Jurisprudentie
Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:
25-03-2026, ABRvS, hoger beroep minister ongegrond [WBV 2022/22; verlenging beslistermijn met negen maanden]
Reden signalering:
De minister heeft met WBV 2022/22 de beslistermijn van zes maanden voor het nemen van een besluit op een asielverzoek, niet rechtmatig met negen maanden verlengd. Daarbij heeft de rechtbank, gelet op het voorgaande, terecht geoordeeld dat zich voorafgaand aan het door de minister nemen van WBV 2022/22 geen situatie heeft voorgedaan waarin een groot aantal asielverzoeken tegelijk was ingediend, waardoor het in de praktijk zeer moeilijk was om de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de voorwaarden van artikel 42, vierde lid en onder b, van de Vw 2000, de implementatie van artikel 31, derde lid, derde volzin en onder b, van de Procedurerichtlijn, is voldaan. De Afdeling komt tot de slotsom dat WBV 2022/22 onverbindend is. Dit betekent dat de beslistermijn, voor alle asielverzoeken die vallen onder het toepassingsbereik van WBV 2022/22, niet met negen maanden is verlengd. Voor al deze asielverzoeken geldt dus de beslistermijn van zes maanden uit artikel 42, eerste lid, Vw 2000.
Bij verwijzingsuitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, heeft de Afdeling het Hof van Justitie verzocht om in een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de door haar gestelde vragen over het verlengen van de beslistermijn voor verzoeken om internationale bescherming in het licht van artikel 31, derde lid, derde volzin en onder b, van de Procedurerichtlijn. De Afdeling heeft daarbij de behandeling van het hoger beroep geschorst tot het Hof uitspraak heeft gedaan en iedere verdere behandeling aangehouden.
De Afdeling verwijst voor het eerdere procesverloop naar de verwijzingsuitspraak.
Het Hof heeft bij arrest van 8 mei 2025, Zimir, ECLI:EU:C:2025:326, de gestelde vragen beantwoord.
De prejudiciële vragen die de Afdeling in de verwijzingsuitspraak heeft gesteld, gaan over de uitleg van artikel 31, derde lid, derde volzin en onder b, van de Procedurerichtlijn. Dit artikelonderdeel is geïmplementeerd in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Laatstgenoemd artikelonderdeel geeft de minister de mogelijkheid om de beslistermijn van zes maanden uit artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, met hoogstens negen maanden te verlengen. De minister mag de beslistermijn verlengen als een groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is om de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. De minister heeft de beslistermijn met het Wijzigingsbesluit Vc 2000 van 21 september 2022, geldend vanaf 27 september 2022 (WBV 2022/22), met negen maanden verlengd. Dit besluit geldt voor alle asielverzoeken waarvan de wettelijke beslistermijn nog niet was verstreken op 27 september 2022 en die zijn ingediend tot 1 januari 2023.
In deze einduitspraak beantwoordt de Afdeling met inachtneming van het arrest Zimir de vraag of de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn voor asielzaken van zes maanden met negen maanden mocht verlengen. De Afdeling komt tot de conclusie dat de minister de beslistermijn niet mocht verlengen. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn van zes maanden voor het nemen van een besluit op een asielverzoek, niet rechtmatig met negen maanden heeft verlengd. Daarbij heeft de rechtbank, gelet op het voorgaande, terecht geoordeeld dat zich voorafgaand aan het door de minister nemen van WBV 2022/22 geen situatie heeft voorgedaan waarin een groot aantal asielverzoeken tegelijk was ingediend, waardoor het in de praktijk zeer moeilijk was om de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de voorwaarden van artikel 42, vierde lid en onder b, van de Vw 2000, de implementatie van artikel 31, derde lid, derde volzin en onder b, van de Procedurerichtlijn, is voldaan.
Wat betekent dit voor zaken die vallen onder het toepassingsbereik van WBV 2022/22?
De Afdeling komt tot de slotsom, gelet op al het voorgaande, dat WBV 2022/22 onverbindend is. Dit betekent dat de beslistermijn, voor alle asielverzoeken die vallen onder het toepassingsbereik van WBV 2022/22, niet met negen maanden is verlengd. Voor al deze asielverzoeken geldt dus de beslistermijn van zes maanden uit artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000.
Wat betekent dit voor deze zaak?
Betrokkene heeft het formulier model M35-H op 10 april 2022 ondertekend en de minister op 13 oktober 2022 in gebreke gesteld. De Afdeling heeft bij uitspraak van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5543, overwogen dat de beslistermijn uit artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 aanvangt op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar maakt, waarvan de loopbrief doorgaans het bewijs is. De minister kan de beslistermijn opschorten. In dit geval maakt het niet uit of de minister de beslistermijn heeft opgeschort of niet, omdat er na ondertekening van het formulier model M35-H op 10 april 2022 meer dan zes maanden zijn verstreken op het moment dat betrokkene de minister in gebreke heeft gesteld. Betrokkene heeft vervolgens na twee weken een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de ingebrekestelling niet prematuur is en het beroep ontvankelijk en gegrond is.
Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RVS:2026:1749
27-03-2026, Rb Haarlem MK, tussenuitspraak [prejudiciële vragen; land van bestemming; refoulementbeoordeling]
Reden signalering:
Moet in een situatie als de onderhavige op het moment van de vaststelling van een terugkeerbesluit een refoulementbeoordeling worden gemaakt waarbij wordt uitgegaan van het land van bestemming dat in het terugkeerbesluit is vermeld, ook al staat niet vast dat de vreemdeling de nationaliteit heeft van of afkomstig is uit dat land en daar ook naar zal terugkeren?
Verweerder vindt dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarom wordt geen inhoudelijke beoordeling gemaakt van de vraag of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daarnaast heeft verweerder een eerder opgelegd terugkeerbesluit gehandhaafd en Eritrea als land van terugkeer aangemerkt. Daarbij heeft verweerder geen beoordeling gemaakt van het refoulementrisico, omdat niet aannemelijk is geworden dat eiser daadwerkelijk uit Eritrea afkomstig is.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser inderdaad niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Eritrese nationaliteit heeft en dat verweerder daarom geen inhoudelijke beoordeling hoefde te maken van de asielaanvraag. De rechtbank is verder van oordeel dat voor de beslechting van het geschil, voor zover dit ziet op het terugkeerbesluit, een uitleg van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) nodig is. Het is niet duidelijk of verweerder in een geval als dit, waar het gestelde land van herkomst niet aannemelijk is, een refoulementbeoordeling achterwege kon laten.
De rechtbank ziet aanleiding prejudiciële vragen te stellen in het volgende geval.
Als de gestelde nationaliteit en herkomst van de vreemdeling niet geloofwaardig wordt geacht in een asielprocedure, ontstaat een schijnbaar tegenstrijdige situatie. Enerzijds is verweerder verplicht minimaal één land van bestemming te noemen. Anderzijds lijkt niet (goed) mogelijk om dan een refoulementbeoordeling te maken. Het risico op refoulement lijkt slechts realistisch te kunnen worden onderzocht tegen de achtergrond van een aannemelijke nationaliteit en herkomst van de vreemdeling.
Denkbaar is dat een minder volledige refoulementbeoordeling wordt gemaakt in dit soort gevallen, aan bijvoorbeeld de hand van de algemene (veiligheids)situatie van een land van terugkeer, al dan niet voor specifieke groepen mensen.
De vragen:
- moet in een situatie als deze op het moment van de vaststelling van een terugkeerbesluit een refoulementbeoordeling worden gemaakt waarbij wordt uitgegaan van het land van bestemming dat in het terugkeerbesluit is vermeld, ook al staat niet vast dat de vreemdeling de nationaliteit heeft van of afkomstig is uit dat land en daar ook naar zal terugkeren?
- indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet in dat geval een refoulementbeoordeling worden gemaakt alsof de nationaliteit en herkomst wel vaststaan, of kan worden volstaan met een beoordeling die alleen is gebaseerd op de algemene situatie in het land van bestemming, al dan niet in combinatie met hetgeen bekend is over de vreemdeling?
Is daarbij onderscheid te maken in de beoordeling die het bestuursorgaan en de rechter in die situatie moeten maken en, zo ja, op welke wijze?
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:7121
23-03-2026, Rb Rotterdam MK, Syrië, beroep gegrond [willekeurig geweld; artikel 15c Kwalificatierichtlijn]
Reden signalering:
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom de laagste gradatie van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, in heel Syrië van toepassing is.
Vrees voor de reservistendienst
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Syrië, ten tijde van het bestreden besluit, te vrezen had voor de reservistendienst. Eiser heeft verklaard dat hij slechts één keer is opgeroepen, aan het begin van de oorlog, en dat hij inmiddels de leeftijd voor dienstplicht is gepasseerd. Uit zijn verklaringen blijkt verder niet dat hij tijdens zijn eerdere dienstplicht specifieke expertise heeft opgebouwd of dat hij actief is benaderd over of gedwongen is tot het vervullen van de reservistendienst, bijvoorbeeld tijdens zijn eerdere reisbewegingen naar Syrië. De rechtbank volgt verweerder daarom in zijn conclusie dat niet is gebleken dat eiser ten tijde van het bestreden besluit nog verplicht was tot het vervullen van de reservistendienst of dat hij over bijzondere kwalificaties beschikt die alsnog tot zo’n verplichting zouden kunnen leiden. Overigens heeft verweerder in beroep gewezen op recente informatie uit openbare bronnen waaruit blijkt dat personen die werden gezocht voor de reservistendienst thans geen problemen zullen ondervinden en dat de (reservisten)dienstplicht inmiddels is afgeschaft. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
Vrees vanwege herkomst uit Homs
Ook heeft verweerder zich in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Syrië, ten tijde van het bestreden besluit, te vrezen had voor vervolging of ernstige schade vanwege zijn herkomst uit Homs (de wijk Al Qarabis). Ter onderbouwing van deze vrees heeft eiser in beroep opnieuw verwezen naar eerder overgelegde artikelen, maar verweerder heeft terecht gesteld dat uit die artikelen niet blijkt dat personen uit Homs (de wijk Al Qarabis) vanwege hun herkomst worden vervolgd, gediscrimineerd of benadeeld op een manier als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico lopen op ernstige schade. Deze artikelen onderbouwen op zichzelf een dergelijk risico niet. Daarnaast is gebleken dat eiser tijdens zijn eerdere reisbewegingen naar Syrië, waarbij hij ook in Homs is geweest, geen problemen heeft ondervonden. Hij heeft zonder problemen – door tussenkomst van zijn broer – zelf een nieuw paspoort aangevraagd en het land kunnen in- en uitreizen. Hoewel zijn paspoort tijdens die reisbewegingen meerdere keren is gecontroleerd en hem is gevraagd waar hij vandaan kwam, en eiser dus meerdere keren in (direct) contact met de autoriteiten heeft gestaan, heeft dit niet tot problemen geleid vanwege zijn herkomst uit Homs. De rechtbank volgt verweerder daarom in zijn conclusie dat niet is gebleken dat eiser ten tijde van het bestreden besluit te vrezen had voor vervolging of ernstige schade vanwege zijn herkomst uit Homs (de wijk Al Qarabis). De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
Reëel risico op ernstige schade als vanuit het buitenland terugkerende Syriër
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser, als vanuit het buitenland terugkerende Syriër, bij of na terugkeer naar Syrië, ten tijde van het bestreden besluit, een reëel risico liep op ernstige schade. De rechtbank legt dit hierna uit.
Volgens het landenbeleid voor Syrië dat gold ten tijde van het bestreden besluit (paragraaf C7/33.4.4. Vc 2000) werd aangenomen dat iemand uit Syrië bij of na terugkeer vanuit het buitenland in beginsel een reëel risico liep op ernstige schade en daarom in aanmerking kwam voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. In dit beleid stond ook dat dit algemene uitgangspunt niet gold als de vreemdeling een actieve aanhanger van het regime was, of als uit de individuele feiten en omstandigheden bleek dat de vreemdeling bij of na terugkeer naar Syrië geen risico (meer) liep op ernstige schade. Dat was met name het geval wanneer de vreemdeling na een eerder vertrek weer was teruggekeerd naar Syrië. Dit beleid is goedgekeurd door de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3175) en is als zodanig niet in geschil tussen partijen. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of uit het asielrelaas van eiser blijkt van individuele feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat hij geen risico op ernstige schade liep bij terugkeer naar Syrië.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle door eiser genoemde individuele feiten en omstandigheden heeft betrokken bij de beoordeling van het terugkeerrisico en dat hij zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser, als terugkeerder vanuit het buitenland, bij of na terugkeer naar Syrië, ten tijde van het bestreden besluit, een reëel risico liep op ernstige schade. Uit de verklaringen van eiser blijkt namelijk, als gezegd, dat hij zonder problemen – door tussenkomst van zijn broer – een nieuw paspoort heeft aangevraagd en dat hij Syrië eerder legaal en zonder problemen is in- en uitgereisd, voor het laatst in 2022. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij heeft betaald voor zijn vervoer tijdens deze reis, maar verweerder heeft terecht gesteld dat het betalen voor vervoer en voor het soepel laten verlopen van een reis vaker voorkomt in Syrië en past binnen de algemene situatie in het land, en dat dit daarom niet wijst op een reëel risico op ernstige schade voor eiser persoonlijk. Verweerder heeft in dit kader ook terecht gesteld dat eisers stelling, dat hij niet persoonlijk is gecontroleerd en geen contact heeft gehad met de autoriteiten, niet strookt met zijn verklaringen tijdens de gehoren. Eiser heeft tijdens de gehoren namelijk verklaard dat hij zijn paspoort persoonlijk moest tonen bij grenscontroles en dat bij andere controles de buschauffeur zijn paspoort liet zien. Hoe dan ook mocht verweerder hieruit concluderen dat eiser in het zicht van de autoriteiten Syrië is in-, uit- en doorgereisd, zonder daarbij problemen te hebben ondervonden. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt daarom niet.
De rechtbank merkt nog op dat eiser zijn stelling dat het risico op ernstige schade bij terugkeer ten tijde van het bestreden besluit groter is dan bij zijn terugkeer in 2022 omdat hij dan terugkeert na een langer verblijf in een westers land, en met behulp van de DT&V en/of de IOM, onvoldoende heeft onderbouwd. Deze stelling treft reeds hierom geen doel.
De huidige algemene veiligheidssituatie in Syrië
Naar aanleiding van het AA Syrië 2025, van mei 2025, heeft verweerder op 17 juni 2025 het landenbeleid voor Syrië aangepast. Daarin staat nu, voor zover hier van belang, dat verweerder voor heel Syrië aanneemt dat sprake is van ‘een relatief lager niveau van willekeurig geweld’ (paragraaf C7/33.4.2. van de Vc). De rechtbank toetst hierna dit beleid, dat op grond van artikelen 83 en 83a van de Vw onderdeel van deze beroepsprocedure is geworden. De uitkomst van deze toetsing is dat verweerders beleid op dit punt – de beoordeling van de mate van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn – niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en deugdelijke motivering. Dit legt de rechtbank hierna uit.
Voor de verschillende gradaties van willekeurig geweld die vallen binnen het bereik van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en de criteria die verweerder gebruikt voor de beoordeling daarvan wordt verwezen naar paragraaf C2/3.3.3.1. (en verder) van de Vc. De Afdeling is in haar uitspraken van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154) nader ingegaan op de feiten en omstandigheden (hierna: factoren) die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dit zijn:
- de algemene veiligheidssituatie;
- de regionale spreiding van het geweld;
- de gerichtheid van het geweld en het risico op willekeurige burgerslachtoffers;
- de veiligheidsstructuur;
- het gebied van terugkeer;
- de ontheemdensituatie;
- de humanitaire omstandigheden.
Alvorens in te gaan op (enkele van) voormelde factoren overweegt de rechtbank eerst het volgende. Het AA Syrië 2025 gaat over de eerste periode na de val van het Assad-regime en beslaat de periode van 27 november 2024 tot en met april 2025. Dit betreft een (zeer) korte verslagperiode. Deze periode wordt bovendien gekenmerkt door een zeer grote mate van onduidelijkheid en onzekerheid, omdat er sprake is van een nieuwe situatie na een 13 jaar durende burgeroorlog. In het AA Syrië 2025 wordt de veiligheidssituatie gedurende de gehele verslagperiode beschreven als ‘volatiel’ (p. 38) en ook uit andere openbare bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie na de val van het Assad-regime fragiel en onduidelijk is. Wat wél duidelijk is, is dat het in Syrië niet ineens veilig is geworden. In het AA Syrië 2025 staat dat er nog steeds sprake is van verschillende, actieve gewapende conflicten in het land. In de brief van VWN van 12 augustus 2025 wordt gesproken van “een ernstige humanitaire crisis” en uit het door verweerder overgelegde EUAA-rapport van december 2025 volgt onder meer dat een stabiele machtsstructuur voor heel Syrië ontbreekt, dat er sprake is van buitenlandse militaire inmenging en dat er sprake is van interne gewapende conflicten. Uit het AA Syrië 2025 volgt verder dat de veiligheidssituatie in Syrië in de verslagperiode, naast volatiel, in hoge mate gefragmenteerd was, wat betekent dat de geweldsniveaus fluctueerden en het beeld van de veiligheidssituatie per gebied (in de steden zelfs per wijk) en per week kon verschillen.
Over de factor ‘algemene veiligheidssituatie’ overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder diende de hiervoor beschreven zeer grote mate van onduidelijkheid en onzekerheid rondom de veiligheidssituatie in Syrië te betrekken bij en te verdisconteren in zijn vaststelling van de ‘15c-gradatie’. Dat heeft verweerder niet (kenbaar) gedaan. In de brief ‘Landenbeleid Syrië’ van 10 juni 2025 wordt weliswaar een opmerking gemaakt met de strekking dat zal moeten worden bezien hoe de situatie zich verder zal ontwikkelen, maar niet is gebleken dat verweerder de ‘onzekerheidsfactor’ daadwerkelijk heeft betrokken bij en verdisconteerd in zijn vaststelling van de ‘15c-gradatie’. De rechtbank merkt in dit verband op dat een vaststelling dat sprake is van de ‘laagste gradatie van 15c’ in het algemeen niet zonder meer past bij een veiligheidssituatie in een land dat net een jarenlange burgeroorlog achter de rug heeft en die wordt gekenmerkt door een zeer grote mate van onduidelijkheid en onzekerheid. De rechtbank wijst er in dit verband verder nog op dat verweerder in de brief ‘Landenbeleid Syrië’ heeft vermeld dat hij nog geen herbeoordelingen ten aanzien van Syrische statushouders zal gaan verrichten, omdat hij de situatie in Syrië nog niet bestendig genoeg vindt. Hoewel de rechtbank weet dat er voor herbeoordelingen een ander juridisch kader geldt dan voor beoordelingen van asielaanvragen, is zij van oordeel dat een vaststelling dat er sprake is van de ‘laagste gradatie van 15c’ in het algemeen niet zonder meer rijmt met een gedragslijn die inhoudt dat niet wordt overgegaan tot herbeoordelingen om de reden dat de veiligheidssituatie te onbestendig is.
Over de factoren ‘algemene veiligheidssituatie’ en ‘veiligheidsstructuur’ overweegt de rechtbank (aanvullend) als volgt. Verweerder diende ook de hiervoor beschreven hoge mate van fragmentatie en de per gebied (en zelfs per wijk) variërende veiligheidssituatie bij zijn ‘15c-beoordeling’ te betrekken. Dat heeft verweerder op zichzelf gedaan. In de ‘15c-bijlage’ bij de brief ‘Landenbeleid Syrië’ heeft verweerder per regio vermeld wat voor soort geweldsincidenten er daar hebben plaatsgevonden, hoeveel doden er daarbij zijn gevallen en hoe de veiligheidsstructuur daar was. Daaruit blijkt dat het beeld per regio flink verschilt. Ter vergelijking wijst de rechtbank op de verschillen tussen Damascus (waar de door HTS-geleide autoriteiten zijn gevestigd) en Homs (de regio waar eiser vandaan komt). Terwijl volgens de ‘15c-bijlage’ in Damascus geen veiligheidsincidenten plaatsvonden, er sprake was van enige veiligheidsstructuur en het aantal doden 23 (in Q4) en 26 (in Q1) betrof, was er in Homs sprake van talloze veiligheidsincidenten, een gebrek aan veiligheidsstructuur en 43 (Q4) en 93 (in Q1) doden. Gelet op deze flinke verschillen per regio – de verschillen tussen sommige andere regio’s zijn nog groter – diende verweerder op zijn minst te motiveren waarom hij in zijn ‘15c-beleid’ geen onderscheid heeft gemaakt per regio maar heeft gekozen voor één ‘15c-gradatie’ voor heel Syrië. Een dergelijke motivering heeft verweerder in het geheel niet (kenbaar) gegeven. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat ook de humanitaire omstandigheden per regio flink verschillen. Op de factor ‘humanitaire omstandigheden’ gaat de rechtbank verderop in deze uitspraak nader in.
Wat betreft de factor ‘gerichtheid van het geweld en het risico op willekeurige burgerslachtoffers’ volgt uit het AA Syrië 2025 en de brief van VWN dat burgers blijvend gevaar lopen door landmijnen, niet-ontplofte granaten en munitie. In de ‘15c-bijlage’ staat dat verspreid over heel Syrië ontplofbare oorlogsrechten, waaronder mijnen en niet-gesprongen munitie, “een aanhoudende, ernstige bedreiging voor het leven van burgers” vormen. Hoewel verweerder dus heeft onderkend dat hierin een groot veiligheidsrisico is gelegen, heeft hij niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre hij dit risico heeft betrokken en gewogen bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld.
Wat betreft de factor ‘ontheemdensituatie’ overweegt de rechtbank dat verweerder niet kenbaar het aantal ontheemden bij zijn ‘15c-beoordeling’ heeft betrokken. In de ‘15c-bijlage’ is weliswaar per regio een ‘kolom’ opgenomen waarin het aantal ontheemden kon worden vermeld, maar verweerder heeft de aantallen ontheemden per regio daarin niet vermeld. Dat geldt overigens ook voor het aantal gewonden. Slechts het aantal doden is vermeld en betrokken.
Wat betreft de factor ‘humanitaire situatie’ overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt zich op het standpunt, zo begrijpt de rechtbank, dat uit de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat de humanitaire omstandigheden niet worden meegewogen in de beoordeling van de mate van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, als die een gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor, in dit geval het regime van Assad, die partij was in een gewapend conflict maar inmiddels van het toneel is verdwenen. Datzelfde geldt volgens verweerder voor zover de humanitaire situatie het gevolg is van een inmiddels geëindigd gewapend conflict, (voormalige) economische sancties tegen het oude regime of de nalatigheid van het oude regime om voor haar bevolking te zorgen. In die situaties vloeien de humanitaire omstandigheden volgens verweerder niet voort uit het handelen of nalaten van een actor die partij is bij een actief gewapend conflict en daarom vallen die omstandigheden buiten het toepassingsbereik van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
De rechtbank begrijpt deze uitspraken van de Afdeling anders, namelijk dat niet alleen de humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een gewapend conflict moeten worden betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Alleen als (slechte) humanitaire omstandigheden niet in verband staan met het willekeurig geweld, zijn deze in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet relevant. De rechtbank volgt verweerder daarom niet in zijn standpunt.
Eiser heeft gewezen op de brief van VWN waarin, als gezegd, staat dat Syrië in “een ernstige humanitaire crisis” verkeert. Basisbehoeften zoals voedsel, water, elektriciteit, huisvesting en zorg ontbreken voor een groot deel van de bevolking. De Syrische bevolking is afhankelijk van humanitaire hulp om in hun basisbehoeften te voorzien. Mede daardoor lopen de spanningen tussen ontheemden en achterblijvers toe. Verder blijkt uit het AA Syrië 2025 dat de ernst van de humanitaire situatie in Syrië ten tijde van en na de val van Assad groter is dan tijdens de oorlog. Meer dan 90% van de bevolking leeft onder de armoedegrens en volgens cijfers van Unicef leden meer dan 500.000 kinderen onder de vijf jaar aan levensbedreigende ondervoeding. Deze zeer slechte humanitaire situatie is het directe of indirecte gevolg van het gewapende conflict in Syrië, waarin het (inmiddels verdwenen) Assad-regime als actor een groot aandeel heeft gehad en dat overigens, zij het in andere verhoudingen, nog steeds aan de gang is. Gelet op wat er hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze humanitaire omstandigheden had moeten betrekken bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld. Dat heeft verweerder ten onrechte niet gedaan.
Dit alles leidt tot de conclusie dat verweerders beleid in paragraaf C7/33.4.2. van de Vc, dat er in heel Syrië sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld, niet is gebaseerd op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:7137
24-03-2026, Rb Groningen, Syrië, beroep gegrond [willekeurig geweld; individuele omstandigheden]
Reden signalering:
De minister heeft onvoldoende duidelijk onderbouwd in hoeverre eiser zich tijdig kan onttrekken aan bombardementen, of andere uitingen willekeurig geweld. Daarom onvoldoende gemotiveerd waarom eiser door zijn individuele omstandigheden geen verhoogd risico op willekeurig geweld loopt.
Algehele situatie (15c)
De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats (9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466) reeds heeft geoordeeld geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Eiser volstaat in de zienswijze en in beroep enkel met een generieke, niet onderbouwde verwijzing naar meerdere bronnen. Bovendien noemt eiser in de zienswijze en in beroep een groot aantal bronnen dat al aan de basis lag van het 15c-beleid ten aanzien van Syrië. Voorts blijkt uit het recente AAB van Syrië juist dat het aantal geweldsincidenten flink is gedaald. Ook het aantal burgerdoden is eind 2025 afgenomen in vergelijking met het begin van dat jaar. Deze dalende trend van geweldsincidenten vond ook plaats in Aleppo, waar eiser vandaan komt. De rechtbank volgt de minister dat in Syrië geen sprake is van een zodanige mate van willekeurig geweld dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in het gebied al een reëel risico loopt op ernstige schade.
Humanitaire omstandigheden
Ten aanzien van de humanitaire omstandigheden oordeelt de rechtbank dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een van de strijdende partijen. Uit het AAB Syrië van mei 2025 - en bevestigd in het AAB van januari 2026 - blijkt dat de humanitaire situatie in Syrië weliswaar zeer slecht is, maar dat deze slechte situatie grotendeels wordt veroorzaakt door de jarenlange oorlog door, economische sancties tegen en de nalatigheid van de voormalige regering-Assad, en niet of slechts in zeer beperkte mate samenhangt met het nog resterende gewapende conflict. Hoewel humanitaire omstandigheden in zijn algemeenheid een rol kunnen spelen bij de beoordeling spelen de omstandigheden veroorzaakt door een niet-actieve actor in beginsel geen rol bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank volgt de motivering van de minister en acht deze in lijn met de uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2025:3153) en voldoende deugdelijk.
Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een situatie als uiteengezet in de arresten van het EHRM van 28 juni 2011. Eiser heeft in dit verband verwezen naar medische informatie, naar het AAB van januari 2026 en naar meerdere andere bronnen - waaronder het Country Focus-rapport van EUAA van juli 2025 - en geeft daarbij aan dat uit deze informatie genoegzaam blijkt dat hij niet de mogelijkheid heeft om te voorkomen dat hij kwetsbaar wordt voor inhumane behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister kunnen stellen dat hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Syrië in het algemeen dergelijke uitzonderlijke omstandigheden bestaan waarmee de lat van deze arresten wordt gehaald.
Verhoogd risico bij terugkeer door individuele omstandigheden
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft toegelicht waarom eisers individuele situatie niet leidt tot een verhoogd risico in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Weliswaar heeft eiser weinig verklaard over zijn persoonlijke, risico verhogende omstandigheden, maar tegelijkertijd was het de minister duidelijk dat eiser op dit moment in een rolstoel zit. Daarbij komt dat eiser in beroep medische informatie heeft overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat hij afhankelijk is van een rolstoel en sondevoeding. Gelet op het voorgaande is het de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden in hoeverre eiser zich tijdig kan onttrekken aan bombardementen, beschietingen of andere uitingen van willekeurig geweld. De minister moet dit nader onderbouwen.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:6408
01-04-2026, Rb Groningen, Syrië, beroep ongegrond [artikel 15c Kwalificatierichtlijn; gedwongen rekrutering]
Reden signalering:
De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats reeds heeft geoordeeld geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Uit het Ambtsbericht van 2026 volgt niet dat de algemene veiligheidssituatie wezenlijk is verslechterd en bovendien – daargelaten dat eiser niet naar de regio van het conflict hoeft terug te keren - is op 30 januari 2026 een akkoord gesloten dat onder andere een staakt het vuren omvat. Uit het AAB Syrië van januari 2026 blijkt dat de humanitaire situatie in Syrië weliswaar zeer slecht is, maar dat deze slechte situatie grotendeels wordt veroorzaakt door de jarenlange oorlog door, economische sancties tegen en de nalatigheid van de voormalige regering-Assad, en niet of slechts in zeer beperkte mate samenhangt met het nog resterende gewapende conflict.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij Syrië heeft verlaten, omdat de PKK hem gedwongen wilde rekruteren. Daarbij is, na eisers vertrek, zijn huis ingenomen door een Arabische man die tot het VSL behoort. Hij heeft eiser toen met de dood bedreigd, mocht eiser het proberen terug te krijgen. Verder vreest eiser voor de huidige algemene situatie in Syrië.
De minister stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn, evenals de problemen omtrent de huisinname. De gestelde rekrutering door de Koerden is ongeloofwaardig.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet ten onrechte concludeert dat eiser geen gegronde vrees voor gedwongen rekrutering heeft. De minister heeft met objectieve bronnen onderbouwd dat de dienstplicht is opgeheven en dat rekrutering op vrijwillige basis plaatsvindt. Ook de informatie van de EUAA bevestigt dat de dienstplicht is beëindigd door de overgangsregering.
De minister heeft daarnaast kunnen overwegen dat vooral jongvolwassenen werden gerekruteerd. Eiser is inmiddels 49 jaar en valt dus niet meer binnen deze categorie. Bovendien is bekend dat voor mensen die in het regeringsleger hebben gediend, een vrijstelling kon worden aangevraagd. Dit geldt ook voor eiser. Eiser heeft verder niet onderbouwd, met bronnen of anderszins, dat Koerdische strijdkrachten meer mankracht nodig hebben, dat gedwongen rekrutering als gevolg daarvan is toegenomen of dat eiser hierdoor een verhoogd risico op rekrutering loopt.
De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om dit aan te nemen.
Heeft de minister terecht geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees heeft gelet op de algehele veiligheidssituatie?
Eiser heeft ter zitting verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 30 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:1409), waarin prejudiciële vragen zijn gesteld over de algemene veiligheid in verband met artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Onduidelijk blijft volgens eiser in hoeverre de val van Assad zwaarwegend genoeg is om de laagste gradatie van willekeurig geweld aan te kunnen nemen. Eiser merkt daarbij ook op dat, met het uitbreken van gevechten tussen de Syrische regeringstroepen, daaraan gelieerde milities en Koerdische strijders, er sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser stelt dat de recente gewelduitbarstingen niet zijn meegewogen in het land gebonden beleid dat is gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht 2025.
Eiser stelt verder dat, ook als al kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, zijn individuele omstandigheden maken dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van geweld. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3153) volgt dat ook humanitaire omstandigheden moeten worden betrokken als die verband houden met willekeurig geweld. Hierbij dienen niet alleen de humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een gewapend conflict te worden betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Eiser meent dat de minister niet alle relevante omstandigheden heeft betrokken.
De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats reeds heeft geoordeeld (9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466) geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Net als in die zaak volstaat eiser met een generieke verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Roermond en de rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de meervoudige kamer te komen.
Verder noemt eiser slechts dat sprake is het uitbreken van gevechten tussen de Syrische regeringstroepen, daaraan gelieerde milities en Koerdische strijders en dat daarom sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. In het ambtsbericht van 2025 is erkend dat sprake is van incidentele geweldsuitbarstingen en gevechten. In die zin is de door eiser genoemde geweldsuitbarsting verdisconteerd in het beleid van minister. Uit het Ambtsbericht van 2026 volgt niet dat de algemene veiligheidssituatie wezenlijk is verslechterd en bovendien – daargelaten dat eiser niet naar de regio van het conflict hoeft terug te keren - is op 30 januari 2026 een akkoord gesloten dat onder andere een staakt het vuren omvat.
Ten aanzien van de humanitaire omstandigheden oordeelt de rechtbank dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een van de strijdende partijen. Uit het AAB Syrië van mei 2025 en uit het AAB Syrië van januari 2026 blijkt dat de humanitaire situatie in Syrië weliswaar zeer slecht is, maar dat deze slechte situatie grotendeels wordt veroorzaakt door de jarenlange oorlog door, economische sancties tegen en de nalatigheid van de voormalige regering-Assad, en niet of slechts in zeer beperkte mate samenhangt met het nog resterende gewapende conflict. Hoewel humanitaire omstandigheden in hun algemeenheid een rol kunnen spelen bij de beoordeling, spelen de omstandigheden veroorzaakt door een niet-actieve actor in beginsel geen rol bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien zijn beleid te wijzigen.
Voorts ziet – en in zoverre eiser hier een beroep op doet - de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een situatie als uiteengezet in de arresten van het EHRM van 28 juni 2011 (ECLI:CE:ECHR:2013:0129JUD006036710). Eiser volstaat met een generieke verwijzing naar humanitaire omstandigheden en de rechtbank volstaat daarom met de overweging dat, hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Syrië in het algemeen dergelijke uitzonderlijke omstandigheden bestaan waarmee de lat van deze arresten wordt gehaald.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat de minister terecht stelt dat eiser er niet in is geslaagd om met persoonlijke omstandigheden te onderbouwen dat er, ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer als gevolg van het willekeurig geweld. Eiser heeft geen persoonlijke omstandigheden genoemd en de rechtbank is hier ook overigens niet van gebleken.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:7358
24-03-2026, Rb Groningen, Uganda, beroep gegrond [LHBTI; geloofwaardigheidsbeoordeling; thema’s uit WI 2019/17]
Reden signalering:
De minister heeft niet alle verklaringen van eiser over de vier thema’s uit WI 2019/17 meegewogen in de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook heeft de minister niet gemotiveerd hoe de verklaringen over de verschillende thema’s ieder worden gewaardeerd en ten opzichte van elkaar worden gewogen.
Eiser heeft verklaard homoseksueel te zijn. Eiser ontdekte deze gevoelens toen hij elf jaar oud was en accepteerde dit rond zijn achttiende. Eiser heeft van 2015 tot 2023 een relatie gehad met [naam vriend]. Eiser is uit Uganda gevlucht nadat hij en [naam vriend] zijn betrapt tijdens een feestje en de politie hen vervolgens heeft meegenomen. Met behulp van de oom van [naam vriend] zijn ze vrijgelaten door de politie. Eiser vreest bij terugkeer naar Uganda voor zijn familie, de moeder van [naam vriend] en de gemeenschap in zijn geheel. Hij vreest voor een gevangenisstraf of voor de doodstraf.
Heeft de minister de gestelde seksuele geaardheid op de juiste wijze beoordeeld?
Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte niet integraal heeft beoordeeld aan de hand van de werkinstructie 2019/17 (werkinstructie). De minister heeft niet getoetst aan de vier thema’s die volgens de werkinstructie relevant worden geacht bij een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook is bij de beoordeling geen gebruik gemaakt van de in de werkinstructie gegeven instructies. Zo heeft de minister bij de beoordeling en tijdens het gehoor geen rekening gehouden met het referentiekader van eiser en heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met het niveau van de verklaringen van eiser. De minister had moeten doorvragen op het moment dat hij meer duidelijkheid wilde hebben over bepaalde onderwerpen, bijvoorbeeld over de religie van eiser. Eiser wijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2706).
Eiser wijst verder op het rapport ‘Trots of schaamte: de beoordeling van LHBTI-asielaanvragen in Nederland na de arresten XYZ en ABC’ van Sabine Jansen van juni 2018.
Ook wijst eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 11 oktober 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:10975) waarin is overwogen dat de omstandigheid dat een vreemdeling ontoereikend heeft verklaard over zijn eigen ervaringen zonder rechtvaardiging, niet altijd leidt tot ongeloofwaardige seksuele gerichtheid als die vreemdeling over andere aspecten wel overtuigend kan verklaren. Verder heeft de minister gebruik gemaakt van stereotypering. In dit kader verwijst eiser naar een brief van het COC aan de minister over ‘gebrekkige uitvoering LHBTI-beleid’ van 9 juni 2019 en nogmaals op het rapport van Sabine Jansen.
Daarnaast wijst eiser op artikel 4 van de Definitierichtlijn en de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, waaruit volgt dat documentatie de feitelijke informatie kan ondersteunen. Ook wijst eiser er op dat sinds werkinstructie 2018/9 explicieter is aangegeven dat verklaringen van derden kunnen worden meegewogen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Specifiek ten aanzien van verklaringen van partners wijst eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 9 februari 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:2212). Eiser voert verder aan dat zijn verklaringen over zijn relatie met [naam vriend] authentiek zijn en voldoende inzicht geven in de relatie. Ook voert eiser aan dat hij niet ongerijmd of tegenstrijdig heeft verklaard over de betrapping. Ter onderbouwing van zijn verklaringen heeft eiser een situatieschets overgelegd van de woning van [naam vriend]. Ook heeft eiser ter onderbouwing van zijn homoseksuele gerichtheid nog enkele ondersteunende brieven en foto’s overgelegd, waaronder een verklaring van hemzelf.
Toetsingskader geloofwaardigheid seksuele gerichtheid
Het toetsingskader voor de beoordeling van de geloofwaardigheid in zaken over seksuele gerichtheid wordt gevormd door rechtspraak van de Afdeling en de hierboven aangehaalde Werkinstructie 2019/17 ‘Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd’. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat het voor de vreemdeling niet mogelijk is om met sluitend bewijs aannemelijk te maken dat hij een lhbti-gerichtheid heeft.
Bij het horen en bij de beoordeling van de geloofwaardigheid betrekt de minister de volgende thema’s:
- privéleven en omgeving;
- huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbti groepen;
- contact met lhbti’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie;
- discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst.
Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om met de werkinstructie een eenduidig sjabloon beschikbaar te stellen waarmee de seksuele gerichtheid getoetst kan worden. In iedere zaak moet een individuele afweging plaatsvinden van wat relevant is. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid wordt betrokken of de verklaringen consistent zijn en overeenkomen met dat wat bekend is over de algemene situatie (ten aanzien van lhbti’s) in het land van herkomst. Het zwaartepunt ligt bij het persoonlijke authentieke verhaal dat een vreemdeling vertelt over en vanuit zijn ervaringen. Alles moet in onderlinge samenhang worden bekeken. Er moet ook rekening worden gehouden met het referentiekader van de vreemdeling, zoals opleidingsniveau, leeftijdsfase, cultuur en afkomst.
Toepassing van de werkinstructie
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde seksuele geaardheid in strijd gehandeld met de werkinstructie. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de minister tijdens het nader gehoor aan eiser vragen heeft gesteld over de hierboven genoemde thema’s en dat eiser over al deze thema’s verklaringen heeft afgelegd. De minister heeft echter nagelaten om de verklaringen van eiser over de verschillende thema’s ook daadwerkelijk in onderlinge samenhang in de besluitvorming te betrekken. Zoals de minister in het bestreden besluit zelf ook heeft aangegeven, is in het voornemen enkel aandacht besteed aan de verhouding tussen religie en seksuele geaardheid en aan de relatie met [naam vriend] en de bijbehorende betrapping. Deze onderwerpen behoren dan wel tot de thema’s (i) en (ii), maar de minister heeft nagelaten de overige verklaringen van eiser in het kader van de thema’s te bespreken. Zo heeft eiser tijdens het gehoor ook verklaringen afgelegd over het proces dat hij heeft doorgemaakt om te realiseren dat hij een homoseksuele gerichtheid heeft, hoe hij dat persoonlijk heeft beleefd en hoe zijn omgeving daarop heeft gereageerd. In het bestreden besluit heeft de minister deze verklaringen niet alsnog meegenomen. Bovendien heeft de minister eisers verklaringen in het kader van de thema’s (iii) en (iv) helemaal niet meegenomen in de besluitvorming. De rechtbank is van oordeel dat in de besluitvorming en op zitting onduidelijk is gebleven welk gewicht volgens de minister toekomt aan de door eiser gegeven verklaringen over de vier thema’s. Ook heeft de minister niet nader gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser niet (deels) zouden kunnen compenseren voor de ongeloofwaardig geachte verklaringen op een van de andere thema’s. Daardoor is het voor de rechtbank niet inzichtelijk hoe eisers verklaringen in het kader van de verschillende thema’s zijn gewaardeerd en gewogen.
In het bestreden besluit en op de zitting heeft de minister zich – met verwijzing naar de werkinstructie – op het standpunt gesteld dat niet alle thema’s in de besluitvorming benoemd hoeven te worden omdat het een individuele beoordeling blijft. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Hoewel in de werkinstructie staat dat de hoormedewerker tijdens het gehoor kan concluderen dat het niet relevant is om (verder) door te vragen op een bepaald thema, is ook in de werkinstructie opgenomen dat de beslismedewerker vervolgens weegt of dat wel of niet van invloed is op de beoordeling. De minister heeft dit ten onrechte nagelaten.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek. Nu dit gebrek niet alsnog is hersteld dient het beroep alleen hierom al gegrond te worden verklaard. De rechtbank ziet in het belang van de vervolgprocedure aanleiding om de volgende beroepsgronden van eiser alsnog te bespreken.
Referentiekader
Ten aanzien van het referentiekader van eiser stelt de rechtbank vast dat deze expliciet staat beschreven in het voornemen. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende en kenbaar rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Op zitting heeft de gemachtigde van eiser in dit kader nog aangevoerd dat de minister tijdens het nader gehoor onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat eiser nooit eerder over zijn geaardheid heeft verteld. De rechtbank volgt deze stelling van eiser niet. Uit de door eiser overgelegde brieven van onder andere Phoenix blijkt juist dat eiser eerder uitvoerig en open heeft verteld over zijn seksuele geaardheid. Dat dit tijdens het nader gehoor voor het eerst in een officiële setting gebeurde, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.
Verklaringen over relatie met [naam vriend] en de betrapping
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over zijn relatie met [naam vriend] te summier zijn. De minister heeft in dit kader van zwaarwegend belang mogen achten dat eiser acht jaar lang een relatie zou hebben gehad met [naam vriend].
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over de betrapping met [naam vriend] ongerijmd zijn. Het is juist dat de verklaring van eiser dat hij denk dat [naam vriend 2] bij de woning van eiser is gekomen op dezelfde motortaxi als hij is gebaseerd is op een vermoeden. Het is de rechtbank echter niet duidelijk wat de minister in dit kader nog meer verwacht van eiser nu hij er zelf niet bij was toen [naam vriend 2] naar de woning van [naam vriend] is gekomen. De minister heeft verder overwogen dat eiser wisselend heeft verklaard over het raam op de kamer door eerst te verklaren dat het raam metalen hekjes had en vervolgens aan te geven dat het raam open was. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat deze twee dingen naast elkaar kunnen bestaan en ziet hierin dan ook geen tegenstrijdigheid. Ook het feit dat de woning zich op de tweede verdieping bevond, hoeft niet te betekenen dat er niet door het raam naar binnen kon worden gekeken. In beroep heeft eiser hierover aangegeven dat het een portiekwoning betreft. De minister heeft dit ten onrechte tegengeworpen zonder hierover door te vragen. Ook heeft de minister overwogen dat het niet te volgen is dat eiser en [naam vriend] de gordijnen niet dicht hadden gedaan omdat van hen verwacht mag worden dat zij voorzorgmaatregelen treffen om niet betrapt te worden gelet op de situatie in Uganda. De rechtbank acht deze motivering onvoldoende toereikend en deugdelijk. Eiser heeft hier immers over aangegeven dat het warm was in de kamer. De minister heeft niet gemotiveerd waarom dit geen verschoonbare reden is.
Conclusie geloofwaardigheid seksuele gerichtheid
De minister heeft niet alle verklaringen van eiser over de vier thema’s meegewogen in de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook heeft de minister niet gemotiveerd hoe de verklaringen over de verschillende thema’s ieder worden gewaardeerd en ten opzichte van elkaar worden gewogen. Verder heeft eiser (enig) inzicht gegeven over de gebeurtenissen rondom de betrapping. Het is op dit punt onduidelijk wat de minister nog meer van eiser verwacht en wat maakt dat zijn verklaringen daarover tekortschieten.
Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de seksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig is. De overige beroepsgronden op dit punt behoeven geen bespreking meer.
De minister heeft de rechtbank op de zitting verzocht om – als de rechtbank in dit kader tot een motiveringsgebrek zou komen - de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding nu is geoordeeld dat de minister ten onrechte niet alle verklaringen van eiser over de verschillende thema’s in de besluitvorming heeft betrokken. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen waarin deze verklaringen wel worden betrokken.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:6420
01-04-2026, Rb Zwolle, Tunesië, beroep gegrond [veilig land van herkomst; ten onrechte spoor 2]
Reden signalering:
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven omdat de minister Tunesië ten onrechte heeft beschouwd als veilig land van herkomst en eisers asielverzoek daarmee ten onrechte is afgedaan in spoor 2.
Eiser komt uit Tunesië. Volgens de minister is Tunesië een veilig land van herkomst in de zin van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat Tunesië voor hem persoonlijk niet veilig is. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgedaan als kennelijk ongegrond.
Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten en krijgt een inreisverbod voor 2 jaar.
Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte heeft afgedaan in spoor 2 omdat Tunesië niet langer wordt beschouwd als veilig land van herkomst. De aanwijzing van Tunesië als veilig land is onverenigbaar met de Procedurerichtlijn omdat bepaalde groepen worden uitgesloten van die veiligheid.
Eiser benadrukt dat hij door zijn politieke uitingen moet worden beschouwd als activist of politiek opponent. De minister gaat hier niet op in en heeft ten onrechte niet uitgelegd waarom eiser niet tot die uitzonderingsgroep behoort, terwijl hij onder andere via muziek en sociale media kritiek heeft geuit op de Tunesische autoriteiten. Zijn aanvraag had, vanwege zijn politiek activisme, in spoor 4 moeten worden behandeld.
Eiser acht verder de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het unierecht. Volgens eiser leidt deze toets tot een te rigide en onrechtvaardige beoordeling van de asielaanvraag, waarbij het belang van het voordeel van de twijfel en de samenwerkingsplicht onvoldoende wordt meegenomen. Dat het overleggen van de aangepaste versie van het liedje zijn relaas verzwakt, acht eiser onterecht en niet onderbouwd. Eiser heeft duidelijk verklaard dat hij op aandringen van de milieupolitie het nummer heeft verwijderd en later opnieuw de aangepaste versie heeft geplaatst. Eiser was nog minderjarig toen de politie aan de deur kwam en het is daarom niet vreemd dat de milieupolitie heeft gesproken met zijn vader. Zijn vader heeft geen reden om de gebeurtenis te verzinnen. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij werd beperkt in zijn artistieke en politieke uitingen, doordat de autoriteiten zijn optredens en theaterproducties belemmerden en omdat hij zich moest inhouden. Er mag geen terughoudendheid van eiser worden verwacht. Ten aanzien van het verkrijgen van een identiteitsbewijs en paspoort en het vertrek uit Tunesië gaat de minister uit van tegenwerking vanuit de autoriteiten, maar eiser heeft verklaard dat hij legaal is vertrokken zonder beperkingen. Deze aanname van de minister is niet gebaseerd op feiten. De stelling dat eiser niet onder de militaire dienstplicht valt, is onvoldoende onderbouwd. Het recht op gewetensbezwaren wordt in Tunesië niet erkend. Eiser wijst op een TOELT-rapport overgelegd.
Tunesië kan niet gelden als veilig land van herkomst en de Tunesische autoriteiten kunnen eiser dan ook niet beschermen tegen zijn vader. Dit wordt door de autoriteiten gezien als een interne aangelegenheid en de autoriteiten keuren eisers activiteiten eveneens af.
Is Tunesië een veilig land van herkomst?
De minister heeft de asielaanvraag van eiser behandeld in de versnelde procedure (spoor 2). Uit het arrest Alace van het HvJEU2 van 1 augustus 2025 ( ECLI:EU:C:2025:591) volgt dat de eerdere aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst geen stand kan houden. Het HvJEU oordeelt dat het niet is toegestaan om bepaalde groepen uit te zonderen op grond van de Procedurerichtlijn. De minister heeft naar aanleiding van dit arrest 8 landen van de lijst met veilige landen van herkomst geschrapt, waaronder Tunesië.4 Uit IB 2025/35 volgt verder dat asielaanvragen van vreemdelingen uit Tunesië niet langer in de versnelde procedure (spoor 2) worden behandeld, maar in de algemene procedure (spoor 4). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister gelet op het arrest Alace, ook ten tijde van de besluitvorming, Tunesië niet als veilig land van herkomst mogen aanmerken.
Ter zitting heeft de minister bevestigd dat Tunesië niet langer wordt beschouwd als veilig land van herkomst en dat de asielaanvraag van eiser dan ook ten onrechte is behandeld in spoor 2. De minister werpt eiser niet langer artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw tegen. Volgens de minister is eiser hierdoor echter niet in zijn belangen geschaad omdat hij, ook als zijn aanvraag was behandeld in spoor 4, geen gronden voor asiel aannemelijk heeft gemaakt en hij bescherming van de autoriteiten kan inroepen. De minister heeft daarom verzocht om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten zoals bedoeld in artikel 8:72, derde lid, onder a van de Awb.
In de versnelde procedure is het aan de asielzoeker om het vermoeden te weerleggen dat het land in zijn individuele geval ook veilig is. Met de aanwijzing als veilig land is namelijk niet gegarandeerd dat dit land ook voor iedereen daadwerkelijk veilig is. Als na een individuele beoordeling van de aanvraag niet is gebleken van zwaarwegende gronden om het land voor de individuele asielzoeker niet als veilig te beschouwen, wordt de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Zolang redelijkerwijs aangenomen kan worden dat de minister de asielaanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond mag afwijzen, mag deze aanvraag bovendien in de grensprocedure worden behandeld. De asielzoeker krijgt in dat geval geen toegang tot het Nederlandse grondgebied. Verder heeft de afwijzing als ‘kennelijk ongegrond’ verderstrekkende rechtsgevolgen dan wanneer de aanvraag als ‘ongegrond’ wordt afgewezen. Zo heeft het beroep tegen het asielbesluit geen schorsende werking. Ook kan de minister de asielzoeker als gevolg van het asielbesluit een vertrektermijn onthouden en tegen hem een inreisverbod uitvaardigen.
Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft de minister de asielaanvraag niet kunnen afwijzen als ‘kennelijk ongegrond’ op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Nu er in het besluit geen andere grondslag voor een afwijzing als ‘kennelijk ongegrond’ wordt genoemd, kunnen de rechtsgevolgen van het besluit tot afwijzing als ‘kennelijk ongegrond’ al daarom niet in stand blijven. Aan de vraag of eiser in zijn belangen is geschaad door de behandeling in spoor 2, komt de rechtbank dan ook niet toe.
Nu het beroep reeds op grond van de voorgaande overwegingen gegrond is en het bestreden besluit niet in stand kan blijven, komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:7392
17-02-2026, Rb Amsterdam, China, beroep gegrond [artikel 4 Kwalificatierichtlijn; geloofwaardigheidsbeoordeling]
Reden signalering:
Artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn verplicht de minister om een integrale beoordeling te maken van de asielaanvraag. De minister heeft eisers verklaringen over Falun Gong niet enkel ongeloofwaardig kunnen achten vanwege het late indienen van zijn asielaanvraag en zijn algehele geloofwaardigheid. Eisers verklaringen hadden bij de beoordeling kenbaar betrokken moeten worden.
Eiser stelt van Chinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1979. In 2004 is eiser mishandeld en vernederd door de maffia in China, omdat hij geen geld kon geven van zijn verkoop van vis. Bij een terugkeer naar China vreest eiser dat de maffia hem aan de politie overhandigd die eiser dan zullen arresteren omdat hij [spirituele beweging] beoefent. Daarbij stelt eiser nu vijf jaar Katholiek te zijn.
De minister heeft eiser zijn nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht, maar zijn identiteit niet. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit en hier geen goede verklaring voor heeft gegeven. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij is bekeerd tot het Katholicisme. Ook zijn eisers verklaringen over de problemen met de maffia onvoldoende concreet en niet geloofwaardig. Met betrekking tot de het beoefenen van [spirituele beweging] en de problemen die daaruit zouden voortvloeien stelt de minister zich op het standpunt dat ook dit asielmotief niet geloofwaardig wordt geacht. De minister heeft bij de beoordeling van alle asielmotieven betrokken dat eiser pas asiel heeft aangevraagd nadat hij is aangehouden op 2 augustus 2025, terwijl hij al sinds 2014 in Nederland is. Eiser heeft bij zijn aanhouding ook vals bevonden documenten overgelegd, waardoor eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. De minister concludeert dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
De geloofwaardigheidsbeoordeling
Eiser voert aan dat de geloofwaardigheidsbeoordeling die de minister toepast problematisch is en in strijd is met het Unierecht. Hiertoe verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de toepassing van de in WI 2024/6 neergelegde geloofwaardigheidsbeoordeling in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht of het EVRM strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. Wel zijn er situaties denkbaar waarin de toepassing van WI 2024/6 in een concrete zaak kan leiden tot een geloofwaardigheidsbeoordeling die in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 7.1 van de uitspraak van deze rechtbank, en zittingsplaats van 24 november 2025, waarin zij al eerder tot dit oordeel kwam. Uit deze uitspraak volgt dat per individuele zaak moet worden beoordeeld of de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in lijn met het (Unie)recht is. De beroepsgrond slaagt niet.
De minister is wel gehouden om in overeenstemming met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, na de toetsing van de vijf cumulatieve voorwaarden, alle omstandigheden in samenhang te beoordelen om eerst dan tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. De rechtbank zal verder beoordelen aan de hand van de overige beroepsgronden of de minister dat voldoende kenbaar heeft gedaan.
Identiteit
Eiser voert aan dat hij consequent en gedetailleerd heeft verklaard over het innemen van zijn paspoort door de smokkelaars en over het gebruik van de valse Slowaakse identiteitsdocumenten. Ook heeft hij consequent en plausibel verklaard over het feit dat hij jarenlang werkte om te overleven in Nederland en zich niet in de positie voelde om asiel aan te vragen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij geen poging heeft gedaan om zijn identiteit verder te onderbouwen. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser al sinds mei 2004 op Europees grondgebied is en dat eiser eerst na een aanhouding door de politie asiel heeft aangevraagd. De verklaring van eiser dat hij zich niet in de positie voelde om asiel aan te vragen is onvoldoende verklaring voor de lange duur die eiser al in Europa verblijft. De minister heeft ook mogen betrekken dat eiser eerder valse Slowaakse identiteitsdocumenten heeft overgelegd en niet gelijk heeft aangegeven wie hij werkelijk is. De minister heeft de identiteit van eiser dan ook ongeloofwaardig kunnen vinden. De beroepsgrond slaagt niet.
Bekering naar Katholicisme
Eiser voert aan dat de minister zich enkel heeft gebaseerd op kennisvragen en een oppervlakkige interpretatie en daarmee een onjuiste toets heeft toegepast. Eiser heeft verklaard over de bekering die voortkomt uit innerlijke overtuiging en persoonlijke ervaring. De minister had de nadruk moet leggen op het motief en het proces van de bekering. Ter zitting heeft eiser nog verklaard dat zijn bekering tot het Katholicisme niet leidt tot vrees voor vervolging bij terugkeer in zijn land van herkomst. Hij heeft zijn bekering enkel genoemd om daarmee aan te tonen dat hij geloofwaardig is.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze van eiser. Hierbij is betrokken dat eiser alles overziend niet aannemelijk heeft gemaakt bekeerd te zijn tot het katholicisme. Eiser stelt al vijf jaar katholiek te zijn en verwacht mag worden dat hij meer kan verklaren over dat proces. Het is aan eiser om concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze niet juist of ontoereikend is. De enkele herhaling is onvoldoende. De beroepsgrond draagt daarom, anders dan eiser stelt, niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas en slaagt dan ook niet.
Problemen met de maffia
Eiser voert verder aan dat hij consequent en concreet heeft verklaard over de mishandeling door de maffia in het verleden en de relaties tussen de politie en de maffia.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende gemotiveerd is ingegaan op eisers verklaring met betrekking tot de gestelde problemen met de maffia. Niet is gevolgd dat de maffia na twintig jaar nog op zoek zou zijn naar eiser. Ook is niet gebleken dat er een link is tussen de autoriteiten en de maffia. De beroepsgrond slaagt niet.
[spirituele beweging]
Eiser voert tot slot aan dat er geen inhoudelijke tegenstrijdigheden in de verklaringen over [spirituele beweging] zijn aangewezen. Eiser heeft gedetailleerd verklaard over de betekenis en praktijk van [spirituele beweging] , alsmede over zijn deelname aan demonstraties in Nederland. De minister had daarnaast de koerswijziging tussen het eerste en het tweede voornemen moeten motiveren. Zo een motivering ontbreekt.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat er geen rechtsregel is die met zich meebrengt dat de minister nader dient te motiveren waarom hij tot een ander inzicht is gekomen in het nieuwe voornemen. Eiser is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven en op alle elementen van het nieuwe voornemen te reageren. Het betoog op dit punt slaagt dan ook niet.
Met betrekking tot de beoordeling van het relaas over het beoefenen van [spirituele beweging] , is de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte eisers verklaringen hierover niet kenbaar heeft beoordeeld. In het bestreden besluit is door de minister enkel ingegaan op voorwaarde d en e van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Anders dan de minister heeft gesteld ter zitting, verplicht artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn de minister om een integrale beoordeling te maken van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft eisers verklaringen over [spirituele beweging] niet enkel ongeloofwaardig kunnen achten vanwege het late indienen van zijn asielaanvraag en zijn algehele geloofwaardigheid. Eisers verklaringen over [spirituele beweging] hadden bij de beoordeling kenbaar betrokken moeten worden. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
De minister heeft het bestreden besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:7226
18-03-2026, Rb Rotterdam, Nigeria, beroep gegrond [geloofwaardigheidsbeoordeling; lidmaatschap IPOB]
Reden signalering:
Identiteit ongeloofwaardig, biseksualiteit ongeloofwaardig, problemen met IPOB en daaruit voortvloeiende problemen niet met vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd o.a. omdat niet is ingegaan op overgelegde foto’s en documenten.
Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1982. Hij behoort tot de Igbo bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser is lid van de Indigenous People of Biafra (IPOB) en heeft deelgenomen aan demonstraties. Bij een demonstratie in 2017 is eiser gearresteerd. Eiser heeft Nigeria toen verlaten. Ook in Europa is eiser actief voor IPOB. Eiser vreest bij terugkeer te worden opgepakt door de Nigeriaanse autoriteiten omdat hij zich wil uiten als IPOB-lid door mee te doen aan activiteiten en demonstraties. Eiser vreest bij terugkeer ook door de autoriteiten gevangen te worden genomen of te worden gedood door de gemeenschap omdat hij biseksueel is. Tot slot vreest eiser dat zijn dochter bij terugkeer wordt besneden en dat hij dit niet kan tegenhouden. Eisers zoon heeft sikkelcelziekte en staat onder medische behandeling.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. In dit kader heeft verweerder er op kunnen wijzen dat eiser bekend staat onder meerdere aliassen waarbij zowel eisers naam als zijn geboortedatum afwijkt. Dat, zoals eiser stelt, deze aliassen niet veel van elkaar verschillen en dat het mogelijk is dat er in andere lidstaten iets mis is gegaan, volgt de rechtbank niet. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser bij zijn huidige asielaanvraag heeft aangegeven dat hij [eiser] heet en dat hij is geboren op 24 maart 1982. Bij zijn asielaanvraag in Nederland in 2019 heeft eiser verklaard dat hij [naam 2] en dat hij is geboren op [geboortedatum 2] 1985. In Italië is eiser ook bekend onder de naam [naam 3], geboren op [geboortedatum 1] 1982. In Frankrijk heeft eiser doorgegeven dat hij [eiser] heet en is geboren op [geboortedatum 1] 1982. In Duitsland heeft eiser verklaard dat hij [eiser] heet en dat hij is geboren op [geboortedatum 3] 1982. Verweerder stelt niet ten onrechte dat deze verschillen afbreuk doen aan eisers geloofwaardigheid. Dat, zoals eiser stelt, in Nederland de verkeerde naam is genoteerd en dat eiser heeft aangegeven dat dit niet klopt, doet hier niet aan af. Eiser heeft bij zijn asielaanvraag in 2019, zijn asielaanvraag in Italië en zijn asielaanvraag in Duitsland immers ook een andere naam dan wel geboortedatum doorgegeven. Ook eisers overgelegde verblijfsvergunning heeft verweerder in dit kader niet voldoende kunnen vinden om eisers identiteit aannemelijk te achten. Verweerder heeft er hierbij op kunnen wijzen dat de gegevens op deze kaart ook op basis van eisers eigen verklaring zijn opgenomen omdat eiser zijn documenten op zee zou zijn verloren (pagina 4 aanmeldgehoor 16 januari 2023). Eiser heeft dit niet bestreden en heeft ook niet concreet gemaakt waarom verweerder gehouden was om nader onderzoek te doen naar de registratie van de identiteitsgegevens van eiser in Duitsland of andere lidstaten. Alleen al gelet hierop heeft verweerder de identiteit van eiser niet geloofwaardig kunnen achten. De rechtbank laat de overige tegenwerpingen die verweerder in dit kader heeft gedaan dan ook onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Biseksualiteit
Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder het tweede asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft geprobeerd om zijn gevoelens op een open en oprechte manier te uiten en antwoord te geven op de vragen. Verweerder heeft volgens eiser, gelet op eisers referentiekader, onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom zijn verklaringen over de ontdekking van zijn seksualiteit tekortschieten. Hierbij is het volgens eiser van belang dat het gaat om een situatie van lang geleden, waarbij eiser veel heeft meegemaakt en in verschillende landen is geweest. Dit sijpelt volgens eiser door in zijn mogelijkheid om te verklaren.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers biseksualiteit niet ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Zo heeft verweerder eiser uitvoering en concreet gemotiveerd tegengeworpen dat hij wisselend en vaag heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid, dat hij oppervlakkig en summier heeft verklaard over zijn relatie met de man uit Weert en dat eiser geen inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke beleving rondom zijn seksuele gerichtheid en de ontdekking daarvan. Eiser heeft niet concreet toegelicht op welke punten de motivering van verweerder tekort zou schieten. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder deze tegenwerpingen niet heeft kunnen maken. De enkele stelling dat eiser heeft geprobeerd om zijn gevoelens op een open en oprechte manier te uiten en antwoord te geven op de vragen is hiervoor onvoldoende. Hieruit blijkt immers niet waarom verweerder zich ten onrechte op het standpunt zou hebben gesteld dat eiser wisselend, vaag en summier heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en zijn relatie met de man uit Weert of uit welke concrete verklaringen blijkt dat eiser wel inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke beleving rondom de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid. Ook uit eisers stelling dat verweerder geen rekening heeft gehouden met zijn referentiekader blijkt dit niet. Eiser heeft ook hier niet concreet gemaakt waaruit blijkt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Verweerder heeft er in dit kader op kunnen wijzen dat eiser tijdens het gehoor meermaals de kans heeft gekregen om te verklaren over zijn gerichtheid en dat de hoormedewerker op meerdere momenten in het gehoor de vraag over eisers gevoelens heeft herhaald of op een andere manier heeft gevraagd. Ook heeft de hoormedewerker een aantal keer aan eiser uitgelegd waarom een vraag werd gesteld. Verweerder heeft met deze manier van handelen naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat het voor eiser mogelijk moeilijk is om over zijn seksuele gerichtheid te praten. Verder stelt verweerder niet ten onrechte dat van eiser mag worden verwacht dat hij in grote lijnen inzicht geeft in zijn gevoelswereld en dat hij consistent verklaart over het moment dat hij besefte biseksueel te zijn. Verweerder stelt, gelet op de niet concreet betwiste tegenwerpingen, niet ten onrechte dat eiser hier niet in is geslaagd. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers biseksualiteit niet geloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt niet.
IPOB
Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder het derde asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser stelt dat hij niet vaag heeft verklaard over zijn rol bij IPOB. Verder kan eiser niet worden tegengeworpen dat de tijdlijn waarin de gestelde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden onduidelijk is. Verweerder heeft namelijk onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser al jaren in Europa verblijft en dat wat eiser heeft meegemaakt zeer traumatisch is geweest. Eiser heeft daarom moeite met het benoemen van exacte data. Op de zitting heeft eiser nog verwezen naar de overgelegde foto’s. Volgens eiser heeft verweerder nagelaten om deze foto’s in zijn beoordeling mee te nemen.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser enige algemene kennis over IPOB heeft en dat eiser betrokken is bij het doel van IPOB. Eiser heeft bij zijn aanmeldgehoor en nader gehoor verschillende documenten en foto’s overgelegd, waaronder foto’s van eiser tijdens verschillende demonstraties en foto’s van eiser met de IPOB-vlag. Een aantal van deze foto’s zijn ook op facebook, dan wel Instagram geplaatst en zijn dus openbaar. Op de zitting heeft eiser hierover verklaard dat een deel van de foto’s is genomen in Nigeria en een deel in Frankrijk, dat er online op de foto’s is gereageerd en dat hij in die reacties soms ook wordt bedreigd. Verweerder heeft op de zitting erkend dat deze foto’s niet expliciet zijn meegenomen in de besluitvorming. Volgens verweerder doen de foto’s echter niet af aan de verschillende tegenwerpingen die in het kader van het derde asielmotief zijn gedaan en leiden deze dus niet tot een ander oordeel over dit asielmotief. De rechtbank acht dit standpunt onvoldoende gemotiveerd en overweegt daartoe als volgt.
Verweerder werpt eiser in het kader van de geloofwaardigheid van zijn lidmaatschap bij IPOB en de daaruit voortvloeiende problemen tegen dat onduidelijk is wat eisers rol bij IPOB is. Zo heeft eiser verklaard dat hij in 2014 coördinator is geworden, maar ook dat hij voorzanger was en faciliterend helpt bij bijeenkomsten. Ook werpt verweerder eiser tegen dat hij wisselend heeft verklaard over de start en de duur van zijn lidmaatschap van IPOB. Eiser heeft verklaard dat hij in 2010, maar ook in 2012 lid is geworden. Uit de kopie van de lidmaatschapspas blijkt dat eiser in 2013 lid is geworden. Verder verklaart eiser volgens verweerder ook wisselend over zijn tijd in het bos en zijn tijd in de gevangenis. Zo heeft eiser verklaard dat hij een jaar aaneensluitend in het bos heeft verbleven, maar ook dat hij van 2011-2017 af en toe in het bos verbleef. Over de tijd in de gevangenis heeft eiser verklaard dat dit drie dagen was, maar ook dat dit een week was. Gelet op deze tegenwerpingen, en omdat eiser volgens verweerder in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd, heeft verweerder niet geloofwaardig geacht dat eiser lid is van IPOB en in het verlengde daarvan, dat eiser daardoor problemen heeft gehad.
Met eiser is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit wat betreft eisers gestelde lidmaatschap van IPOB en daaruit voortvloeiende problemen onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Uit de tegenwerping dat niet duidelijk is wanneer eisers lidmaatschap bij IPOB is aangevangen, volgt niet zonder meer dat eiser in Nigeria geen lid was van IPOB dan wel daar niet feitelijk bij betrokken was. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat eiser heeft verklaard over verschillende activiteiten die hij in Nigeria heeft verricht voor IPOB. Wat betreft eisers verblijf in het kamp en de gevangenschap heeft verweerder in het bestreden besluit erkend dat daarover had moeten worden doorgevraagd, maar onduidelijk is in hoeverre die erkenning doorwerkt in verweerders beoordeling. Eiser heeft bovendien ter onderbouwing van zijn betrokkenheid bij IPOB (naast documenten) foto’s overgelegd die in Nigeria zouden zijn gemaakt. Verweerder heeft eiser over die foto’s tijdens het nader gehoor (kennelijk wegens tijdgebrek) geen vragen gesteld en is hier in zijn reactie op de zitting onvoldoende concreet op ingegaan. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij na zijn vertrek uit Nigeria ook in Europa activiteiten heeft ondernomen voor IPOB, wat hij ook met foto’s en documenten aannemelijk heeft willen maken. Verweerder heeft over die activiteiten in Europa niet doorgevraagd en heeft de foto’s ook niet in het bestreden besluit betrokken. Daarnaast zijn enkele foto’s online te zien en heeft eiser verklaard dat hierop met bedreigingen is gereageerd. Verweerder heeft ook dit niet in zijn beoordeling betrokken, terwijl hier naar het oordeel van de rechtbank wel een mogelijke vrees bij terugkeer uit kan volgen. Gelet op dit alles slaagt de beroepsgrond.
Conclusie en gevolgen
Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder het bestreden besluit ten aanzien van het gestelde lidmaatschap van IPOB en de daaruit voortvloeiende problemen niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is op dat punt dus genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en vernietigt het besluit van 20 augustus 2025 voor zover dit ziet op het derde asielmotief. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van dit deel van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Verweerder moet eiser aanvullend horen en een nieuw dan wel aanvullend besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank bepaalt hiervoor een termijn van zes weken.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:7527
02-04-2026, Rb Roermond, Somalië, beroep gegrond [terugkeer; reëel risico ernstige schade; ambtsbericht]
Reden signalering:
Eiser is nooit in Somalië geweest, verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij vertrek naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft geen familie in Somalië. De stelling van verweerder dat eiser hulp kan krijgen van zijn clan, acht de rechtbank in het licht van de informatie in de ambtsberichten ook onvoldoende gemotiveerd. Verder overweegt de rechtbank dat eiser weliswaar Somalisch spreekt en verstaat, maar de rechtbank acht het niet uitgesloten dat eiser een accent en geen uitgebreide woordenschat heeft. De rechtbank acht bij dit alles ook van belang dat uit de ambtsberichten volgt dat er weinig concrete informatie beschikbaar is over de eventuele problemen die terugkeerders in Somalië kunnen ondervinden.
Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?
De rechtbank overweegt dat in het algemeen ambtsbericht van juni 2023 op bladzijde 76 is vermeld dat er weinig concrete informatie beschikbaar is over eventuele problemen die terugkerende asielzoekers en vluchtelingen in Somalië kunnen ondervinden. In algemene zin komt uit de bronnen het beeld naar voren dat de mate waarin terugkeerders risico liepen in Somalië sterk samenhing met hun individuele omstandigheden en hun sociale netwerk, aldus het ambtsbericht. Verder is vermeld dat terugkeerders uit westerse landen doorgaans eenvoudig herkenbaar zijn na terugkeer in Somalië. Dit zou met name gelden voor terugkeerders die vanaf jonge leeftijd buiten Somalië hadden verbleven. Zij hadden vaak moeite om zich de Somalische dagelijkse gewoontes eigen te maken, waardoor zij met discriminatie en uitsluiting te maken konden krijgen. In het ambtsbericht is vermeld dat dit beeld in grote lijnen overeenkomt met het beeld dat uit eerdere openbare bronnen ontstond, namelijk dat terugkeerders uit westerse landen dikwijls gewoonten meenamen die onbekend waren in Somalië, en in de Somalische samenleving als on-islamitisch of on-Somalisch konden worden gezien. Terugkeerders uit het westen zouden voorts herkenbaar zijn aan een afwijkend accent, manier van kleden, manier van lopen of hun houding. Zij konden daarom moeite hebben met het integreren in de Somalische samenleving, aldus het ambtsbericht.
De strekking van het algemeen ambtsbericht van maart 2025 komt overeen met die van het algemeen ambtsbericht van juni 2023. Op bladzijde 117 is in het ambtsbericht van maart 2025 bovendien vermeld dat volgens een vertrouwelijke bron de perceptie in de Somalische samenleving wijdverbreid was dat als personen gedwongen waren teruggekeerd, dit het gevolg moest zijn van ‘slecht’ gedrag (bijvoorbeeld alcohol- of drugsgebruik, afvalligheid, buitenechtelijke relaties, homoseksualiteit). Dit had gevolgen voor de mate waarin de clan zich over zo iemand zou ontfermen, en vaak konden deze personen geen werk vinden, aldus het ambtsbericht van maart 2025.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet zodanige problemen zal ondervinden als hij in Somalië aankomt dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade. Volgens de ambtsberichten zijn daarvoor de individuele omstandigheden en het sociale netwerk sterk bepalend. Hoewel eiser de Somalische nationaliteit heeft, is hij nog nooit in Somalië geweest. Hij is geboren in Saoedi-Arabië, is daar opgegroeid en leeft inmiddels ruim drie jaar in Nederland. Afgezien van – mogelijk – zijn vader die vijftien jaar geleden vanuit Saoedi-Arabië naar Somalië is gedeporteerd en met wie eiser geen contact meer heeft, heeft eiser geen familie in Somalië. De stelling van verweerder dat eiser hulp kan krijgen van zijn clan, acht de rechtbank in het licht van de informatie in de ambtsberichten ook onvoldoende gemotiveerd. Verder overweegt de rechtbank dat eiser weliswaar Somalisch spreekt en verstaat, zoals ook blijkt uit de gehoren die met behulp van een Somalische tolk zijn gevoerd, maar de rechtbank acht het gelet op het verhandelde op de zittingen niet uitgesloten dat eiser een accent en geen uitgebreide woordenschat heeft. De rechtbank acht bij dit alles ook van belang dat uit de ambtsberichten volgt dat er weinig concrete informatie beschikbaar is over de eventuele problemen die terugkeerders in Somalië kunnen ondervinden.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij vertrek naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. De beroepsgrond slaagt.
Omdat het beroep reeds hierom gegrond is behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit is in strijd met artikel 3:46 Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:7555