Jurisprudentie
Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:
14-04-2026, Rb Den Haag MK, Jemen, beroep gegrond [gewijzigd landenbeleid; situatie in de zin van artikel 15c Kwalificatierichtlijn]
Reden signalering:
Deze uitspraak gaat onder andere over de vraag of het gewijzigde landenbeleid voor Jemen van de minister voldoet aan de opdracht van de Afdeling om humanitaire omstandigheden te betrekken in de beoordeling of er in Jemen sprake is van een situatie in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank oordeelt dat de minister niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling en het arrest CF en DN van het Hof van Justitie EU. De minister heeft niet deugdelijk de humanitaire omstandigheden als direct of indirect gevolg van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in kaart gebracht. Daarbij is belangrijk dat uit het arrest CF en DN blijkt dat de minister een allesomvattende beoordeling van alle relevante omstandigheden moet maken en de beoordeling van de minister voldoet niet aan die maatstaf. Ook wordt miskend dat de invloed van de humanitaire omstandigheden wel degelijk groot kunnen zijn bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c.
Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en heeft tot augustus 2021 in Jemen gewoond en heeft tot juni 2023 legaal in Saoedi-Arabië verbleven. Eiser is uit Jemen vertrokken vanwege de oorlog en omdat hij vreesde voor gedwongen rekroutering door de Houthi’s. In februari 2024 heeft eisers broer iemand van de Houthi’s vermoord toen zij belasting kwamen innen. De broer van eiser is op de vlucht geslagen en eisers vader is gearresteerd om hem als dwangmiddel tegen zijn broer te gebruiken. Eiser is ook uit Jemen vertrokken vanwege de economische omstandigheden en het gebrek aan voorzieningen. Verder is nog van belang dat eiser in Nederland aan een demonstratie tegen de Houthi’s heeft deelgenomen. Eiser is te zien op een filmpje dat op Facebook is geplaatst en is uitgezonden in Jemen. Eiser vreest bij een terugkeer naar Jemen voor detentie of dat de Houthi’s hem zullen doden. Tot slot is eiser afkomstig uit de [regio] .
De gedwongen rekrutering
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser het asielmotief niet volledig met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd. De minister heeft mogen vinden dat de screenshots van berichten over Houthi’s en het onderwijs aan kinderen en de brief van zijn echtgenote onvoldoende zijn om het asielmotief aannemelijk te maken. Eiser heeft gelijk dat ook uit openbare bronnen blijkt dat de Houthi’s rekruteren door bijvoorbeeld indoctrinatie op scholen. Uit deze stukken blijkt echter niet – ook niet in samenhang gezien – dat eiser te maken heeft gehad met pogingen om hem te rekruteren. Volgens eiser hebben de pogingen tot rekrutering ook niet op een school plaatsgevonden. De minister heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat eiser dit asielmotief niet met objectieve documenten aannemelijk heeft gemaakt.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
De minister heeft eiser niet kunnen tegenwerpen dat hij in het gehoor door de politie, het aanmeldgehoor en het nader gehoor wisselend heeft verklaard over zijn reden van vertrek uit Jemen, omdat dit verklaringen zijn die eiser tijdens de aanmeldfase heeft afgelegd. Anders dan waarvan de minister uitgaat, zijn de vragen ‘Wat is de reden dat u naar Nederland bent gekomen?’ en ‘Wat is de reden […] dat u Jemen hebt verlaten?’ verschillende vragen, zodat daarop verschillende antwoorden mogelijk zijn. Het is daarom niet gek dat eiser verschillend heeft geantwoord. Dit doet echter onvoldoende af aan hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen. De minister heeft mogen vinden dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
De conclusie is dat naar het oordeel van de rechtbank de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de door eiser gestelde problemen vanwege gedwongen rekrutering door de Houthi’s ongeloofwaardig zijn.
De problemen doordat eisers broer een moord heeft gepleegd
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser gestelde problemen ongeloofwaardig zijn. Ook als ervan uit moet worden gegaan dat de door eiser overgelegde kopieën van een aanhoudingsbevel, stukken van een Openbaar Ministerie en het verzoek van een rechtbank over zijn broer gaan, dan betekent dat nog niet dat de minister geloofwaardig moet vinden dat eiser door de problemen van zijn broer zelf problemen heeft gekregen. De minister heeft mogen tegenwerpen dat dit niet blijkt uit de stukken die eiser heeft overgelegd. Eiser heeft wel verklaard dat een familielid wordt opgepakt als de dader niet kan worden opgepakt. Maar de minister mag die verklaring onvoldoende vinden om de door eiser gestelde problemen te onderbouwen. De minister heeft dan ook mogen vinden dat eiser zijn gestelde problemen baseert op vermoedens. Aan verklaringen van derden, van horen zeggen, kunnen nu eenmaal minder waarde worden gehecht dan aan verklaringen van eerste hand.
Gegronde vrees voor vervolging
Deelname aan een demonstratie in Nederland en een politieke/ideologische overtuiging
De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van de Jemenitische autoriteiten staat vanwege zijn deelname aan een demonstratie in Nederland. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd dat de demonstratie in Jemen anders is uitgelegd. De enkele stelling is daartoe onvoldoende. Verder heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij in de negatieve aandacht van de Jemenitische autoriteiten zal staan vanwege zijn deelname aan een demonstratie – dus losstaand van het onderwerp van de demonstratie – in Nederland, al dan niet in samenhang gezien met de situatie rondom eisers broer. Of eiser goed zichtbaar is in het filmpje is daarom niet relevant. Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging vanwege zijn deelname aan een demonstratie in Nederland niet aannemelijk heeft gemaakt.
Verder heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom eiser niet behoort tot het risicoprofiel ‘persoon die actief is in de politiek’. Door enkel te stellen dat hij een politieke overtuiging heeft ‘die hem in de problemen zal brengen’ en dat zijn familie zich altijd heeft afgezet tegen de Houthi’s ‘met alle gevolgen van dien’, maakt eiser niet duidelijk waarom de beoordeling van de minister onjuist is. Voor zover eiser doelt op zijn verklaring dat zijn vader met pensioen is gegaan omdat hij geen les wilde geven over de Houthi ideologie, wijst de rechtbank op eisers verklaring dat dit in 2018 zou hebben plaatsgevonden en eiser heeft niet verklaard dat hij of zijn familie daardoor problemen heeft ondervonden. Eiser maakt verder niet concreet waarom hij gevaar loopt vanwege een (gestelde) andere levenswijze op religieus of ideologisch vlak dan de Houthi’s, waardoor de minister hem ook op dit punt niet hoeft te volgen.
Negatieve aandacht van de autoriteiten om andere redenen
Naar het oordeel van de rechtbank hoeft de minister eiser niet te volgen in zijn betoog dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege negatieve aandacht van de Houthi’s voor zijn familie. Eiser heeft niet uitgelegd tot welke vervolgingsgrond deze omstandigheden te herleiden zou zijn. Zoals hiervoor overwogen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve aandacht staat vanwege zijn broer. En de rechtbank heeft hiervoor al uitgelegd waarom niet aannemelijk is dat eiser (en/of zijn familie) in de negatieve aandacht staat omdat zijn vader met pensioen is gegaan in plaats van de Houthi ideologie te onderwijzen.
In het voorgaande heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister ongeloofwaardig mag vinden dat eiser problemen heeft vanwege gedwongen rekrutering. De minister hoeft eiser daarom ook niet te volgen in zijn stelling dat hij in de negatieve aandacht staat of zal staan omdat hij heeft geweigerd zich bij de Houthi’s aan te sluiten. Eiser heeft eveneens niet aannemelijk gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege zijn lange afwezigheid uit Jemen of een terugkeer vanuit het Westen. Eiser heeft dit niet met stukken onderbouwd terwijl de minister op het algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025 wijst, waarin staat dat er geen informatie hierover beschikbaar is. Daarbij heeft eiser ook op dit punt niet uitgelegd tot welke vervolgingsgrond dit te herleiden zou zijn. Verder heeft eiser niet met stukken onderbouwd dat hij door andere milities als spion/terrorist/Houthi zal worden gezien omdat hij uit een gebied komt waar Houthi’s de macht hebben. Dit blijkt in ieder geval niet uit het artikel van SAM Organization for Rights and Liberties waar eiser naar verwijst. De rechtbank heeft al uitgelegd waarom de minister heeft mogen vinden dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van de Jemenitische autoriteiten staat vanwege zijn deelname aan een demonstratie in Nederland en dat hij niet behoort tot het risicoprofiel ‘persoon die actief is in de politiek’. Tot slot heeft eiser niet geconcretiseerd welke geloofsovertuiging hij aanhangt waardoor hij een gegronde vrees heeft voor vervolging bij een terugkeer naar Jemen.
De conclusie is dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser bij een terugkeer naar Jemen geen gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege de problemen en/of omstandigheden die hij heeft aangevoerd.
Het nieuwe asielbeleid Jemen
Achtergrond en beleid
De rechtbank heeft in een uitspraak van 28 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19859 de achtergrond van de oorlog in Jemen geschetst en het beleid van de minister tot dat moment beschreven. Overwegingen 6. en 6.1. van die uitspraak zijn in de onderhavige zaak van overeenkomstige toepassing. Sindsdien hebben nieuwe ontwikkelingen plaatsgevonden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft op 16 juli 2025 in een vergelijkbare zaak een richtinggevende uitspraak gedaan.( ECLI:NL:RVS:2025:3153). De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister bij het beoordelen of er sprake is van een situatie in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (hierna: artikel 15c) ook rekening moet houden met de humanitaire omstandigheden die het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict. Op het moment van die uitspraak was het algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van het nieuwe ambtsbericht.
De minister heeft de algemene veiligheidssituatie in Jemen opnieuw beoordeeld en heeft daarbij het nieuwe ambtsbericht en de uitspraak van de Afdeling betrokken (WBV 2025/20). De minister heeft per provincie beoordeeld van welke gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c er sprake is. In [regio] – de provincie waar eiser vandaan komt – is volgens de minister sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Er zijn in [regio] geen actieve frontlinies, waardoor het aantal dodelijke burgerslachtoffers beperkt is. Daarbij heeft de minister over de humanitaire omstandigheden uitgelegd dat Jemen al voor het huidige conflict een hoge mate van voedselonzekerheid en waterschaarste kende als gevolg van armoede en natuurlijke fenomenen zoals aardbevingen en overstromingen. Zo wijst de minister op bronnen waarin staat dat in 2008 in Jemen 35 procent van de bevolking ondervoed was. Maar in de ‘bijlage 15c beoordeling Jemen’ staat ook dat de humanitaire situatie vanwege het conflict is verergerd. Zo leidde de escalatie in de Rode Zee tot een daling van het aantal vrachtschepen die Jemen aandeden terwijl het land qua voedselvoorziening in grote mate afhankelijk is van import. Ook plaatsen de Houthi’s langs de frontlijnen op grote schaal landmijnen waardoor landbouwgebieden en bewoonde gebieden onbruikbaar zijn gemaakt voor de voedselproductie. Door Israëlische luchtaanvallen op kritieke infrastructuur kunnen humanitaire goederen het land niet in en de Houthi’s dwarsbomen de toegang tot basisbehoeften en humanitaire hulp als wapen in de strijd.
Oordeel van de rechtbank
In beroep heeft het geschil zich toegespitst op de vraag of het gewijzigde beleid van de minister voldoet aan de opdracht van de Afdeling om de humanitaire omstandigheden te betrekken in de beoordeling of er in Jemen sprake is van een situatie in de zin van artikel 15c.
De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan de zitting verzocht een standpunt in te nemen over een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam (ECLI:NL:RBDHA:2025:22462). De minister heeft toegelicht dat de ‘bijlage 15c beoordeling Jemen’ is opgesteld naar aanleiding van het algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025, maar dat het stuk vlak voor de bekendmaking van het nieuwe beleid op 8 oktober 2025 is herzien en afgerond in verband met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. De datum op het document is toen niet aangepast. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen over de inhoud van het nieuwe beleid, acht de rechtbank de discussie over de datering van voornoemde bijlage niet langer relevant.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met de beleidswijziging van 17 oktober 2025 niet voldaan aan de uitspraak van de Afdeling en het arrest CF en DN17 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie). Hieronder zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen daarvan zijn.
Anders dan de minister naar voren heeft gebracht, blijkt uit de ‘bijlage 15c beoordeling Jemen’ en bijbehorende stukken niet dat de minister de humanitaire omstandigheden als direct of indirect gevolg van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld deugdelijk in kaart heeft gebracht. De rechtbank heeft in 2024 over het oude beleid van de minister geoordeeld dat hij inzichtelijk moet maken hoe de (slechte) humanitaire situatie in Jemen wordt meegewogen in de beoordeling in het kader van artikel 15c. Met het huidige beleid heeft de minister opnieuw nagelaten te motiveren hoe de in overweging 18.1. vermelde omstandigheden, die niet limitatief zijn, tegen elkaar zijn afgezet en hoe groot het aandeel van de strijdende partijen daarin is. Zo lang de minister dit niet deugdelijk in kaart brengt, kan de minister evenmin vaststellen of de strijdende partijen in overwegende mate verantwoordelijk zijn voor de huidige humanitaire situatie in (een regio in) Jemen. Juist die vaststelling maakt duidelijk in hoeverre de verslechtering van de humanitaire omstandigheden – en daarmee dus in aanmerking nemend de slechte humanitaire situatie vóór de start van het conflict – het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict en daarom moeten worden betrokken in de beoordeling.
Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de minister volgens het arrest CF en DN van het Hof van Justitie bij een beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15c alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking moet nemen. Dit betekent dat de minister een allesomvattende beoordeling van de relevante omstandigheden moet maken, en niet een algemene (oppervlakkige) zoals de minister suggereert. De rechtbank wijst op andere taalversies van het arrest. Het (grotendeels) algemeen omschrijven van de humanitaire situatie en in dat verband stellen dat ‘in sommige gevallen de humanitaire situatie door de gehanteerde oorlogsmethoden verslechterde’, kan niet als een comprehensive appraisal worden aangemerkt. Het betoog van verweerder dat humanitaire omstandigheden die het direct of indirect gevolg zijn van het handelen of nalaten van de actor van ernstige schade niet doorslaggevend kunnen zijn bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15c is weliswaar in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, maar leidt niet tot een ander oordeel dan in overweging 21.1 uiteen is gezet. Immers, een allesomvattende beoordeling van de relevante omstandigheden brengt met zich dat alle omstandigheden worden meegewogen en het relatieve gewicht van elke omstandigheid afhankelijk is van de hoeveelheid willekeurige slachtoffers die deze omstandigheden maken. Een actor kan bijvoorbeeld een hongersnood creëren door een stad te omsingelen. Ook kan een hongersnood in een stad/regio/land het gevolg zijn van de omstandigheid dat voor landbouw noodzakelijke infrastructuur is vernietigd door een actor in combinatie met de omstandigheid dat de haven door een actor is vernietigd en waardoor geen hulpgoederen kunnen binnenkomen. Als door dergelijke humanitaire omstandigheden die het direct of indirect gevolg zijn van het handelen of nalaten van de actor van ernstige schade een hoog percentage van de bevolking sterft van de honger, zal de invloed van de humanitaire omstandigheden wel degelijk groot kunnen zijn bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet op deugdelijke wijze en conform het arrest CF en DN de humanitaire omstandigheden betrokken in de beoordeling of er in Jemen – of specifiek in de [regio] – sprake is van een situatie in de zin van artikel 15c. De minister heeft daarmee volgens de rechtbank niet voldaan aan de opdracht van de Afdeling die volgt uit de uitspraak van 16 juli 2025.
Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond.
Artikel 3 van het EVRM
Eiser voert in dit kader aan dat iedereen die op dit moment naar Jemen wordt teruggestuurd, het risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM zoals bedoeld in het arrest Sufi en Elmi19 van het EHRM. Ter onderbouwing wijst eiser op meerdere artikelen en rapporten. De minister heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd dat de humanitaire situatie in Jemen niet voornamelijk is te wijten aan directe en indirecte acties van de strijdende partijen bij het conflict.
In het arrest Sufi en Elmi onderscheidt het EHRM humanitaire problemen die in overwegende mate zijn ontstaan als gevolg van een gewapend conflict, van humanitaire problemen die worden veroorzaakt door armoede en natuurrampen. Als de humanitaire situatie in overwegende mate is of wordt veroorzaakt door de strijdende partijen, dan moet de minister eisers ‘ability to cater to his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treamtent and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame’ betrekken. Als blijkt dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate is of wordt veroorzaakt door de strijdende partijen, dan wordt artikel 3 EVRM slechts geschonden als sprake is van ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. De minister heeft dit in de bestreden besluitvorming niet inzichtelijk beoordeeld. Hij kan – zeker voor wat betreft de beoordeling van de laatste zin van het citaat - niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Het moet de minister bekend zijn dat het Hof van Justitie al in 2009 in het arrest Elgafaji heeft verduidelijkt dat artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15c autonoom moet plaatsvinden. De rechtbank merkt op dat zij de minister hier ook al in 2024 op heeft gewezen. Het is gezien de samenwerkingsplicht aan de minister om duidelijkheid te scheppen over de oorzaak van de humanitaire situatie in Jemen, omdat hij de actuele algemene situatie in het land van herkomst moet onderzoeken en zo nodig met de vreemdeling moet samenwerken om alle feiten te verzamelen. Eiser heeft overigens in zijn zienswijze van 8 april 2025, beroepschrift van 16 april 2025 en aanvullende reacties van 5 februari 2026 en 2 maart 2026 op talloze artikelen en rapporten gewezen. Het is aan de minister om te beoordelen of deze stukken relevant zijn voor de beoordeling die hij moet maken.
De conclusie is dat het bestreden besluit ook op dit punt ondeugdelijk gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat dit in strijd is met de motiveringsplicht.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:9143
16-04-2026, Rb Rotterdam MK, Irak, beroep gegrond [Jezidi’s uit Sinjar; risicogroep]
Reden signalering:
De rechtbank overweegt dat de periode van systematische vervolging dan wel blootstelling aan ernstige schade van Jezidi’s om etnoreligieuze redenen weliswaar voorbij is, maar dat Jezidi’s in Sinjar als gevolg van de combinatie van discriminatie, slechte veiligheidssituatie en ernstige humanitaire situatie nog steeds in een zeer zorgwekkende en kwetsbare situatie verkeren. Van verweerder mag dan worden verwacht dat hij deugdelijk uitlegt waarom Jezidi’s als groep in Sinjar toch niet langer als risicoprofiel zijn aangemerkt. Dat heeft hij, zowel in het kader van de beleidswijziging als binnen het bestek van deze beroepsprocedure, niet, althans onvoldoende, gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de beleidsmatige keuze om Jezidi’s afkomstig uit Sinjar niet (langer) aan te merken als risicoprofiel ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Jezidi’s in Sinjar vormen nog steeds een zeer kwetsbare groep. Daarbij is onder meer van belang dat uit de beschikbare landeninformatie blijkt dat Jezidi’s zich geconfronteerd zien met wijdverbreide, forse discriminatie, dat de algemene veiligheidssituatie in Sinjar zorgelijk is en dat daarnaast de humanitaire situatie in Sinjar voor Jezidi’s – mede als gevolg van de genocide door IS in 2014 – als zeer ernstig is aan te merken. Weliswaar is aannemelijk dat Jezidi’s binnen de eigen gemeenschap kunnen functioneren in het dagelijkse leven, maar daarbuiten worden zij geconfronteerd met door discriminatie ingegeven grote moeilijkheden op maatschappelijk en sociaal gebied. Tevens is van belang dat verweerder sinds (in ieder geval) 2007 de beleidsmatige keuze had gemaakt om Jezidi’s aan te merken als kwetsbare minderheidsgroep. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt waarin de situatie van de Jezidi’s in de regio Sinjar nu zou zijn verbeterd, anders dan dat IS inmiddels is verdreven.
Verweerder heeft aldus ondeugdelijk gemotiveerd waarom Jezidi’s in Sinjar niet langer zijn aangewezen als risicoprofiel. Daarmee is ook ondeugdelijk gemotiveerd dat het zijn van Jezidi in Sinjar geen relevante factor meer is die moet worden meegewogen bij de beoordeling van individuele asielrelazen. In het verlengde hiervan ligt dat niet kan worden geoordeeld dat het onderzoek naar en de beoordeling van het individuele asielrelaas van eiser volledig en juist is geweest. Immers, het onderzoek, waaronder het gehoor, en de beoordeling in het individuele geval dienen plaats te vinden tegen de achtergrond van een vastgesteld risicoprofiel. Zo zullen er tijdens het gehoor vragen moeten worden gesteld die te maken hebben met de redenen en omstandigheden die tot de vaststelling van het risicoprofiel hebben geleid en zullen die antwoorden op die vragen moeten worden betrokken bij de beoordeling. Zolang niet deugdelijk is gemotiveerd dat een groep, zoals in dit geval Jezidi’s in Sinjar, geen risicoprofiel meer vormt, kan ook niet worden geoordeeld dat het onderzoek naar en de beoordeling van het individuele asielrelaas van een lid van die groep, in dit geval eiser, volledig en juist is geweest.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het in strijd is met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet hierop en op wat er hierna over de wijze van geschilbeslechting is overwogen, laat de rechtbank wat meer of overigens door eiser is aangevoerd, waaronder de beroepsgrond dat er sprake is van individuele, risico verhogende omstandigheden om slachtoffer te worden van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, inhoudelijk onbesproken.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:9778
23-04-2026, Rb Zwolle, Mongolië, tussenuitspraak [prejudiciële vragen; beschermingsmogelijkheden land van herkomst]
Reden signalering:
De rechtbank stelt prejudiciële vragen over de vraag of de beslissingsautoriteit kan tegenwerpen dat een vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst de bescherming van de autoriteiten en ngo’s van dat land kan inroepen, en of het op de weg van de beslissingsautoriteit ligt om naast de theoretische beschikbaarheid van die bescherming, ook de effectiviteit ervan te beoordelen. Mag daarbij van de vreemdeling worden verwacht eerst alle theoretisch beschikbare beschermingsmogelijkheden in het land van herkomst te hebben uitgeput, ook als de reeds gezochte bescherming niet afdoende is gebleken?
Deze zaak heeft betrekking op het asielverzoek van eiseres, met de Mongolische nationaliteit, en haar minderjarige kinderen. Eiseres heeft naast haar identiteit, nationaliteit en herkomst als asielmotief aangevoerd dat zij slachtoffer is van huiselijk geweld. De minister heeft de asielmotieven geloofwaardig geacht maar stelt dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat eiseres niet opnieuw te maken zal krijgen met vervolging of ernstige schade omdat haar ex-partner sinds zijn terugkeer naar Mongolië geen contact meer heeft gehad met eiseres. De minister wijst er verder op dat eiseres inmiddels een nieuwe partner heeft en dat zij in Mongolië indien nodig bescherming kan vragen bij de autoriteiten. Eiseres heeft in het verleden melding gedaan bij de Mongoolse autoriteiten waarop volgens de minister ook is geacteerd door de politie. Eiseres heeft echter geen aangifte gedaan tegen haar ex-partner, terwijl dit volgens de minister wel van haar verwacht mag worden. De minister wijst ook op openbare informatie waaruit blijkt dat eiseres bescherming kan vragen bij de Mongoolse autoriteiten.
De rechtbank oordeelt dat de motivering van de bestreden besluiten geen stand kan houden. Om te beginnen stelt de rechtbank vast dat er procesbelang is. De rechtbank overweegt verder dat niet in geschil is dat het huiselijk geweld dat eiseres heeft ondergaan als ernstige schade dan wel als daad van vervolging valt te kwalificeren als bedoeld in artikel 31, vijfde lid Vw. De rechtbank volgt de minister er niet in dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. De rechtbank betrekt hierbij dat er geen enkele indicatie is dat de ex-partner eiseres ook met rust zal laten als zij weer naar Mongolië zou terugkeren, dat er door slachtoffers van huiselijk geweld vaker geen aangifte wordt gedaan en dat het feit dat eiseres pas een jaar na aankomst in Nederland asiel heeft aangevraagd niet afbreuk doet aan haar vrees omdat haar ex-partner in een deel van die periode ook (illegaal) naar Nederland kwam.
De rechtbank volgt de minister er voorts niet in dat er zonder meer vanuit kan worden gegaan dat er voor eiseres binnenlandse bescherming aanwezig is. De Afdeling heeft meermaals overwogen dat als de minister voldoende heeft onderbouwd dat in het land van herkomst bescherming bij de autoriteiten kan worden gevraagd, het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat het land voor haar toch niet veilig is. Tegen de achtergrond van het bepaalde in artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2011/95/EU en de rechtspraak van het HvJ, twijfelt de rechtbank of de jurisprudentielijn van de Afdeling stand kan houden. Indien immers vaststaat dat een vrouw bij terugkeer naar het land van herkomst risico loopt op vervolging of ernstige schade door haar ex-man, dan lijkt de jurisprudentie van het HvJ te vereisen dat de beslissingsautoriteit (in casu de minister) juist de effectiviteit van de bescherming in het land van herkomst beoordeelt. Dit lijkt ook voort te vloeien uit artikel 7 van Richtlijn 2011/95/EU. Zulks zou temeer moeten gelden, indien de vrouw reeds tot op zekere hoogte bescherming heeft ingeroepen en die niet effectief is gebleken. De rechtbank stelt daarom de volgende prejudiciële vragen aan het HvJ:
Prejudiciële vragen
De rechtbank zal de volgende prejudiciële vragen aan het HvJ voorleggen:
- Brengt het bepaalde in de artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2011/95/EU, c.q. de artikelen 7 en 8 van Verordening (EU) 2024/1347 met zich dat indien de beslissingsautoriteit aan een vreemdeling tegenwerpt dat zij bij terugkeer naar het land van herkomst de bescherming van de autoriteiten en ngo’s van dat land kan inroepen, het op de weg van de beslissingsautoriteit ligt om naast de theoretische beschikbaarheid van die bescherming, ook de effectiviteit ervan te beoordelen, en zo ja, hoe effectief moet die bescherming dan zijn en waar moet deze dan ten minste uit bestaan om met een beroep op artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2011/95/EU, c.q. de artikelen 7 en 8 van Verordening (EU) 2024/1347 een asielaanvraag af te wijzen?
- Maakt het voor het antwoord op vraag 1 nog verschil of de vreemdeling reeds eerder getracht heeft bescherming te verkrijgen, maar die bescherming niet voldoende is gebleken?
- Mag daarbij van de vreemdeling worden verwacht eerst alle theoretisch beschikbare beschermingsmogelijkheden in het land van herkomst te hebben uitgeput, ook als dereeds gezochte bescherming niet afdoende is gebleken?
De rechtbank verzoekt het HvJ expliciet om in de beantwoording van de prejudiciële vragenook het nieuwe asielstelsel dat per 12 juni 2026 van kracht wordt, in het bijzonder Verordening (EU) 2024/1347, te betrekken.17 Uit artikel 46, derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU volgt namelijk dat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek moet verrichten van zowel de feitelijke als juridische gronden. Aangezien naar verwachting de doorlooptijd van de prejudiciële procedure anderhalf jaar of langer in beslag zal kunnen nemen, zal de rechtbank, wanneer het HvJ de vragen heeft beantwoord, de zaak waarschijnlijk onder het nieuwe asielstelsel moeten afdoen
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:9736
16-04-2026, Rb Zwolle, Pakistan, beroep gegrond [gebruik Case Matcher; christenen]
Reden signalering:
De rechtbank kan niet uitsluiten dat Case Matcher in de zaken van eisers is gebruikt. Daarom is er sprake van een motiveringsgebrek. Gelet hierop, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het algoritme Case Matcher. De rechtbank heeft wel uitdrukkelijk overwogen dat verweerder het gebruik van Case Matcher in de op de zaak betrekkende stukken moet vermelden, totdat het algoritme in rechte is getoetst.
Daarnaast heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat de door eiser gestelde problemen vanwege zijn christelijke geloof ongeloofwaardig zijn. Ook heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom de individuele omstandigheden van eiser niet tot een verhoogd risico op ernstige schade leiden zoals bedoeld in het arrest X. en Y.
Eiser heeft verklaard dat hij vanwege zijn christelijke geloof in december 2008 op zijn motorfiets is aangevallen. Hij stelt dat dit gebeurde nadat hij een medewerker van een tankstation zijn visitekaartje had gegeven en hij had gepraat over zijn geloof en werk. Verder hebben eisers verklaard dat er in maart 2009 een inval heeft plaatsgevonden in hun huis, waarbij eiseressen zijn mishandeld. Eiseressen zijn daarna naar Karachi gegaan. Eiser stelt dat hij ten tijde van de inval in Lahore was en daarna ook naar Karachi is gegaan. Daarnaast hebben eisers verklaard dat op 28 maart 2009 een fatwa tegen eiser is uitgevaardigd. Zij kwamen daar achter toen hun neef [naam 2] naar hun huis ging. Eiser heeft uiteindelijk op 15 mei 2009 Pakistan verlaten en is naar Duitsland gegaan.
Eiseressen hebben verklaard dat zij vervolgens, vanwege de tegen eiser uitgevaardigde fatwa, zevenenhalf jaar ondergedoken hebben gezeten in afwachting van een visum voor Duitsland. Eiseressen zijn in 2016 uit Pakistan vertrokken Verder heeft eiseres 1 verklaard dat zij in Pakistan last had van pesterijen vanwege haar religie. Ook eiseres 2 stelt in haar jeugd te zijn gediscrimineerd (gepest en uitgescholden) vanwege haar religie. Daarnaast stelt eiseres 2 dat zij een keer door een arts is weggestuurd en een aantal incidenten in de bus heeft meegemaakt.
Verweerder heeft in de bestreden besluiten overwogen dat de door eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Dit geldt ook voor de gestelde problemen vanwege de religie van eisers. Maar verweerder vindt de door eisers gestelde problemen in 2008 en 2009 vanwege het christelijke geloof van eiser niet geloofwaardig.
Ten aanzien van de geloofwaardig bevonden elementen heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat met betrekking tot hen persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder a of b, van de Vw moet worden verleend.
Het gebruik van Case Matcher
Eisers stellen dat bij de besluitvorming gebruik is gemaakt van Case Matcher. Hierdoor is er sprake van semi geautomatiseerde besluitvorming waarbij niet kan worden nagegaan wat het algoritme beslist. Anders dan verweerder, menen eisers dat Case Matcher wel AI is. Ter onderbouwing hiervan wijzen eisers op drie expertbrieven van deskundigen. Eisers stellen dat er onvoldoende aan risicobeheersing van Case Matcher is gedaan, omdat er geen DPIA is verricht, geen duidelijke ‘logging’ plaatsvindt en onvoldoende maatregelen zijn genomen om het risico op ‘automated bias’ uit te sluiten. Ook heeft verweerder volgens eisers voor de medewerkers geen (intern) beleid opgesteld of werkinstructies gemaakt om ervoor te zorgen dat de medewerkers op verantwoorde wijze gebruik maken van algoritmes, Casematcher of andere AI-tools. Daarnaast voeren eisers aan dat stukken, die uit andere zaken zijn gebruikt als referentiemateriaal door Case Matcher, ten onrechte niet als op de zaken betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van Awb zijn ingediend. Verder stellen eisers dat de bestreden besluiten niet zijn ondertekend en daarom niet kunnen worden gecontroleerd op onder meer het gebruik van Case Matcher. Dit gebrek kan volgens eisers niet worden gepasseerd, omdat hierdoor hun recht op een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 47 van het Handvest wordt geschonden.
Op zitting hebben eisers daarnaast aangevoerd dat het in hun zaken bovendien niet is uitgesloten dat er ook nog andere medewerkers, naast beslismedewerkers, aan de zaken werkten en Case Matcher hebben gebruikt. In dit kader hebben eisers naar een e-learning verwezen, waaruit blijkt dat Case Matcher tijdens de voorbereiding van een gehoor kan worden ingezet.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De rechtbank overweegt als volgt. Op dit moment is Case Matcher als systeem (door deze rechtbank) nog niet in rechte getoetst, waardoor niet vaststaat of het een eenvoudig – zoals verweerder stelt – of een complex algoritme betreft. Uit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming is het noodzakelijk dat besluitvorming transparant is over het gebruik van algoritmes. Enerzijds heeft verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat Case Matcher een eenvoudig rule-based algoritme is en een basale zoekmachine betreft. Anderzijds heeft hij aangegeven dat voor het (verantwoord) gebruik een speciale opleiding gevolgd moet worden en heeft hij Case Matcher geregistreerd in het algoritmeregister. De rechtbank onderschrijft het advies van de Raad van de Rechtspraak dat het gebruik van complexe algoritmes moet blijken uit de op de zaak betrekking hebbende stukken.6 De rechtbank overweegt daarom dat verweerder, totdat Case Matcher inhoudelijk in rechte is getoetst, en vast komt te staan dat Case Matcher een eenvoudig algoritme is, in de besluitvorming het gebruik moet vermelden als zij in een zaak gebruik maakt van Case Matcher.
De rechtbank ziet zich daarom allereerst voor de vraag gesteld of verweerder in de zaken van eisers gebruik heeft gemaakt van Case Matcher.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in de bestreden besluiten niet heeft aangegeven of bij de besluitvorming gebruik is gemaakt van Case Matcher. In het verweerschrift heeft verweerder overwogen dat de beslismedewerker in de zaken van eisers desgevraagd heeft laten weten dat het gebruik van Case Matcher niet uit de ter beschikking staande informatie blijkt. Ook kan deze medewerker zich niet herinneren of deze op enig moment voorafgaand of tijdens de besluitvorming gebruik heeft gemaakt van Case Matcher. Volgens verweerder doet dit echter niet af aan de zorgvuldigheid en controleerbaarheid van het bestreden besluit.
Op zitting is desgevraagd door verweerder verklaard dat er geen interne afspraken zijn gemaakt over het vermelden van het gebruik van Case Matcher, bijvoorbeeld in een minuut. Het is dus voor de rechtbank niet duidelijk op welke informatie de hiervoor genoemde beslismedewerker zijn mededeling baseert dat Case Matcher bij de besluitvorming in de zaken van eisers niet is gebruikt. Daar komt bij dat de voornemens en de bestreden besluiten door twee verschillende beslismedewerkers, namelijk [naam 3] en [naam 4], zijn genomen en deze beslismedewerkers blijkens de toelichting van verweerder op zitting alleen mondeling over het gebruik van Case Matcher zijn bevraagd. Daarnaast blijkt uit de door verweerder op zitting overgelegde systeemuitdraaien7 dat bij het concipiëren van de bestreden besluiten drie personen8 betrokken zijn geweest. Van de voornemens is dit niet duidelijk, aangezien daarover geen systeemuitdraaien zijn overgelegd.
Gelet op het vorenstaande is het voor de rechtbank onduidelijk of bij alle betrokken medewerkers is nagevraagd of zij in de zaken van eisers gebruik van Case Matcher hebben gemaakt en wat er precies aan [naam 3] en [naam 4] is gevraagd. De rechtbank kan daarom niet uitsluiten dat Case Matcher in de zaken van eisers is gebruikt. Dit is echter wel relevant, omdat – zoals hiervoor is overwogen – nog niet vaststaat of Case Matcher een eenvoudig of complex algoritme betreft. De rechtbank concludeert dan ook dat reeds hierom sprake is van een motiveringsgebrek in de bestreden besluiten. Gelet hierop, komt de rechtbank in deze procedure niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van Case Matcher.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de beroepen aan te houden om verweerder in de gelegenheid te stellen alsnog de verklaring van alle bij de zaken van eisers betrokken beslismedewerkers in te brengen. De bestreden besluiten kunnen namelijk naar het oordeel van de rechtbank ook op de hierna genoemde punten niet in stand blijven.
De beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde problemen in 2008 en 2009 vanwege het christelijke geloof van eiser
Ten aanzien van de door de door verweerder gegeven motivering voor zijn standpunt dat de gestelde problemen in 2008 en 2009 vanwege het christelijke geloof van eiser niet geloofwaardig zijn, overweegt de rechtbank dat verweerder eiser geen tegenstrijdig geachte, maar enkel bevreemdingwekkend en ongerijmd geachte gebeurtenissen heeft tegengeworpen.
Daar komt bij dat de verklaringen van eisers over de problemen in 2008 en 2009 vanwege het christelijke geloof van eiser naar het oordeel van de rechtbank op hoofdlijnen met elkaar overeenkomen en hun verklaringen over de uitvaardiging en bekendmaking van een fatwa in overeenstemming zijn algemeen bekende landeninformatie15.
Verweerder heeft zijn standpunt dat de gestelde problemen in 2008 en 2009 vanwege het christelijke geloof van eiser ongeloofwaardig zijn niet deugdelijk gemotiveerd.
De algemene veiligheidssituatie in Balochistan
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie in Balochistan, waarbij de enkele aanwezigheid van eiser al leidt tot een risico op ernstige schade vanwege willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict.
Als is gebleken dat er sprake is van een minder uitzonderlijke situatie, dan moet de beoordeling van het risico op ernstige schade worden gebaseerd op de individuele en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Hierbij gaat het met name om omstandigheden die eigen zijn aan het privé-, familie- of beroepsleven van de vreemdeling en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij het reële risico op ernstige schade vergroten. De vreemdeling dient deze omstandigheden aannemelijk te maken.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de religie en medische situatie van eiser alleen heeft beoordeeld in het kader van de vraag of eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege discriminatie dan wel aan hem uitstel van vertrek moet worden verleend op grond van artikel 64 Vw. Hiermee kan verweerder – gelet op het arrest X en Y – niet volstaan. Het ligt namelijk op de weg van verweerder om te beoordelen of eiser – gelet op de omstandigheid dat hij een christen met een slechte gezondheid is en in het licht van de huidige algemene situatie in Balochistan – een verhoogd risico op ernstige schade loopt. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verweerder de overige door eiser aangevoerde omstandigheden ook niet kenbaar heeft betrokken bij zijn beoordeling of eiser vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in het bestreden besluit, als ook in het verweerschrift en op zitting, niet deugdelijk gemotiveerd waarom de individuele omstandigheden van eiser – in onderlinge samenhang bezien en in het licht van de (veiligheids)situatie in Balochistan – niet tot een verhoogd risico op ernstige schade leiden.
Conclusie
De beroepen van eiser en eiseressen zijn gegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:9326
24-04-2026, Rb Arnhem, Somalië, beroep gegrond [alleenstaande vrouw; ernstige schade]
Reden signalering:
De minister vindt het geheime huwelijk en de daaruit voortvloeiende problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig en stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres geen verdragsvluchteling is. De minister heeft echter niet deugdelijk gemotiveerd waarom eiseres bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade loopt.
Eiseres, van Somalisch nationaliteit, legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij vreest voor Al-Shabaab. De neef van eiseres, [persoon B], is leider bij Al-Shabaab. Hij wilde eiseres uithuwelijken aan een collega van Al-Shabaab. Maar eiseres was in 2023 al gehuwd met [persoon A], die tot een minderheidsstam behoort. Eiseres weigerde daarom met de collega van haar neef te trouwen. [persoon B] heeft haar en [persoon A] toen meegenomen naar de gevangenis. Eiseres heeft twee dagen vastgezeten, maar mocht gaan vanwege haar medische situatie. Eiseres is wel ter dood veroordeeld. Bij terugkeer vreest zij daarom te worden gedood.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De minister vindt het geheime huwelijk met [persoon A] en problemen met haar neef die daaruit voortkomen niet geloofwaardig. Daarom heeft de minister alleen gekeken of eiseres op grond van haar identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Omdat dit volgens de minister niet het geval is, heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Geheim huwelijk
De beroepsgrond van eiseres dat de minister het geheime huwelijk met [persoon A] ten onrechte geloofwaardig acht, slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat het geheime huwelijk met [persoon A] ongeloofwaardig is. In de eerste plaats werpt de minister terecht tegen dat eiseres onvolledig en tegenstrijdig verklaart over haar burgerlijke staat. Eiseres verklaart in het aanmeldgehoor dat zij alleenstaand en gescheiden is, maar uit de verklaringen van eiseres tijdens het nader gehoor volgt dat zij op dat moment gehuwd was met [persoon A]. De rechtbank ziet niet in waarom deze tegenstrijdigheid een gevolg is van de vraagstelling tijdens het nader gehoor, want de vraagstelling van de minister is voldoende duidelijk geweest. De minister heeft aan eiseres gevraagd of zij toen zij hier aankwam gehuwd was met [persoon A]. De rechtbank ziet niet in hoe deze vraag duidelijker gesteld had kunnen worden. De minister mocht verder ongeloofwaardig vinden hoe eiseres [persoon A] heeft leren kennen en hoe zij met hem is getrouwd. Eiseres verklaart enerzijds dat zij [persoon A] heeft leren kennen in de bus op weg naar een ander dorp om boodschappen te doen, maar anderzijds dat het haar niet toegestaan was om vrij rond te lopen. Dat eiseres in het geheim kon trouwen met [persoon A], zonder dat haar familie daarvan afwist, is hierdoor door de minister terecht niet aannemelijk bevonden.
Daarnaast werpt de minister niet ten onrechte tegen dat eiseres onvoldoende heeft uitgelegd waarom zij is getrouwd met iemand van een minderheidsstam. Dat eiseres [persoon A] niet kende en niet wist tot welke stam hij behoorde, is daartoe onvoldoende. Dat rijmt immers niet met de verklaring van eiseres dat iedereen [persoon A] kende en [persoon A] uit hetzelfde dorp komt als zij. Bovendien bestaat voor de stelling dat het huwelijk (mogelijk) een daad van verzet was onvoldoende grondslag in het nader gehoor. Eiseres heeft dit namelijk tijdens het nader gehoor niet verklaard, terwijl zij wel de gelegenheid hiertoe heeft gehad. De rechtbank ziet tot slot niet in waarom de minister bij de voorgaande punten in de geloofwaardigheidsbeoordeling had moeten betrekken dat eiseres veel ellende heeft meegemaakt en onder sociale druk stond. Het valt immers niet in te zien waarom dit van invloed is geweest op de hiervoor omschreven verklaringen van eiseres.
Problemen met neef van eiseres
Eiseres betoogt verder dat de minister de problemen met haar neef ten onrechte ongeloofwaardig acht.De beroepsgrond van eiseres slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat ongeloofwaardig is dat eiseres problemen heeft met haar neef. De minister werpt in de eerste plaats terecht aan eiseres tegen dat eiseres tegenstrijdig verklaart over hoe deze problemen zijn ontstaan. Eiseres verklaart eerst dat zij is benaderd door een lid van Al-Shabaab dat hij met haar wilde trouwen. Later verklaart zij dat haar neef vertelde dat zij moest trouwen met een collega van hem, die ook lid was van Al-Shabaab, en dat zij nooit heeft geweten wie deze collega was en dat zij geen contact met hem heeft gehad. Die verklaringen staan haaks op elkaar. Verder vindt de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig dat de neef van eiseres op de hoogte is gekomen van haar gestelde huwelijk. Eiseres heeft namelijk verklaard dat niemand van dit huwelijk wist, zodat niet valt in te zien hoe de neef van eiseres dit van een derde heeft kunnen horen. Tot slot werpt de minister niet ten onrechte aan eiseres tegen dat zij niet inzichtelijk verklaart over de confrontatie met haar neef. Eiseres heeft niet duidelijk gemaakt of zij aan haar neef heeft verteld dat zij was getrouwd of dat haar neef dit al wist en eiseres hiermee confronteerde. Verderop in het nader gehoor heeft eiseres verklaard dat haar neef thuis kwam en zei dat zij getrouwd was en hij haar huwelijk zou gaan ontbinden. Eiseres wordt niet tegengeworpen dat zij niet weet hoe haar neef achter het huwelijk is gekomen, maar wel dat zij wisselend en onduidelijk heeft verklaard over hoe en wanneer de neef van eiseres achter dit huwelijk is gekomen en wat eiseres tegen hem gezegd heeft. Van eiseres mag verwacht worden dat zij eenduidig verklaart over de omstandigheden die tot haar problemen hebben geleid. In het enkele feit dat eiseres achteraf stelt dat dit het gevolg is van de wijze van communiceren, maakt niet dat de minister deze verklaringen niet wisselend en onduidelijk heeft mogen achten.
Is eiseres verdragsvluchteling omdat zij een alleenstaande vrouw is?
Eiseres betoogt dat zij ten onrechte niet is aangemerkt als verdragsvluchteling, omdat zij als alleenstaande vrouw behoort tot een risicoprofiel. Eiseres is een gescheiden vrouw en verbleef bij haar oma, die inmiddels is overleden. Haar dochter woont bij haar ex-schoonouders, maar daar kan eiseres zelf niet naar terugkeren. Zij is daar mishandeld en bovendien wil haar schoonmoeder haar dochter besnijden. Eiseres heeft daarnaast geen goede relatie met haar oom en neef die behoren tot Al-Shabaab. Uit het dossier blijkt verder niet dat eiseres zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven of dat er familieleden zijn die haar bescherming kunnen bieden. De enkele stelling van de minister dat eiseres behoort tot de stam Hawiye, is onvoldoende voor de conclusie dat zij daar om bescherming kan vragen.
De minister heeft alleenstaande vrouwen in het landenbeleid voor Somalië aangewezen als risicoprofiel, zodat van hen in beginsel wordt aangenomen dat zij verdragsvluchteling zijn. Bij de beoordeling of een vrouw ‘alleenstaand’ is, kijkt de minister in ieder geval naar de vraag of zij in Somalië een echtgenoot heeft en of er (groot)familie of een plaatselijke meerderheidsclan is waarop zij kan terugvallen.
De beroepsgrond van eiseres slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres geen verdragsvluchteling is, omdat zij niet tot het risicoprofiel van alleenstaande vrouwen behoort. In de zienswijze heeft eiseres toegelicht dat haar dochter verblijft bij de “grootouders vaderszijde”. Eiseres heeft op zitting toegelicht dat zij haar ex-schoonouders hiermee bedoelt. (Ex-)schoonouders behoren volgens het beleid van de minister niet noodzakelijkerwijs tot ‘grootfamilie’, zodat niet zonder meer van eiseres mag worden verwacht dat zij zich voor opvang en voor bescherming tot hen wendt. Maar dat maakt niet dat eiseres tot het risicoprofiel van alleenstaande vrouwen behoort. In het geval van eiseres zijn er namelijk anderen op wie zij voor opvang en bescherming kan terugvallen. Eiseres heeft altijd in het huis van haar oma gewoond samen met haar oom en haar neef en zijn gezin. Dat eiseres geen goede relatie met haar oom heeft, heeft zij niet onderbouwd. Daarnaast mocht de minister de problemen met de neef van eiseres ongeloofwaardig vinden. Het valt daarom niet in te zien waarom zij niet naar hen kan terugkeren. Verder wijst de minister er terecht op dat eiseres tot een van de grootste stammen van Somalië behoort, de Hawiye, zodat zij op andere leden van deze stam kan terugvallen.
Loopt eiseres bij terugkeer naar Somalië een reëel risico op ernstige schade?
Eiseres betoogt verder dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade loopt, omdat zij moet terugkeren naar een gebied dat in handen is van Al-Shabaab. De woonplaats van eiseres ([woonplaats]) ligt tussen de plaatsen Afgooye en Awdhegle. Volgens de overzichtskaart uit het recentste landenrapport van de European Union Agency for Asylum (EUAA) staat Awdhegle compleet onder controle van Al-Shabaab en is dat een van de machtscentra van Al-Shabaab in de regio. Het is aannemelijk dat dit zich uitstrekt tot andere plaatsen in de regio, zoals [woonplaats]. Dat blijkt ook uit het feit dat [woonplaats] een burgemeester heeft die is gelieerd aan Al-Shabaab.
De beroepsgrond van eiseres slaagt. Uit het landenbeleid van de minister voor Somalië volgt dat de mensenrechtensituatie in gebieden in handen van Al-Shabaab zodanig is dat voor iedere terugkeerder een reëel risico op ernstige schade bestaat. Dat betekent dat het bij de afwijzing van een asielaanvraag van een Somaliër op de weg van de minister ligt om te motiveren dat Al-Shabaab niet aan de macht is in het gebied waarnaar de vreemdeling moet terugkeren. De minister heeft dat in het geval van eiseres en haar terugkeer naar [woonplaats] onvoldoende gedaan. Eiseres wijst er terecht op dat haar woonplaats [woonplaats] ligt tussen de plaatsen Afgooye en Awdhegle. Uit de kaart in het EUAA-rapport volgt dat het gebied tussen beide plaatsen voor het grootste deel onder “mixed, unclear and/or local control” staat, maar dat er ook een deel van dit gebied in handen is van Al-Shabaab. Het gaat daarbij om een gebied ten oosten van Awdhegle en ten noorden van een rivier die door Awdhegle stroomt. Gelet op de ligging van [woonplaats] ten oosten van Awdhegle en ten noorden van deze rivier valt niet uit te sluiten dat [woonplaats] (ook) tot het controlegebied van Al-Shabaab behoort. De kaart in het aangehaalde EUAA-rapport is onvoldoende gedetailleerd om te kunnen concluderen dat Al-Shabaab niet aan de macht is in de woonplaats van eiseres en eiseres dus bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. Dit betekent dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft en de minister nader moet motiveren dat eiseres bij terugkeer naar [woonplaats] geen reëel risico op ernstige schade loopt. Daarbij kan de minister ook ingaan op de stelling van eiseres dat [woonplaats] een burgemeester van Al-Shabaab heeft.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is, gelet op wat hiervoor is overwogen, gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:10064
15-04-2026, Rb Den Haag, Syrië, beroep gegrond [Aleppo; laag niveau willekeurig geweld; artikel 3 EVRM]
Reden signalering:
Geen gegronde vrees voor vervolging vanwege Koerdische etniciteit - voldoende gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo - onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM gelet op arrest Sufi en Elmi.
Eiser heeft de Syrische nationaliteit en heeft Syrië in 2013 verlaten vanwege de oorlog en omdat hij geen gehoor heeft gegeven aan de oproep voor de reservistendienst. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser voor problemen vanwege het ontlopen van de reservistendienst en voor discriminatie vanwege zijn Koerdische etniciteit.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Eisers problemen vanwege zijn Koerdische etniciteit heeft verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld. De geloofwaardigheid is in het midden gelaten, omdat op voorhand duidelijk is dat eisers verklaringen niet zwaarwegend genoeg zijn. Dat eiser tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort, is op zichzelf onvoldoende om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Niet is gebleken dat eiser als Koerd zodanig gediscrimineerd is dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren, en ook niet dat dit bij terugkeer wel het geval zal zijn. Daarnaast is eisers vrees voor rekrutering, zowel vanuit de overheid als vanuit de Koerdische strijdkrachten, niet aannemelijk. Volgens verweerder loopt eiser bij terugkeer naar Syrië ook geen reëel risico op ernstige schade. In Syrië, en meer specifiek in [plaats] waar eiser vandaan komt, is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De individuele omstandigheden die eiser heeft aangevoerd leiden niet tot de conclusie dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van dit geweld.
Gegronde vrees voor vervolging
Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat uit de landeninformatie niet volgt dat iedere Koerd in Syrië, en specifiek in [plaats] , een gegronde vrees voor vervolging heeft op basis van zijn etniciteit. Uit landeninformatie volgt niet dat Koerden vanwege discriminatie zo ernstig worden beperkt in hun bestaansmogelijkheden dat zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kunnen functioneren. Verweerder heeft er hierbij op kunnen wijzen dat president Al-Sharaa op 16 januari 2026 een decreet heeft ondertekend waarin hij het staatsburgerschap heeft teruggegeven aan alle Koerdische Syriërs en de officiële status van de Koerdische taal heeft erkend. Hoewel eiser er terecht op heeft gewezen dat formele afspraken niet altijd iets zeggen over de praktijk, geeft dit wel een signaal af over de houding van de huidige regering tegenover de Koerdische bevolking. Dat van eiser, vanwege zijn Koerdische etniciteit, niet verwacht mag worden dat hij zich meldt bij een registratiecentrum en dat hij door het niet melden problemen zal krijgen, volgt de rechtbank gelet hierop niet.
Omdat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft in [plaats] vanwege zijn Koerdische etniciteit, heeft verweerder eiser niet hoeven volgen in zijn betoog dat hij bij terugkeer naar Syrië uit [plaats] zal moeten vluchten naar het DAANES-gebied waar hij risico zou lopen. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eisers vrees om gerekruteerd te worden door de Koerdische strijdkrachten niet aannemelijk is, omdat [plaats] onder controle staat van het regime. Verweerder heeft daarnaast kunnen concluderen dat eisers vrees voor rekrutering door het regime en/of voor problemen vanwege het ontlopen van de reservistendienst niet aannemelijk is. In het controlegebied van de overgangsregering is de dienstplicht opgeheven en de regering kondigde een algemene amnestie aan voor dienstplichtigen in het Syrische leger.
Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 kunnen concluderen dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder kunnen concluderen dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten.
Verweerder heeft daarbij kunnen concluderen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats] , het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie [plaats] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 34 (november 2025) en 72 (september 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats] . Verder waren er in [plaats] meerdere incidenten met ontplofbare oorlogsresten, maar werden deze ook geruimd. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats] , maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. Wel leidden spanningen in december 2025 in de stad [plaats] tot ontheemding. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 700.000 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats] .
Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is.
Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en [plaats] in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden. Eiser heeft in reactie op het verweerschrift weliswaar gesteld dat het huidige regime nog steeds betrokken is bij gevechten en aanslagen op verschillende gebieden en bevolkingsgroepen en dat dit maakt dat het huidige regime ook een actor is die de slechte humanitaire omstandigheden heeft veroorzaakt en/of in stand laat, maar eiser heeft onvoldoende verband gelegd tussen het geweld van de huidige strijdende partijen en de slechte humanitaire omstandigheden.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats] .
Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft aangevoerd dat hij een verhoogd risico loopt vanwege zijn Koerdische etniciteit en vanwege zijn dienstplichtweigering, maar deze omstandigheden houden verband met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld. De rechtbank heeft al overwogen dat verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn Koerdische etniciteit en dienstplichtweigering.
Hoewel eiser kan worden gevolgd dat niet zeker is hoe de situatie in Syrië zich in de toekomst ontwikkelt, is er inmiddels meer dan een jaar verstreken sinds het regime van Assad is gevallen en zijn er twee Algemeen Ambtsberichten uitgebracht. Verweerder mocht – zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen – op basis van deze ambtsberichten dan ook tot de conclusie komen dat sprake is van relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats] .
Terugkeerbesluit
Eiser heeft er terecht op gewezen dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet toetsen aan het non-refoulementbeginsel. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3
EVRM (ECLI:NL:RBDHA:2026:3611). Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden (arrest 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94).
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi (ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907) twee situaties onderscheidt:
- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.
In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM. Dit motiveringsgebrek is in het verweerschrift onvoldoende hersteld.
Ten eerste heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ Verweerder heeft, in het kader van artikel 3 EVRM, niet gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen. Hoewel verweerder dit in het kader van de 15c-beoordeling wel heeft gemotiveerd, heeft verweerder niet gemotiveerd dat en waarom dezelfde argumentatie ook in het kader van artikel 3 EVRM opgaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen moet de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en de uitleg van artikel 3 EVRM autonoom plaatsvinden.
Ten tweede heeft verweerder, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, onvoldoende gemotiveerd dat hieraan niet wordt voldaan. Eiser heeft er terecht op gewezen dat hij in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor heeft gesteld dat hij er in Syrië volledig alleen voor komt te staan zonder woning, zonder medische zorg en zonder basale voorzieningen. Verder staat in het verweerschrift ook dat voor het gouvernement [plaats] geldt dat 84% van de bevolking behoort tot de categorie ‘people in need’, en dat die groep uit mensen bestaat waarvoor geldt dat hun fysieke veiligheid, basisrechten, waardigheid, levensomstandigheden of bestaansmiddelen worden bedreigd of verstoord en waarvan de huidige toegang tot basisdiensten, goederen en sociale bescherming ontoereikend is om tijdig en zonder aanvullende hulp weer normale levensomstandigheden te kunnen opbouwen met de middelen die zij gewend zijn.
Dit had verweerder ook moeten betrekken bij zijn beoordeling van de vraag of eiser bij terugkeer naar [plaats] in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 EVRM. De enkele verwijzing naar het opheffen van de voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man door het EHRM, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Het EHRM heeft de voorziening opgeheven omdat niet is aangetoond dat de Syrische man, gelet op de huidige veiligheidssituatie in Syrië en de individuele omstandigheden van de zaak, bij terugkeer naar Syrië een reëel en onmiddellijk risico zou lopen op onherstelbare schending van zijn rechten zoals gewaarborgd door de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Het EHRM heeft echter niet nader gemotiveerd waarom het in die zaak tot dit oordeel is gekomen en welke individuele omstandigheden er speelden. Verweerder moet zelf een individuele beoordeling maken van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:9179
NB. De minister van Buitenlandse Zaken heeft op 30 januari jl. een nieuw algemeen ambtsbericht Syrië gepubliceerd. Aan de hand hiervan wordt het landenbeleid Syrië op enkele punten gewijzigd. Ga voor meer informatie naar deze pagina.
04-05-2026, Rb Groningen, Syrië, beroep gegrond [normale woon- en verblijfplaats; 15c-situatie]
Reden signalering:
De rechtbank overweegt dat de minister geen beoordeling heeft gemaakt of eiser bij terugkeer naar Deir ez-Zor waar hij zijn hele leven heeft gewoond, een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Voor zover de minister stelt dat wel uitgegaan moet worden van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico van ernstige schade bij terugkeer naar Deir ez-Zor, overweegt de rechtbank dat de minister niet heeft gemotiveerd dat eiser aan alle genoemde voorwaarden voor een beschermingsalternatief voldoet (in casu in Idlib) zoals neergelegd in zijn beleid.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij vanwege de oorlog en uit angst om gerekruteerd te worden door het Syrische leger, Syrië heeft verlaten. Daarnaast heeft eiser verklaard dat - na eisers vertrek uit Syrië - zijn nichtje is verkracht door een neef. Hierop heeft eisers vader aangifte gedaan van de verkrachting, eisers nichtje bij eisers oma weggehaald en de zorg van eisers nichtje op zich genomen. Eisers vader werd vervolgens bedreigd door een andere neef. Hierop is eisers vader met zijn gezin van Deir Ez Zor naar Idlib gegaan. Eisers vader is bedreigd met de dood en eiser denkt dat hij misschien ook wel gedood wordt.
De minister stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Eisers verklaring dat zijn vader doodsbedreigingen heeft ontvangen nadat hij aangifte heeft gedaan tegen een neef die eisers nichtje heeft verkracht, is niet op geloofwaardigheid beoordeeld. De vrees die eiser daarvoor heeft is niet aannemelijk geacht.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld waarnaartoe eiser moet terugkeren in Syrië.
De minister stelt zich in de besluitvorming op het standpunt dat van eiser verwacht wordt dat hij zich bij zijn ouders voegt in Idlib. De minister heeft dit standpunt op de zitting herhaald en bevestigd. Eiser betoogt daarentegen dat hij tot zijn vertrek in Deir ez-Zor heeft gewoond en dit als zijn normale woon- en verblijfsplaats moet worden aangemerkt. Pas als blijkt dat eiser niet naar zijn normale woon- en verblijfsplaats kan terugkeren, kan de minister zich wellicht gemotiveerd op het standpunt stellen dat er een vestigingsalternatief is in Idlib.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling het deelgebied waar de desbetreffende vreemdeling afkomstig is, het gebied is waar die vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- en verblijfsplaats had (zie bijv. uitspraak 6 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8940). Daarvoor is niet alleen van belang hoe lang hij daar verbleef, maar ook onder welke omstandigheden.
De rechtbank stelt vast dat eiser zijn hele leven in Deir ez-Zor heeft gewoond. Zijn ouders zijn pas na zijn vertrek uit Syrië naar Idlib gegaan. De minister betwist dit niet. De rechtbank overweegt dat de minister in de besluitvorming en op de zitting niet heeft onderbouwd of heeft kunnen uitleggen wat maakt dat uitgegaan moet worden van Idlib als normale woon- en verblijfplaats van eiser. De enkele vaststelling dat de ouders van eiser daar nu wonen, is daarvoor onvoldoende. Dat het asielmotief van eiser volgens de minister niet geloofwaardig is en daarom niet relevant is waar eiser naartoe moet terugkeren volgt de rechtbank niet. De vraag wat als normale woon- en verblijfplaats van eiser heeft te gelden is namelijk ook van invloed op de vraag of in het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is zich een 15c-situatie voordoet. Aangezien de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat Idlib de normale woon- of verblijfplaats van eiser is, heeft de minister in de besluitvorming en op de zitting niet zonder meer kunnen concluderen dat de door eiser overgelegde bronnen over Deir Ez-Zor in dit geval niet relevant zijn omdat eiser terug moet keren naar Idlib.
Daarnaast is de vraag wat als normale woon- en verblijfsplaats moet worden aangemerkt ook relevant voor de beoordeling van de vrees voor rekrutering van eiser. In de besluitvorming is erop gewezen dat Idlib niet behoort tot de DAANES-regio. De minister heeft niet gemotiveerd of ditzelfde geldt voor de plaats Kesra, nabij Deir ez-Zor, waar eiser zijn hele leven heeft gewoond. De beroepsgrond slaagt.
De minister heeft zich op de zitting subsidiair op het standpunt gesteld dat Idlib voor eiser heeft te gelden als beschermingsalternatief. De rechtbank stelt voorop dat pas sprake kan zijn van een beschermingsalternatief als sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade in Deir ez-Zor en eiser zich daaraan kan onttrekken door zich in Idlib te vestigen. De rechtbank overweegt dat de minister geen beoordeling heeft gemaakt of eiser bij terugkeer naar Deir ez-Zor een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Voor zover de minister stelt dat wel uitgegaan moet worden van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico van ernstige schade bij terugkeer naar Deir ez-Zor, overweegt de rechtbank dat de minister op de zitting niet heeft gemotiveerd dat eiser aan alle genoemde voorwaarden voor een beschermingsalternatief voldoet zoals neergelegd in zijn beleid. Zo is niet gemotiveerd of eiser op een veilige en wettige manier kan reizen en toegang kan verkrijgen tot Idlib. De beroepsgrond slaagt.
Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek. Het beroep is daarom gegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:10445
30-04-2026, Rb ’s-Hertogenbosch, Tunesië, beroep gerond [veilig land van herkomst; biseksuele gerichtheid]
Reden signalering:
De rechtbank oordeelt dat de minister de ongeloofwaardigheid van de biseksuele gerichtheid onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister gelooft namelijk wel dat eiser seksuele contacten had met mannen. De minister acht zwaarwegend dat deze behoefte niet voortkomt uit liefdesgevoelens en daarom de biseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is. De rechtbank oordeel dat de minister in alle redelijkheid niet tot dit oordeel heeft kunnen komen. Dat de behoefte aan seksuele contacten met mannen niet voortkomt uit liefdesgevoelens, maar uit wat eiser in het verleden is overkomen, maakt niet dat daarom zonder meer geen sprake is van biseksuele gerichtheid.
Eiser heeft bij zijn asielaanvraag gesteld dat hij van Tunesische nationaliteit is en is geboren op [geboortedatum] 1985. Eiser heeft verklaard dat hij biseksueel is en dat hij in Tunesië als gevolg daarvan problemen heeft ondervonden. Zo is hij in 2005 opgepakt en mishandeld door de politie wegens het verrichten van seksuele handelingen met een man ([naam]). Ook heeft er een incident met eisers familie plaatsgevonden waarbij hij door hen is vastgebonden op een stoel nadat zij foto’s en video’s op eisers telefoon aantroffen. Verder is eiser in 2014 beroofd op een parkeerplaats. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij in Tunesië gediscrimineerd werd vanwege zijn etniciteit en uiterlijk. Hij vreest dat hij hier bij terugkeer opnieuw mee te maken zal krijgen. Ook vreest eiser voor een gevangenisstraf vanwege zijn seksuele geaardheid.
De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst alsmede de discriminatie vanwege zijn etniciteit en uiterlijk geloofwaardig. De minister gelooft echter niet dat eiser biseksueel is. De problemen als gevolg van de biseksuele gerichtheid acht de minister deels geloofwaardig. Zo wil de minister wel aannemen dat eiser is aangehouden door de politie, maar niet vanwege het hebben van seksueel contact met [naam]. De minister gelooft verder niet dat het incident met eisers familie heeft plaatsgevonden. Wel wil de minister aannemen dat eiser op de parkeerplaats in 2014 is beroofd, maar daarbij ziet hij geen connectie met eisers seksuele gerichtheid.
De minister heeft de geloofwaardig geachte asielmotieven verder getoetst. Daarover stelt hij het volgende. Dat eiser uit Tunesië komt, is onvoldoende om vluchtelingschap dan wel een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Daarbij wijst de minister op de aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst in de zin van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De minister acht het verder niet aannemelijk dat eiser te vrezen heeft vanwege de eerdere mishandeling in 2005. De seksuele contacten met mannen komen niet voort vanuit een biseksuele gerichtheid. Daarom mag van eiser bij terugkeer op dit gebied terughoudendheid worden verwacht. Daarnaast vindt de minister eisers verklaringen over de discriminatie te algemeen van aard. Eiser dient zich tot de Tunesische autoriteiten te wenden indien hij van mening is dat hij vanwege de discriminatie problemen heeft ondervonden. Dit geloofwaardig geachte asielmotief leidt dan ook niet tot de conclusie dat eiser niet veilig kan terugkeren naar Tunesië.
Is Tunesië een veilig land van herkomst?
Uit het eerder genoemde arrest Alace volgt dat de eerdere aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst geen stand kan houden. In dit arrest heeft het Hof namelijk geoordeeld dat het niet toegestaan is om bepaalde groepen uit te zonderen op grond van de Procedurerichtlijn.4 De minister heeft naar aanleiding van dit arrest acht landen van de lijst met veilig landen van herkomst geschrapt, waaronder Tunesië5. Uit IB 2025/35 volgt verder dat asielaanvragen van vreemdelingen uit Tunesië niet langer in de versnelde procedure (spoor 2) worden behandeld, maar in de algemene procedure (spoor 4).
Eiser betoogt dat de minister de asielaanvraag opnieuw moet beoordelen, nu de minister niet langer artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 tegenwerpt. De rechtbank kan daarom niet zelf in de zaak voorzien, maar moet de minister opdracht geven om opnieuw te beslissen op de asielaanvraag.
De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. Daarbij is van belang dat de procedure van eiser niet is afgedaan in spoor 2 en dat hij na het aanmeldgehoor uitgebreid is gehoord op 14 en 16 november 2022. Tijdens dat nader gehoor heeft eiser de gelegenheid gekregen om zijn asielmotieven naar voren te brengen. De gehoormedewerker heeft actief gevraagd naar alle asielmotieven van eiser. Er is ook ruim de aandacht besteed aan de gestelde asielmotieven. Dit blijkt alleen uit het feit dat het rapport van nader gehoor uit 53 pagina’s bestaat. Daarnaast heeft eiser een medisch onderzoek gehad. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat de beoordeling van eisers asielmotieven tekort is geschoten vanwege de tegenwerping ‘veilig land van herkomst’. In dit verband heeft de minister ter zitting terecht opgemerkt dat de geloofwaardig geachte elementen in het bestreden besluit inhoudelijk zijn beoordeeld en dat daarbij niet enkel is verwezen naar de omstandigheid dat Tunesië wordt aangemerkt als een veilig land van herkomst. De rechtbank volgt de minister dan ook in zijn standpunt dat die beoordeling niet anders was geweest indien eisers asielaanvraag was afgewezen als ongegrond in plaats van kennelijk ongegrond.
De afwijzing van eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond ondanks de onterechte aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst, leidt de rechtbank reeds tot gegrondverklaring van het beroep. Daarmee is echter, gelet op het voorgaande, niet direct uitgesloten dat er een mogelijkheid bestaat tot finale geschilbeslechting.8 In het navolgende zal de rechtbank dan ook ingaan op eisers beroepsgronden gericht tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn gestelde biseksuele geaardheid. De rechtbank heeft daarbij geprobeerd het geschil zo finaal als mogelijk te beslechten.
Mocht de minister eisers gestelde biseksuele geaardheid als ongeloofwaardig beoordelen?
De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft eiser op de eerste plaats niet ten onrechte tegengeworpen dat uit zijn verklaringen niet blijkt dat hij zeker is van zijn seksuele gerichtheid en dat eiser ontwijkend en afstandelijk verklaart over de ontdekking en acceptatie van zijn biseksualiteit. De minister heeft er in dit verband op kunnen wijzen dat tijdens het gehoor is getracht eisers seksuele gerichtheid te duiden, maar dat eisers antwoorden er eerder blijk van geven dat hij onvoldoende geïnformeerd is dan dat hij worstelt met zijn geaardheid. Uit deze antwoorden klinkt een aarzeling door en deze wordt versterkt door de omstandigheid dat eiser na het gehoor informatie heeft opgezocht over biseksualiteit. Dat deze informatie in Algerije niet beschikbaar zou zijn, heeft eiser niet onderbouwd en acht de rechtbank ook niet aannemelijk. Daar komt bij dat eiser voorafgaand aan het gehoor op 14 november 2022 al enige tijd in Nederland verbleef. Ten aanzien van eisers verklaring dat geen sprake is geweest van een worsteling ten aanzien van zijn gevoelens voor mannen en enkel ten aanzien van de duiding van deze gevoelens, heeft de minister onder verwijzing naar WI 2019/17 kunnen stellen dat eiser geen inzicht heeft gegeven in zijn denkproces. Hoewel de minister niet als uitgangspunt hanteert dat er in alle gevallen een interne worsteling moet hebben plaatsgevonden voordat een vreemdeling zijn LHBTIQ+-gerichtheid accepteert, mag hij wel verwachten dat sprake van een zeker (denk)proces indien een vreemdeling afkomstig is uit een land waar deze seksuele gerichtheid niet wordt geaccepteerd en waar dit mogelijk strafbaar is gesteld. Het is dan immers vanzelfsprekend dat de vreemdeling zich onder andere voor de vraag gesteld ziet wat het betekent om anders te zijn dan wat de maatschappij (en de wet) verwacht en op welke wijze hij daaraan invulling wil en kan geven.
Daarnaast heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet kan uitleggen hoe hij ontdekte dat hij biseksueel is en hoe hij dit heeft ervaren. De enkele stelling van eiser dat hij wel degelijk zijn gedachten en gevoelens bij zijn seksuele gerichtheid naar voren heeft gebracht, zonder dit te concretiseren, doet daaraan niet af. Hoewel de rechtbank wel aanneemt dat het fysieke aspect relevant kan zijn voor het ontdekken van iemands geaardheid, mocht de minister wel van eiser - die vraagt om internationale bescherming wegens zijn seksuele geaardheid - verwachten dat hij over meer dan enkel het fysieke aspect kan verklaren.
Verder wijst de minister er niet ten onrechte op dat eisers verklaringen over zijn relatie met [naam] niet op een biseksuele relatie wijzen. Eiser stelt weliswaar dat de minister te veel van hem verwacht als het gaat om het verklaren over deze relatie, maar de minister wijst er in het bestreden besluit niet ten onrechte op dat de relatie met [naam] - naar eisers eigen verklaring - zijn enige relatie was met een man en dat hij gevoelens voor hem had. Daar komt bij dat de minister in het voornemen ook andere contacten dan wel relaties die eiser heeft gehad met mannen heeft betrokken. Daarover is eveneens gesteld dat eiser geen diepgaande verklaringen heeft afgelegd en dat deze enkel toezien op het fysieke en seksuele aspect.
Hoewel de minister voorgaande aspecten niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen in de geloofwaardigheidsbeoordeling, constateert de rechtbank tegelijkertijd dat de minister wel gelooft dat eiser al in Tunesië seksuele contacten heeft gehad met mannen. Zo is bij de beoordeling van de vrees vanwege het incident met de politie in het bestreden besluit verwezen naar het voornemen, waarin het volgende is overwogen: “Zoals hierboven in dit voornemen overwogen komen de seksuele contacten die u met mannen aangaat niet voort vanuit een biseksuele gerichtheid. Van u mag daarom bij terugkeer op dit gebied terughoudendheid worden verwacht”. Ook ter zitting heeft de minister erop gewezen dat de gestelde biseksualiteit van eiser niet wordt gevolgd omdat niet is gebleken dat sprake is van liefdesgevoelens, maar het seksueel contact met mannen voorkomt uit een verleden van seksueel misbruik. Daarbij ging het eiser soms om geld, maar soms ook om gevoelens van wraak, controle en macht. Hieruit volgt dus dat de minister geloofwaardig acht dat eiser seksuele contacten had met mannen en dat deze behoefte voortkomt uit wat eiser in het verleden is aangedaan door andere mannen. De rechtbank acht het standpunt van de minister inhoudende dat geloofwaardig is dat eiser seksuele contacten heeft gehad met mannen als gevolg van een trauma tegenstrijdig met het standpunt van de minister dat eisers biseksualiteit ongeloofwaardig is. Daarbij is van doorslaggevend belang dat uit de verklaring van de minister ter zitting volgt dat hij niet ongeloofwaardig acht dat bij eiser sprake is van wraakgevoelens en/of gevoelens van controle en macht en hieruit voor eiser een behoefte voortvloeit voor het hebben van seksueel contact met mannen. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat eiser deze contacten niet enkel aanging omdat hij daartoe gedwongen werd of uit financiële noodzaak. De minister acht van groot belang dat de seksuele contacten met mannen niet voortvloeit uit liefdesgevoelens en dat daarom ongeloofwaardig is dat eiser biseksueel is. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister zich in alle redelijkheid niet op dit standpunt heeft kunnen stellen. Dit standpunt kan zelfs een terughoudende rechterlijke toets niet doorstaan. Dat de behoefte aan seksuele contacten met mannen bij eiser niet voortkomt uit liefdesgevoelens maar uit wat hij in het verleden heeft meegemaakt, leidt immers niet automatisch tot de conclusie dat hij dan dus geen biseksuele gerichtheid heeft.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zijn standpunt over eisers biseksuele geaardheid ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank komt daarom niet toe aan de overige beroepsgronden van eiser. Omdat het niet aan de rechtbank maar aan de minister is een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te maken, zal de minister de geloofwaardigheid van de geaardheid opnieuw moeten beoordelen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet bij deze stand van zaken geen mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten en zelf in de zaak te voorzien, zoals verzocht door de minister.
Vrees voor vervolging
De geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielmotief ‘biseksuele gerichtheid’ werkt door in de beoordeling van eisers problemen als gevolg van zijn biseksuele gerichtheid alsmede in de beoordeling van de vrees bij terugkeer naar Tunesië. In het kader van de finale geschilbeslechting overweegt de rechtbank het volgende. Ook al zou de minister in een nieuwe te nemen besluit het standpunt handhaven dat eisers biseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is, acht de minister niet ongeloofwaardig dat eiser in Tunesië seksueel contact heeft gehad met mannen en dat hij een intrinsieke behoefte hieraan heeft. De minister zal daarmee bij de beoordeling van de vrees bij terugkeer in een nieuw te nemen besluit rekening moeten houden. In dit verband wijst de rechtbank op het arrest X, Y en Z van het Hof, waaruit volgt dat bij de beoordeling van een asielverzoek de bevoegde autoriteiten redelijkerwijs niet kunnen verwachten dat de asielzoeker, ter vermijding van het risico van vervolging, in zijn land van herkomst zijn homoseksualiteit geheim houdt of zich bij de invulling van die seksuele gerichtheid terughoudend opstelt. Dit maakt dat het standpunt van de minister hierover in het voornemen, in strijd is met de Kwalificatierichtlijn.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:10477
21-04-2026, Rb Groningen, Eritrea, beroep ongegrond [veilig derde land; Uganda]
Reden signalering:
De minister heeft Uganda voor eiseres als veilig derde land kunnen aanmerken en kunnen overwegen dat eiseres een zodanige band heeft met Uganda dat het voor haar redelijk is om daar naar toe te gaan. Verder heeft de minister aannemelijk kunnen vinden dat eiseres opnieuw zal worden toegelaten tot Uganda. De niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven.
De minister heeft de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij Uganda voor eiseres aanmerkt als veilig derde land. Eiseres heeft anderhalf jaar in Uganda verbleven en toestemming gekregen om daar als vluchteling te verblijven. Eiseres heeft in Uganda gewerkt, een woning gehuurd en heeft er een sociaal netwerk. De minister vindt daarom dat eiseres een zodanige band heeft met Uganda dat het voor haar redelijk is om daar naar toe te gaan. De minister vindt aannemelijk dat eiseres opnieuw tot Uganda wordt toegelaten, omdat zij in het verleden probleemloos is toegelaten, zij daar een vluchtelingenstatus heeft en een document heeft gekregen waaruit blijkt dat zij een verblijfsrecht heeft en mag reizen.
Band met Uganda
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich allereerst op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres een zodanige band heeft met Uganda dat het voor haar redelijk is om daar naar toe te gaan. Uit de verklaringen van eiseres blijkt namelijk dat zij, met toestemming van de autoriteiten, een jaar en vijf maanden als vluchteling in Uganda heeft verbleven en dat zij daar onderdak en werk had. Dat eiseres stelt dat zij slechts toestemming had voor tijdelijk verblijf, maakt niet dat zij geen band heeft met Uganda. Eiseres heeft ook met haar stelling op de zitting dat zij in Uganda niet zou hebben gewerkt niet weerlegd dat zij een band heeft met Uganda. Deze verklaring wijkt bovendien af van haar verklaringen in het aanmeldgehoor en nader gehoor.
Aannemelijkheid toelating
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres zal worden toegelaten tot Uganda. Allereerst is daarbij van belang dat het toelatingsvereiste voor veilige derde landen niet betekent dat op voorhand moet vaststaan dat eiseres tot Uganda zal worden toegelaten. De minister moet, gelet op het hiervoor genoemde toetsingskader, redenen aangeven op grond waarvan het aannemelijk is dat eiseres zal worden toegelaten. De minister mocht er naar het oordeel van de rechtbank vanuit gaan dat eiseres in beginsel opnieuw zal worden toegelaten, gelet op de verklaringen van eiseres over haar eerdere toegang en verblijfsstatus gedurende een jaar en vijf maanden en het Ugandese vluchtelingenbeleid. Eiseres heeft geen tegenbewijs geleverd om aannemelijk te maken dat toelating tot Uganda in haar situatie niet meer mogelijk is. Eiseres heeft haar stelling dat zij niet opnieuw zal worden toegelaten, doordat zij sinds 2023 buiten Uganda verblijft, niet onderbouwd. Uit de overgelegde landeninformatie blijkt niet dat (lang) verblijf buiten Uganda ertoe leidt dat toelating niet meer mogelijk is. Verder heeft eiseres met haar stelling dat zij slechts tijdelijk verblijf had in Uganda ook niet aannemelijk gemaakt dat zij niet opnieuw tot Uganda zal worden toegelaten. Eiseres heeft ook deze stelling niet onderbouwd.
Het artikel van 4 december 2025 van The Guardian, waarin wordt vermeld dat Uganda geen asiel meer zal verlenen aan onder andere Eritreeërs, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft in het besluit namelijk gewezen op een recenter artikel van
23 december 2025 van africanintelligence.com, waarin wordt vermeld dat Eritrese vluchtelingen weer asiel kunnen aanvragen in Uganda. Verder is niet gebleken dat eiseres inspanningen heeft verricht om te worden toegelaten tot Uganda. Dat de eiseres stelt dat de ambassade haar niet wilde helpen en dat de gemachtigde inmiddels per e-mail heeft geïnformeerd bij het ‘Office of the Prime Minister’ en dat zij van de UNHCR een bericht heeft gekregen dat eiseres bij de UNHCR niet bekend is, is daarvoor niet voldoende.
De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, leidt ook niet tot een ander oordeel. Deze uitspraak is mede gebaseerd op informatie van de Noorse Vluchtelingenraad van juni 2025, waarin wordt vermeld dat de Ugandese autoriteiten de registratie van Eritrese vluchtelingen in januari 2025 hadden opgeschort, terwijl uit de onder overweging 9.1 vermelde recentere informatie, waarop de minister in het besluit heeft gewezen, blijkt dat Eritrese vluchtelingen wel weer asiel kunnen aanvragen. De rechtbank volgt ook niet de stelling dat de minister gelet op deze uitspraak tijdens het nader gehoor meer vragen had moeten stellen aan eiseres over de toelating tot Uganda. In de zaak die tot die uitspraak heeft geleid, speelde namelijk, anders dan bij eiseres, een rol dat de kinderen van de vreemdelinge geen documenten hadden, de nationaliteit van een van de kinderen onbekend was en niet duidelijk was of de vreemdelinge aan de voor toegang tot Uganda benodigde documenten voor haar en haar kinderen kon komen. De rechtbank oordeelt dan ook dat de minister, anders dan in de aangehaalde uitspraak en mede gelet op de door eiseres tijdens het nader gehoor gegeven antwoorden, voldoende heeft doorgevraagd en aldus gelegenheid heeft gegeven aan eiseres om te verklaren waarom zij denkt dat zij niet kan terugkeren, of over de toegangsmogelijkheden tot Uganda voor haar.
Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:9602