Jurisprudentie
Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:
28-07-2026, Rb Zwolle, beroep gegrond [einduitspraak na prejudiciële verwijzing; arrest Quotal; zelfstandig feitenonderzoek, eigen oordeel geloofwaardigheid door rechter]
Reden signalering:
Het Hof van Justitie EU heeft de prejudiciële vragen van de rechtbank beantwoord in het arrest Quotal. Deze einduitspraak volgt op dit arrest. Aan de hand van dit arrest komt de rechtbank tot het oordeel dat zij 1) zelf onderzoek mag verrichten naar de feiten en 2) aan de hand van dat onderzoek een eigen oordeel mag geven over de geloofwaardigheid van de asielrelazen en de behoefte aan internationale bescherming.
In de tussenuitspraak had de rechtbank geoordeeld dat eiser in het verleden al was blootgesteld aan ernstige schade. Omdat een deel van die blootstelling voortkwam uit een toegedichte afvalligheid, en dus verband hield met een geloofsovertuiging, komt de rechtbank tot het oordeel dat eiser als vluchteling moet worden aangemerkt. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de drempel voor een ‘gegronde vrees’ en ‘reëel risico op ernstige schade’ hetzelfde is. De rechtbank kent aan eiser een verblijfsstatus toe en draagt de minister op een verblijfsvergunning c.q. verblijftitel te verlenen.
De rechtbank stelde in de tussenuitspraak van 11 maart 2025 vast dat de minister in de kern alles wat eiser heeft verklaard over wat hem is overkomen geloofwaardig heeft geacht, maar dat hij niet geloofwaardig acht dat de problemen met de buurtbewoners en de geestelijke [titel] zijn voortgekomen uit een aan eiser toegedichte afvalligheid van de islam.
Daarbij overwoog de rechtbank dat met de mishandeling van eiser, met name de mishandeling door de (studenten van de) geestelijke [titel] en de marteling onder supervisie van de politie, eiser is blootgesteld aan ernstige schade. Daarbij overwoog de rechtbank dat in artikel 31, vijfde lid, van de Vw - thans artikel 4 lid 4 van Verordening (EU) 1347/2024 - staat dat het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade, of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Uit het aanvullend besluit leidde de rechtbank af dat de minister zich op het standpunt stelt dat die goede redenen er zijn. De rechtbank stelde daarbij evenwel vast dat de minister daarvoor in de kern enkel heeft verwezen naar de periodes die eiser probleemloos in Pakistan zou hebben kunnen verblijven.
De rechtbank overwoog dat die redenen niet voldoen. De rechtbank overwoog verder een eigen oordeel te willen geven over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser en de behoefte aan internationale bescherming, maar zag zich hierin belemmerd door de rechtspraak van de Afdeling. De rechtbank is vervolgens overgegaan tot heropening van het vooronderzoek en heeft daarbij de volgende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld:
- Kan de rechtbank aan artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32/EU, al dan niet in samenhang bezien met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU, dan wel aan enige andere bepaling of beginsel van EU-recht, de bevoegdheid ontlenen om een eigen oordeel over de geloofwaardigheid van een asielrelaas te geven, die in de plaats treedt van het oordeel dat de minister heeft gegeven?
- Kan de rechtbank aan een van voornoemde bepalingen de bevoegdheid ontlenen om aan de hand van de door de minister geloofwaardig geachte onderdelen van het asielrelaas en, zo het antwoord op vraag 1 bevestigend is, de onderdelen van het asielrelaas die de rechtbank daarenboven geloofwaardig acht, een inhoudelijk en definitief oordeel te geven over het verzoek om internationale bescherming? Mag de rechtbank daarbij haar eigen oordeel over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade in de plaats stellen van dat van de minister, met name als de rechtbank zich tegen de achtergrond van beschikbare voor het publiek toegankelijke landeninformatie voldoende geïnformeerd acht om een dergelijk oordeel te geven?
- Kan de nationale rechtspraak, bijvoorbeeld op grond van de procedurele autonomie, de bevoegdheden als bedoeld onder vragen 1 en 2 inperken, in die zin dat die bevoegdheden alsnog exclusief aan de minister worden toebedeeld?
- Mag de rechtbank informatie die in beroep naar voren is gebracht, maar in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar was, betrekken bij het oordeel over de vraag of hij over genoeg informatie beschikt om een inhoudelijk oordeel te geven? Is daarbij relevant of partijen schriftelijk, dan wel ter zitting zich volledig over de feiten hebben kunnen uitlaten?
Daarbij overwoog de rechtbank ten aanzien van de relevantie van de vragen het volgende:
19. De relevantie van de vragen is in het navolgende gelegen. Als de vragen onder 1 en 2 bevestigend moeten worden beantwoord en vraag 3 ontkennend en uit het antwoord op vraag 4 blijkt dat gegevens die in beroep bekend zijn geworden bij de afweging of een inhoudelijk oordeel kan worden gegeven mogen worden betrokken, dan zal de rechtbank een inhoudelijk oordeel geven over de asielstatus van eiser en daarbij beslissen dat aan eiser internationale bescherming zal moeten worden toegekend. Eiser heeft blijkens zijn, ook door de minister geloofwaardig bevonden, verklaringen reeds in het verleden ernstige schade ervaren, hetgeen ingevolge artikel 31, vijfde lid, van de Vw, de implementatie van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 2011/95/EU, een duidelijke aanwijzing is dat het risico op die ernstige schade bij terugkeer reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dergelijke goede redenen door de minister niet aangevoerd. Voor zover de minister in dit verband verwijst naar het verblijf in [plaats 1] , en de vijfmaanden periode in Pakistan na het vertrek uit [plaats 2] is dit, zoals hiervoor onder 11.2 en 11.3 is overwogen, niet toereikend. De rechtbank acht bovendien de verklaringen van eiser over zijn verblijf in [plaats 1] en [plaats 4] geloofwaardig, zoals ook uit overwegingen 11.2 en 11.3 kan worden afgeleid. De rechtbank betrekt daarbij ook informatie die in beroep is aangevoerd.
In de tussenuitspraak van 13 augustus 2024 heeft de rechtbank bovendien geoordeeld dat het enkele tijdsverloop sinds een eerdere blootstelling aan ernstige schade evenmin voldoende is om als goede redenen in voornoemde zin te kwalificeren. Daarnaast heeft de rechtbank, gelet op de door de minister geloofwaardig geachte asielmotieven, in samenhang met hetgeen hiervoor onder 13 is overwogen, geen reden om te twijfelen aan de door eiser gestelde (toegedichte) afvalligheid. Gelet op de beschikbare landeninformatie lopen personen die als afvallig worden beschouwd een reëel risico op ernstige schade, waaronder lynchpartijen en aanvallen door menigten, hetgeen eiser blijkens zijn verklaringen over de geestelijke [titel] ook daadwerkelijk heeft meegemaakt, zodat ook om die reden voldoende aannemelijk is dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt.
20. Indien vraag 1 en/of 2 ontkennend wordt beantwoord, dan zal de rechtbank moeten volstaan met een vernietiging en terug verwijzing naar de minister, opdat de minister op de betreffende onderdelen (geloofwaardigheid of zwaarwegendheid) nog een nadere beoordeling kan verrichten. Indien vraag 3 bevestigend moet worden beantwoord, dan zal de rechtbank eveneens de zaak moeten terugverwijzen naar de minister voor een nadere beoordeling, omdat een andersluidend oordeel in dat geval naar alle waarschijnlijkheid in hoger beroep door de Afdeling niet in stand zal worden gelaten, aangezien de Afdeling in dat geval haar rechtspraak onverkort kan blijven toepassen. Indien de vierde vraag volledig ontkennend moet worden beantwoord, dan zal de rechtbank de zaak eveneens naar de minister moeten terugverwijzen voor een nadere beoordeling over die aspecten die in beroep wel, maar in de bestuurlijke fase niet naar voren zijn gebracht. Dit laat alsdan evenwel onverlet dat de rechtbank op de overige onderdelen, mits de vragen 1 en 2 bevestigend en vraag 3 ontkennend zijn beantwoord, dan wel een definitief oordeel kan geven, zodat de besluitvorming in een verder gevorderd stadium komt te liggen dan als de vragen 1 en 2 ontkennend en vraag 3 bevestigend moeten worden beantwoord.
Het Hof heeft op 4 juni 2026 in antwoord op deze vragen het arrest Quotal gewezen (ECLI:EU:C:2026:447). Het Hof heeft daarbij de prejudiciële vragen van de rechtbank als volgt beantwoord:
Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat ten eerste die bepaling een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid verleent om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, en ten tweede de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken.
De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van het beroep voortgezet. Op 17 juli 2026 heeft bij de rechtbank een zitting naar aanleiding van dit arrest plaatsgevonden, waar partijen hun visie op het arrest en de gevolgen ervan voor de onderhavige procedure uiteen hebben gezet.
Het oordeel van de rechtbank
Mag de rechtbank zelf inhoudelijk oordelen en onderzoek verrichten?
De rechtbank stelt voorop dat het besluit van de minister nog steeds het startpunt is voor de beoordeling in beroep. Het is immers ook op grond van artikel 46 van richtlijn 2013/32/EU nog steeds het afwijzende besluit waartegen beroep wordt ingesteld, daarin brengen de arresten Quotal en Ebilum geen verandering.
Dit neemt evenwel niet weg dat de rechtbank verplicht is om in voorkomend geval ambtshalve zowel de feitelijke als de juridische gronden van die beslissing volledig en ex nunc te onderzoeken op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van de zaak, zoals aangevuld of verduidelijkt na een procedure op tegenspraak, ongeacht of al deze elementen waren opgenomen in de middelen van het beroep waarmee het verzoek om rechterlijke toetsing werd ingeleid. Een dergelijk ambtshalve onderzoek moet een beoordeling omvatten van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig het toepasselijke Unierecht en van de eerbiediging van het beginsel van non refoulement. De rechtbank is in diens onderzoek dus ook niet beperkt tot de door de verzoeker aangevoerde beroepsgronden.
Uit de arresten Quotal en Ebilum volgt verder dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Dit houdt in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.
Indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, dan heeft de rechtbank de bevoegdheid om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.
Anders dan de minister lijkt te stellen, volgt uit het gegeven dat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek moet verrichten ook dat de rechtbank zelfstandig hangende de procedure en zonder dat de zaak daartoe wordt terugverwezen naar de minister, eigen onderzoek mag verrichten naar feiten die in de besluitvormingsprocedure onderbelicht zijn gebleven. De rechtbank kan dit bijvoorbeeld doen door ter zitting verduidelijkingsvragen aan de verzoekers van internationale bescherming te stellen of, in geval van een gebrekkig gehoor, zo nodig de verzoeker zelf met inachtneming van de waarborgen uit richtlijn 2013/32/EU te horen.
De rechtbank mag er echter ook voor kiezen om daar waar het besluit blijk geeft van onvolledig onderzoek, op dat onderdeel terug te verwijzen, mits de rechtbank dan wel duidelijk aangeeft in welk opzicht het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest en welke onderzoekshandelingen de minister dan nog dient te verrichten.
De rechtbank is derhalve wel bevoegd, maar niet verplicht om ten behoeve van nader onderzoek de zaak naar de minister terug te verwijzen, en kan er dus ook voor kiezen dat onderzoek zelf te (laten) verrichten.
De rechtbank zal in haar beoordeling van de feiten verder landeninformatie moeten betrekken waarvan zij niet onkundig mag zijn. Aangezien ook de minister geacht mag worden van die landeninformatie op de hoogte te zijn, dient het gegeven dat de minister zich over dergelijke landeninformatie in een concreet besluit of elders in de procedure niet volledig heeft uitgelaten voor diens rekening en risico te blijven, indien en voor zover het gaat om landeninformatie die ten tijde van het bestreden besluit al bekend was. Het gaat in die gevallen immers niet om nieuwe elementen die pas in beroep naar voren zijn gekomen, als bedoeld in onder meer punten 47, 48 en 52 van het arrest Ebilum, maar om elementen waarmee de beslissingsautoriteit rekening had kunnen houden, als bedoeld in punt 44 van dat arrest.
Indien de rechtbank de motivering van de minister in het aangevochten besluit niet volgt en een eigen oordeel over de geloofwaardigheid en/of behoefte aan internationale bescherming geeft, dan zal – gelet op de rechterlijke motiveringsplicht zoals deze voortvloeit uit artikel 47 van het Handvest – uit de uitspraak duidelijk naar voren moeten komen dat en waarom de motivering van de minister in het aangevochten besluit door de rechtbank wordt verworpen.
Gevolgen van het arrest Quotal voor de onderhavige zaak
De rechtbank constateert dat de minister weliswaar verzoekt om terug te komen van de eindbeslissingen in de tussenuitspraak van 11 maart 2025, maar eveneens stelt verder niet meer op de besluitvorming en de oordelen in die tussenuitspraak in te gaan. Dit betekent dat er naar het oordeel van de rechtbank in beginsel ook geen redenen zijn om terug te komen van de eerdere eindbeslissingen.
Nu er geen redenen zijn aangevoerd door de minister ter onderbouwing van het standpunt dat teruggekomen zou moeten worden op eindbeslissingen in de tussenuitspraak en de rechtbank hier ook ambtshalve geen aanleiding toe ziet, stelt de rechtbank vast dat zij het asielrelaas van eiser integraal – dat wil zeggen ook voor wat betreft de onderdelen die de minister in het aanvullende besluit nog ongeloofwaardig achtte – geloofwaardig acht. Voor de motivering hiervan verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 11 maart 2025. De rechtbank benadrukt daarbij dat zij die beoordeling in de tussenuitspraak heeft gedaan op basis van de dossierstukken, waaronder de asielgehoren, die ook bij de minister bekend waren. De minister heeft aldus uitgebreid de gelegenheid gehad om te reageren op de door eiser ingenomen stellingen en zijn visie op de dossierstukken nog nader te onderbouwen.
De rechtbank stelt verder vast dat zij in de tussenuitspraak van 11 maart 2025 in rechtsoverweging 19 in de kern heeft overwogen van oordeel te zijn dat eiser, gelet op het geloofwaardig geachte asielrelaas, een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat als het Hof de vragen onder 1 en 2 bevestigend zou beantwoorden, de vraag onder 3 ontkennend en uit het antwoord op vraag 4 zou blijken dat gegevens die in beroep bekend zijn geworden bij de afweging of een inhoudelijk oordeel kan worden gegeven mogen worden betrokken, de rechtbank dan een inhoudelijk oordeel zal geven over de asielstatus van eiser en daarbij zal beslissen dat aan eiser internationale bescherming zal moeten worden toegekend.
Uit de beantwoording van het Hof van de prejudiciële vragen volgt, zoals ook uit de bespreking hiervan in het voorgaande blijkt, in de kern dat de prejudiciële vragen van de rechtbank onder 1 en 2 bevestigend zijn beantwoord, de vraag onder 3 ontkennend is beantwoord en dat verder uit het arrest blijkt dat gegevens die in beroep bekend zijn geworden bij de afweging of een inhoudelijk oordeel kan worden gegeven mogen worden betrokken. Dit betekent dat de rechtbank thans zelf vaststelt, op basis van de gegevens zoals die aan de aanvraag en de besluitvorming ten grondslag liggen, mede gezien de elementen die in beroep naar voren zijn gekomen en overeenkomstig hetgeen de rechtbank in de tussenuitspraak van 11 maart 2025 heeft overwogen, dat eiser internationale bescherming moet worden toegekend.
Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit verder voort dat afvalligheid moet worden gekwalificeerd als een geloofsovertuiging. Een vreemdeling die vreest voor vervolging wegens afvalligheid, wordt dus beschermd door artikel 1a, aanhef en onder (2), van het Vluchtelingenverdrag en artikel 10 van Verordening (EU) 2024/1347. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 11 maart 2025 reeds geoordeeld dat eiser (ook) wegens diens toegedichte afvalligheid een reëel risico loopt op ernstige schade. Aangezien dit betekent, gelet op de Afdelingsrechtspraak, dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt wegens een geloofsovertuiging (toegedichte afvalligheid), betekent dit dus in de kern dat eiser (ook) een gegronde vrees voor vervolging heeft om redenen van godsdienst als bedoeld artikel 3, aanhef en onder 5 van Verordening (EU) 2024/1347, zodat eiser tevens als “vluchteling” moet worden gekwalificeerd. Daarbij betrekt de rechtbank dat de drempel voor een “gegronde vrees” en “reëel risico op ernstige schade” hetzelfde is. Dit betekent dat eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus.
Zelf in de zaak voorzien?
Hoewel uit het arrest van het Hof blijkt dat lidstaten niet verplicht zijn aan de rechter in eerste aanleg de bevoegdheid te verlenen om zelf in de zaak te voorzien, en dus kunnen volstaan met een systematiek waarbij de rechtbank, na te hebben geoordeeld dat een verzoeker voor internationale bescherming in aanmerking komt, de zaak terugverwijst naar de beslissingsautoriteit om een besluit overeenkomstig die uitspraak te nemen, mogen de lidstaten die bevoegdheid wel verlenen.
In artikel 8:72, lid 3 van de Awb is aan de bestuursrechter de bevoegdheid verleend om, in voorkomend geval, zelf in de zaak te voorzien door zijn uitspraak in de plaats te laten treden van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. Uit de rechtspraak van de Afdeling kan worden afgeleid dat de bestuursrechter de overtuiging moeten hebben dat de uitkomst van het geschil, in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn dan die waarin hij zelf voorziet en de toets aan het recht kan doorstaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is aan dit criterium voldaan. Vaststaat dat de rechtbank bevoegd is een eigen oordeel te geven over de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de gegrondheid van het verzoek en dat de minister aan deze oordelen van de rechtbank is gebonden. De minister kan dan ook niet van het oordeel van de rechtbank zoals dat in deze einduitspraak is gegeven afwijken. Dat de minister er nog op wijst dat hij, als de rechtbank niet zelf zou voorzien maar de zaak in plaats daarvan terugverwijst, op basis van nieuwe elementen nog een andersluidend besluit zou kunnen nemen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Zou er namelijk sprake zijn geweest van elementen die een wezenlijk ander licht op de zaak werpen ten aanzien van de feitelijke vaststellingen in de tussenuitspraak van 11 maart 2025, dan ligt het in de rede dat de minister deze uiterlijk op de zitting van 17 juli 2026 zou hebben aangevoerd. Het enkele hypothetische geval dat de minister mogelijk na de einduitspraak nog nieuwe elementen ‘ontdekt’ die een nieuw licht op de zaak zouden kunnen werpen is onvoldoende om afbreuk te doen aan de overtuiging van de rechtbank dat in het geval de minister opnieuw in de zaak zou voorzien, de uitkomst geen andere zou zijn dan die waarin de rechtbank thans zelf voorziet en die de toets aan het recht kan doorstaan.
De rechtbank zal aldus zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat eiser internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus als bedoeld in artikel 13 jo hoofdstukken II en III van Verordening (EU) 2024/1347 geniet per datum van de aanvraag.
De minister zal daarbij, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1412), nog wel moeten overwegen of 13 februari 2019 of 15 oktober 2020 als aanvraagdatum heeft te gelden.
De minister wordt verder opgedragen om overeenkomstig artikel 13 jo hoofdstukken II en III jo artikel 24 van Verordening (EU) 2024/1347 in samenhang bezien met de toepasselijke Nederlandse uitvoeringswetgeving binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig zijn vluchtelingenstatus te verstrekken.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:21085, Rechtbank Den Haag, NL24.1518.
17-07-2026, Rb Roermond, Eritrea, tussenuitspraak [opvolgende aanvraag; afdoeningsmodaliteit; integrale beoordeling rechter]
Reden signalering: De rechtbank wordt indien zij gebruik wil maken van haar Unierechtelijke bevoegdheid om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser en de gegrondheid van zijn verzoek om internationale bescherming, niet beperkt door de afdoeningsmodaliteit die verweerder in zijn besluit heeft gekozen.
De administratieve fase is weliswaar een essentiële fase in de procedure, maar die fase is reeds doorlopen. Indien verweerder de keuze maakt om gebruik te maken van een (gestelde) bevoegdheid om de overgelegde bewijsmiddelen niet inhoudelijk te beoordelen alvorens de opvolgende aanvraag af te wijzen, brengt dit dus geen beperking van de omvang van de bevoegdheid van de rechter mee om alle door eiser aangedragen bewijsmiddelen in alle procedures integraal te beoordelen en het geschil finaal te beslechten.
Eiser is afkomstig uit Eritrea en heeft op 24 augustus 2018 een asielaanvraag ingediend. Aan deze asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij vijf jaar in militaire dienst in Eritrea heeft gediend. Hij heeft in 2009 verlof gekregen en is vervolgens gedeserteerd. Daarnaast stelt eiser dat hij problemen heeft ondervonden omdat zijn moeder wordt aangemerkt als Buda, iemand die duivelse krachten bezit. Volgens eiser zorgde dit ervoor dat hij en zijn familie werden uitgesloten van de samenleving. Eiser stelt tevens dat hij Eritrea illegaal heeft verlaten.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. De militaire dienst en desertie zijn ongeloofwaardig geacht en dit doet reeds afbreuk aan de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde illegale uitreis. Ook over de illegale uitreis zelf heeft eiser volgens verweerder ongeloofwaardig verklaard. Bij uitspraak van werd het beroep van eider tegen dit besluit gegrond verklaard. Verweerder heeft hierop de aanvraag wederom afgewezen als kennelijk ongegrond en het beroep tegen dat besluit is bij uitspraak 29 juni 2022 ongegrond verklaard. Deze uitspraak werd door de Afdeling bij uitspraak van 5 augustus 2022 bevestigd.
Op 14 februari 2023 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Het besluit van 22 augustus 2024 op deze asielaanvraag ligt in deze procedure ter beoordeling voor.
Eiser heeft bij zijn opvolgende aanvraag getuigenverklaringen, een registratie van de UNHCR en een rapport van VWN overgelegd.
Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.
De rechtbank doet een tussenuitspraak en motiveert dit als volgt.
De rechtbank heeft partijen de vraag voorgehouden of de rechtbank, indien zij gebruik wil maken van haar Unierechtelijke bevoegdheid om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser en de gegrondheid van zijn verzoek om internationale bescherming, beperkt wordt door de afdoeningsmodaliteit die verweerder in zijn besluit heeft gekozen. Eiser meent van niet. Verweerder meent van wel.
De rechtbank overweegt dat dat het Hof in haar uitspraak van 4 juni 2026 in de zaken C-198/25 (Quotal, ECLI:EU:C:2026:447) en C-440/25 (Ebilum, ECLI:EU:C:2026:448) (onder meer) het navolgende voor recht heeft verklaard:
(…) Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest vande grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat ten eerste die bepaling een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid verleent om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, en ten tweede de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken.(…)
De rechtbank overweegt dat uit het Unierecht en de verduidelijking hiervan door het Hof geen enkele indicatie blijkt dat de rechter in eerste aanleg is beperkt in de omvang van de rechterlijke controle van een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming. Dat verweerder in de onderhavige opvolgende procedure meent bevoegd te zijn om de opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren en daardoor, naar eigen zeggen, de aangedragen nieuwe elementen en bevindingen niet inhoudelijk heeft beoordeeld doet hier niet aan af. De administratieve fase is weliswaar een essentiële fase in de procedure, maar die fase is reeds doorlopen. Indien verweerder de keuze maakt om gebruik te maken van een (gestelde) bevoegdheid om de overgelegde bewijsmiddelen niet inhoudelijk te beoordelen alvorens de opvolgende aanvraag af te wijzen, brengt dit dus geen beperking van de omvang van de bevoegdheid van de rechter mee om alle door eiser aangedragen bewijsmiddelen in alle procedures integraal te beoordelen en het geschil finaal te beslechten. Het kan immers niet zo zijn dat verweerder in staat moet worden geacht om de Unierechtelijke bevoegdheden van de rechter te beperken of te begrenzen.
De rechtbank wijst in dit verband ook op het arrest van het Hof van 8 februari 2024 in de zaak A.A. (C-216/22, ECLI:EU:C:2024:122) en naar de Conclusie van Advocaat-Generaal Ćapeta van 19 maart 2026 in de gevoegde zaken Ramodi en Kirkuk (C-7/25 en C-8/25, ECLI:EU:C:2026:228).
Verweerder heeft ter zitting verzocht om, indien de rechtbank een bindende uitspraak wil doen over de geloofwaardigheid van het relaas en over de gegrondheid van de asielaanvraag, een termijn te krijgen om de overgelegde nieuwe elementen en bevindingen alsnog inhoudelijk te beoordelen. Eiser heeft aangegeven dit niet nodig te vinden omdat verweerder reeds de gelegenheid heeft gehad om zich een inhoudelijk oordeel te vormen over de nieuw aangedragen bewijsmiddelen.
De rechtbank zal verweerder wel de gelegenheid bieden om nogmaals te beoordelen of de opvolgende asielaanvraag van eiser moet worden ingewilligd. Deze inhoudelijke beoordeling van alle aangedragen bewijsmiddelen kan namelijk ook leiden tot de inwilliging van de aanvraag. De rechtbank overweegt hierbij dat de verduidelijking die het Hof in haar arrest van 10 juni 2021 in de zaak L.H. (C-921/19, ECLI:EU:C:2021:4780) heeft gegeven tot de conclusie leidt dat verweerder de opvolgende aanvraag van eiser niet kan afdoen als niet-ontvankelijk. De rechtbank zal dit, indien nodig, motiveren in de eventuele einduitspraak. De rechtbank stelt verweerder dus in de gelegenheid om de in deze procedure aangedragen nieuwe elementen en bevindingen in onderlinge samenhang met alle door eiser afgelegde verklaringen, overige aangedragen bewijsmiddelen en andere relevante informatie, zoals landeninformatie, te beoordelen en opnieuw te onderzoeken of aan eiser internationale bescherming moet worden verleend. De rechtbank bepaalt hiervoor een termijn van vier weken. Indien verweerder het geraden acht om eiser nogmaals te horen en dit niet mogelijk is binnen deze termijn, kan verweerder zich tot de rechtbank wenden om een gemotiveerd verzoek om aanhouding te doen, dat de rechtbank dan welwillend zal beoordelen om het geschil zoveel mogelijk finaal te beslechten.
De rechtbank wijst verweerder tot slot in deze fase van de procedure reeds op het arrest van het Hof van 26 maart 2026 in de zaak Tadmur (C-202/25, ECLI:EU:C:2026:257) en de einduitspraak van 6 mei 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats in de procedure die tot het arrest Tadmur heeft geleid (ECLI:NL:RBDHA:2026:10757). Uit dit arrest leidt de rechtbank onder meer af dat, kort gezegd, een terugkeerbesluit niet kan worden ‘gesplitst’ in een terugkeerverplichting voor de derdelander en een terugkeerverplichting voor verweerder. Uit het landgebonden beleid van verweerder volgt dat verwijdering naar Eritrea, zowel na legale als illegale uitreis, niet kan plaatsvinden vanwege het beginsel van non-refoulement en dat vrijwillige terugkeer alleen mogelijk is als de vreemdeling legaal, met een geldig document voor grensoverschrijding en uitreisvisum is uitgereisd (paragraaf C9/13.8 Vc). De rechtbank geeft verweerder mee om in zijn nieuw te nemen besluit, indien verweerder niet tot inwilliging van de opvolgende asielaanvraag overgaat, uitdrukkelijk te motiveren waarom hij al dan niet een terugkeerbesluit oplegt.
De rechtbank zal verweerder dus in de gelegenheid stellen om opnieuw op de opvolgende aanvraag van eiser te beslissen. Eiser zal een termijn van twee weken krijgen om te reageren op dit besluit. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:20142, Rechtbank Den Haag, NL24.26068.
21-07-2026, Rb Haarlem, Gaza, beroep gegrond [UNRWA; verblijf in Egypte; artikel 1D Vluchtelingenverdrag]
Reden signalering:Eiser, staatloos en afkomstig uit Gaza, geeft aan in Gaza bescherming en bijstand van het VN-orgaan UNRWA te hebben gehad maar hiervoor niet meer in Gaza terecht te kunnen. Volgens verweerder kan Egypte voor eiser worden aangemerkt als veilig derde land. Daarom heeft hij de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank genoot eiser kort voor het indienen van zijn asielaanvraag in Nederland in Gaza bescherming en bijstand van UNRWA, maar kan UNRWA die bescherming en bijstand nu niet meer bieden. Daarom moet eiser als vluchteling worden erkend op grond van het Vluchtelingenverdrag.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, van de Vw, omdat hij Egypte voor eiser als veilig derde land beschouwt in de zin van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedureverordening. Volgens verweerder is artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag3 (hierna: artikel 1D) niet van toepassing. Eiser is namelijk vrijwillig uit Gaza, dat behoort tot UNRWA-mandaatgebied, vertrokken en is daarna niet meer teruggekeerd. Hij heeft zich na dit vertrek ook niet elders in UNRWA-mandaatgebied gevestigd. Daardoor heeft hij niet kort voor het indienen van zijn asielaanvraag bescherming of bijstand van UNRWA genoten.
Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte artikel 1D niet van toepassing heeft geacht. Tot zijn vertrek uit Gaza in augustus 2023 ontving hij bescherming en bijstand van UNRWA, zoals ook blijkt uit de overgelegde UNRWA-registratie. Dit vertrek uit Gaza was niet vrijwillig. Misschien kan gezegd worden dat hij tot oktober 2023 vrijwillig in Egypte verbleef, maar dit was een verblijf van tijdelijke aard en nooit bedoeld als een permanente vestiging. Zijn gezin verbleef op dat moment ook nog in Gaza. Door het uitbreken van de oorlog op 7 oktober 2023 was terugkeer naar Gaza daarna niet langer mogelijk. Daardoor moet eisers geval zo worden gezien dat hij kort voor het indienen van zijn asielaanvraag in Nederland daadwerkelijke bijstand van UNRWA ontving. Dat betekent dat verweerder had moeten toetsen aan artikel 1D, aldus eiser.
Het oordeel van de rechtbank
Voorop staat dat eiser is geregistreerd bij UNRWA en dat hij heeft verklaard dat hij tot vertrek uit Gaza bijstand van UNRWA heeft ontvangen. Dit is ook niet in geschil tussen partijen. Tussen partijen is wel in geschil of eiser vrijwillig afstand heeft gedaan van de bijstand van UNRWA door naar Egypte vertrekken. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Daarbij is van belang dat zowel uit eisers verklaringen als ook uit de door eiser bij zienswijze aangehaalde landeninformatie11 volgt dat hij na 7 oktober 2023 niet kon terugkeren naar Gaza vanwege het uitbreken van de oorlog. Verweerder heeft desgevraagd op zitting niet kunnen noemen waaruit blijkt dat eiser na 7 oktober 2023 terug kon naar Gaza. Het standpunt van verweerder op zitting dat eiser zich ook na het uitbreken van de oorlog in principe weer onder de bescherming van UNRWA in Gaza kon brengen, volgt de rechtbank dan ook niet. Eiser heeft dus ten hoogste een kleine twee maanden, namelijk vanaf zijn vertrek uit Gaza op 12 augustus 2023 tot het uitbreken van de oorlog op 7 oktober 2023, buiten UNRWA-mandaatgebied verbleven voordat hij niet meer terug kon. Over die periode heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij beoogde om tijdelijk in Egypte te blijven, zich nooit te hebben willen vestigen in Egypte en dat zijn familie achterbleef in Gaza. Verweerder betwist dit ook niet. Mede gelet op de aangehaalde Afdelingsuitspraak van 24 september 2025 is dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat eiser zich vrijwillig aan de bescherming en/of bijstand van UNRWA heeft onttrokken. Eiser wordt dus in beginsel uitgesloten van vluchtelingenstatus op grond van artikel 1D. De beroepsgrond slaagt.
Tussenconclusie
Gelet op wat hiervoor is overwogen, komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de bestuursrechter een geschil echter zoveel mogelijk definitief beslechten. In lijn met de arresten Quotal en Ebilum heeft de rechtbank daarnaast de bevoegdheid om een bindende uitspraak te doen over onder andere de gegrondheid van een verzoek om internationale bescherming. In dat kader ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eiser moet worden erkend als vluchteling.
Moet eiser worden erkend als vluchteling?
Uit het voorgaande volgt dat eiser van vluchtelingenstatus moet worden uitgesloten op grond van artikel 1D. Onder omstandigheden kunnen de personen die op grond van artikel 1D worden uitgesloten toch aanspraak maken op een vluchtelingenstatus. Dit wordt de insluiting genoemd. Artikel 1D, tweede volzin, bepaalt namelijk dat, wanneer de bescherming of bijstand is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de personen die werden beschermd van rechtswege onder de werking van het Vluchtelingenverdrag vallen (insluitingsgrond). Aan hen moet vluchtelingenstatus worden toegekend zonder dat zij aannemelijk hoeven te maken dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben, tenzij zij onder een van de overige uitsluitingsgronden vallen. Door dit systeem wordt de bescherming van deze groep vluchtelingen gegarandeerd totdat hun positie definitief is geregeld.
De insluitingsgrond is van toepassing als de UNWRA niet in staat is in het desbetreffende mandaatgebied levensomstandigheden te bieden die stroken met haar opdracht, waardoor de staatloze wegens omstandigheden buiten zijn wil gedwongen is het werkgebied van UNRWA te verlaten. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat hiervoor een actuele beoordeling vereist is van de vraag of UNRWA jegens eiser zal kunnen voldoen aan de verplichtingen die uit haar mandaat volgen als eiser naar het mandaatgebied zou moeten terugkeren. Dat gaat verder dan de vraag of UNRWA eiser kan beschermen tegen behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. UNRWA moet levensomstandigheden kunnen bieden die stroken met de taak van de organisatie: om Palestijnse vluchtelingen te beschermen, maar ook om hun welzijn en ontwikkeling te dienen. UNRWA moet in ieder geval in staat zijn om te voorzien in de basisbehoeften van Palestijnse vluchtelingen, zoals voedsel, water, onderdak en de mogelijkheid om onderwijs te volgen. Humanitaire omstandigheden, ook omstandigheden die los staan van eisers individuele situatie, kunnen van belang zijn voor deze beoordeling. Zowel de eigen verklaringen van de vreemdeling als de actuele algemene informatie over UNRWA en de positie van Palestijnse vluchtelingen in het betreffende mandaatgebied moeten bij die beoordeling worden betrokken.
Niet in geschil is dat Gaza een mandaatgebied van UNRWA is. Op zitting is met partijen besproken of UNRWA in Gaza aan zijn mandaat kan voldoen. Eiser heeft betwist dat dit het geval is. Verweerder heeft zich nadrukkelijk subsidiair op het standpunt gesteld dat de bescherming en bijstand van UNRWA in Gaza niet is opgehouden te bestaan na het uitbreken van de oorlog.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot de conclusie dat UNRWA in Gaza niet aan zijn mandaat kan voldoen. Daarmee is de bescherming of bijstand van UNRWA opgehouden te bestaan. De rechtbank wijst daarbij allereerst op het landenbeleid van verweerder, waarin is opgenomen dat verweerder zelf voor Gaza aanneemt dat UNRWA weliswaar aldaar actief is maar dat zij geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden.15 Het standpunt van verweerder op zitting dat de bescherming en bijstand van de UNRWA in Gaza niet is opgehouden te bestaan na het uitbreken van de oorlog houdt al daarom geen stand. De conclusie in het landenbeleid wordt ook ondersteund door het op 7 juli 2026 met partijen gedeelde EUAA16-rapport ‘UNRWA’s ability to fulfil its mandate across its areas of operation’ van 15 april 2026. In dat rapport komt duidelijk naar voren dat UNRWA niet in staat is om te voorzien in de basisbehoeften van Palestijnse vluchtelingen. Zo verhinderen de Israëlische autoriteiten UNRWA om rechtstreeks humanitair personeel en hulpgoederen Gaza in te brengen en zijn er door sluitingen van grensovergangen ernstige tekorten aan goederen en essentiële benodigdheden zoals medicijnen.
De rechtbank is vanwege het voorgaande van oordeel dat eiser moet worden erkend als vluchteling en dat zijn aanvraag dus gegrond is. Eiser genoot kort voor het indienen van zijn asielaanvraag bijstand van UNRWA, maar deze bijstand is opgehouden te bestaan omdat UNRWA geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden. De positie van staatloze Palestijnen is niet definitief geregeld in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Eiser valt dus onder de insluitingsgrond van artikel 1D. Verweerder heeft zich niet op het standpunt gesteld dat een van de andere uitsluitingsgronden uit het Vluchtelingenverdrag van toepassing is en dat blijkt verder ook nergens uit. Aan eiser moet daarom een verblijfsvergunning asiel op de daarmee corresponderende grond worden toegekend.
Wat is de conclusie?
Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Omdat het beroep al hierom gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van wat verder door eiser is aangevoerd in beroep.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. De rechtbank acht de aanvraag gegrond en draagt daarom verweerder op om per direct aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw met als ingangsdatum 21 mei 2026, geldig tot 21 mei 2031.
De rechtbank kiest hierbij voor de datum van de asielaanvraag als ingangsdatum van de verblijfsvergunning en voor de geldigheidsduur een termijn van vijf jaar. Zij overweegt daartoe als volgt. Artikel 44, tweede lid, en artikel 34 van de Vw zoals die luidden ten tijde van de aanvraag, bepaalden dat bij inwilliging een verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen voor de duur van vijf jaar. De sinds 12 juni 2026 van toepassing zijnde artikelen 44, tweede lid, en artikel 9, derde lid, van de Vw, die zijn ingevoerd met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (Implementatiewet), bepalen dat de verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag na de bekendmaking van de beschikking voor de duur van drie jaar. De Implementatiewet bevat het overgangsrecht voor de behandeling van asielaanvragen die zijn ingediend vóór 12 juni 2026. Dit overgangsrecht houdt in dat voorschriften van de tot 12 juni 2026 geldende Vw die betrekking hebben op een achttal specifiek genoemde onderwerpen, van toepassing blijven voor de aanvragen van vóór 12 juni 2026. De voorschriften voor de ingangsdatum en geldigheidsduur van een verleende asielvergunning zijn niet genoemd in dit overgangsrecht. Hierdoor zouden voor eiser niet langer de ten tijde van zijn asielaanvraag geldende regels gelden, namelijk dat de asielvergunning ingaat op de datum van de aanvraag en een geldigheidsduur van vijf jaar heeft. In plaats daarvan zou de vergunning ingaan op de dag na de verlening en een geldigheidsduur van drie jaar hebben. Die opvatting vindt de rechtbank vanuit een oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en rechtsbescherming niet aanvaardbaar.17 Een redelijke toepassing van de Vw en de Implementatiewet brengt daarom naar het oordeel van de rechtbank mee dat aan eiser een vergunning moet worden verleend met ingang van de datum van zijn asielaanvraag met een geldigheidsduur van vijf jaar.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:20524, Rechtbank Den Haag, NL26.34281.
16-07-2026, Rb Zwolle MK, Jemen, beroep gegrond [artikel 15c-situatie; Aden; humanitaire omstandigheden]
Reden signalering:
De minister heeft de door de Afdeling genoemde aspecten onvoldoende kenbaar betrokken en onvoldoende globaal gewogen. Hij volstaat in het beleid met een opsomming en heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe hij de verschillende elementen heeft gewogen, en hoe die weging per provincie uitpakt. Dat een globale weging betekent dat geen enkel element doorslaggevend is, ontslaat de minister niet van de verplichting inzichtelijk te maken hoe hij de verschillende elementen weegt. Aantal slachtoffers vanwege humanitaire omstandigheden die het directe of indirecte gevolg zijn van willekeurig geweld is niet duidelijk en niet meegenomen in de cijfermatige onderbouwing van het aantal burgerslachtoffers dat is veroorzaakt door willekeurig geweld. Zo kan niet worden vastgesteld of de strijdende partijen in overwegende mate verantwoordelijk zijn voor de huidige humanitaire situatie in Jemen. Aanwezigheid van landmijnen en explosieve oorlogsresten in Aden is onvoldoende meegenomen, evenals recente confrontaties en nieuwe ontheemding. De rechtbank is van oordeel dat de minister nader onderzoek moet doen naar de feitelijke (humanitaire) omstandigheden en kan daarom in deze zaak geen bindende uitspraak doen over het reële risico op ernstige schade bij terugkeer.
Eiser verwacht bij terugkeer naar Jemen problemen vanwege zijn homoseksuele geaardheid en de oorlog.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig is. De homoseksuele geaardheid van eiser vindt de minister echter niet geloofwaardig. De minister vindt ook dat eiser bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege de oorlog. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat ongeloofwaardig is dat eiser van homoseksuele geaardheid is. De rechtbank stelt allereerst vast dat het grootste deel van het betoog van eiser een herhaling is van wat hij al in de zienswijze naar voren heeft gebracht. De minister heeft daar in het bestreden besluit al op gereageerd. Het is dan aan eiser om aan te voeren waarom hij het niet eens is met dat standpunt van de minister. Door te herhalen wat hij eerder heeft betoogd heeft eiser dat niet gedaan. De enkele ontkenning dat hij algemeen en oppervlakkig heeft verklaard, zonder dit verder te concretiseren en te onderbouwen, is daarvoor ook onvoldoende. Eiser heeft ook niet geconcretiseerd en onderbouwd dat hij moeite zou hebben om te verklaren over zijn homoseksuele geaardheid. De enkele verwijzing naar zijn achtergrond is daarvoor onvoldoende. Zowel uit de gehoren als uit het medische advies blijken geen belemmeringen daarvoor. De verwijzing naar de website Seksuelevorming.nl leidt niet tot een ander oordeel, aangezien dit in het algemeen gaat over de seksuele ontwikkeling van tieners en eiser niet heeft onderbouwd waarom deze informatie betrekking heeft op eiser persoonlijk. Bovendien zegt deze informatie niets over hoe eiser tijdens de gehoren als volwassen man kan verklaren. De minister hoefde in wat eiser verder in de zienswijze naar voren heeft gebracht ook geen aanleiding te zien om eiser een toelichting te laten geven over zijn account (met gesprekken van seksuele aard van eiser met twee mannen) of dit account te bekijken. Het is immers allereerst aan eiser om geloofwaardige verklaringen af te leggen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat in de provincie Aden sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld?
Wat is het beleid van de minister en de relevante rechtspraak?
De minister neemt drie verschillende gradaties aan van willekeurig geweld. De drie gradaties zijn:
- uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Dit betreft de uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op het grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon;
- relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
- relatief lager niveau van willekeurig geweld.
In de hoogste gradatie van willekeurig geweld beperkt het individualiseringsvereiste zich tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld. Bij de laagste twee gradaties moet de vreemdeling aan de hand van zijn persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarbij geldt een glijdende schaal. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een verhoogd risico aan te nemen.
Vanaf 2016 gold voor geheel Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. In WBV 2024/9 heeft de minister dit niet langer aangenomen en, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen een relatief hoger niveau van willekeurig geweld geldt. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.
De Afdeling is in de uitspraken van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154) ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden globaal in zijn beoordeling betrokken. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van het nieuwe ambtsbericht over Jemen van april 2025.
In de brief van 8 oktober 2025 heeft de minister de voorgenomen wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. Daarna is met WBV 2025/20108 het landenbeleid gewijzigd.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan het beleid, zoals dat is opgenomen in WBV 2024/9. Dit besluit kan geen stand houden, gelet op wat in het voorgaande is overwogen. De minister heeft dit ook erkend. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Omdat de minister in het verweerschrift van 15 oktober 2025 de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd zal de rechtbank beoordelen of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
De rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, volgens zijn beleid in ieder geval de volgende elementen in samenhang weegt:
- de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;
- de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;
- de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;
- de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;
- de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;
- de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.
De Afdeling heeft de minister opgedragen, voor zover nu relevant, de volgende aspecten kenbaar te betrekken en globaal te wegen (zie ook rechtsoverweging 6.3):
- slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;
- de recente confrontaties;
- het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en
- de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlandse gewapende conflict in Jemen. Dit betekent volgens de Afdeling dat humanitaire omstandigheden niet alleen relevant kunnen zijn als strijdende partijen in een gewapend conflict bewust catastrofale humanitaire omstandigheden creëren als oorlogsmethodiek.
De rechtbank overweegt dat de minister de genoemde aspecten onvoldoende kenbaar heeft betrokken en onvoldoende globaal heeft gewogen. De minister heeft de door de Afdeling opgesomde aspecten wel deels vermeld in de stukken die hebben geleid tot het nieuwe beleid11. Zo heeft de minister de slachtoffers van geplaatste mijnen en explosieve oorlogsresten, de recente confrontaties in de Rode Zee en het aantal ontheemden genoemd. Verder heeft de minister de jarenlange slechte humanitaire situatie in Jemen vermeld, waaronder de humanitaire omstandigheden die het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van de strijdende partijen, ook specifiek voor Aden. De minister volstaat in het beleid echter ten onrechte met een opsomming en heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe hij de verschillende elementen globaal heeft gewogen, en hoe die weging per provincie uitpakt. Dat een globale weging volgens de minister betekent dat geen enkel element doorslaggevend is, ontslaat de minister niet van de verplichting inzichtelijk te maken hoe hij de verschillende elementen weegt. Dat zal de rechtbank hierna voor elk van de genoemde aspecten nader toelichten.
Humanitaire omstandigheden
De minister erkent dat het aantal slachtoffers vanwege humanitaire omstandigheden die het directe gevolg zijn van willekeurig geweld onduidelijk is. Deze slachtoffers zijn dan ook niet meegenomen in de cijfermatige onderbouwing van het aantal burgerslachtoffers dat is veroorzaakt door willekeurig geweld. Voor slachtoffers van humanitaire omstandigheden die het indirecte gevolg zijn van willekeurig geweld is dit volgens de minister nog lastiger. De minister schat aan de hand van de informatie die bekend is uit bijvoorbeeld het ambtsbericht in hoeveel risico burgers lopen. Het aantal slachtoffers vanwege bijvoorbeeld hongersnood is door de minister niet meegenomen in het totaal aantal slachtoffers van willekeurig geweld, terwijl uit het ambtsbericht blijkt dat de voedselonzekerheid sinds begin 2024 is toegenomen. De minister kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet volstaan met ‘het is niet duidelijk’. Zo lang de minister deze omstandigheden immers niet deugdelijk in kaart brengt, kan de minister niet vaststellen of de strijdende partijen in overwegende mate verantwoordelijk zijn voor de huidige humanitaire situatie in (in dit geval Aden) Jemen. Ook kon de minister op zitting niet aangeven welke partijen de elektriciteitsproblemen in Aden veroorzaakten, terwijl duidelijk is dat deze elektriciteitsproblemen serieuze gevolgen hebben in de gezondheidssector. Verder heeft de minister onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de situatie voor humanitaire organisaties is verbeterd. Dit alles maakt dat de minister onvoldoende kenbaar de humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van willekeurig geweld heeft meegewogen.
Landmijnen en explosieve oorlogsresten
De minister heeft de aanwezigheid van landmijnen en explosieve oorlogsresten in Aden onvoldoende kenbaar meegewogen. De mededeling op zitting dat het lijkt alsof er buiten de Houthi-provincies geen problemen zijn voor organisaties die landmijnen ruimen is daarvoor onvoldoende, aangezien de minister dat niet heeft geconcretiseerd en onderbouwd.
Recente confrontaties
Ook vindt de rechtbank van belang dat er nog altijd ontwikkelingen plaatsvinden, zoals een militaire escalatie in december 2025. Met de enkele stelling op zitting dat dit niet maakt dat het beleid gewijzigd moet worden, onder meer omdat het regeringsleger begin 2026 Aden heeft overgenomen, heeft de minister deze ontwikkelingen onvoldoende meegewogen. Daarbij is het standpunt van de minister dat het feit dat het regeringsleger sinds begin 2026 aan de macht is in Aden een verbetering impliceert onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd.
Ontheemding
Verder zou Aden weliswaar niet de provincie zijn met de meeste nieuwe ontheemding, maar de minister heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe dit weegt ten opzichte van de, niet betwiste, feiten dat het aantal ontheemden in Jemen al hoog was en als gevolg van het gewapende conflict is toegenomen.
De rechtbank is gelet op vorengaande van oordeel dat de minister ook in het verweerschrift en op zitting onvoldoende heeft gemotiveerd dat een burger niet alleen al vanwege zijn aanwezigheid in Jemen een reëel risico loopt op willekeurig geweld. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
Conclusie en gevolgen
De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb14. Dit betekent dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Zoals in rechtsoverweging 6.16. is overwogen ziet de rechtbank geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Omdat de minister de mogelijkheid voor een nadere motivering al heeft gehad in het verweerschrift, is dit geen doelmatige en efficiënte manier om de zaak af te doen.
De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc-onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.
Uit de overwegingen hiervoor blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat de minister nader onderzoek moet doen naar de feitelijke (humanitaire) omstandigheden. De rechtbank kan daarom in deze zaak geen bindende uitspraak doen over het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst, omdat de rechtbank de daartoe noodzakelijke gegevens niet tot haar beschikking heeft.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:19781, Rechtbank Den Haag, NL24.41254.
17-07-2026, Rb Amsterdam, beroep gegrond [onrechtmatige grensdetentie artikel 6, derde lid van de Vw.; artikel 42, eerste lid sub c) jo. artikel 45, eerste lid van de Procedureverordening en artikel 10, tweede lid van de Opvangrichtlijn]
Reden signalering:
De rechtbank constateert dat de onrechtmatigheid verweven zit in de wijze waarop de minister de toetsing van aan de buitengrens ingediende asielverzoeken vorm geeft. Dit vertaalt zich op vier vlakken. Allereerst trekt de minister een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe wat betreft het bewaken van de buitengrens dan het unierecht voorschrijft ten aanzien van mensen die aan de buitengrens een asielwens kenbaar maken. Ten tweede legt de minister een niet door het unierecht voorgeschreven automatische koppeling tussen het grensbewakingsbelang enerzijds en het opleggen van grensdetentie anderzijds. Ten derde, daarmee verbonden, sluit de minister ten onrechte categorisch de mogelijkheid van het opleggen van eenichter middel uit. Tot slot betrekt de minister ten onrechte standaard niet alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn oordeel of het evenredig is om grensdetentie op te leggen.
Met het bestreden besluit van 6 juli 2026 heeft de minister aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Eiser voert aan dat er een lichter middel opgelegd had moeten worden. Eiser is niet van plan om onder te duiken en kan zijn asielprocedure in vrijheid afwachten. Volgens eiser bevat artikel 6 van de Vw een kan-bepaling, dus had de vrijheidsontnemende maatregel niet opgelegd hoeven te worden. Detentie kan ook enkel als laatste redmiddel worden ingezet. Volgens eiser is de detentie in zijn geval een te zwaar middel.
Ter zitting heeft de minister verduidelijkt dat het beleid conform WI 2026/23 inderdaad is ‘grensdetentie, tenzij…’. De minister heeft er ook voor gekozen om niet in regelgeving of anderszins andere, minder dwingende maatregelen te creëren ten opzichte van de maatregel van grensdetentie.
Opvangrichtlijn: vereisten voor een rechtmatige grensdetentie
De rechtbank begrijpt de minister aldus dat de noodzaak van het toepassen van de grensprocedure, en in het verlengde daarvan de grensdetentie, is gelegen in het grensbewakingsbelang. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat dit ook het geval is geweest bij het opleggen van de grensdetentie van eiser.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de uniewetgever de door de minister aan zichzelf opgelegde plicht om de buitengrens te bewaken niet in die mate voorschrijft. Immers ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening bestaat enkel in de daarin genoemde situaties de verplichting om de grensprocedure toe te passen. Waarbij als door een lidstaat aan het vastgestelde ‘toereikende capaciteits-criterium’ is voldaan, die verplichting voor die lidstaat enkel nog bestaat ten aanzien van verzoekers die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid of openbare orde. In alle andere gevallen is een lidstaat dus niet verplicht om de asielgrensprocedure toe te passen. En dus ook niet verplicht om de beslissing tot toegang tot het Nederlandse grondgebied uit te stellen en tot grensdetentie over te gaan.
De minister heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat eiser onder een van de in artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening genoemde gevallen valt en de grensprocedure, en daaraan gekoppeld de grensdetentie, dus verplicht was. Eiser heeft immers gereisd op een Deens paspoort welke eiser heeft verscheurd. Op die wijze kan de minister niet achterhalen of eiser misschien een andere nationaliteit heeft of bekend staat onder andere personalia. Eiser heeft de minister aldus misleid omtrent zijn identiteit en nationaliteit, en valt daarmee onder de situatie als bedoeld in artikel 42, eerste lid onder c) van de Procedureverordening, aldus de minister.
Daargelaten dat deze onderbouwing niet in de maatregel zelf staat, is de rechtbank van oordeel dat deze onderbouwing te mager is om te kunnen stellen dat eiser de minister heeft misleid omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Daarvoor is redengevend dat eiser een echt bevonden Palestijns paspoort bij zich had en hij tijdens zijn gehoor bij de KMar heeft aangegeven dat hij op een door een mensensmokkelaar geregeld Deens paspoort van Turkije naar Nederland heeft gereisd en hij dit paspoort nadien heeft verscheurd zoals de mensensmokkelaar hem had opgedragen.
Met andere woorden, er is geen twijfel over de Palestijnse identiteit en nationaliteit van eiser. Eiser heeft uit eigen beweging verteld met een door een mensensmokkelaar geregeld paspoort te hebben gereisd. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat asielzoekers van mensensmokkelaars de opdracht krijgen zulke (ver)vals(t)e reisdocumenten na aankomst te vernietigen. De KMar geeft verder in het proces-verbaal van screening ook aan dat eiser juist heeft voldaan aan zijn plicht tot samenwerking. Niet kan dan ook gezegd worden dat eiser door het verscheuren van het Deense paspoort de minister heeft willen misleiden over zijn identiteit en/of nationaliteit. Eiser is bij de door de Screeningsverordening voorgeschreven identiteitschecks in de diverse digitale systemen overigens ook niet naar voren gekomen. Indien het Deense paspoort tot eiser te herleiden zou zijn geweest, was eiser naar alle waarschijnlijkheid ergens in de geraadpleegde systemen naar voren gekomen.
Omdat de situatie als beschreven onder artikel 42, eerste lid sub f) en sub j) van de Procedureverordening volgens de minister niet op eiser van toepassing zijn, volgt uit het voorgaande dat er ten aanzien van eiser geen unierechtelijke verplichting bestond om de asielgrensprocedure toe te passen. Er bestond daardoor ook geen verplichting om de buitengrens te bewaken.
Indien de minister onverplicht overgaat tot toepassing van de grensprocedure – artikel 43 van de Procedureverordening is een kan-bepaling – dan creëert de minister feitelijk zelf de situatie waarin hij zegt dat het noodzakelijk is om ook over te gaan tot grensdetentie. Terwijl de minister ook had kunnen afzien van het toepassen van de grensprocedure. Zo’n zelf gecreëerde noodzaak is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf dan ook onvoldoende om als rechtvaardiging voor detentie te worden gezien. Detentie is immers ultimum remedium en het onverplicht creëren van een omstandigheid waardoor iemand in detentie zou moeten, verhoudt zich daar naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende mee.
Het voorgaande betekent voorts niet dat de minister in een situatie waarin hij onverplicht over gaat tot de grensprocedure, uiteindelijk niet ook zou kunnen overgaan tot het toepassen van grensdetentie. De noodzaak daartoe dient dan alleen (ook) op een andere wijze - bijvoorbeeld omdat er een risico is op onderduiken – te zijn onderbouwd. Deze onderbouwing is door de minister in de onderhavige zaak evenwel niet gegeven.
Onderzoek naar de mogelijkheid van toepassen van een lichter middel
Uit de WI 2026/23 en nadere toelichting van de minister ter zitting volgt dat de minister er bewust voor heeft gekozen om standaard geen lichter middel toe te passen ten aanzien van grensdetentie.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het unierecht geen automatische koppeling legt tussen het toepassen van de grensprocedure en het plaatsen in grensdetentie. De Procedureverordening rept hier in ieder geval niet over en de Opvangrichtlijn geeft in artikel 10, tweede lid juist duidelijk aan dat detentie van een asielzoeker enkel kan worden opgelegd indien andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. De Opvangrichtlijn maakt daarbij geen voorbehoud of onderscheid als het gaat om detentie tijdens de grensprocedure.
De rechtbank kan dan ook niet inzien waarom de minister in regelgeving of praktijk (nog) geen mogelijkheden heeft gecreëerd om te kijken of hij bij een asielzoeker die zich aan de buitengrens presenteert niet kan volstaan met een lichter middel. Ook indien daarmee het grensbewakingsbelang wordt prijsgegeven.
Voorstelbaar is immers dat met een verzoeker aan de buitengrens goede afspraken te maken zijn over een meldplicht. Indien het risico op onderduiken daarmee voldoende ingedamd kan worden geacht, dan komt aan het grensbewakingsbelang ook minder gewicht toe. En zo zijn er vele andere varianten denkbaar waarin met de asielzoeker afspraken kunnen worden gemaakt waardoor aan het
grensbewakingsbelang minder gewicht toe komt. Het grensbewakingsbelang kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet zo groot zijn dat – zoals de minister nu als beleid hanteert - een lichter middel nimmer effectief zou kunnen worden toegepast.
De rechtbank stelt vast dat tijdens het screeningsgehoor aan eiser geen enkele vraag is gesteld of in zijn geval met een lichter middel kon worden volstaan. Er zijn aan eiser wel vragen gesteld over zijn persoonlijke omstandigheden maar die betroffen niet het eventueel aanwenden van een lichter middel. De rechtbank stelt voorts ook vast dat de minister in zijn geheel niet heeft beoordeeld en gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. In de maatregel tot grensdetentie (het Model M19B) staat weliswaar onder het kopje ‘toepassen lichter middel’ dat vanwege de medische voorzieningen in het Justitieel Detentiecentrum Schiphol besloten is een lichter middel achterwege te laten, maar dit is feitelijk een beoordeling van de evenredigheid en niet een beoordeling over het wel of niet toepassen van een lichter middel. En dat laatste had de minister op grond van de Opvangrichtlijn wel behoren te doen.
Het in een individuele beoordeling betrekken van alle relevante feiten en omstandigheden
Uit de WI 2026/23 volgt dat een asielaanvraag van een volwassene (zonder kinderen) niet in de grensprocedure wordt behandeld indien grensdetentie wegens bijzondere individuele omstandigheden onevenredig bezwarend is dan wel indien geen passende steun in de asielgrensprocedure c.q. grensdetentie kan worden geboden aan een asielzoeker die bijzondere procedurele waarborgen behoeft ten gevolge van foltering, verkrachting, of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld.
De KMar doet onderzoek naar deze feiten en omstandigheden. In het formulier ‘Gehoor met betrekking tot het uitstellen van de toegangsweigering en het opleggen van een beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (VW)’ wordt duidelijk hoe dit onderzoek wordt vorm gegeven.
De rechtbank merkt allereerst op dat de wijze waarop het formulier is opgesteld voorsorteert op het toepassen van grensdetentie. Dit herbergt het niet denkbeeldige menselijke risico in zich dat de gebruiker ervan, in casu de medewerker van de KMar, in zijn vragen eerder op zoek zal gaan naar een bevestiging dan naar, zoals het unierecht voorschrijft, te kijken of de behandeling van de asielaanvraag niet in grensdetentie hoeft te geschieden. Detentie dient immers in iedere fase ultimum remedium te zijn.
Verder valt het de rechtbank op dat de KMar niet ook op zoek is gegaan naar omstandigheden die eveneens van belang kunnen zijn voor de vraag of het evenredig is om grensdetentie toe te passen. De rechtbank denkt daarbij aan de omstandigheid of de vreemdeling tot op dat moment zijn medewerking heeft verleend aan de procedure en of hij van plan is die te blijven verlenen, met andere woorden of hij/zij te goeder trouw is. Daar was in de onderhavige situatie ook aanleiding toe nu eiser zijn identiteit en nationaliteit met een echt bevonden paspoort heeft onderbouwd, bij de screening al heeft verteld dat hij zijn (ver)vals(t)e Deense paspoort had verscheurd en de KMar constateerde dat eiser zijn medewerking had verleend aan de verrichte screening.
Ook heeft de minister niet doorgevraagd over de broer van eiser die zich in Nederland op een AZC bevindt. Zo had gevraagd kunnen worden wat voor band zij met elkaar hebben en of, en zo ja in welke mate, zij elkaar tot steun (kunnen) zijn als zij bij elkaar zouden zijn.
Ook denkt de rechtbank daarbij aan het gegeven dat eiser heeft aangegeven uit Gaza te komen. De minister heeft een Besluit- en vertrekmoratorium ten aanzien van Gaza ingesteld en ingevolge paragraaf 2.3.1 van de WI 2026/23 wordt een verzoeker die afkomstig is uit een land waar een Besluit- en vertrekmoratorium van toepassing is, in beginsel niet langer in grensdetentie gehouden.
De rechtbank heeft er begrip voor dat de minister wellicht niet op dag 1 al kan onderzoeken of eiser daadwerkelijk onder het Besluit- en vertrekmoratorium valt. De minister heeft evenwel meer screeningsdagen tot zijn beschikking om de relevante feiten en omstandigheden boven tafel te halen. Niet valt in te zien waarom in een situatie als de onderhavige die toets niet op dag 2 of 3 kon worden verricht. De rechtbank brengt hierbij tevens in herinnering dat (grens)detentie van een asielzoeker altijd zo kort mogelijk dient plaats te vinden.
Uit het voorgaande volgt dat de minister ten onrechte niet actief op zoek is gegaan naar alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de vraag of grensdetentie in het geval van eiser evenredig is te achten.
Conclusie en gevolgen
De rechtbank komt tot de conclusie dat de aan eiser opgelegde grensdetentie onrechtmatig is omdat niet is gebleken van de noodzaak daartoe, niet is gekeken of volstaan kon worden met een lichter middel en onvoldoende zorgvuldig is gekeken naar de vraag of de grensdetentie evenredig is.
De rechtbank hecht eraan op te merken dat het voorgaande niet betekent dat de minister op deze wijze niet meer over zou kunnen gaan tot het toepassen van grensdetentie. Indien na een gedegen onderzoek is gebleken dat een lichter middel niet effectief is toe te passen, de bewaring noodzakelijk is en op grond van een individuele afweging van alle relevante feiten en omstandigheden evenredig is achten, dan kan de minister overgaan tot het toepassen van grensdetentie. En is unierechtelijk, conform het beginsel van ultimum remedium, verzekerd dat de detentie in dat specifieke geval niet anders kon en ook niet anders had gehoeven.
Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van heden.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:19757, Rechtbank Den Haag, NL26.37596.
13-07-2026, Rb ’s-Hertogenbosch, beroep ongegrond [grensdetentie; Screeningsverordening; Procedureverordening; processen-verbaal; elektronische handtekening]
Reden signalering:
De rechtbank overweegt met betrekking tot het begrip ‘ter beschikking blijven van de autoriteiten’ in de zin van artikel 6 van de Screeningsverordening dat de grensdetentie daarmee niet in strijd is. Daargelaten de vraag hoe het regime en/of de locatie waar de betrokken vreemdelingen moeten verblijven eruit zou kunnen zien, bepaalt artikel 6 van de Screeningsverordening immers dat personen bedoeld in artikel 5, leden 1 en 2, van de Screeningsverordening niet mogen worden toegelaten tot het grondgebied en dat de lidstaten in hun nationale recht bepalingen moeten vaststellen om ervoor te zorgen dat deze personen ter beschikking blijven van de autoriteiten om elk risico op onderduiken te voorkomen. Met artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 voldoet Nederland aan deze opdracht. Aangezien de minister terecht opmerkt dat een lichter middel dan de grensdetentie thans feitelijk betekent dat de toegang tot Nederland wordt toegestaan vóór screening, werpt eiser in wezen de vraag op of de minister niet ook moet voorzien in faciliteiten die de grensdetentie – wat strikt genomen niet meer is dan de aanwijzing om te verblijven in het Aanmeldcentrum te Badhoevedorp – minder bezwarend maken. Dat zou kunnen, maar de rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de minister daartoe gehouden is.
Eiser is op 30 juni 2026 geland op Schiphol en heeft aan de buitengrens om 15:40 uur zijn asielverzoek kenbaar gemaakt. Eiser is daarop overgedragen aan de Afdeling Asiel & Artikel 4 van de Koninklijke Marechaussee. Om 19:24 uur is besloten om een besluit omtrent de toegangsweigering uit te stellen. Tegelijkertijd is het bestreden besluit genomen om de grensdetentie op te leggen met het oog op de behandeling van het asielverzoek en artikel 5 van de Screeningsverordening. Vervolgens is eiser overgebracht naar het Aanmeldcentrum.
Bevoegdheid tot opleggen maatregel
Eiser betoogt dat de grensdetentie een te ver gaande maatregel is. Eiser stelt dat de maatregel in artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 is bedoeld ter implementatie van artikel 5 van de Screeningsverordening en artikel 54 van de Procedureverordening. Met de grensdetentie wordt echter geen recht gedaan aan het uitgangspunt dat hij slechts ter beschikking moet blijven van de autoriteiten. Artikel 6 van de Screeningsverordening en artikel 54 van de Procedureverordening vermelden de mogelijkheid van bewaring niet expliciet. Artikel 54 van de Procedureverordening verwijst primair naar de lichtere middelen benoemd in artikel 9 van de (herziene) Opvangrichtlijn. Eiser wijst ook op overweging 69 in de considerans van de Procedureverordening, waarin de bewaring weliswaar als mogelijkheid is benoemd, maar óók dat de asielgrensprocedure ook zonder bewaring kan worden vormgegeven. Van de minister mag - in zijn algemeenheid en in dit geval in het bijzonder - worden verlangd dat hij deze mogelijkheden kenbaar onderzoekt. Toegespitst op dit geval voert eiser aan dat in het gehoor voor oplegging van de grensdetentie is opgemerkt dat eiser niets naar voren heeft gebracht dat tot de conclusie zou kunnen leiden dat de grensdetentie onevenredig bezwarend is, maar dat kan niet de maatstaf zijn: de minister moet zélf beoordelen of de mogelijkheid bestaat om met een lichter middel hetzelfde doel te bereiken.
De minister heeft ter zitting gewezen op het belang van grensbewaking dat in beginsel noodzaakt tot het opleggen van de grensdetentie in een situatie als deze. Ieder lichter middel zou tot gevolg hebben dat eiser toegang verkrijgt tot Nederland, terwijl nog de vraag is of de minister die toegang wil verlenen. Dat betekent niet dat de oplegging van de grensdetentie een automatisme is. Er vindt wel altijd een individuele beoordeling plaats, maar de redenen om af te zien van grensdetentie zijn dan gelegen in (bijzondere) individuele omstandigheden.
De rechtbank onderschrijft het uitgangspunt dat de oplegging van de grensdetentie geen automatisme moet zijn is, maar het resultaat van de toepassing van een bevoegdheid. Dat betekent dat de minister onder omstandigheden ook kan besluiten deze maatregel achterwege te laten. Daarover bestaat blijkens de behandeling ter zitting ook geen verschil van inzicht. Het geschil spitst zich toe tot de vraag wanneer de omstandigheden aanleiding kunnen geven om de grensdetentie wel of niet toe te passen.
De grensdetentie komt standaardmatig in beeld op het moment dat een vreemdeling – die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland – aan de grens om asiel vraagt. In die situatie heeft de minister met het oog op het grensbewakingsbelang de bevoegdheid om de maatregel van grensdetentie op te leggen, maar laat hij toepassing van deze bevoegdheid achterwege als individuele omstandigheden daaraan in de weg staan. Deze constructie kan ogen als automatisme, mede doordat het grensbewakingsbelang als zwaarwegend heeft te gelden, maar naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gewaarborgd dat per individueel geval de afweging gemaakt wordt of de maatregel kan of moet worden opgelegd.
De rechtbank overweegt met betrekking tot het begrip ‘ter beschikking blijven van de autoriteiten’ in de zin van artikel 6 van de Screeningsverordening dat de grensdetentie daarmee niet in strijd is. Daargelaten de vraag hoe het regime en/of de locatie waar de betrokken vreemdelingen moeten verblijven eruit zou kunnen zien, bepaalt artikel 6 van de Screeningsverordening immers dat personen bedoeld in artikel 5, leden 1 en 2, van de Screeningsverordening niet mogen worden toegelaten tot het grondgebied en dat de lidstaten in hun nationale recht bepalingen moeten vaststellen om ervoor te zorgen dat deze personen ter beschikking blijven van de autoriteiten om elk risico op onderduiken te voorkomen. Met artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 voldoet Nederland aan deze opdracht. Aangezien de minister terecht opmerkt dat een lichter middel dan de grensdetentie thans feitelijk betekent dat de toegang tot Nederland wordt toegestaan vóór screening, werpt eiser in wezen de vraag op of de minister niet ook moet voorzien in faciliteiten die de grensdetentie – wat strikt genomen niet meer is dan de aanwijzing om te verblijven in het Aanmeldcentrum te Badhoevedorp – minder bezwarend maken. Dat zou kunnen, maar de rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de minister daartoe gehouden is.
De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat artikel 54 van de Procedureverordening in samenhang met artikel 9 van de (herziene) Opvangrichtlijn zich niet verdraagt met het voorgaande.
Artikel 9 van de (herziene) Opvangrichtlijn geeft mogelijkheden voor de lidstaten om, indien nodig, beperkingen aan de bewegingsvrijheid te stellen van asielzoekers. Dit geldt voor alle verzoekers om internationale bescherming. Artikel 54, eerste lid, van de Procedureverordening verwijst naar dit artikel, onverminderd artikel 10 van de (herziene) Opvangrichtlijn. In artikel 10 van de (herziene) Opvangrichtlijn zijn regels gesteld over bewaring van verzoekers. Volgens artikel 10, vierde lid, onder d, van de (herziene) Opvangrichtlijn is de bewaring mogelijk om in het kader van een grensprocedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. Dit is de situatie die zich hier voordoet.
Ook in dit concrete geval heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanleiding om de grensdetentie op te leggen. Eiser voldoet niet aan de toegangsvoorwaarden en heeft om asiel gevraagd. De minister heeft zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat een lichter middel met het oog op het grensbewakingsbelang geen reële mogelijkheid is, omdat dat zou betekenen dat alsnog de toegang wordt verleend terwijl de af te wachten beslissing daarover nu juist reden is voor toepassing van deze maatregel. Uit het verslag van het gehoor leidt de rechtbank niet af dat eiser dermate kwetsbaar is dat de grensdetentie in het Aanmeldcentrum onevenredig bezwarend is.
Zorgvuldigheid screening
Eiser voert daarnaast aan dat de minister de screening onvoldoende zorgvuldig heeft verricht. Er blijkt niet dat is getoetst op kwetsbaarheid of bijzondere opvangbehoeften in de zin van de (herziene) Opvangrichtlijn. Op het screeningsformulier is niets ingevuld over eventuele kwetsbaarheden die kunnen leiden tot procedurele behoeften.
Artikel 12, derde lid van de Screeningsverordening schrijft een kwetsbaarheidsbeoordeling tijdens de screening voor, te verrichten door gespecialiseerd daartoe opgeleid personeel. Deze beoordeling geschiedt om na te gaan of een onderdaan van een derde land mogelijk staatloos, kwetsbaar of slachtoffer is van foltering of andere onmenselijke of onterende behandeling, dan wel of deze speciale behoeften heeft.
De minister heeft er ter zitting terecht op gewezen dat de screening die op grond van de Screeningsverordening moet plaatsvinden een andere is dan de inventarisatie van individuele omstandigheden om te beoordelen of moet worden afgezien van de grensdetentie. Dat zich in het dossier geen volledige verslaglegging van de screening (vgl. artikel 8, vijfde lid, van de Screeningsverordening) bevindt, leidt dan ook niet tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig is.
Voor zover eiser zou willen betogen dat als gevolg van een onjuiste of onzorgvuldige screening de grensdetentie niet langer gerechtvaardigd is met het oog op de toepassing van artikel 5 van de Screeningsverordening, leidt dat de rechtbank niet tot de conclusie dat de grensdetentie moet worden opgeheven. Deze maatregel is immers ook bedoeld om een beslissing te kunnen nemen over de toelating tot het grondgebied.
Onjuistheden processen-verbaal
Tot slot wijst eiser erop dat verschillende processen-verbaal niet zijn ondertekend. De vraag rijst welke (bewijs)waarde aan deze processen-verbaal moet worden gehecht. In dit verband is van belang dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hem in het gehoor voorafgaand aan de grensdetentie helemaal niet is gevraagd of bij hem sprake is van medische klachten of andere redenen om af te zien van de grensdetentie. In het proces-verbaal is echter opgenomen dat eiser heeft verklaard dat er géén sprake is van ernstige ziekte of lichamelijke aandoening waarvoor hij direct medische hulp nodig heeft, noch een andere ziekte waarvan hij last heeft, dat hij geen medicijnen gebruikt en geen familie in de Europese Unie heeft.
De minister refereert zich wat betreft de bewijswaarde aan het oordeel van de rechtbank, maar is ten allen tijde bereid om aanvullend proces-verbaal te laten opmaken om duidelijkheid te verschaffen waar nodig. Desgevraagd heeft de minister daarom op 7 juli 2026 een aanvullend proces-verbaal ingediend met betrekking tot het gehoor. Daarin is onder ambtseed/ambtsbelofte verklaard dat de elektronische handtekening ontbreekt als gevolg van een fout in het Vreemdelingen Basis Systeem. Door (natte) ondertekening van het aanvullend proces-verbaal geeft de verbalisant aan dat het proces-verbaal van gehoor wel juist is.
De rechtbank stelt met eiser vast dat de elektronische handtekening bij processen-verbaal ontbreekt. Zoals de rechtbank ook ter zitting aan partijen heeft voorgehouden, ziet zij op voorhand geen reden om te veronderstellen dat de inhoud van de processen-verbaal onjuist is voor zover daarover geen geschil bestaat. Het ontbreken van een handtekening en eventuele gevolgen voor de bewijswaarde komt aan de orde wanneer daarover wél een verschil van inzicht ontstaat. Dat is het geval ten aanzien van het proces-verbaal van gehoor. Gezien het nader opgemaakte proces-verbaal van de verbalisant die ook het gehoor heeft afgenomen, is de rechtbank evenwel van oordeel dat (alsnog) moet worden uitgegaan van de juistheid van het proces-verbaal van gehoor. Gelet daarop heeft de minister terecht geen aanleiding gezien om de grensdetentie niet op te leggen.
Conclusie en gevolgen
Het beroep tegen de maatregel van vrijheidsontneming is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Gehele; uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:20523, Rechtbank Den Haag, NL26.36356.
17-07-2026, Rb Amsterdam, beroep ongegrond [grensdetentie; moment van opheffing]
Reden signalering:
Grensdetentie art. 6 lid 3 Vw. Opheffing dag na inwilliging niet onzorgvuldig of onvoldoende voortvarend.
Eiser betoogt dat de grensdetentie van meet af aan, dan wel vanaf het aanmeldgehoor (op 12 juni 2026), dan wel vanaf het nader gehoor (op 19 juni 2026), dan wel vanaf datum asielbesluit (op 22 juni 2026) als onrechtmatig moet worden aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgronden niet slagen. Dat eiser beschikte over een door Nederland verstrekt visum maakt niet dat aan hem de vrijheidsontnemende maatregel niet kon worden opgelegd. Eiser heeft bij aankomst op Schiphol immers asiel aangevraagd en daarmee beoogt hij langdurig verblijf. Het visum was echter afgegeven voor kort verblijf, reden waarom het visum na eisers asielverzoek is ingetrokken. Eisers asielaanvraag is behandeld in de grensprocedure, zodat de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in beginsel kon worden opgelegd. Verder volgt uit paragraaf C1/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 20001 dat de minister gedurende de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure voortdurend afweegt of het asielverzoek zich (nog) leent voor afdoening binnen die procedure. Uitgangspunt is dat de minister uiterlijk na het nader gehoor, op basis van volledige informatie, indien de asielaanvraag niet verder kan worden behandeld in de grensprocedure, dit aan de vreemdeling kenbaar maakt. Hiervan kan worden afgeweken indien in een eerder of later stadium de relevante informatie voorhanden is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat alle relevante informatie al vóór het nader gehoor voorhanden was.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister ook na het nader gehoor enige tijd mag nemen voor de beoordeling van de informatie die eiser daarin naar voren heeft gebracht. In het geval van eiser heeft het nader gehoor plaatsgevonden op 19 juni 2026 en is zijn asielaanvraag ingewilligd bij besluit van 22 juni 2026. De rechtbank acht dat voldoende voortvarend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser op 20 juni 2026 nog correcties en aanvullingen heeft ingediend naar aanleiding van het nader gehoor. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van strijd met voornoemd beleid. Dat de maatregel een dag later, op 23 juni 2026, pas is opgeheven maakt het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel evenmin onrechtmatig. De minister heeft daarover ter zitting verklaard dat de asielaanvraag op 22 juni 2026 om 14:42 uur is ingewilligd, maar dat daarna nog één en ander moest worden geregeld voor de opvang van eiser. Dat het niet is gelukt om dat dezelfde nog te regelen maakt niet dat de minister onvoldoende zorgvuldig of onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
De rechtbank ziet ook ambtshalve geen grond voor het oordeel dat het opleggen of voortduren van de bestreden maatregel onrechtmatig is. Het beroep is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:20157, Rechtbank Den Haag, NL26.34326.
17-07-2026, Rb Amsterdam, beroepen niet-ontvankelijk / ongegrond [Kennisgeving; bewaring artikel 59 lid 1 onder a Vw; grondslagwijziging; recht op rechtsbijstand; voortvarendheid]
Reden signalering:
Hoewel het eiser vrij staat om een beroep in te dienen, heeft gelet op het door de wetgever gekozen systeem van rechtsbescherming tegen een opgelegde maatregel van bewaring, de kennisgeving die (daarvoor of daarna) is ingediend voorrang. Het door eiser zelf ingediende beroep wordt dus niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de grondslag terecht is gewijzigd. In artikel 68, derde lid, onder a, van de Procedurerichtlijn staat opgenomen dat er geen schorsende werking is als een asielaanvraag in de versnelde procedure als kennelijk ongegrond is afgewezen. Dat eiser op tijd zijn beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, maakt dit niet anders.
De rechtbank begrijpt verder dat de piketmelding die de gemachtigde van eiser heeft gekregen onvolledig was. In beginsel moet een gemachtigde erop kunnen vertrouwen dat hij een volledige piketmelding krijgt. Dat dat in dit geval niet is gebeurd maakt evenwel niet dat eisers recht op rechtsbijstand is geschonden.
Eiser heeft op 8 juli 2026 beroep ingediend. Dit beroep is geregistreerd onder NL26.37884. Uit artikel 94, eerste lid, van de Vw volgt dat verweerder onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 van de Vw de rechtbank hiervan in kennis stelt. Verweerder heeft de kennisgeving op 8 juli 2026 verstuurd. Deze is geregistreerd onder NL26.37983. Zodra de kennisgeving is ontvangen, wordt de vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld. Hoewel het eiser vrij staat om een beroep in te dienen, heeft gelet op het door de wetgever gekozen systeem van rechtsbescherming tegen een opgelegde maatregel van bewaring, de kennisgeving die (daarvoor of daarna) is ingediend voorrang. Het door eiser zelf ingediende beroep, geregistreerd onder NL26.37884, wordt dus niet-ontvankelijk verklaard.
Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Eiser voert aan dat verweerder de grondslag ten onrechte heeft gewijzigd. Eiser zat in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b van de Vw, omdat hij een asielaanvraag had ingediend. Op 4 juli 2026 is op deze asielaanvraag beslist. Op 8 juli 2026 heeft verweerder eiser opnieuw in vreemdelingenbewaring gesteld, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser heeft op tijd beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen de afwijzende asielbeschikking. Volgens eiser had de vreemdelingenbewaring daarom op grond van artikel 59b van de Vw moeten voortduren.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de grondslag terecht is gewijzigd. In artikel 68, derde lid, onder a, van de Procedurerichtlijn staat opgenomen dat er geen schorsende werking is als een asielaanvraag in de versnelde procedure als kennelijk ongegrond is afgewezen. Dat eiser op tijd zijn beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, maakt dit niet anders. Er is namelijk nog niet op het verzoek om een voorlopige voorziening beslist.
Verder voert eiser aan dat er onvoldoende zorgvuldig is gehandeld en dat er sprake is van een schending op het recht op rechtsbijstand. De gemachtigde van eiser heeft een piketmelding gehad waarin stond dat het ging om een ophouding met als uitreisdatum 7 juli 2026, om 16:20 uur. Het was eisers gemachtigde niet duidelijk wat er aan de hand was. Ook stond in de piketmelding ten onrechte niet vermeld dat eiser had aangegeven rechtsbijstand te willen hebben. Door het latere tijdstip kon hij niemand bereiken. Hij heeft de piketmelding om 16:28 uur geaccepteerd. Volgens het M110-formulier is het gehoor de dag erna om 9:15 uur gestart, zonder aanwezigheid van een advocaat omdat er twee uur waren verstreken. Volgens eiser hadden zij nog niet mogen starten met het gehoor, nu hij graag zijn gemachtigde wenste te spreken.
De rechtbank begrijpt dat de piketmelding die de gemachtigde van eiser heeft gekregen onvolledig was. In beginsel moet een gemachtigde erop kunnen vertrouwen dat hij een volledige piketmelding krijgt. Dat dat in dit geval niet is gebeurd maakt evenwel niet dat eisers recht op rechtsbijstand is geschonden. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 18 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:189, bepaald dat de wachttijd van twee uur aanvangt zodra de piketmelding naar de piketcentrale is verzonden. Als de piketmelding buiten openingstijden wordt verzonden, mag pas vanaf 9:00 uur met het gehoor van de vreemdeling worden begonnen, zodat er altijd twee uur is voor de piketcentrale om het bericht door te zetten en de gemachtigde om zich te melden. De piketmelding van eiser is verzonden op 7 juli 2026, om 16:17 uur. Door pas op 8 juli 2026, om 9:15 uur, te starten met het gehoor, heeft verweerder gehandeld in overeenstemming met bovengenoemde uitspraak van de Afdeling. Verder heeft eiser bij de start van het gehoor aangegeven dat het o.k. was dat zijn gemachtigde niet zou aanschuiven en dat hij later wel contact met hem zou hebben.
Ten slotte voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er eerder een LP voor Algerije was. Die LP is inmiddels verlopen. Een LP voor Algerije is maar drie dagen geldig. Daarom moet er eerst een vlucht worden geboekt, voordat de LP wordt afgegeven. Op dit moment wacht verweerder op de uitspraak in eisers asielberoep, zodat hij daarna de LP-aanvraag en het boeken van de vlucht op kan pakken. Nu dit beroep gepland staat op 22 juli 2026, acht de rechtbank verweerders handelingen voldoende voortvarend.
Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:19759, Rechtbank Den Haag, NL26.37884 en NL26.37983.
20-07-2026, Rb Utrecht, beroep gegrond [beroep niet tijdig beslissen; vervallen voornemenprocedure; verlaten 8+8-wekentermijn]
Reden signalering:
De rechtbank ziet in het vervallen van de voornemenprocedure aanleiding om het 8+8-wekenmodel te verlaten en nadere beslistermijnen hanteren:
Als de vreemdeling nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, dan krijgt de minister een termijn van acht weken voor het afnemen van een gehoor en vervolgens een termijn van vier weken voor het nemen van een beslissing.
Als de vreemdeling wel is gehoord over zijn asielmotieven én de uiterste beslistermijn van 21 maanden is inmiddels verstreken én/of het betreft een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen, dan krijgt de minister een termijn van twee weken voor het nemen van een beslissing.
De rechtbank benadrukt dat de genoemde termijnen een uitgangspunt zijn. In individuele zaken kan de rechtbank hiervan afwijken.
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
De minister heeft de aanvraag op 12 augustus 2025 ontvangen. De beslistermijn is zes maanden en eindigde op 12 februari 2026. Binnen die termijn heeft de minister niet beslist op de aanvraag. Eiser heeft de minister op 4 mei 2026 en dus tijdig in gebreke gesteld. Voorts heeft eiser meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft. In deze zaak is dit aan de orde.
Tot voor kort hanteerde de rechtbank bij het bepalen van een nadere beslistermijn het zogeheten 8+8-wekenmodel.
Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact (AMP) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het AMP en de nieuwe Procedureverordening is de voornemenprocedure komen te vervallen. Het vervallen van de voornemenprocedure strekt ertoe de asielprocedure te vereenvoudigen en, mede gelet op de verkorte beslistermijnen uit de Procedureverordening, de besluitvorming te versnellen.
De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat hij door het vervallen van de voornemenprocedure meer ruimte heeft gekregen om zelf te bepalen welke stappen nodig zijn om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen. Desondanks kampt de minister nog altijd met een grote voorraad aan asielaanvragen waarop nog niet is beslist. Het is volgens de minister nu niet mogelijk om precies aan te geven wanneer wel op deze aanvragen, waaronder de asielaanvraag van eiser, zal worden beslist. Omdat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere beslistermijn zal moeten verbinden, vraagt de minister de rechtbank om een nadere beslistermijn van twaalf weken op te leggen. Deze termijn is volgens de minister niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort.
De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om het 8+8-wekenmodel te verlaten. Als uitgangspunt zal de rechtbank voortaan de volgende nadere beslistermijnen hanteren:
- Indien de vreemdeling nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, dan krijgt de minister een termijn van acht weken voor het afnemen van een gehoor en vervolgens een termijn van vier weken voor het nemen van een beslissing. In totaal dus een nadere beslistermijn van maximaal twaalf weken.
- Indien de vreemdeling wel is gehoord over zijn asielmotieven, dan krijgt de minister een termijn van vier weken voor het nemen van een beslissing.
- Indien de vreemdeling nog niet is gehoord over zijn asielmotieven én de uiterste beslistermijn van 21 maanden is inmiddels verstreken én/of het betreft een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen, dan krijgt deinister een termijn van vier weken voor het afnemen van een gehoor en vervolgens een termijn van twee weken voor het nemen van een beslissing. In totaal dus een nadere beslistermijn van maximaal zes weken.
- Indien de vreemdeling wel is gehoord over zijn asielmotieven én de uiterste beslistermijn van 21 maanden is inmiddels verstreken én/of het betreft een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen, dan krijgt de minister een termijn van twee weken voor het nemen van een beslissing.
De rechtbank benadrukt dat de genoemde termijnen een uitgangspunt zijn. In individuele zaken kan de rechtbank hiervan afwijken.
In de onderhavige zaak is eiser nog niet gehoord over zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor moet afnemen en binnen vier weken daarna het besluit op de aanvraag bekend moet maken.
De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak
De rechtbank verlaat de lijn waarbij in de regel een dwangsom van € 100,- per dag werd verbonden voor elke dag waarmee de minister de nadere beslistermijn overschrijdt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de nieuwe aanbeveling die in dit verband geldt. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom van € 50,- voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn overschrijdt. Het maximum is € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van de aanbeveling af te wijken.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen twaalf weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:20136, Rechtbank Den Haag, NL26.30448.