in dit kader dat verweerder de individuele omstandigheden van eiser ten onrechte niet of onvoldoende bij de afweging heeft betrokken. Eiser wijst er daarbij op dat hij komt uit Daraa, dat hij niet behoort tot een invloedrijke stam of gewapende groepering en dat zijn zoon is bedreigd. Ten slotte voert eiser aan dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en de humanitaire omstandigheden in Syrië een risico loopt op schending van artikel 3 EVRM.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië?
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, nu de in het besluit verrichte 15c-beoordeling niet volledig is. Verweerder heeft namelijk bij deze beoordeling nagelaten om de meest actuele informatie over de humanitaire omstandigheden in Syrië te betrekken.
Verweerder heeft in het bestreden besluit op basis van zijn beleid aangenomen dat er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gebaseerd op informatie uit de ambtsberichten over Syrië van mei 2025 en januari 2026. Verder heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de humanitaire situatie in Syrië niet of nauwelijks te wijten is aan een actor die partij is bij een lopend gewapend conflict, maar juist het gevolg is van jarenlange oorlog, internationale sancties en het regime van Assad. Verweerder heeft erop gewezen dat de humanitaire situatie globaal moet worden meegewogen in de ‘15c-beoordeling’ als dit een direct of indirect gevolg is van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een actief gewapend conflict. Daarvan is volgens verweerder geen sprake en daarom spelen de humanitaire omstandigheden geen rol in de 15c-beoordeling. Verweerder heeft daarbij gewezen op de Country Guidance Syria van EUAA, een rapport van UK Home Office van juli 2025 en een niet nader gespecificeerde of gedateerde bron van ‘fluechtelingshilfe.ch’. Verweerder heeft zich ten slotte ter zitting op het standpunt gesteld dat de individuele omstandigheden van eiser geen risicoverhogende factoren zijn.
Ten aanzien van het betrekken van de humanitaire omstandigheden in de 15c beoordeling overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. Maar, mede gelet op de volatiele situatie in Syrië had verweerder de huidige humanitaire omstandigheden in Syrië moeten beoordelen aan de hand van actuele bronnen en kon verweerder niet volstaan met de verwijzingen naar verouderde informatie en een niet-gespecificeerde bron. Met deze algemene verwijzingen kan de rechtbank bovendien niet nagaan welke humanitaire omstandigheden verweerder heeft betrokken en op basis van welke informatie verweerder tot de conclusie is gekomen dat de omstandigheden niet worden veroorzaakt of in stand gelaten door partijen die actief zijn bij een gewapend conflict. Verweerder erkent voorts dat de strijdende partijen in het herkomstgebied van eiser nog steeds geweld gebruiken dat de humanitaire situatie verergert, zoals het tegenhouden van hulpkonvooien, maar waarop de conclusie is gebaseerd dat dit dermate incidenteel is dat hieraan geen betekenis toekomt in de beoordeling, is door verweerder niet duidelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt.
Artikel 3 EVRM
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM (zie: ECLI:NL:RBDHA:2026:3611). Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld (ECLI:EU:C:2009:94) dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi (ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907) twee situaties onderscheidt:
- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor het aannemen van een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM hoger.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit in bovenbedoelde zin niet uitgelaten over de vraag of eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM. Dit is een motiveringsgebrek. Ter zitting heeft verweerder zich aanvullend op het standpunt gesteld dat eiser geen omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zou komen in een situatie in strijd met artikel 3 EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om te spreken van een volledige en individuele beoordeling van de vraag of eiser een risico loopt op schending van artikel 3 EVRM, nu deze enkele stelling geen blijk geeft van het onderzoeken en betrekken van de daartoe relevante (persoonlijke en algemene) omstandigheden. Net als bij de 15c-beoordeling heeft verweerder onvoldoende inzicht gegeven in hoe hij de causale relatie tussen het geweld en de humanitaire omstandigheden beoordeelt en waarom hieruit volgt dat de zwaardere toets aan de orde is. Tevens is nagelaten de persoonlijke omstandigheden in samenhang met de algemene situatie op inzichtelijke wijze te beoordelen. De beroepsgrond slaagt.
Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep al gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.
Uitspraak (NL24.36922) op 9 juli 2026 nog niet gepubliceerd.
24-06-2026, Rb Den Haag, Syrië, beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand [artikel 15c-beoordeling; artikel 3 EVRM]
Reden signalering:
Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Deir ez-Zor. Verder zijn er geen persoonlijke omstandigheden die maken dat sprake is van een verhoogd risico maken. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt in een situatie te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM - gebrek hersteld in verweerschrift - beroep gegrond, besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen.
Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1981. Hij komt uit [plaats]. Tussen 2007 en 2010 heeft hij in Saoedi-Arabië gewoond en gewerkt. Daarna is hij teruggekeerd naar Syrië en in 2015 is hij vertrokken naar Turkije. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser behoort tot de Maliki rechtsschool. Daarnaast is hij tien dagen vastgehouden door IS toen hij Syrië wilde verlaten. Zij hebben hem de keuze gegeven om ofwel voor 45 dagen een religieuze heropvoedingscursus te volgen, ofwel veroordeeld te worden. Eiser heeft gezegd dat hij de cursus zou volgen, maar is vervolgens gevlucht.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en
- dat eiser de Maliki rechtsschool volgt; en
- eisers problemen met [naam] en een rechter vanwege zijn aanhouding door IS.
- Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, net als dat hij de Maliki rechtsschool volgt. Eisers problemen vanwege zijn aanhouding door IS vindt verweerder niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens verweerder heeft eiser niet onderbouwd dat de personen met wie hij problemen heeft, onderdeel zijn van IS of nu deel uitmaken van het huidige regime. Eisers verklaringen zijn daarnaast gebaseerd op vermoedens en komen niet overeen met openbare informatie over IS en landeninformatie over Syrië. Volgens verweerder heeft eiser op basis van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst en zijn religie geen gegronde vrees voor vervolging2 en loopt hij geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië. Er is niet gebleken dat eiser problemen heeft gehad of heeft te verwachten vanwege zijn religie. Hoewel er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië, gelden voor eiser geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit twee motiveringsgebreken bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Eisers problemen met IS
Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder concluderen dat eiser zijn problemen met IS niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder mocht erop wijzen dat de problemen die eiser verwacht, gebaseerd zijn op vermoedens. Zo zijn er geen indicaties waaruit volgt dat eiser op dit moment gezocht wordt door IS. Eisers stelling dat er een video van hem is gemaakt, heeft hij niet onderbouwd. Sinds 2013 is er ook veel gewijzigd in de situatie in Syrië en rondom IS. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gebeurtenissen van destijds nu nog tot problemen leiden. Hoewel de rechtbank eiser erin kan volgen dat zijn gestelde problemen zien op IS als geheel, en niet alleen op de mannen met wie hij eerder problemen heeft gehad, maakt dit niet dat aannemelijk is dat hij nu gezocht wordt. Ook mocht verweerder erop wijzen dat eisers verklaringen niet overeenkomen met recente landeninformatie over de verhoudingen tussen IS en de overgangsregering. Eisers verwijzing naar het UNHCR-rapport van mei 2026 maakt deze beoordeling niet anders. Uit dat rapport volgt dat IS (aangeduid als Da’esh) soms aanvallen richt op burgers, waaronder mensen die weigeren islamitische belasting te betalen, clanleiders en medewerkers van de overheid die in verband worden gebracht met de SDF. Er is echter niet gebleken dat dit geldt voor eiser.
Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld.
De rechtbank constateert dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte is ingegaan op de 15c-situatie in Aleppo, in plaats van in [plaats]. Uit het dossier blijkt dat alleen [plaats] aangemerkt kan worden als relevant terugkeergebied voor eiser en ook ter zitting heeft verweerder niet aan kunnen geven waarom is ingegaan op de situatie in Aleppo. De rechtbank constateert in die zin een gebrek in het bestreden besluit. Verweerder heeft in het voornemen en in het verweerschrift wel een beoordeling gemaakt op basis van de actuele situatie in [plaats]. Daarom blijft de afwijzing van de asielaanvraag staan ondanks het geconstateerde gebrek. De rechtbank legt dat hieronder verder uit.
Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van mijnen. Verweerder heeft daarbij terecht geconcludeerd dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats], het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie [plaats] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 64 (december 2025) en 103 (augustus 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats]. Verder is het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten afgenomen en worden er maatregelen genomen met betrekking tot mijnen. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats], maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 84.577 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats].
Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit januari 2026, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en in [plaats] in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats].
Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die maken dat hij een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Niet is onderbouwd dat er problemen volgen uit eisers geloof in de Maliki rechtsschool. Eisers problemen met IS zien op gericht geweld en kunnen om die reden niet gelden als individuele risicoverhogende omstandigheden in dit kader. Daar komt bij dat de problemen, zoals hierboven besproken, niet geloofwaardig zijn. Ook dat eiser lange tijd uit Syrië afwezig is geweest, is niet voldoende om aan te nemen dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Terugkeerbesluit
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt:
- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM. Een beoordeling in dit kader ontbreekt namelijk in het geheel in het bestreden besluit.
Het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek is in het verweerschrift hersteld. Verweerder heeft er namelijk op gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Verweerder heeft gemotiveerd dat deze lat van toepassing is, omdat ‘de huidige humanitaire omstandigheden thans niet hoofdzakelijk worden veroorzaakt door actuele doelbewuste handelingen van een overheid of andere actor, maar vooral door de nasleep van jarenlang conflict, economische ontwrichting, beschadigde infrastructuur en algemene armoede.’
Verweerder heeft zich vervolgens in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een schrijnende humanitaire situatie in strijd met het arrest Sufi en Elmi. De rechtbank volgt verweerder in deze beoordeling. Hiertoe vindt de rechtbank van belang dat eiser een gezonde volwassen man is en dat hij nog familie – namelijk een broer en drie zussen – heeft wonen in zijn herkomstgebied. Ook mocht verweerder erop wijzen dat eiser eerder heeft gewerkt en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet opnieuw een bestaan zal kunnen opbouwen. Er is niet gebleken van andere omstandigheden die hem bijzonder kwetsbaar maken.
Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van motiveringsgebreken. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:17227, Rechtbank Den Haag, NL26.12423.
30-06-2026, Rb Groningen, Somalië, beroep gegrond [gebieden onder controle Al-Shabaab]
Reden signalering:
Uit de algemene informatie volgt niet eenduidig welke gebieden op de weg van Mogadishu naar Beledweyne onder controle staan van Al-Shabaab en uit algemene informatie eveneens af te leiden valt dat sommige gebieden langs de hoofdweg onder (gedeeltelijke) controle staan van Al-Shabaab, is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer niet hoeft te reizen door gebieden waar Al-Shabaab aan de macht is dan wel de controle heeft.
Eiser stelt dat hij naar aanleiding van bedreigingen door Al-Shabaab in 2015 voor de eerste keer is gevlucht. In de jaren 2016 en 2020 is hij teruggekeerd naar zijn woonplaats Beledweyne. In 2022 is eiser opnieuw teruggekeerd naar Somalië en heeft hij in Mogadishu verbleven. Eiser zou tijdens zijn verblijf in Somalië bedreigd zijn door Al-Shabaab. Vervolgens heeft een oom van eiser een paspoort en visum geregeld, waarna eiser naar Turkije is gevlucht. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Somalië door Al-Shabaab zal worden gedood.
De problemen met Al-Shabaab worden door de minister ongeloofwaardig geacht. Eisers verklaringen over de problemen met Al-Shabaab vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Om die reden is de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Volgens de minister komt eiser vanwege zijn verblijf in Beledweyne en zijn reis daar naartoe ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning, nu Beledweyne niet onder controle staat van Al-Shabaab en eiser ook niet door een gebied hoeft te reizen dat onder controle staat van Al-Shabaab.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen met Al-Shabaab terecht ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft in dit kader terecht tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over waarom zijn huis is aangevallen en hij doelwit is geworden van Al-Shabaab.
Heeft de minister terecht overwogen dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade loopt?
Eiser stelt dat hij afkomstig is uit een gebied, dan wel moet reizen door een gebied, dat ofwel onder (gedeeltelijke) controle van Al-Shabaab staat, dan wel een attack zone van Al-Shabaab is. Hieruit volgt dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt.
De rechtbank overweegt als volgt.
Uit het landenbeleid van de minister volgt dat er voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade in gebieden in Somalië waar Al-Shabaab aan de macht is, dan wel het gebied controleert. Dit risico op ernstige schade wordt ook aangenomen wanneer een terugkeerder over land moet reizen door een gebied waar Al-Shabaab de macht heeft of waar Al-Shabaab het gebied controleert. De rechtbank overweegt dat het in beginsel aan eiser is om aannemelijk te maken dat in zijn geval een reëel risico op ernstige schade bestaat. Gelet op het beleid is hieraan voldaan als aannemelijk is gemaakt dat eiser zou moeten reizen door een gebied waar Al-Shabaab de macht heeft of waar Al-Shabaab het gebied controleert. Dat is in deze zaak van belang gelet op het volgende.
De rechtbank stelt vast dat uit het algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025 volgt dat Beledweyne onder controle staat van de Somalische overheid, zodat niet kan worden geconcludeerd dat eiser moet terugkeren naar een gebied waar Al-Shabaab aan de macht is dan wel de controle heeft.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of eiser bij terugkeer over land van Mogadishu naar Beledweyne kan reizen zonder door een gebied te reizen waar Al-Shabaab aan de macht is of waar Al-Shabaab het gebied controleert. Indien dat wel het geval is, volgt uit het beleid dat voor eiser een reëel risico op ernstige schade bestaat. De rechtbank stelt vast dat uit de kaart van de controlegebieden in Somalië, zoals opgenomen in het ambtsbericht, volgt dat zich op of langs de route tussen Mogadishu en Beledweyne (via Jowhar) gebieden bevinden die deels onder controle van de federale overheid en deels onder controle van Al-Shabaab staan. Deze gebieden zijn op de kaart gemarkeerd met een rood/zwarte stip, onder meer nabij Fidow en Bo’o. De rechtbank stelt verder vast dat uit de overzichtskaart van het landenrapport van de EUAA volgt dat delen van de gebieden langs de hoofdweg volledig onder controle van Al-Shabaab staan, onder meer nabij Jowhar en Fidow.
De rechtbank overweegt verder dat uit het ambtsbericht volgt dat het niet mogelijk was om een concrete afbakening te geven van de exacte controlegebieden van Al-Shabaab en dat daarom ook niet kan worden aangegeven tussen welke steden over land gereisd kan worden zonder door Al-Shabaab gebied te reizen. Voorts blijkt uit het ambtsbericht dat Al-Shabaab, hoewel zij in de vorige verslagperiode weliswaar de controle verloren over steden en dorpen in verschillende regio’s, nog steeds voldoende capaciteit heeft om ook in die gebieden in de landelijke regio’s en langs hoofdwegen voor onveiligheid te zorgen. Uit het ambtsbericht volgt eveneens dat de strijd tussen Al-Shabaab en het regeringsleger de belangrijkste oorzaak van geweld was in Hiraan, de provincie waarin Beledweyne gelegen is, en dat geweldsincidenten voor het overgrote deel plaatsvonden langs en in de buurt van de weg die van Mogadishu via Jowhar richting Beledweyne loopt. Nu uit de algemene informatie niet eenduidig volgt welke gebieden op de weg van Mogadishu naar Beledweyne onder controle staan van Al-Shabaab en uit algemene informatie eveneens af te leiden valt dat sommige gebieden langs de hoofdweg onder (gedeeltelijke) controle staan van Al-Shabaab, is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer niet hoeft te reizen door gebieden waar Al-Shabaab aan de macht is dan wel de controle heeft.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:17760, Rechtbank Den Haag, NL25.48364.
30-06-2026, Rb Groningen, Colombia, beroep gegrond [bedreigingen; Bureau Documenten; bescherming autoriteiten]
Reden signalering:
De minister kan naar het oordeel van de rechtbank zijn standpunt dat in dit geval bescherming door de autoriteiten mogelijk is niet handhaven. Dit temeer nu het gaat om bewijsstukken die de verklaringen van eisers ondersteunen dat zij bedreigd zijn door de AUC en de Clan del Golfo en ook vallen binnen de context van wat bekend is uit de openbare bronnen over de handelwijze van de gevreesde machtige illegale gewapende groeperingen en de mate van bescherming die de autoriteiten daartegen bieden
De vader van eiseres is op 25 november 2023 op gewelddadige wijze vermoord. Eiseres heeft geprobeerd inzage te krijgen in het dossier van haar vader via het OM. Eiseres heeft op 21 maart 2024 telefoontjes met bedreigingen en dreigende sms’jes ontvangen die erop neer kwamen dat ze het onderzoek naar de dood van haar vader moest laten rusten. Eiseres heeft hiervan aangifte gedaan op 22 maart 2024 bij de Fiscalia, het Openbaar Ministerie. Eisers vrezen bij terugkeer naar Colombia gedood te worden door de AUC en de Autodefensas Gaitanistas de Colombia (AGC), ook wel de Clan del Golfo (CDG) genoemd. Eisers moeder is door het OM opgeroepen om te getuigen.
De vrees voor de AUC en de AGC - machtige illegale gewapende organisaties - acht de minister aannemelijk en zwaarwegend genoeg, omdat het gaat om dreigementen die zien op de dood. Eisers kunnen echter effectieve bescherming inroepen van de Colombiaanse autoriteiten tegen de personen waarvoor zij stellen te vrezen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het vragen van bescherming in hun geval niet effectief is. Eisers hebben de uitkomsten van hun aangiftes niet afgewacht, maar het land verlaten. De mogelijkheden om te worden beschermd zijn door eisers niet afgewacht. Eisers hebben geen inzicht gegeven in de status van de aangiftes. Eisers hebben ook geen navraag gedaan naar de status en hebben zich evenmin tot andere bevoegde instanties gewend voor hulp. Niet gesteld kan worden dat de autoriteiten niet in staat zijn of niet bereid zijn eisers bescherming te bieden tegen de gestelde bedreigingen. De minister gaat ervan uit dat de aangiftes nog in behandeling zijn bij het OM.
Heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eisers geen effectieve bescherming kunnen krijgen van de autoriteiten in Colombia?
De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister de moord op de (schoon)vader van eisers geloofwaardig heeft geacht. Voorts acht de minister de vrees voor de AUC en de AGC aannemelijk en zwaarwegend genoeg, omdat het gaat om dreigementen die zien op de dood. Volgens de minister is echter niet gebleken dat de autoriteiten in Colombia eisers geen effectieve bescherming kunnen bieden tegen de bedreigingen van deze machtige illegaal gewapende organisaties. Dit standpunt van de minister is naar het oordeel van de rechtbank niet toereikend gemotiveerd.
Eisers hebben in beroep aangevoerd dat er geen schot zit in de aangiftes die zij hebben gedaan. Er worden geen acties ondernomen door het OM. Eisers hebben via een advocaat geprobeerd inzage te krijgen in de dossiers. De advocaat heeft op 20 november 2025 geïnformeerd bij het OM over de stand van zaken ten aanzien van het onderzoek naar de moord op de vader van eiseres. Daarop is nog geen reactie gekomen. Eisers moeder heeft op 21 november 2025 in het SPOA-systeem gekeken. Door toedoen van deze twee acties zijn er door de CDG pamfletten afgeleverd bij het huis van eisers moeder met dreigende teksten richting eisers. Eisers hebben kopieën van deze pamfletten (inclusief vertaling) in beroep ingebracht.
Naar aanleiding van de heropening heeft de minister de pamfletten op verzoek van de rechtbank voorgelegd aan Bureau Documenten. Op 25 februari 2026 heeft de minister de rechtbank bericht dat Bureau Documenten niets kan zeggen over deze documenten nu het printjes zijn en door een ieder kunnen worden vervaardigd. Nu de documenten niet kunnen worden onderzocht door Bureau Documenten, ziet de minister geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen dan reeds verwoord in het bestreden besluit. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt gesteld de aanleiding van de pamfletten opmerkelijk te vinden. Ten aanzien van de opmaak van de pamfletten heeft de minister een aantal opmerkingen geplaatst en de minister ziet niet in waarom eisers van deze bedreigingen geen aangifte hebben gedaan. Dat bescherming door de autoriteiten niet mogelijk is, volgt de minister niet.
Onderzoek Bureau Documenten
Eisers hebben in beroep aangevoerd dat het onzorgvuldig is en in strijd met het motiveringsbeginsel is dat de minister de reactie van Bureau Documenten niet heeft ingebracht. Eisers kunnen nu niet nagaan of de minister daadwerkelijk contact heeft gehad met Bureau Documenten en wat de officiële reactie is geweest. Eisers wijzen in dit verband op een uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:700).
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers terecht betoogd dat zij ten onrechte geen kennis hebben kunnen nemen van de bevindingen van Bureau Documenten. De minister heeft weliswaar te kennen gegeven dat hij onderzoek heeft laten verrichten door Bureau Documenten, maar uit de besluitvorming en het verweerschrift blijkt niet wanneer hij Bureau Documenten heeft benaderd en wat de vraagstelling is geweest. De rechtbank heeft bij de heropening van het onderzoek aangegeven dat onderzoek door Bureau Documenten noodzakelijk is. De minister heeft op 23 april 2026, dat wil zeggen, na de nadere reactie van eisers alsnog een e-mail van Bureau Documenten aan het dossier toegevoegd, waarin staat: “Ah ja over deze documenten kunnen we inderdaad helaas niet veel zeggen. Het zijn vrij simpele printjes die iedereen zou kunnen maken. Heb je ook nog ondersteunende documenten erbij zoals de aangifte die ze hebben gedaan of hebben jullie enkel dit document?”. Uit deze e-mail volgt niet duidelijk dat Bureau Documenten is gevraagd om de pamfletten te onderzoeken. Het lijkt alsof Bureau Documenten is gevraagd het standpunt van de minister te bevestigen dat over de documenten niets gezegd kan worden. Uit de e-mail blijkt verder dat de onderzoeker van Bureau Documenten heeft gevraagd of er nog ondersteunende documenten zijn zoals een aangifte. Waarom de minister niet heeft aangegeven dat er nog ondersteunende documenten zijn, kan de rechtbank niet volgen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende onderzoek naar de pamfletten is gedaan door Bureau Documenten en dat de beschikbare informatie onvoldoende is om het standpunt van de minister te dragen dat er geen aanleiding is om af te wijken van het in het besluit ingenomen standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd en is er sprake van onzorgvuldige besluitvorming.
Kopieën
Voorts hebben eisers aangevoerd dat kopieën wel op echtheid kunnen worden onderzocht. In ieder geval kan op basis van technische of tactische elementen soms wel een oordeel worden gegeven over een kopie.
Met eisers is de rechtbank van oordeel dat ook een kopie op echtheidskenmerken kan worden onderzocht, omdat vastgesteld kan worden of het document aan bepaalde voorwaarden voldoet en of het document - gelet op aanwezig vergelijkingsmateriaal - afkomstig is van de door eisers gestelde afzender. Ook kan de minister de inhoud van deze documenten vergelijken met openbare bronnen om te bezien of de inhoud juist kan zijn. Bovendien geldt dat als de “echtheid ” van een document niet kan worden vastgesteld dit niet betekent dat het document niet inhoudelijk juist kan zijn. Ook als een document slechts een kopie is, betekent dit niet dat hieraan geen enkele waarde kan toekomen. Voorts dient de minister elk bewijsmiddel dat door de vreemdeling wordt aangedragen te onderzoeken en te beoordelen of dit steunbewijs kan opleveren voor het asielrelaas, temeer nu de minister de bedreigingen die eisers hebben ondervonden zwaarwegend genoeg heeft geacht en de pamfletten de verklaringen van eisers in die zin ondersteunen.
De rechtbank acht de tegenwerping van de minister dat eiser enkel printjes heeft ingebracht dan ook onzorgvuldig.
Afkortingen op de pamfletten
Eisers hebben in beroep aangevoerd dat de minister ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de afkortingen EGC/AGC in de pamfletten niet te herleiden zijn tot de Glan del Golfo.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom niet valt in te zien dat op een pamflet twee afkortingen zouden staan van één en dezelfde organisatie, waarbij één afkorting niet te herleiden valt tot Clan del Golfo. Daarbij acht de rechtbank van belang dat volgens het Algemeen Ambtsbericht Colombia 20249 de Glan del Golfo zichzelf ook wel de Colombiaanse Gaitanista Zelfverdedigingskrachten noemt (ofwel AGC: Autodefensas Gaitanistas de Colombia) en staat de groepering ook wel bekend onder de naam Los Uraberios of Clan Usuga. Voorts blijkt uit het ambtsbericht dat sinds begin 2024 de groepering zich het Colombiaanse Gaitanista leger (EGC: Ejército Gaitanista de Colombia) noemt. Uit deze informatie blijkt dus dat alle afkortingen op het pamflet te herleiden zijn naar de Clan del Golfo.
Datum op de pamfletten
Eisers hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat de minister ten onrechte - onder verwijzing naar een onderzoek van de Canadese Immigratiedienst over de opmaak van pamfletten - aan eisers heeft tegengeworpen dat er geen datum staat op de pamfletten.
Naar het oordeel van de rechtbank kan ook deze tegenwerping geen stand houden.
Uit de betreffende passages in het onderzoek volgt niet dat pamfletten altijd een datum bevatten.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de tegenwerpingen van de minister over de ontbrekende datum op de pamfletten zonder nadere motivering dus geen stand houden.
Gelet op bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de minister - zonder nadere motivering - zijn standpunt dat bescherming door de autoriteiten mogelijk is niet kan handhaven. Dit temeer nu het gaat om bewijsstukken die de verklaringen van eisers ondersteunen dat zij bedreigd zijn door de AUC en de Clan del Golfo en ook vallen binnen de context van wat bekend is uit de openbare bronnen over de handelwijze van de gevreesde machtige illegale gewapende groeperingen en de mate van bescherming die de autoriteiten daartegen bieden. De bestreden besluiten berusten niet op een deugdelijke motivering. Voorts is er sprake van een zorgvuldigheidsgebrek, omdat er geen goed onderzoek door Bureau Documenten is verricht.
Conclusie en gevolgen
Het beroep tegen het niet op tijd beslissen is niet-ontvankelijk. De beroepen tegen de alsnog genomen besluiten zijn gegrond omdat er sprake is van een motiveringsgebrek en zorgvuldigheidsgebrek. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank zal de bestreden besluiten daarom vernietigen.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:17729, Rechtbank Den Haag, NL25.58740, NL25.58739 en NL25.51855.
25-06-2026, Rb Arnhem, beroep gegrond [Dublinverordening; verlenging overdrachtstermijn; onderduiken]
Reden signalering
De minister heeft de overdrachtstermijn ten onrechte verlengd op de grond dat eiser is ondergedoken. Het TBBA-formulier heeft onvoldoende bewijswaarde, en daarom heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser is ondergedoken.
Eiser heeft op 9 december 2024 een asielaanvraag ingediend. Op grond van de (toen geldende) Dublinverordening heeft de minister vastgesteld dat niet Nederland, maar Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van deze asielaanvraag. De minister heeft Frankrijk daarom op 17 januari 2025 verzocht om eiser terug te nemen. Frankrijk heeft dit verzoek op 28 januari 2025 geaccepteerd.
De minister heeft de asielaanvraag van eiser vervolgens met het besluit van 5 maart 2025 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit besluit omvat ook een overdrachtsbesluit. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 maart 2025. Deze zittingsplaats van de rechtbank heeft dit beroep met haar uitspraak van 27 juni 2025 ongegrond verklaard.1 Eiser heeft hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op dit hoger beroep nog geen uitspraak gedaan.
Met het bestreden besluit heeft de minister de overdrachtstermijn verlengd, omdat hij vindt dat eiser is ondergedoken.
Is eiser ondergedoken?
Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij zou zijn ondergedoken. Het bestreden besluit behelst immers slechts de vaststelling dat eiser is ondergedoken (zonder nadere motivering) en uit het dossier blijkt ook niet welke feiten aanleiding zouden kunnen hebben gegeven tot de conclusie dat eiser is ondergedoken. Bovendien was feitelijk gezien ook geen sprake van onderduiken. Eiser verbleef naar eigen zeggen op de dag van de geplande (vrijwillige) overdracht (2 april 2025) op zijn kamer in het opvangcentrum. In de ochtend klopten medewerkers van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) bij eiser aan om hem op te halen voor de geplande vlucht. Eiser heeft toen geweigerd om mee te gaan. Zijn beroep tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag zou namelijk enkele dagen later (op 10 april 2025) op zitting worden behandeld en eiser wilde de uitkomst van die procedure in Nederland afwachten. De medewerkers van de DV&O hebben dat genoteerd, en zijn toen (zonder eiser) weer vertrokken. Voor zover dat volgens de minister voldoet aan de definitie van ‘onderduiken’, is dat standpunt onjuist.
De minister heeft de overdrachtstermijn verlengd, omdat eiser volgens hem is ondergedoken. In het verweerschrift heeft de minister toegelicht dat eiser ruim van tevoren is geïnformeerd over de datum van de geplande overdracht en het geplande ophaalmoment, en dat hem (meermaals) is verteld dat hij beschikbaar moest blijven voor de verwijderingsprocedure en medewerking moest verlenen aan de overdracht. Omdat eiser op het geplande ophaalmoment echter niet aanwezig was op zijn kamer op de opvanglocatie en ook niet elders (zichtbaar) aanwezig was op het terrein van de opvanglocatie, is sprake van onderduiken in de zin van de Dublinverordening. De minister stelt verder dat ook als moet worden uitgegaan van de feiten zoals door eiser gepresenteerd volgens hem sprake is van onderduiken. Eiser heeft in dat geval niet meegewerkt aan een verplichte overdracht. Bovendien wist hij dat hij zijn beroep tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag niet in Nederland mocht afwachten, omdat het door hem ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende dat beroep was afgewezen.
De beroepsgrond van eiser slaagt. De minister heeft de overdrachtstermijn ten onrechte verlengd op de grond dat eiser is ondergedoken.
Van ‘onderduiken’ in de zin van de Dublinverordening is sprake als een asielzoeker er doelbewust voor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het oog om deze overdracht te voorkomen. Dat wordt vermoed het geval te zijn wanneer de vreemdeling zijn woonplaats verlaat zonder de bevoegde autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te stellen én de vreemdeling van tevoren is geïnformeerd over de verplichtingen die in dat kader op hem rusten.
Het is tussen partijen niet in geschil dat eiser van tevoren is geïnformeerd over de overdracht en dat hem van tevoren is verteld dat hij daaraan moest meewerken. Eiser heeft echter wel (gemotiveerd) betwist dat hij op het moment van het ophaalmoment niet op zijn kamer of op de opvanglocatie verbleef. De minister stelt zich op het standpunt dat dit uit het overgelegde TBBA-formulier voldoende blijkt, maar de rechtbank volgt dat standpunt niet. Afgezien nog van het feit dat het formulier een standaardformulier lijkt te zijn dat verder niet op eiser is toegespitst en niet volledig is ingevuld (omdat enkele data ontbreken), is het onduidelijk door wie en in welke hoedanigheid het formulier is ingevuld en is het niet ondertekend. Hoewel dit – zoals de minister heeft gesteld – op zich geen afbreuk doet aan de (rechts)geldigheid van het formulier, heeft het wel gevolgen voor de bewijswaarde van het formulier. Zonder ondertekening kan de rechtbank aan het overgelegde TBBA-formulier niet dezelfde bewijswaarde toekennen als aan (bijvoorbeeld) een op ambtseed of -belofte opgemaakt proces-verbaal, en behelst het formulier slechts een schriftelijke herhaling van het standpunt van de minister zoals vervat in het bestreden besluit en het verweerschrift. Vanwege de beperkte bewijswaarde en gelet op de gemotiveerde betwisting door eiser, gaat de rechtbank niet uit van de feiten zoals gepresenteerd in het TBBA-formulier. Omdat de minister zijn standpunt dat eiser zich op het ophaalmoment buiten bereik van de autoriteiten bevond op dit TBBA-formulier heeft gebaseerd, heeft dit oordeel tot gevolg dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser op 2 april 2025 is ondergedoken.
Ook als de rechtbank uitgaat van de feiten zoals door eiser gepresenteerd, kan niet worden gesproken van ‘onderduiken’ in de zin van de Dublinverordening. In dat geval zou het onderduiken gelegen zijn in de weigering van eiser om met de medewerkers van de DV&O mee te gaan. Uit de rechtspraak volgt echter dat dit slechts gelijk zou kunnen staan aan het frustreren van de overdracht, maar – zoals eiser terecht heeft gesteld – niet de conclusie rechtvaardigt dat eiser op het moment van de geplande overdracht buiten het bereik van de autoriteiten was en dus is ondergedoken. In zoverre is dus ook niet van belang wáárom eiser de overdracht heeft gefrustreerd en dat hij zijn beroep niet in Nederland mocht afwachten.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser is ondergedoken. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:17557, Rechtbank Den Haag, NL25.16863.
23-06-2026, Rb Arnhem, beroep gegrond [Dublin, arrest Qassioun, intrekking subsidiaire bescherming]
Reden signalering:
Het Hof van Justitie heeft in het arrest Qassioun geoordeeld dat artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening niet ziet op de situatie waarin een eerder verleende verblijfstitel niet wordt verlengd of vernieuwd. De rechtbank stelt vast dat het in dit geval niet gaat om het niet verlengen van een eerdere verblijfstitel, maar om intrekking van internationale bescherming. Het arrest Qassioun is echter ook op die situatie van toepassing, omdat ook in dat geval eerder positief is beslist op het verzoek om internationale bescherming. De minister heeft dit op de zitting ook niet betwist. Dit betekent dat de minister het overdrachtsbesluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.
De rechtbank komt tot het oordeel dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft de aanvraag daarom terecht niet in behandeling genomen. Omdat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, is het beroep gegrond. Maar de minister heeft dit motiveringsgebrek in beroep hersteld, zodat eiser alsnog geen gelijk krijgt. De rechtbank licht dit hierna toe.
Eiser betoogt dat de Dublinverordening niet op hem van toepassing is en dat daarom geen sprake is van een rechtsgeldig overdrachtsbesluit. Volgens eiser zijn het claimverzoek, het claimakkoord en het overdrachtsbesluit ten onrechte gebaseerd op artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Die bepaling heeft betrekking op afgewezen asielverzoeken. De situatie van eiser verschilt daarvan, omdat Duitsland hem eerst internationale bescherming heeft verleend en deze pas later heeft ingetrokken.
Het Hof van Justitie heeft in het arrest Qassioun geoordeeld dat artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening niet ziet op de situatie waarin een eerder verleende verblijfstitel niet wordt verlengd of vernieuwd. Volgens het Hof van Justitie volgt uit de tekst van die bepaling dat in zo’n geval eerder positief is beslist op het verzoek om internationale bescherming. Daarom is geen sprake van een ‘afwijzing’ in de zin van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Het Hof van Justitie komt op grond van een systematische en teleologische uitleg tot dezelfde conclusie.
De rechtbank stelt vast dat het in dit geval niet gaat om het niet verlengen van een eerdere verblijfstitel, maar om intrekking van internationale bescherming. Het arrest Qassioun is echter ook op die situatie van toepassing, omdat ook in dat geval eerder positief is beslist op het verzoek om internationale bescherming. De minister heeft dit op de zitting van 30 april 2026 ook niet betwist. Dit betekent dat de minister het overdrachtsbesluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Het besluit is daarom niet deugdelijk gemotiveerd. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het besluit.
De minister heeft zich in het verweerschrift van 10 november 2025, en op beide zittingen, subsidiair op het standpunt gesteld dat Duitsland verantwoordelijk is op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. De rechtbank ziet hierin aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.
Uit het arrest Qassioun volgt dat de situatie van een derdelander met een verlopen verblijfstitel niet in artikel 18, eerste lid, onder d, maar in artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening is geregeld. Eiser valt onder die bepaling. Zijn eerdere subsidiaire beschermingsstatus in Duitsland kan worden aangemerkt als ‘verblijfstitel’. Niet in geschil is dat hij het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten en de verblijfstitel is minder dan twee jaar verlopen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat geen sprake is van een verlopen verblijfstitel omdat de status is ingetrokken. Met die intrekking is immers een einde gekomen aan de geldigheid van de eerder verleende verblijfstitel. In zoverre verschilt de situatie niet wezenlijk van die waarin een verblijfstitel niet wordt verlengd of vernieuwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de tekst van artikel 12, vierde lid, niet volgt dat deze bepaling uitsluitend ziet op verblijfstitels die door tijdsverloop zijn geëindigd.
Indien de Uniewetgever een onderscheid had willen maken tussen een verlopen, niet-verlengde of ingetrokken verblijfstitel, had het voor de hand gelegen dat expliciet in de bepaling tot uitdrukking te brengen. Voor de door eiser voorgestane beperkte uitleg van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening ziet de rechtbank daarom geen aanleiding.
De minister kon het overdrachtsbesluit daarom niet baseren op artikel 18, eerste lid, onder d, maar wel op artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond dat de Dublinverordening niet op eiser van toepassing is, slaagt dus niet.
Dat artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening niet in het claimverzoek en het claimakkoord zijn genoemd, maakt dit niet anders. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen, betekent het noemen van een onjuiste grondslag in een claimverzoek of/en claimakkoord niet dat geen geldig claimakkoord tot stand is gekomen. Wel geldt dat de minister de betrokken lidstaat volledig moet informeren. Daaraan is voldaan. In beide claimverzoeken is vermeld dat eiser internationale bescherming had in Duitsland en wanneer die verblijfstitel is ingetrokken. De Duitse autoriteiten konden daarom voldoende geïnformeerd op het claimverzoek beslissen en hebben zich ook tweemaal verantwoordelijk geacht. De rechtbank betrekt hierbij ook dat pas met het arrest Qassioun duidelijk is geworden dat in een situatie als de onderhavige artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening als de juiste grondslag heeft te gelden, en niet artikel 18, eerste lid, onder d.
Moet de minister het risico op indirect refoulement beoordelen?
Eiser betoogt dat zijn overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op refoulement met zich meebrengt, omdat hij vreest dat de Duitse autoriteiten hem direct na overdracht naar Syrië zullen terugsturen.
Uit de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 (ECLI:EU:C:2023:934) en de Afdeling van 12 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2359) volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als de verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in die lidstaat. Eiser heeft niet onderbouwd gesteld dat dergelijke systeemfouten zich voordoen. Voor zover eiser in dit verband heeft aangevoerd dat hij in Duitsland geen rechtsmiddel kon instellen tegen de intrekking van zijn asielstatus, volgt de rechtbank hem hierin niet. Eiser heeft zelf een bijlage met rechtsmiddelen-informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij die mogelijkheid wél had. Dat die rechtsbijstand niet gratis is, doet daaraan niet af. De Procedurerichtlijn verplicht enkel tot kosteloze rechtsbijstand bij een procedure tegen de afwijzing van een eerste asielverzoek. Als eiser problemen ondervindt met procedures, zijn gemachtigde of zijn behandeling door de Duitse autoriteiten, moet hij dat voorleggen aan de (hogere) Duitse instanties. Er zijn geen aanwijzingen dat die autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.
Het is de rechtbank ook anderszins niet gebleken dat zich systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voordoen in Duitsland. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat. Dit dient in Duitsland te worden beoordeeld. Bovendien heeft Duitsland met de expliciete claimakkoorden te kennen gegeven de asielaanvraag van eiser te zullen behandelen. Daarbij is Duitsland gehouden de uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM voortvloeiende verplichtingen, waaronder het verbod van (indirect) refoulement, in acht te nemen.
Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Is de uiterste overdrachtsdatum verstreken?
Eiser heeft in beroep opgemerkt dat de overdrachtstermijn op 23 juli 2025 (de datum van het eerste claimakkoord van de Duitse autoriteiten) is gaan lopen en niet pas op 19 september 2025 (de datum van het tweede claimakkoord). Voor zover eiser hiermee betoogt dat de overdrachtstermijn is verstreken, volgt de rechtbank hem daarin niet. Zelfs als wordt uitgegaan van 23 juli 2025 als aanvangsdatum, is de overdrachtstermijn niet verstreken. De voorzieningenrechter heeft namelijk op 10 december 2025, en dus binnen zes maanden na 23 juli 2025, een voorlopige voorziening getroffen. Daarmee is de overdrachtstermijn opgeschort. Na deze uitspraak vangt daarom een nieuwe overdrachtstermijn van zes maanden aan. Alleen daarom al slaagt deze beroepsgrond niet.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit daarom. De rechtbank laat uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:17534, Rechtbank Den Haag, NL25.46252.
22-06-2026, Rb Middelburg MK, Zuid-Soedan, beroep gegrond [veiligheidssituatie in Central Equatoria; artikel 15c-situatie]
Reden signalering:
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er in Central Equatoria sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft hieraan in de aanvulling op het verweerschrift niet voorbij kunnen gaan door de nadruk te leggen op de situatie in andere deelstaten en op de aanwezigheid van geweld dat niet onder de definitie van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn valt. Dit laat namelijk onverlet dat de door eiser aangehaalde recente landeninformatie gedeeltelijk betrekking heeft op Central Equatoria en rapporteert over een significante toename van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn in die regio. Verweerder heeft dit ten onrechte niet onderkend.
Eiser, van Zuid-Soedanese nationaliteit, heeft verklaard dat hij werkzaam is geweest als freelance tolk en journalist en dat hij daarom in Zuid-Soedan gedood, gemarteld of vermoord kan worden. Hij heeft artikelen geschreven die kritisch zijn op de regering en is drie keer bedreigd vanwege zijn werk: in 2019, in 2021 en in 2022. Daarnaast zijn zijn vader, broer en oom vermoord in het kader van een conflict tussen clans. Verder staat hij op een foto met een acteur/komiek die later rebel is geworden, en strijdt tegen de regering. Bij terugkeer naar Zuid-Soedan vreest eiser te worden vermoord door de autoriteiten vanwege zijn werk als onafhankelijk journalist en omdat hij geassocieerd wordt met de rebellen. Daarnaast vreest eiser slachtoffer te worden van de stammenstrijd tussen voornamelijk de Chiengpuot en de Ciengluth-clans. Eiser heeft een brief van 27 december 2022 van de redacteur van Eye Media overgelegd, waarin staat dat hij wordt gezocht door de National Security Service (NSS).
Tijdens de zitting van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 is namens eiser naar voren gebracht dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van geweld vanwege zijn werkzaamheden en zijn stam-afkomst. Ook heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom er volgens hem geen sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld. Gelet op de rechtspraak heeft verweerder daarbij ten onrechte enkel de humanitaire omstandigheden die als oorlogswapen worden ingezet van belang geacht. Hierbij is nogmaals verwezen naar de eerder aangehaalde rapportages van UNHCR en AI. De omvang van de door partijen overgelegde landeninformatie en de ontwikkelingen die daarin zichtbaar zijn, hebben de rechtbank aanleiding gegeven om het onderzoek ter zitting te schorsen en de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer. Ter voorbereiding op de zitting van de meervoudige kamer heeft de rechtbank partijen verzocht om zoveel mogelijk recente landeninformatie aan te leveren over de veiligheidssituatie in Zuid-Soedan.
In de aanvulling op de beroepsgronden heeft eiser gewezen op een groot aantal recente landenrapportages, waarop hierna verder zal worden ingegaan. Ook heeft hij gewezen op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22462. Hieruit volgt dat verweerder ten onrechte concludeert dat in Zuid-Soedan sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In de aanvulling op het verweerschrift heeft verweerder uiteengezet waarom hij geen aanleiding ziet tot een andere inschatting van de veiligheidssituatie.
De geloofwaardigheid
Op grond van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, overgenomen in artikel 31 van de Vw, wordt van een asielzoeker verlangd dat hij relevante documentatie overlegt. Als deze ontbreekt, moet worden beoordeeld of daarvoor een plausibele verklaring bestaat en of de asielzoeker samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd over zijn asielrelaas.
Verweerder heeft niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat de door eiser gestelde bedreigingen voortkomen uit zijn werkzaamheden als freelance tolk en journalist. Verweerder heeft daarbij terecht vastgesteld dat de door eiser overgelegde brief van Eye Media een kopie betreft, is opgesteld door een niet-objectieve derde en inhoudelijk niet aansluit bij zijn verklaringen. Zo heeft eiser verklaard dat de brief direct na de gestelde bedreiging in 2019 is opgesteld, terwijl de brief is gedagtekend op 27 december 2022. Ook heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij na de gestelde bedreigingen en de gestelde foto met de rebel, die volgens eiser in 2021 is genomen, nog lange tijd zonder problemen in Zuid-Soedan heeft verbleven en dat hij het land legaal is uitgereisd. Ten slotte heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij geen plausibele verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij pas ongeveer een maand na aankomst in Nederland om internationale bescherming heeft verzocht. Dat eiser in die periode in het bezit was van een visum en een cursus volgde, verklaart immers niet waarom hij zijn gestelde vrees niet meteen kenbaar kon maken.
Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege de strijd tussen de Chiengpuot en Ciengluth-stammen. Verweerder heeft terecht aan eiser tegengeworpen dat hij slechts op vermoedens baseert dat zijn vader, oom en broer vanwege deze strijd zijn vermoord. Ook heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat deze moorden in tijd erg ver uit elkaar liggen (1993, 2010 en 2020) en dat niet uit eisers verklaringen kan worden opgemaakt hoe deze tot elkaar in verband staan. Ten slotte heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij geen details heeft kunnen geven over de moord op zijn broer, terwijl dit een redelijk recente en tamelijk ingrijpende gebeurtenis is geweest en eiser op dat moment al volwassen was.
Het voorgaande laat onverlet dat bij het beoordelen van de door eiser gestelde vrees bij terugkeer naar Zuid-Soedan naast de algemene veiligheidssituatie van belang is dat hij freelance tolk en journalist is geweest, dat hij etnisch Nuer is en dat hij behoort tot de Chiengpuot-stam. Dit is namelijk geloofwaardig geacht, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan.
De veiligheidssituatie in Central Equatoria
Het verlenen van een asielvergunning kan, naast de aanwezigheid van vluchtelingschap zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag 1951, gelegen zijn in een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In deze zaak is niet in geschil dat er geen sprake is van vluchtelingschap. De rechtbank ziet zich wel voor de vraag gesteld of de veiligheidssituatie in Zuid-Soedan leidt tot een risico op ernstige schade voor eiser. Hierbij moet worden gekeken naar het gebied waar eiser vandaan komt: Central Equatoria.
Op grond van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn kan ernstige schade bestaan uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In deze zaak is niet in geschil dat er in Central Equatoria sprake is van een dergelijk conflict, ook na het staakt-het-vuren dat in 2018 is ondertekend. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 9 november 2023, ECLI:C:EU:2023:843, in de zaak X. en Y. uiteengezet dat willekeurig geweld in het kader van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn verschillende gradaties kent, en dat daarbij sprake is van een glijdende schaal. Bij een lager niveau van willekeurig geweld kan sprake zijn van een reëel risico op ernstige schade als een asielzoeker met individuele elementen aannemelijk maakt dat hij een verhoogd risico loopt om daarvan slachtoffer te worden. Bij een hoger niveau van willekeurig geweld zijn er minder individuele elementen nodig om een dergelijk risico aannemelijk te maken. Alleen in de meest uitzonderlijke situaties van willekeurig geweld is de aanwezigheid in een bepaald gebied op zichzelf al voldoende voor een reëel risico op ernstige schade. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, geoordeeld dat bij de toepassing van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn ook rekening moet worden gehouden met de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld binnen een binnenlands gewapend conflict.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat er in Central Equatoria sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit baseert hij op de landeninformatie vervat in de bijlage bij het verweerschrift, die is verzameld door het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) van de IND. Er is namelijk geen algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Zuid-Soedan, en evenmin is er landgebonden beleid vastgesteld in onderdeel C7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Wel is in onderdeel C2/3.3.3.2. van de Vc door verweerder vastgelegd welke aspecten hij betrekt bij het beoordelen van het niveau van willekeurig geweld:
- de vraag of de partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen,
- de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;
- de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;
- de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;
- de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;
- de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.
Verweerder is gemotiveerd op al deze aspecten ingegaan. Volgens verweerder is niet al het geweld in Central Equatoria relevant in het kader van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, omdat het deels ook gaat om crimineel geweld dat bijvoorbeeld is gericht op het stelen van land of vee. Daarnaast is volgens verweerder het geweld in het kader van het gewapend conflict in de afgelopen jaren afgenomen. Hierbij verwijst verweerder voornamelijk naar de rapportages van het Armed Conflict Location & Event Data Project (ACLED) en Cedoca (de onderzoeksdienst van het Belgische Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen) over de periode van 2018 tot begin 2025. Uit verslagen van de VN-Veiligheidsraad over de periode oktober 2024 tot en met april 2025 volgt volgens verweerder dat, voor zover de gerapporteerde veiligheidsincidenten onder de definitie van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn vallen, geen sprake is van grootschalige oorlogsmethodieken die de kans op burgerslachtoffers vergroten. Verder is er een neerwaartse trend waar het gaat om de aantallen burgerslachtoffers in het kader van het gewapend conflict. Hierbij verwijst verweerder naar cijfers van ACLED en van de Human Rights Division van de United Nations Mission in South Sudan (UNMISS) over de periode van 2018 tot en met april 2025. Verder is weliswaar veel ontheemding en staat de humanitaire hulp mede daardoor onder druk, maar zijn er geen aanwijzingen dat het verergeren van de humanitaire situatie opzettelijk door de strijdende partijen als oorlogstactiek wordt ingezet. Ook is er blijkens informatie van ACLED en UNMISS in enige mate sprake van een veiligheidsstructuur die wordt ingezet voor het beschermen van burgers en het inperken van oplaaiend geweld.
Door zo te overwegen heeft verweerder de humanitaire omstandigheden niet op een juiste wijze betrokken. In de hiervoor aangehaalde Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 is immers geoordeeld dat niet alleen het bewust inzetten van de humanitaire situatie als oorlogstactiek relevant is in het kader van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, maar alle humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het gewapende conflict. Door dit niet te onderkennen heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat er in Central Equatoria sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In aanvulling hierop geldt nog het volgende.
Eiser heeft in de aanvulling op de beroepsgronden gewezen op een groot aantal landenrapportages die grotendeels recenter zijn dan de landeninformatie waarop verweerder zich in de bijlage bij het verweerschrift heeft gebaseerd, en die bovendien een verontrustend beeld laten zien.
Uit deze landeninformatie volgt een aanzienlijk slechter beeld van de intensiteit van het willekeurige geweld in Central Equatoria en het aantal burgerdoden en ontheemden als gevolg daarvan dan waarvan verweerder in de bijlage bij het verweerschrift is uitgegaan. Dit draagt verder bij aan het oordeel van de rechtbank dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er in Central Equatoria sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft hieraan in de aanvulling op het verweerschrift niet voorbij kunnen gaan door de nadruk te leggen op de situatie in andere deelstaten en op de aanwezigheid van geweld dat niet onder de definitie van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn valt. Dit laat namelijk onverlet dat de door eiser aangehaalde recente landeninformatie gedeeltelijk betrekking heeft op Central Equatoria en rapporteert over een significante toename van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn in die regio. Verweerder heeft dit ten onrechte niet onderkend.
De conclusie en de gevolgen
Het beroep is gegrond voor zover dit betrekking heeft op de motivering in het bestreden besluit, aangevuld in de verweerschriften en tijdens de zittingen, van het niveau van willekeurig geweld in Central Equatoria.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:17022, Rechtbank Den Haag, NL25.2738.
03-06-2026, Rb Rotterdam, beroep gegrond [doorprocederen A-status; leeftijdsvaststelling]
Reden signalering:
In beginsel procesbelang doorprocederen A-status, maar in dit geval niet omdat er geen tijdige aanvraag nareis is ingediend. Beroep in zoverre niet-ontvankelijk. Ten aanzien van de leeftijdsvaststelling heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser als evident meerderjarig is aangemerkt.
Eiser betoogt gemotiveerd dat hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw verleend had moeten worden.
Verweerder meent dat het beroep op dit punt niet-ontvankelijk is, ten eerste omdat het tweestatusstelsel nog geen feit is en ten tweede omdat eiser geen nareis heeft aangevraagd en de termijn daarvoor al lang is verstreken. Subsidiair meent verweerder dat het betoog van eiser inhoudelijk niet slaagt.
Dat het tweestatusstelsel nog geen feit is, is onvoldoende om te oordelen dat eiser geen belang heeft bij dit onderdeel van zijn beroep. Het staat vast dat dit stelsel er gaat komen en waarschijnlijk gebeurt dat op zeer korte termijn. Onder deze omstandigheden is geen sprake (meer) van een onzekere toekomstige gebeurtenis.
Verweerder wijst er onweersproken op dat eiser nog geen aanvraag om nareis heeft ingediend, terwijl de termijn waarbinnen dit had moeten gebeuren om in aanmerking te komen voor gezinshereniging onder gunstige(re) voorwaarden ruimschoots is verstreken. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij in overleg is – naar de rechtbank begrijpt met VluchtelingenWerk Nederland – over het indienen van een aanvraag en dat dit moeilijk is zonder paspoorten van zijn broers en zus. De rechtbank ziet in deze verklaring geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat, mocht het alsnog tot een nareisaanvraag komen, de forse overschrijding van de aanvraagtermijn mogelijk verschoonbaar zal worden geacht. Een eventueel oordeel dat eiser vluchteling is (en daarom toegelaten had moeten worden op de a-grond) brengt eiser onder deze omstandigheden niet in een gunstigere positie in het kader van nareis. Gesteld noch gebleken is dat eiser om andere redenen belang heeft bij een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het niet verlenen van een verblijfsvergunning op de a-grond. De conclusie is dat het beroep op dit punt niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van belang. Aan een inhoudelijke beoordeling van de standpunten van partijen komt de rechtbank dus niet toe.
Eiser voert aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte en zonder motivering heeft vermeld dat eiser is geboren op 1 juli 2005. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2006 en verweerder heeft eisers verklaringen over zijn identiteit geloofwaardig geacht.
Verweerder erkent dat op dit punt sprake is van een motiveringsgebrek, omdat in het bestreden besluit niet is toegelicht waarom de door eiser opgegeven geboortedatum niet is gevolgd. Verweerder verzoekt de rechtbank te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op dit punt in stand blijven. Hierbij wijst verweerder erop dat de uitkomst van de schouw is dat eiser evident meerderjarig is, dat eiser vage en wisselende verklaringen heeft afgelegd en dat gelet op onderzoek van Bureau Documenten niet kan worden uitgegaan van de echtheid en inhoudelijke juistheid van het door eiser overgelegde geboortecertificaat (en de legalisatie daarvan).
Eiser voert terecht aan dat het geloofwaardig achten van zijn identiteit en het vermelden van de geboortedatum 1 juli 2005 niet met elkaar is te rijmen. Het bestreden besluit is op dit punt innerlijk tegenstrijdig. Dit betekent niet dat verweerder moet uitgaan van de door eiser opgegeven geboortedatum. Aan eiser is voorafgaand aan het bestreden besluit meegedeeld dat de door hem opgegeven geboortedatum niet wordt gevolgd en zijn advocaat heeft voorafgaand aan het bestreden besluit aan verweerder laten weten dat eiser het daar niet mee eens is. Het was eiser dus duidelijk dat verweerder de door eiser opgegeven geboortedatum niet zou volgen. Voor zover eiser in dit verband een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel, slaagt dat beroep niet.
Het verzoek van verweerder om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven is allereerst gebaseerd op de uitkomsten van de schouw. Eiser voert terecht aan dat verweerder in dit verband weliswaar verschillende waarnemingen heeft vermeld, maar niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom deze waarnemingen de conclusie rechtvaardigen dat eiser meerderjarig is, laat staan dat dit evident is, zoals degenen die eiser hebben geschouwd stellen. Verweerder heeft niet met objectieve gegevens inzichtelijk gemaakt dat minderjarigen (bijvoorbeeld) geen beenhaar kunnen hebben, geen snorretje of geen terugwijkende haargrens (daargelaten wat dat precies is en dat eisers gemachtigde die naar gesteld zelf niet heeft waargenomen). Evenmin heeft verweerder duidelijk toegelicht waarom het waargenomen gedrag van eiser evident wijst in de richting dat hij meerderjarig is. De bevindingen van de schouw rechtvaardigen zonder nadere toelichting, die ontbreekt, dus niet de conclusie dat eiser niet is geboren op de door hem opgegeven datum, laat staan dat dit evident is.
Het verzoek van verweerder om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven is ten tweede gebaseerd op de verklaringen die eiser heeft afgelegd. Verweerder acht het niet ten onrechte opmerkelijk dat eiser eerst heeft verklaard dat hij elf jaar was toen hij stopte met koranonderwijs en dat hij, nadat hem is voorgehouden dat dit gelet op zijn verklaringen niet kan kloppen, antwoordde met een verklaring met de strekking: Ook goed, dan was ik tien. Deze verklaring heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen meewegen. Verweerder heeft daarentegen niet voldoende toegelicht waarom eiser, toen hij vertelde dat hij in 2010 naar Soedan is gegaan, zich niet kan hebben versproken en niet kan hebben bedoeld dat hij tien jaar oud was toen hij naar Soedan is gegaan. Verder heeft eiser benadrukt dat hij weinig onderwijs heeft gehad en slecht is in jaartallen en cijfers. Hoewel dit niet zonder meer rechtvaardigt dat eiser zijn verklaring heeft aangepast in het eerste hierboven weergegeven geval, zijn andere door verweerder tegengeworpen verklaringen mogelijk toe te schrijven aan een vergissing of het ‘niet goed zijn in’ cijfers en jaartallen. Eisers verklaringen rechtvaardigen dan ook niet zonder meer de conclusie dat hij (evident) niet is geboren op de door hem opgegeven datum.
Het verzoek van verweerder om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven is ten derde gebaseerd op de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten met betrekking tot de door eiser overgelegde geboorteakte. In deze verklaring staat onder meer dat het document met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nietecht is, dat de legalisatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Eritrea vals is en datniet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is.
Het is op zichzelf terecht dat verweerder meent dat een dergelijke verklaring van onderzoek in het nadeel van eiser meeweegt bij de besluitvorming. Echter, de verklaring is van 13 januari 2025, maar verweerder heeft deze verklaring pas op 20 mei 2026 aan eiser verstrekt. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank de opmerking van eisers gemachtigde dat eiser te weinig tijd heeft gehad om te bedenken of hij een contra-expertise wil laten verrichten, laat staan om die daadwerkelijk uit te laten voeren, terecht. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank in de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten vooralsnog onvoldoende grond om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
De conclusie is dat het betoog van eiser op het punt van de geboortedatum slaagt. Het is aan eiser om te bepalen of hij alsnog een tegenonderzoek wil laten uitvoeren en vervolgens aan verweerder om dat eventuele tegenonderzoek bij de verdere beoordeling te betrekken, in samenhang met de bevindingen van de schouw en de door eiser afgelegde verklaringen. Verweerder mag er uiteraard ook voor kiezen om, al dan niet uit pragmatisch oogpunt, de door eiser opgegeven geboortedatum alsnog over te nemen. Het ligt in de rede dat verweerder eerst aan eiser laat weten of verweerder daartoe aanleiding ziet en zo niet, dat eiser vervolgens aan verweerder laat weten of hij een contra-expertise wil laten uitvoeren.
Conclusie
Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en tegen het niet verlenen van een vergunning op de a-grond.
Het beroep is gegrond voor zover dat is gericht tegen de vermelding in het bestreden besluit dat eiser op 1 juli 2005 is geboren. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit op dit punt wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank heeft besloten om – ondanks de voorkeur van partijen voor een tussenuitspraak – een einduitspraak te doen. De reden hiervoor is dat het, tenzij verweerder ervoor kiest om de door eiser opgegeven geboortedatum alsnog te volgen, aan eiser is om te bepalen of hij een contra-expertise wil laten uitvoeren naar aanleiding van het rapport van Bureau Documenten en zo ja, om die in gang te laten zetten. Vooralsnog is niet duidelijk of er een tegenonderzoek gaat komen en waar dat vervolgens toe zal leiden. In deze situatie acht de rechtbank een tussenuitspraak niet voor de hand liggend.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:16893, Rechtbank Den Haag, NL24.47487.
21-05-2026, Rb Zwolle, beroep gegrond [Palestijnse afkomst; Westelijke Jordaanoever, artikel 1D Vluchtelingenverdrag]
Reden signalering:
Palestijnse afkomst en stateloos. De minister heeft de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag terecht niet op eiser van toepassing geacht. De minister heeft, gelet op de recente ontwikkelingen in de Westelijke Jordaanoever, onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt.
Eiser is van Palestijnse afkomst, meer specifiek komt hij uit de Westelijke Jordaanoever. Eiser is toen hij klein was tijdens de gevechten bij een moskee gewond geraakt. In 2015 heeft eiser een incident meegemaakt met soldaten op het universiteitsplein. Eiser werd daarbij ondervraagd en zijn handen werden gecontroleerd op brandblaren. In 2016 reed eiser vanwege zijn werk mee met een ambulance toen er bommen naar de ambulance zijn gegooid. In 2017 heeft eiser vanwege de algemene situatie de Westelijke Jordaanoever verlaten en is hij naar de Verenigde Arabische Emiraten verhuisd. Eiser heeft ook een sloopbevel voor het huis van zijn familie overgelegd. Eiser is inmiddels getrouwd en zijn vrouw is afkomstig uit de Filipijnen.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat beide elementen geloofwaardig zijn. Uit eiseres verklaringen volgt volgens de minister niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Verder stelt de minister dat artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag, dat in de huidige praktijk van toepassing is op (staatloze) Palestijnse vreemdelingen die onder het mandaat van de United Nations Relief and Works Agency (verder: UNRWA) vallen, niet op eiser van toepassing is. Eiser loopt volgens de minister bij terugkeer naar de Westelijke Jordaanoever ook geen reëel risico op ernstige schade. Hoewel er sprake is van gewapend geweld in de Westelijke Jordaanoever leidt dit niet tot een dermate hoge mate van willekeurig geweld dat dit aan te merken valt als een situatie als in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was concludeert de minister dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
Heeft de minister terecht de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing geacht?
Wat is het standpunt van eiser?
Eiser stelt dat hem de vluchtelingenstatus toekomt op grond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft een UNRWA-registratie overgelegd waarmee volgens hem vaststaat dat hij een vluchtelingenstatus heeft. De minister gaat er ten onrechte vanuit dat de steun vanuit de UNRWA slechts voedsel betrof. De humanitaire situatie was zorgwekkend en eiser moet worden aangemerkt als vluchteling.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Uit artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag volgt dat het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is op personen die al bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen dan de Hoge Commissaris van de VN (hierna: de uitsluitingsgrond). Wanneer deze bescherming of bijstand echter om welke reden dan ook is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief is geregeld in overeenstemming met de resoluties van de Algemene Vergadering van de VN, vallen deze personen van rechtswege onder het Vluchtelingenverdrag (hierna: de insluitingsgrond).
Het Hof heeft in de arresten Bolbol en El Kott een toelichting gegeven op artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag, die de minister heeft uitgewerkt in Werkinstructie 2020/19 Palestijnen:
1. Enkel een registratie bij de UNRWA is niet voldoende om onder de uitsluitingsgrond van artikel 1D Vluchtelingenverdrag te vallen. Daarnaast is het van belang dat de UNRWA de bescherming ook zonder registratie kan verlenen. Alleen degenen die daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp hebben ingeroepen (of genoten) vallen onder de uitsluitingsgrond, niet de personen die in aanmerking komen of kwamen voor de bescherming of bijstand van deze organisatie. Het is dus van belang dat de IND tijdens gehoren nagaat of de bescherming of bijstand daadwerkelijk is ingeroepen. Het gaat dan om de periode direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van het asielverzoek in Nederland (zie toelichting onder 6.3).
2. Als de IND heeft vastgesteld dat de vreemdeling de hulp van de UNRWA heeft ingeroepen of genoten, moet worden bezien of de vreemdeling vrijwillig of door de omstandigheden gedwongen het gebied heeft verlaten waar de hulp wordt geboden. (…)”
Niet in geschil is dat eiser een UNRWA-registratie heeft overgelegd en dat de Westelijke Jordaanoever een UNRWA-mandaatgebied is. In de uitspraak van 19 februari heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) overwogen dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de enkele omstandigheid dat de vreemdeling is geregistreerd bij de UNRWA nog niet leidt tot toepasselijkheid van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Van belang is of de vreemdeling direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van zijn asielaanvraag daadwerkelijk bijstand heeft ontvangen van de UNRWA en of die bijstand is opgehouden om redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van die vreemdeling.
Uit het verslag van het nader gehoor van 8 mei 2025 blijkt dat de minister eise heeft bevraagd over de gestelde UNRWA-bescherming. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verklaard dat hij in januari 2017 uit zijn land van herkomst is vertrokken om te gaan werken in de Arabische Verenigde Emiraten (VAE). Eiser en zijn vrouw zijn in april 2022 naar Nederland gereisd en zijn toen naar Frankrijk vertrokken. Op 9 maart 2023 hebben eisers asiel aangevraagd in Nederland. Daargelaten of eiser daadwerkelijk hulp van de UNWRA heeft ingeroepen of genoten, vaststaat dat dit niet gedurende de periode direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van het asielverzoek in Nederland was.
Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat een verblijf van drie jaar buiten het werkgebied van de UNRWA maakt dat de vreemdeling niet valt onder de reikwijdte van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Nu eiser ruim vijf jaar buiten het werkgebied van de UNRWA heeft verbleven voorafgaand aan zijn asielaanvraag in Nederland, komt hem geen aanspraak op grond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag toe. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. De beroepsgrond slaagt niet.
Loopt eiser bij terugkeer naar de Westelijke Jordaanoever een reëel risico op ernstige schade?
Wat is het standpunt van eiser?
Eiser voert aan dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar de Westelijke Jordaanoever. Eiser heeft in dit verband gewezen op een aantal incidenten dat hij heeft meegemaakt waaruit volgt dat hij in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat. Er is geen bescherming mogelijk tegen de raketaanvallen en de Palestijnse bevolking is overgeleverd aan oorlogshandelingen. Eiser heeft ook een sloopbevel voor het huis van zijn familie overgelegd en wijst erop dat de Israëlische autoriteiten op 20 januari 2026 begonnen zijn met het slopen van gebouwen van de UNRWA. Tot slot heeft eiser foto’s overgelegd waarop te zien is dat gebouwen in zijn buurt gesloopt zijn.
Wat is het standpunt van de minister?
De minister wijst op de besluitvorming waarin afdoende is gemotiveerd dat het gewapende geweld in de Westelijke Jordaanoever niet tot een dermate hoge mate van willekeurig geweld leidt dat dit aan te merken valt als een situatie als in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het willekeurig geweld dat plaatsvindt ten gevolge van het gewapende conflict heeft in beginsel dan ook niet het relatief hoge niveau waardoor enkel door aanwezigheid sprake kan zijn van een reëel risico op ernstige schade. Eiser is er niet in geslaagd om individuele risico verhogende omstandigheden aan te voeren.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Eiser heeft verwezen naar recente informatie waaruit volgt dat de Israëlische autoriteiten gebouwen van de UNRWA slopen waardoor het werk van de United Nations wordt ondermijnd. Daarnaast heeft eiser een sloopbevel voor het huis van zijn familie overgelegd en heeft hij erop gewezen dat hij inmiddels gehuwd is. De minister heeft volstaan met de vaststelling dat het willekeurig geweld dat plaatsvindt in beginsel niet het relatief hoge niveau heeft waardoor enkel door aanwezigheid sprake kan zijn van een reëel risico op ernstige schade. Uit hetgeen in beroep is aangevoerd blijkt volgens de minister niet dat de situatie dusdanig is veranderd dat dit uitgangspunt niet langer kan gelden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarop deze conclusie is gebaseerd, gelet op de recente ontwikkelingen en overgelegde informatie die dateert van na het bestreden besluit. De minister heeft ter zitting gesteld dat er recente landeninformatie is waarbij de precaire situatie is meegenomen maar waaruit niet valt af te leiden dat de situatie aanzienlijk is verslechterd. Bij navraag kon de minister niet duiden welke informatie dit betreft of van wanneer deze dateert. De rechtbank gaat er vanuit dat de minister heeft bedoeld te wijzen op het rapport “Palestijnse Gebied, Rapport Veiligheidssituatie op de Westelijke Jordaanoever” van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van juni 2024. Gelet op de situatie in de Palestijnse gebieden waarbij recente ontwikkelingen van belang kunnen zijn, waaronder het door Israël uitgevaardigde verbod van UNWRA per januari 2025, had dit naar het oordeel van de rechtbank wel van de minister verwacht mogen worden. Gelet op de recente ontwikkelingen in de Palestijnse gebieden en de overgelegde informatie waaruit volgt dat de United Nations ernstig worden beperkt in hun mogelijkheden om vluchtelingen te ondersteunen, heeft de minister onvoldoende onderbouwd waarom dit niet moet leiden tot een andere conclusie over de algemene veiligheidssituatie in de Palestijnse gebieden, en in het bijzonder de Westelijke Jordaanoever. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de situatie in de Westelijke Jordaanoever sluit daarbij aan bij hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is over dat gebied. Zo volgt uit informatie van de Migratieradar Asiel voorjaar dat de situatie aldaar nog steeds gekenmerkt wordt door Israëlische militaire acties en geweld van kolonisten. Het geweld door kolonisten tijdens de olijfoogst heeft het hoogste niveau bereikt sinds 2006: er waren ongeveer 150 gedocumenteerde aanvallen, waarbij meer dan 140 Palestijnen gewond zijn geraakt en meer dan 4.200 bomen in 77 dorpen zijn vernield. In december 2025 heeft het Israëlische kabinet blijkens deze informatie een voorstel goedgekeurd voor de bouw van negentien nieuwe Israëlische nederzettingen op de bezette Westelijke Jordaanoever hetgeen een directe bedreiging vormt voor een mogelijke Palestijnse staat en zal leiden tot nieuwe ontheemde Palestijnen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. Het is daarnaast niet inzichtelijk of, en in welke mate, de slechte humanitaire omstandigheden zijn meegenomen bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld.
Gehele uitspraak: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13178&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken.
06-07-2026, Rb Amsterdam, Turkije, beroep gegrond [Gülenbeweging; vrees voor vervolging]
Reden signalering:
Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser, met name de omstandigheid dat hij eerder is vervolgd en zijn strafdossier nog niet gesloten is, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees heeft voor vervolging.
Eiser heeft tussen 2012 en 2016 banden gehad met de Gülenbeweging. Eiser heeft op een militaire school gezeten. Na de couppoging is eiser gearresteerd en heeft hij vastgezeten. Uiteindelijk is eiser vrijgesproken. De minister heeft zijn aanvraag afgewezen. De minister vindt het asielrelaas van eiser geloofwaardig maar volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer gegronde vrees heeft voor vervolging.
Met toepassing van het arrest Quotal van het HvJEU maakt de rechtbank een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling van zowel de feiten als de behoefte aan internationale bescherming. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser ten onrechte heeft afgewezen. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser, zoals ook niet in geschil is, eerder is vervolgd. Dit is een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan niet gebleken. Eiser heeft een document van het Hof van Cassatie overgelegd waaruit blijkt dat het OM heeft verzocht om eisers dossier opnieuw te onderzoeken. Hieruit komt naar voren dat eisers strafzaak nog niet gesloten is. Dit is ook niet onaannemelijk gelet op de landeninformatie. Hieruit blijkt dat personen die eerder werden verdacht en/of een sepot hebben gekregen in de negatieve belangstelling kunnen staan. Daar komt bij dat eiser een militaire cadet is geweest en die specifieke groep staat onder extra aandacht van de autoriteiten. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees heeft voor vervolging. De minister heeft zijn aanvraag dan ook ten onrechte afgewezen. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiser stelt de rechtbank vast dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:18533, Rechtbank Den Haag, NL26.4403.
03-07-2026, Rb Den Bosch, beroep ongegrond [Asiel- en Migratiepact, vreemdelingenbewaring, 59b Vw, kennisgeving opleggen maatregel]
Reden signalering:
Hoewel in artikel 94, eerste lid, tweede volzin van de Vw 2000 is bepaald dat wanneer de kennisgeving is ontvangen, de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld, betekent dit niet dat het de vreemdeling ook vrijstaat de met een beroep gelijkgestelde kennisgeving in te trekken. Als deze mogelijkheid open zou staan dan wordt het de rechtbank onmogelijk gemaakt te voldoen aan de bepalingen uit de Opvangrichtlijn zoals deze zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid van de Vw 2000. De rechtbank kan dan immers niet binnen 15, uiterlijk 21 dagen de rechterlijke toetsing uitvoeren. De consequentie daarvan is dat de maatregel van bewaring moet worden opgeheven na 21 dagen. Dit betekent dat de rechtbank, in ieder geval zolang de vrijheidsontneming nog voortduurt, de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring die is ingeleid met de kennisgeving moet kunnen toetsen, ook als de vreemdeling daarop geen prijs stelt en de kennisgeving, die wordt aangemerkt als een beroep, wil intrekken.
Feiten en omstandigheden
Nadat de rechtbank de kennisgeving van de inbewaringstelling van eiser had ontvangen, is onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting bepaald. Gemachtigde van eiser heeft daarop contact opgenomen met de rechtbank en aangegeven dat hij op dat tijdstip verhinderd is. De dag van de zitting heeft hij, verdeeld over het land, meerdere bewaringszittingen en van hem kan niet verwacht worden dat hij overal kan verschijnen. Gemachtigde van eiser heeft aangegeven de zaak te willen intrekken en heeft vervolgens een intrekkingsverklaring aan het digitale dossier toegevoegd. De rechtbank heeft daarop contact opgenomen met de gemachtigde van eiser en aangegeven dat de behandeling van de zaak wordt voorgezet, ondanks de aan het digitale dossier toegevoegde intrekkingsverklaring. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens verzocht de zaak schriftelijk te behandelen. De minister heeft ingestemd met schriftelijke behandeling.
Standpunt eiser
In de gronden van beroep van 29 juni 2026 persisteert eiser bij zijn intrekking. Namens eiser is nogmaals aangegeven dat het voor zijn gemachtigde niet mogelijk is om op meerdere plaatsen tegelijkertijd op bewaringszittingen te verschijnen en in dat kader wordt gewezen op de (on)mogelijkheden voor het CIV om meerdere zaken van één gemachtigde gebundeld te laten plannen bij een zittingsplaats. Indien de intrekking door de rechtbank niet wordt geaccepteerd dan hoort eiser graag waarom dat zo is en verzoekt hij de rechtbank de maatregel van bewaring ambtshalve te beoordelen.
Beoordeling door de rechtbank
Bij deze beoordeling gaat het om een maateregel van bewaring die is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 en deze maatregel van bewaring duurde tot het moment van sluiting van het onderzoek nog voort.
Omdat het gaat om een maatregel op grond van artikel 59b van de Vw 2000 is de Opvangrichtlijn van toepassing. Uit artikel 11, tweede lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat bewaring wordt bevolen door rechterlijke of administratieve instanties. Artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn bepaalt dat wanneer de bewaring wordt bevolen door een administratieve instantie, de lidstaten er ambtshalve of op verzoek van de verzoeker, of beide, voor zorgen dat de rechtmatigheid van de bewaring door de rechter met spoed wordt getoetst.
In artikel 94, eerste lid van de Vw 2000 is opgenomen dat de minister onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikel 59b van de Vw 2000 de rechtbank hiervan in kennis stelt.
Dit betekent dat de wetgever ervoor gekozen heeft de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring ambtshalve aan de rechter voor te leggen door middel van het verzenden van een kennisgeving. De mogelijkheid voor het instellen van beroep door de vreemdeling is niet (meer) opgenomen in de Vw 2000. Dat dit een bewuste keuze is, blijkt expliciet uit de Memorie van Toelichting (MvT) waarin is opgenomen dat:
“In dit wetsvoorstel wordt artikel 94, eerste lid, Vw 2000 aangepast aan de keuze van de regering om enkel ambtshalve beroep open te stellen tegen een vrijheidsontnemende maatregel. De vreemdeling hoeft daardoor niet zelf beroep in te stellen. In verband met de kortere uitspraaktermijn in bewaringszaken wordt in het voorgestelde artikel 94, eerste lid, Vw 2000 opgenomen dat de Minister van Asiel en Migratie de rechtbank onverwijld in kennis stelt van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel na de bekendmaking daarvan.
Aanvankelijk werd beoogd zowel de ambtshalve toetsing door de rechter als de mogelijkheid voor de vreemdeling om zelf beroep in te stellen, open te houden. Naar aanleiding van de consultatiereacties, in het bijzonder met betrekking tot de uitvoerbaarheid, kiest de regering ervoor alleen nog de ambtshalve toetsing door de rechter te behouden, waarbij de rechtbank onverwijld na de bekendmaking in kennis wordt gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Dit levert namelijk minder administratieve lasten op voor de uitvoering en de rechtspraak en zorgt ervoor dat de kortere uitspraaktermijn optimaal kan worden benut.”
Gelet op de bewoordingen van artikel 11 van de Opvangrichtlijn, waarin is aangegeven dat de lidstaat er ambtshalve of op verzoek van de verzoeker, of beide voor zorgdraagt dat de rechtmatigheid van de bewaring zo spoedig mogelijk wordt getoetst, heeft de wetgever er dus voor kunnen kiezen het eerste beroep ter toetsing van de inbewaringstelling telkens in te leiden met een kennisgeving en daarmee alleen de ambtshalve weg open te stellen.
Ter waarborging van de spoedige rechterlijke toetsing is in artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn eveneens bepaald dat deze toets zo snel mogelijk wordt afgerond, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval, en uiterlijk 15 dagen of, in uitzonderlijke omstandigheden, uiterlijk 21 dagen na de aanvang van de bewaring. Indien de in de eerste alinea bedoelde rechterlijke toetsing ambtshalve wordt uitgevoerd en niet binnen 21 dagen na de aanvang van de bewaring is afgerond, wordt de betrokken verzoeker onmiddellijk vrijgelaten. Deze bepalingen uit de Opvangrichtlijn zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000.
Voorgaande betekent dat de spoedige rechtelijke toetsing van het opleggen van de maatregel van bewaring alleen kan worden ingeleid via de kennisgeving daarvan door de minister en dat met deze kennisgeving vervolgens ook de verplichting ontstaat voor de rechtbank om de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring te toetsen.
Hoewel in artikel 94, eerste lid, tweede volzin van de Vw 2000 is bepaald dat wanneer de kennisgeving is ontvangen, de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld, betekent dit niet dat het de vreemdeling ook vrijstaat de met een beroep gelijkgestelde kennisgeving in te trekken. Als deze mogelijkheid open zou staan dan wordt het de rechtbank onmogelijk gemaakt te voldoen aan de bepalingen uit de Opvangrichtlijn zoals deze zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid van de Vw 2000. De rechtbank kan dan immers niet binnen 15, uiterlijk 21 dagen de rechterlijke toetsing uitvoeren. De consequentie daarvan is dat de maatregel van bewaring moet worden opgeheven na 21 dagen.
De rechtbank verwijst in dit kader ook naar het arrest C.B.X. (ambtshalve toetsing van de bewaring) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:EU:C:2022:858). Hoewel dit arrest is gewezen onder de werking van de inmiddels herziene Opvangrichtlijn van 2013, gelden de uitgangspunten uit dat arrest onverkort. In de punten 92 en 93 van het arrest benadrukt het Hof dat, het door de Uniewetgever vastgestelde strikte kader voor bewaring en voortduring van een bewaringsmaatregel, tot een situatie leidt die niet geheel te vergelijken valt met een bestuursrechtelijk geschil waarin het initiatief en de afbakening van het geschil bij de partijen berusten. Voor de rechterlijke autoriteit geldt de verplichting om ambtshalve vast te stellen of een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van een dergelijke maatregel niet is nageleefd. De rechtbank overweegt dat, nu alleen met het verzenden van de kennisgeving de maatregel van bewaring aan de rechtbank ter toetsing kan worden voorgelegd, de rechtbank de rechtmatigheid daarvan ook alleen via die weg kan en ook moet beoordelen. Dat in bestuursrechtelijke geschillen een ingesteld beroep kan worden ingetrokken, doet niet af aan de uit de Opvangrichtlijn volgende verplichting voor de rechterlijke autoriteit om een aan de rechtbank voorgelegde maatregel van bewaring, spoedig te toetsen, ook al heeft de vreemdeling daaraan -kennelijk- geen behoefte.
Daarbij komt dat de door het Hof genoemde strikte kaders met de huidige Opvangrichtlijn nog strikter zijn geworden, nu een niet tijdige rechterlijke toets tot onmiddellijke invrijheidsstelling leidt. Een mogelijkheid voor de vreemdeling om deze rechtelijke toets onmogelijk te maken door de met een beroep gelijkgestelde kennisgeving in te trekken en daarmee zijn invrijheidstelling te bewerkstelligen, verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet met de doelstellingen van het Unierecht.
Dit betekent dat de rechtbank, in ieder geval zolang de vrijheidsontneming nog voortduurt, de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring die is ingeleid met de kennisgeving moet kunnen toetsen, ook als de vreemdeling daarop geen prijs stelt en de kennisgeving, die wordt aangemerkt als een beroep, wil intrekken.
In de concrete zaak van eiser betekent dit dat de rechtbank, nu eiser geen inhoudelijke gronden heeft ingediend, het opleggen en het voortduren van de maatregel ambtshalve zal beoordelen.
Naar aanleiding van het standpunt van de gemachtigde van eiser dat hij niet in staat was te verschijnen op de door de rechtbank geplande zitting en daarom geen andere keuze had dan een intrekkingsverklaring aan het digitale dossier toevoegen, merkt de rechtbank nog het volgende op. De gemachtigde had in dat geval had kunnen verzoeken om verplaatsing van de zitting naar een andere dag of tijdstip of, zoals uiteindelijk ook is gebeurd, in overleg met eiser kunnen verzoeken de zaak schriftelijk af te doen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring.
De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de identiteit of nationaliteit en het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet betwist. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden, bezien in samenhang met de daarop in de maatregel gegeven toelichting, het bestaan van een risico op onderduiken dragen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
De rechtbank overweegt dat ook de ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet tot de conclusie leidt dat het opleggen van de maatregel en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek onrechtmatig was.
Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:18519, Rechtbank Den Haag, NL 26.35195.
07-07-2026, Rb Den Haag, Libië, beroep gegrond [detentie; geen voorbereiding advocaat voorafgaand aan gehoor; zorgvuldigheid]
Reden signalering:
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 26 februari 2026 eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat eiser in zijn belangen is geschaad nu hij geen contact heeft gehad met zijn gemachtigde voorafgaand aan zijn gehoor. De rechtbank is daarom met eiser van oordeel dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid.
Eiser heeft op 13 februari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 26 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 juni 2026 op zitting behandeld.
Eiser voert allereerst aan dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat aan hem geen gelegenheid is geboden om voorafgaan aan het gehoor met zijn advocaat te spreken. Eiser is van mening dat het besluit daardoor niet zorgvuldig is voorbereid. Op grond van artikel 3.109, eerste lid, van het Vb en paragraaf C1/2.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 wordt met ingang van de dag volgend op het einde van de aanmeldfase de vreemdeling een rust- en voorbereidingstermijn van ten minste zes dagengegeven. Dit neemt niet weg dat het Vb erin voorziet dat onder omstandigheden kan worden afgezien van het bieden van deze termijnen. Op grond van artikel 3.109, zesde lid, aanhef en onder c van het Vb, wordt geen rust- en voorbereidingstermijn gegeven indien eisers vrijheid rechtens is ontnomen op grond van artikel 59b van de vreemdelingenwet. Aan eiser mocht dus vanwege zijn detentie de rust- en voorbereidingstermijn worden ontzegd. Anders dan verweerder kennelijk betoogt betekent dit niet dat hij ook geen recht heeft om zijn advocaat te spreken voorafgaand aan het gehoor. Uit artikel 3.109, zevende lid, van het Vb en C1/2.2 en C1/2.10 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) volgt dat ook als geen rust- en voorbereidingstijd wordt verleend de vreemdeling wel recht heeft op een voorbereiding door een rechtshulpverlener op een passend moment voorafgaand aan het gehoor.
Voor zover verweerder betoogt dat eiser voldoende tijd voor zijn gehoor heeft gehad om zijn gemachtigde te spreken, volgt de rechtbank verweerder daar niet in. Zoals gemachtigde ter zitting heeft verduidelijkt, wordt voor de vreemdeling in bewaring, door de Raad voor Rechtsbijstand een gemachtigde toegewezen. Echter blijkt uit het dossier dat gemachtigde pas op zaterdag 21 februari 2026 is gekoppeld aan eiser terwijl op zondag 22 februari 2026 het gehoor al plaatsvond. Daarbij is gemachtigde pas de dag na het gehoor op de hoogte gesteld van het feit dat hij was gekoppeld aan eiser.
Gelet op het voorgaande kan door verweerder niet volgehouden worden dat eiser in de gelegenheid is gesteld om te worden voorgelicht over het vervolg van zijn asielprocedure en om zich met een rechtshulpverlener voor te bereiden op het gehoor. Eiser heeft bij aanvang van het gehoor duidelijk aangegeven dat hij graag was voorbereid door zijn gemachtigde, helemaal nu hij bij zijn vorige aanvraag ook niet vóór zijn gehoor was voorbereid door zijn gemachtigde. In eisers vorige aanvraag is dit gebrek gepasseerd omdat de rechtbank toen geen aanleiding zag dat eiser in zijn belangen was geschaad. Echter is de rechtbank bij eisers opvolgende aanvraag van oordeel dat eiser wel in zijn belangen is geschaad en dat deze gang van zaken andermaal onzorgvuldig is. Te meer nu in de beoordeling van eisers aanvraag hem het een en ander is tegengeworpen waar gemachtigde hem juist bij had kunnen helpen in de voorbereiding. Eiser is bijvoorbeeld tegengeworpen dat hij vaag heeft verklaard over hoe hij onderzoek doet naar een religie die bij hem past; of dat hij summier heeft verklaard waarom het christendom hem aanspreekt. Maar ook wordt eiser tegengeworpen dat hij vaag heeft verklaard over waarom hij zijn neef heeft verteld over zijn afvalligheid en dat hij summier heeft verklaard over de aangifte die tegen hem is gedaan.
Reeds gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser in zijn belangen is geschaad nu hij geen contact heeft gehad met zijn gemachtigde voorafgaand aan zijn gehoor. De rechtbank is daarom met eiser van oordeel dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. Beroep gegrond.
Uitspraak (NL26.10931 en NL26.10932) op 9 juli 2026 nog niet gepubliceerd.