Ga naar de inhoud
Direct naar
  • Mijn Wrb
  • Mijn RvR
  • Beleidswijzer
  • Contact
  • Nieuws
  • English
  • Best Practices Leidraad voor asieladvocaten
Raad voor Rechtsbijstand (naar homepage)
Zoeken
  • Voor advocaten
    • Algemene inschrijving bij de RvR
    • Ingeschreven en dan?
    • Over toevoegingen
    • Declaratie indienen
    • Nieuws
    • Formulieren voor advocaten
    • Direct regelen
    • Subsidie aanvragen beroepsopleiding sociaal advocaten 2026
  • Voor mediators
    • Algemene inschrijving bij de RvR
    • Ingeschreven en dan?
    • Over toevoegingen
    • Declaratie indienen
    • Nieuws voor mediators
    • Formulieren voor mediators
    • Mijn Wrb voor mediators
  • Beleidswijzer
  • Matching
    • Antwoorden op veelgestelde vragen
  • Mijn Wrb
  • Mijn RvR
  • Beleidswijzer
  • Contact
  • Nieuws
  • English
  • Best Practices Leidraad voor asieladvocaten
  1. Home ›
  2. Voor advocaten ›
  3. Ingeschreven en dan? ›
  4. Legal Aid (Asiel) ›
  5. AC-signalering: berichten AC praktijk en jurisprudentie ›
  6. Jurisprudentie

Jurisprudentie


Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:

25-08-2026, Rb Zwolle MK, beroep gegrond, instandlating rechtsgevolgen [humanitaire omstandigheden; 15c-beoordeling]

Reden signalering:

De rechtbank is van oordeel dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. Hoewel de door verweerder in het bestreden besluit verrichte beoordeling van de gradatie van het willekeurige geweld niet volledig was, heeft verweerder in beroep voldoende gemotiveerd dat er in Aleppo sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser met de door hem aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Aleppo een verhoogd risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld loopt. Daarnaast is de humanitaire situatie in Aleppo op zichzelf ook onvoldoende om een schending van artikel 3 EVRM zoals bedoeld in het arrest Sufi en Elmi aan te nemen.

Is de beoordeling van de gradatie van het willekeurige geweld volledig?

De rechtbank overweegt dat verweerder in de brief aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025 (inclusief de Nota Landenbeleid Syrië van 4 juni 2025 en de daarbij horende 15c-bijlage) heeft aangegeven dat naar aanleiding van het AAB van mei 2025 nieuw beleid voor Syrië is ingericht, waarin – kort samengevat – is bepaald dat voor heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit beleid is neergelegd in paragraaf C7/33.4.2. van de Vc. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit beleid ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. In geschil is de vraag of de in het bestreden besluit door verweerder verrichte beoordeling van het niveau van willekeurig geweld volledig is geweest.

De rechtbank zal hierna eerst beoordelen of, en zo ja in welke mate, humanitaire omstandigheden moeten worden betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Daarna zal de rechtbank de overige door eiser aangevoerde factoren, die volgens hem ten onrechte niet bij deze beoordeling zijn betrokken, bespreken.

De mate van causaal verband tussen de humanitaire omstandigheden en het willekeurige geweld en de betekenis van humanitaire omstandigheden die veroorzaakt zijn door een eerdere actor.

De rechtbank is, evenals deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, in de uitspraak van 19 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12595, van oordeel dat humanitaire omstandigheden, ook wanneer zij indirect voortvloeien uit willekeurig geweld, van betekenis kunnen zijn bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Vereist is wel dat zij in voldoende rechtstreeks verband staan met dat geweld. Daarvan kan sprake zijn als de humanitaire omstandigheden in overwegende mate voortvloeien uit het willekeurige geweld zelf of uit de wijze waarop het gewapend conflict wordt gevoerd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer strijdende partijen civiele infrastructuur vernietigen, humanitaire hulp blokkeren of de toegang tot voedsel, water of medische zorg belemmeren. Als dat het geval is, hebben humanitaire omstandigheden, ook als zij het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict, bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn betekenis. Of sprake is van een voldoende causaal verband zal steeds aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld. Ontbreekt een dergelijk verband of is dit te ver verwijderd geraakt, dan vallen deze omstandigheden buiten het bereik van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dat geldt ook voor humanitaire omstandigheden die weliswaar zijn veroorzaakt door een actor die eerder partij was bij het conflict, maar die niet langer voldoende samenhangen met het actuele willekeurige geweld.

Gelet hierop bestaat er voor de rechtbank geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vraag van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, af te wachten. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder de humanitaire omstandigheden voldoende in zijn beleid en besluitvorming heeft betrokken.

Heeft verweerder de humanitaire omstandigheden voldoende betrokken?

De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn beleid niet is ingegaan op humanitaire omstandigheden. Maar de rechtbank is van oordeel dat daartoe ook onvoldoende aanleiding bestond. Zoals hiervoor is overwogen, hoeven humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurige geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor niet te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van het geweld. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië van mei 2025 en januari 2026 en de door eiser genoemde brieven van VWN, in overwegende mate het gevolg zijn van het handelen van het regime van Assad, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de thans nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt – zoals verweerder terecht in het verweerschrift stelt – dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden niet of nauwelijks worden veroorzaakt of in stand worden gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder economisch wanbeleid, internationale economische sancties tegen het regime van Assad, de nalatigheid van dit regime om voor haar bevolking te zorgen (bijvoorbeeld het aanvallen van gezondheidsvoorzieningen en het tegenhouden van basisvoorzieningen) en het wegvallen van internationale noodhulp. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld. Dit volgt naar het oordeel van de rechtbank ook niet uit de door eiser overgelegde brieven van VWN van 19 januari 2026 en 4 februari 2026.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de humanitaire omstandigheden buiten beschouwing mogen laten bij de vaststelling van de gradatie van willekeurig geweld en is het beleid in zoverre niet onvolledig.

Heeft verweerder de overige factoren voldoende in het beleid betrokken?

Over de factor ‘algemene veiligheidssituatie’ overweegt de rechtbank als volgt. Het AAB van mei 2025, dat gaat over de eerste periode na de val van het regime van Assad, beslaat de periode van 27 november 2024 tot en met april 2025. Dit betreft een (zeer) korte verslagperiode. Gedurende deze gehele periode wordt de veiligheidssituatie in Syrië beschreven als ‘volatiel’ en ook uit de door eiser aangehaalde openbare bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie na de val van het regime van Assad fragiel en onduidelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze mate van onduidelijkheid en onzekerheid rondom de veiligheidssituatie in Syrië niet (kenbaar) betrokken bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurige geweld. In de hiervoor genoemde brief aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025 wordt weliswaar een opmerking gemaakt met de strekking dat zal moeten worden bezien hoe de situatie zich verder zal ontwikkelen, maar niet is gebleken dat verweerder de ‘onzekerheidsfactor’ daadwerkelijk heeft betrokken bij de vaststelling dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.

Wat betreft de factor ‘gerichtheid van het geweld en het risico op willekeurige burgerslachtoffers’ overweegt de rechtbank dat uit het AAB van mei 2025 volgt dat burgers blijvend gevaar lopen door landmijnen, niet-ontplofte granaten en munitie. In de 15c-bijlage is vermeld dat verspreid over heel Syrië ontplofbare oorlogsresten, waaronder mijnen en niet-gesprongen munitie, een aanhoudende, ernstige bedreiging voor het leven van burgers vormen. Hoewel verweerder dus heeft onderkend dat hierin een groot veiligheidsrisico is gelegen, kan de rechtbank niet vaststellen dat en hoe deze informatie daadwerkelijk is betrokken bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld.

Verder overweegt de rechtbank dat in de 15c-bijlage weliswaar per regio een kolom is opgenomen waarin de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd kunnen worden vermeld, maar dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt dat bij de in deze kolom vermelde cijfers daadwerkelijk de aantallen ontheemden per regio zijn betrokken. Daar komt bij dat de genoemde cijfers alleen betrekking lijken te hebben op het aantal doden per regio. Bovendien lijken de in de 15c-bijlage genoemde cijfers niet aan te sluiten bij de – veel hogere – cijfers over ontheemden zoals die blijken uit het AAB van mei 202542.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, concludeert de rechtbank dat de in het bestreden besluit door verweerder verrichte beoordeling van het niveau van willekeurig geweld niet volledig is geweest. Het beroep is reeds hierom gegrond. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. Wel ziet de rechtbank – gelet op de aanvullende motivering van verweerder in het verweerschrift – aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.

Heeft verweerder voor [plaats] een hogere gradatie van willekeurig geweld moeten aannemen?

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de aanvullende motivering in het verweerschrift voldoende en met inachtneming van alle relevante factoren heeft gemotiveerd dat in [plaats], sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank nog het volgende.

Verweerder heeft uit het meest recente AAB van januari 2026 terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Het beschreven geweld betreft voornamelijk gericht geweld. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten gestaag is afgenomen. Daarnaast worden er maatregelen genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten en het geven van voorlichting. Ook blijkt uit de door verweerder aangehaalde bronnen dat veel ontheemden uit het buiten- en binnenland van Syrië terugkeerden.

Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats] te zien is. Uit het AAB van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie [plaats] onder controle staat van de overgangsregering. Tussen 1 mei 2025 en 31 december 2025 registreerde ACLED 439 geweldsincidenten in [plaats]. In 102 gevallen ging het om gevechten, in 154 gevallen om explosies/geweld op afstand en in 183 gevallen om geweld tegen burgers. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 34 (november 2025) en 72 (september 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats]. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal burgerslachtoffers in verhouding tot de bevolkingsomvang relatief laag is en is gedaald in vergelijking met de voorgaande verslagperiode. Verder waren er in [plaats] meerdere incidenten met ontplofbare oorlogsresten, maar werden deze ook geruimd. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats], maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. Wel leidden spanningen in december 2025 in de stad [plaats] tot ontheemding. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 700.000 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats].

De hiervoor genoemde informatie wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door het al eerder genoemde rapport van de EUAA van december 2025. Hierin wordt – kort samengevat – overwogen dat de veiligheidssituatie in het gouvernement [plaats] is verbeterd en het aantal veiligheidsincidenten gestaag afneemt. Hoewel het totale aantal veiligheidsincidenten het hoogste is van alle provincies, is het gemiddelde aantal burgerslachtoffers per 100.000 inwoners relatief laag vanwege de grote bevolking van de provincie en is het aantal slachtoffers sinds maart 2025 sterk gedaald. De EUAA concludeert dan ook dat er in de provincie [provincie] willekeurig geweld plaatsvindt, maar niet op een hoog niveau.

De verwijzing van eiser naar de brief van VWN van 19 januari 2026 en het eerdergenoemde nieuwsbericht van 12 april 2026 leidt niet tot een ander oordeel. In de brief van VWN wordt namelijk ook verwezen naar het hiervoor genoemde EUAA-rapport van december 2025. Daarnaast blijkt uit de overige bronnen in de brief van VWN en het nieuwsbericht dat er weliswaar geweldsincidenten in [plaats] plaatsvinden, maar ook dat dit vaak gericht geweld is. Ook blijkt hieruit dat er nog altijd burgerslachtoffers (door (willekeurig) geweld of ontplofbare oorlogsresten) vallen, maar dat dit aantal afneemt.

Op grond van het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in [plaats], geen sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld dan de in het beleid vastgestelde gradatie. De door eiser genoemde uitspraken van andere zittingsplaatsen geven geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.

Loopt eiser een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld?

In het geval dat er sprake is van een minder uitzonderlijke situatie moet de beoordeling van het risico op ernstige schade worden gebaseerd op de individuele en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Hierbij gaat het met name om omstandigheden die eigen zijn aan het privé-, familie- of beroepsleven van de vreemdeling en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij het reële risico op ernstige schade vergroten. De vreemdeling dient deze omstandigheden aannemelijk te maken.

Eiser voert in dit verband aan dat hij in Syrië geen huis heeft en daarom op straat zal belanden. Dat maakt hem extra kwetsbaar. Zonder enige bescherming van een huis zal hij namelijk direct aan willekeurig geweld worden blootgesteld. Daarnaast stelt eiser dat hij in Syrië geen persoonlijk netwerk heeft, waardoor hij minder schuil- of vluchtmogelijkheden heeft en een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser meent dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte aan deze omstandigheden voorbij is gegaan.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op basis van zijn persoonlijke en individuele situatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar [plaats] een verhoogd risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld loopt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, gelet op de voor artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn geldende glijdende schaal, bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld de door de vreemdeling naar voren gebrachte risicoverhogende omstandigheden meer gewicht moeten hebben om een reëel risico aan te kunnen nemen. Dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen huisvesting en persoonlijk netwerk heeft, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat van eiser als volwassen man, die naar school is geweest en werkervaring heeft opgedaan, mag worden verwacht dat hij in staat is om bij terugkeer in Syrië een baan te vinden en onderdak te regelen. Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat eiser geen gezondheidsklachten heeft die hem hierin belemmeren en dat hij sinds een aantal jaren zelfstandig woont en zichzelf gedurende die periode heeft kunnen redden. Daarnaast heeft eiser op geen enkele wijze onderbouwd dat hij bij terugkeer niet in staat zou zijn om te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld ten opzichte van andere personen in [plaats]. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Is uitzetting vanwege de humanitaire situatie in strijd met artikel 3 EVRM?

Eiser betoogt in zijn aanvullende beroepsgronden dat terugkeer in strijd is met artikel 3 EVRM vanwege de slechte humanitaire situatie in Syrië. Hij beroept zich daarbij op het arrest Sufi en Elmi, waaruit volgt dat verweerder moet onderzoeken en beoordelen of een vreemdeling nog in zijn basisbehoeften kan voorzien als de humanitaire crisis door strijdende partijen is veroorzaakt. Eiser stelt – onder verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611,  –dat verweerder voor deze beoordeling niet slechts kan verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, omdat artikel 3 EVRM een apart toetsingskader kent. Eiser meent dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte dat risico niet inzichtelijk heeft beoordeeld.

Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat als een slechte humanitaire situatie zich niet afspeelt in de context van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, artikel 3 EVRM slechts wordt geschonden in ‘very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling’

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit geen kenbare beoordeling heeft gemaakt van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM vanwege de humanitaire omstandigheden in [plaats]. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder voor een dergelijke beoordeling ook geen aanleiding had hoeven zien, omdat eiser hierop pas in de aanvullende beroepsgronden een beroep heeft gedaan en hij niet eerder in de asielprocedure humanitaire omstandigheden heeft benoemd die volgens hem aan een terugkeer naar Syrië in de weg staan.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich met de motivering in het verweerschrift en de mondelinge toelichting op de zitting voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een dergelijk risico loopt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er op dit punt geen sprake is van een motiveringsgebrek in de besluitvorming.

Daartoe overweegt de rechtbank dat, hoewel sprake is van een zeer slechte en complexe humanitaire situatie, niet is gebleken dat in [plaats] zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals bedoeld onder rechtsoverweging 17.1 bestaan. Uit het AAB van januari 2026 blijkt dat volgens UN OCHA naar schatting 16,5 miljoen Syriërs, onder wie 7,2 miljoen binnenlands ontheemden en bijna 2 miljoen teruggekeerde binnenlands ontheemden, behoefte hadden aan humanitaire hulp. Naar schatting 90% van de bevolking leefde onder de armoedegrens van 2,15 dollar per dag. Meer dan de helft van de bevolking had te kampen met voedselonzekerheid en bijna drie miljoen mensen had te maken met ernstige voedselonzekerheid. Tegelijk blijkt uit het AAB van mei 2025 dat verschillen bestonden tussen stedelijke en rurale gebieden; diensten waren over het algemeen in grotere steden geconcentreerd. Bovendien zijn internationale hulporganisaties actief in Syrië en niet is gebleken dat deze organisaties, anders dan aan de orde was in het arrest Sufi en Elmi, geen toegang hebben tot de getroffen gebieden. De humanitaire situatie in [plaats] is op zichzelf dan ook onvoldoende om een schending van artikel 3 EVRM aan te nemen.

Daarnaast volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt op zitting dat eiser niet (met bewijsstukken) aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar [plaats] niet zal kunnen voorzien in de meest basale levensbehoeftes zoals voedsel, hygiëne en onderdak. Voor zover eiser in dit kader stelt dat hij bij terugkeer naar Syrië geen huisvesting en persoonlijk netwerk heeft om op terug te vallen, verwijst de rechtbank naar wat zij daarover onder rechtsoverweging 16.2 heeft overwogen. De situatie van eiser is dus – zoals verweerder terecht stelt – niet vergelijkbaar met de twee Somalische vreemdelingen uit het arrest Sufi en Elmi die in een vluchtelingenkamp terecht zouden komen waar de slechte humanitaire omstandigheden tot een schending van artikel 3 EVRM zouden leiden.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, slaagt het betoog van eiser niet.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat verweerder het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld en ook de overige beroepsgronden niet slagen.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:24353.

14-08-2026, Rb Roermond, verwijzingsuitspraak [prejudiciële vragen; MOB-melding; daadwerkelijk rechtsmiddel]

Reden signalering:

De rechtbank vraagt het Hof om te verduidelijken of de “mob-rechtspraak” verenigbaar is met het Unierecht. De rechtbank meent van niet, gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod en het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte. De rechtbank vraagt het Hof of uit het Unierecht volgt dat de rechtbank bevoegd is om een inhoudelijk oordeel te geven over het bevel om naar Griekenland te gaan en of de rechtbank bevoegd is om een bindende uitspraak te doen over de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming.

Verzoeker heeft de Eritrese nationaliteit en heeft op 8 januari 2024 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend.

Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming op 29 september 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat de Griekse autoriteiten reeds internationale bescherming aan verzoeker hebben verleend. Dit besluit omvat geen terugkeerbesluit zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, maar een bevel aan verzoeker om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115.

Verzoeker heeft op 16 juni 2026, in afwachting van de behandeling van zijn beroep tegen het besluit van 29 september 2025 door de rechtbank, de opvanglocatie verlaten zonder aan verweerder mede te delen waar hij zal verblijven. De gemachtigde van verzoeker heeft de rechtbank medegedeeld dat zij ten tijde van de behandeling van het beroep door de rechtbank geen contact heeft met verzoeker en ook geen contact met hem kan krijgen.

Verweerder gaat er van uit dat verzoeker zich nog op het grondgebied van de Unie bevindt. De rechtbank acht het, gelet op de verklaringen van verzoeker over zijn redenen om Eritrea te ontvluchten en de verklaringen van verzoeker over Griekenland, buitengewoon onwaarschijnlijk dat verzoeker thans is teruggekeerd naar Eritrea of Griekenland. Verweerder heeft kennelijk ook geen aanleiding gezien om dit na te gaan bij de Griekse autoriteiten.

Op grond van vaste rechtspraak zou de rechtbank verzoeker vanwege de mob-melding niet-ontvankelijk moeten verklaren. Indien de rechtbank echter het beroep inhoudelijk zou beoordelen, zou de rechtbank vaststellen dat het beginsel van non-refoulement zowel aan de terugkeer naar Griekenland, als aan de terugkeer naar Eritrea in de weg staat en zou de rechtbank verweerder opdragen om aan verzoeker internationale bescherming te verlenen. Dat kan namelijk ook als verweerder niet onverwijld in staat is om een verblijfsvergunning aan verzoeker te geven omdat hij “mob is”.

De rechtbank vraagt het Hof om te verduidelijken of de “mob-rechtspraak” verenigbaar is met het Unierecht. De rechtbank meent van niet, gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod en het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte.

De rechtbank vraagt het Hof of uit het Unierecht volgt dat de rechtbank bevoegd is om een inhoudelijk oordeel te geven over het bevel om naar Griekenland te gaan en of de rechtbank bevoegd is om een bindende uitspraak te doen over de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming.

De rechtbank verzoekt het Hof dan ook om nadere uitlegging van het Unierecht door de navolgende prejudiciële vraag van de rechtbank te beantwoorden:

  • Dient artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die is aangezocht om het beroep te beoordelen tegen een beslissing op een verzoek om internationale bescherming, verplicht is om, zo nodig ambtshalve, op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak, een inhoudelijk oordeel te geven over dit beroep indien de lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 46, lid 11, van richtlijn 2013/32 neergelegde bevoegdheid en een wettelijke basis ontbreekt om dit verzoek als impliciet ingetrokken te beschouwen en niet-ontvankelijk te verklaren omdat de betrokkene in afwachting van de behandeling van zijn beroep geen gebruik (meer) maakt van zijn recht op opvangvoorzieningen en rechtsbijstand, maar er geen aanwijzingen zijn dat hij het grondgebied van de Unie heeft verlaten?
  • Dient artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 4, 19, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die is aangezocht om het beroep te beoordelen tegen het bevel om zich op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115 naar een andere lidstaat te begeven, verplicht is om, zo nodig ambtshalve, een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement vast te stellen die voortvloeit uit de uitvoering van dit besluit, op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak, ook indien de betrokkene in afwachting van de behandeling van zijn beroep geen gebruik (meer) maakt van zijn recht op opvangvoorzieningen en rechtsbijstand, maar er geen aanwijzingen zijn dat hij het grondgebied van de Unie heeft verlaten?
  • Dient artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat

ten eerste die bepaling een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot niet-ontvankelijk verklaring van een verzoek om internationale bescherming, de bevoegdheid verleent om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, en ten tweede de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken?

De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en houdt iedere verdere beslissing aan.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:22813.

01-01-2026, Rb ’s-Hertogenbosch, beroep gegrond [AMBV; Italië; interstatelijk vertrouwensbeginsel]

Reden signalering:

De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat thans ten aanzien weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Italie en dat de overdrachten kunnen worden hervat. Op het moment dat de rechtbank het onderzoek in de zaak ter zitting heeft gesloten ontbraken daarvoor voldoende aanknopingspunten.

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat de minister er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, van mag uitgaan dat een andere lidstaat zijn internationale verplichtingen nakomt tegenover een vreemdeling die op grond van voorheen de Dublinverordening en thans de AMBV wordt overgedragen.

Dat uitgangspunt is voor wat betreft Italië echter niet meer van toepassing sinds het verschijnen van de ‘circular letter’ van 5 december 2022 van de Italiaanse autoriteiten. In die brief – en ook in verschillende andere brieven tot 7 februari 2023 – hebben de Italiaanse autoriteiten aangegeven dat het overdragen van asielzoekers op grond van de (toen nog geldende) Dublinverordening tijdelijk wordt opgeschort vanwege het gebrek aan opvangfaciliteiten in Italië. De Afdeling heeft in de uitspraken van 26 april 2023 geoordeeld dat op basis van die berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten sprake is van objectieve informatie die aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de opvangvoorzieningen in Italië systeemfouten bevatten en dat de minister, zonder nader onderzoek, niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten volgt namelijk dat er in Italië, vanwege de hoge asielinstroom, een gebrek aan beschikbare opvangfaciliteiten bestaat, dat ertoe heeft geleid dat de Italiaanse autoriteiten de lidstaten hebben verzocht overdrachten aan Italië tijdelijk op te schorten. De Afdeling heeft overwogen dat uit die berichtgeving niet zonder meer volgt dat de Italiaanse autoriteiten onverschillig staan tegenover de situatie van vreemdelingen, maar dat daarmee wel een reëel risico bestaat dat vreemdelingen buiten hun eigen wil en keuzes om bij overdracht aan Italië in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen zoals bedoeld in het arrest Jawo.

De rechtbank wijst er verder op dat de Afdeling in de uitspraken van 26 april 2023 heeft overwogen dat uit de berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten van eind 2022 en begin 2023 weliswaar naar voren komt dat de Italiaanse autoriteiten voornemens zijn de overdrachten op enig moment te hervatten, maar dat het ten tijde van de voornoemde Afdelingsuitspraken, gelet op het gebrek aan informatie sinds 7 februari 2023, niet mogelijk is om vast te stellen wanneer het gebrek aan opvangfaciliteiten zal zijn opgelost en de overdrachten aan Italië weer kunnen worden hervat.

Sinds 26 april 2023 geldt dus – op grond van de uitspraken van de Afdeling – dat ten aanzien van Italië naar aanleiding van informatie van de Italiaanse autoriteiten en vanwege het gebrek aan opvangvoorzieningen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze situatie is sindsdien onveranderd gebleven.

Het Hof heeft zich in het arrest Tudmur – naar aanleiding van prejudiciële vragen van een Duitse rechter – eveneens in abstracte zin uitgelaten over de situatie met betrekking tot overdrachten naar Italië sinds het verschijnen van de ‘circular letter’ van 5 december 2022.8 De Duitse rechter wilde – kort gezegd – van het Hof weten of een eenzijdige opschorting van medewerking aan overdrachten voor onbepaalde tijd door een lidstaat kan leiden tot het oordeel dat sprake is van systeemfouten ion de asielprocedure en opvangvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening die een risico op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest met zich brengen. Het Hof heeft in essentie daarop geantwoord dat een eenzijdige opschorting één en ander op zichzelf nog niet kan rechtvaardigen. Het vaststellen van structurele tekortkomingen kan volgens het Hof alleen worden gedaan na een analyse van alle relevante elementen op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens. Het Hof heeft de lijn uit het arrest Tudmur nadien bevestigd en verder uitgewerkt in het arrest Daraa.

Beoordeling

De rechtbank overweegt allereerst dat in het geval van Italië – gelet op de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2023 – het aan de minister is om aannemelijk te maken dat op dit moment weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het ligt daarmee meer in het bijzonder op de weg van de minister om aannemelijk te maken dat thans sprake is van nieuwe informatie sinds 7 februari 2023 die tot het oordeel moeten leiden dat de voorheen geldende blokkade – die het gevolg is van de door de Italiaanse autoriteiten zelf gestelde opvangproblematiek – niet meer aan de orde is en dat (voldoende) opvangvoorzieningen aanwezig zijn voor vreemdelingen die worden overgedragen.

De minister is er, naar het oordeel van de rechtbank, niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In de eerste plaats is van belang dat de door de minister gestelde wijziging ten aanzien van de medewerking aan overdrachten niet concreet uit de ‘declaration of intent’ kan worden afgeleid. De ‘declaration of intent’ bevat geen concrete toezeggingen op het gebied van medewerking aan overdrachten door Italië. In het geheel wordt in deze – zeer algemeen opgestelde – verklaring niet ingegaan op overdrachten onder de Dublinverordening dan wel onder de AMBV. Weliswaar staat in het verslag van de JBZ-raad onder meer vermeld dat de Italiaanse minister heeft aangegeven dat Italië het AMP, waaronder de AMBV, volledig zal implementeren en dat de Italiaanse minister expliciet heeft aangegeven dat Italië asielzoekers adequate opvang zal bieden, maar deze toezegging komt niet terug in de ‘declaration of intent’. In dat kader wijst de rechtbank erop dat een gespreksverslag of andere informatie waarin meer concrete afspraken staan over de medewerking aan overdrachten, de beschikbaarheid van opvangvoorzieningen voor terugkeerders en het laten vervallen van de ‘circular letter’ ontbreekt. Op grond van deze informatie heeft de minister onvoldoende aannemelijk gemaakt dat weer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Daarbij komt dat uit de door eiser ingebrachte landeninformatie het beeld naar voren komt dat de betreffende opvangproblematiek, die volgens de Italiaanse autoriteiten zelf destijds grond vormde voor de eenzijdige opschorting van hun kant, nog altijd actueel is. Zo staat in het meest recente AIDA-rapport van 2026 vermeld dat de Italiaanse minister van binnenlandse zaken in april 2026 heeft aangegeven dat het opvangsysteem geen plekken heeft die gereserveerd zijn voor Dublinterugkeerders. In het daaraan voorgaande AIDA-rapport van 2025, waarnaar de minister in het bestreden besluit heeft verwezen, staat een vergelijkbare passage ten aanzien van de situatie in februari 2025.

Er ontbreken verder concrete indicaties dat de situatie sinds april 2026 dan wel sinds het van toepassing worden van het AMP op 12 juni 2026 in betekenisvolle mate gewijzigd is. Integendeel, er zijn juist aanknopingspunten dat de situatie op nog onveranderd is. In het EU-rapport van juli 2026, waarnaar zowel eiser als de minister heeft verwezen, heeft de Europese Commissie een vroegtijdige beoordeling uitgevoerd van de huidige toepassing van de nieuwe verantwoordelijkheidsregels in het kader van het AMP. De beoordeling heeft betrekking op de eerste drie weken sinds het van toepassing worden van het AMP en ziet specifiek op de lidstaten Griekenland en Italië. In dit rapport worden de positieve inspanningen van Italië ter voorbereiding op het AMP genoemd en staat vermeld dat de organisatie van het nationale opvangsysteem toereikend lijkt te zijn om personen op te vangen die onder de AMBV worden overgebracht. Wat betreft de eerste drie weken sinds inwerkingtreding van het AMP is echter uit informatie van acht andere lidstaten gebleken dat Italië overdrachtsverzoeken stilzwijgend blijft accepteren, maar dat de overdrachten zelf nog altijd niet zijn hervat. In de betreffende periode zijn 12 overdrachten aangevraagd door lidstaten en deze zijn allen door Italië geweigerd. In het rapport trekt de Commissie de volgende conclusie ten aanzien van de situatie in Italië:

“The measures taken by Italy so far show significant efforts in preparing for the implementation of Part III of the AMMR. At this stage however, no concrete indications could be observed that the practices under the Dublin III Regulation, and notably with regard to the suspension of the reception of transfers, except for cases of family reunification of unaccompanied minors, no longer persist. Furthermore, there are, at present, no indications that the Italian authorities have actively engaged with other Member States on the practical and logistical steps to resume transfers. Italy needs to remove all the remaining impediments as a matter of priority, including by discontinuing the practices that have so far prevented transfers from taking place, and to ensure the necessary engagement and operational cooperation with other Member States on all practical and logistical arrangements, so that transfers are effectively carried out in compliance with the AMMR.”

Hoewel de rechtbank geen concrete informatie heeft ten aanzien van de vraag waarom Italië de feitelijke overdrachten in de recente periode weigert, leidt de rechtbank uit het voorgaande af dat de situatie in Italië ten aanzien van de opschorting van de feitelijke overdrachten in feite nog steeds ongewijzigd is. Bij gebrek aan informatie over de redenen van weigering, gaat de rechtbank uit van het vermoeden dat dit – nog altijd – het gevolg is van de situatie in Italië zoals eind 2022 en begin 2023 is aangegeven door de Italiaanse autoriteiten en zoals ook nog blijkt uit het AIDA-rapport van juli 2026, namelijk een gebrek aan opvangcapaciteit.

De rechtbank volgt de minister verder niet in zijn standpunt dat als gevolg van de specifiek door hem genoemde landeninformatie toch anders naar de situatie moet worden gekeken. Het EUAA-rapport (“Asylum report 2026”) heeft niet concreet betrekking op de situatie rondom Dublinclaimanten, terwijl dit wel de situatie is waar de beoordeling van de rechtbank op gericht moet zijn. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest X van het Hof. In het AIDA-rapport van 2025 – nog daargelaten dat deze informatie inmiddels behoorlijk verouderd is – wordt de problematiek van de weigerachtige houding van de Italiaanse autoriteiten ten aanzien van Dublinoverdrachten juist uitdrukkelijk bevestigd.15 Zo staat daarin vermeld dat in 2024 geen overdrachten plaatsvonden in de terugnameprocedure, waarschijnlijk vanwege de algemene opschorting van overdrachten die Italië op 5 december 2022 aan de andere landen meedeelde en die ook in 2024 van kracht bleef. Wel vonden er enige overnameoverdrachten plaats (48 om familieredenen en 68 op basis van de discretionaire bevoegdheid). Ook staat in dit AIDA-rapport vermeld dat, in een antwoord van augustus 2023 op een verzoek van de Deense Vluchtelingenraad, de Italiaanse autoriteiten de Deense Immigratiedienst hebben geïnformeerd dat Italië een aanzienlijke toename van het aantal asielzoekers kende, waardoor het nationale opvangstelsel onder druk kwam te staan. Tenslotte staat in het AIDA-rapport beschreven dat op 10 oktober 2024 de noodtoestand in Italië, die in het leven was geroepen vanwege het hoge aantal binnenkomende asielzoekers, verlengd was en dat de Italiaanse autoriteiten vasthouden aan de opschorting van inkomende overdrachten in het kader van deze noodtoestand. In dit verband wijst de rechtbank voorts nogmaals op de eerder genoemde passages in de AIDA-rapporten van 2025 en 2026 waarin is aangegeven dat er geen opvangplekken voor Dublinterugkeerders zijn gereserveerd.

De door de minister genoemde landeninformatie bevestigt in die zin juist de structurele opvangproblematiek. Er is geen andersluidende informatie bekend dat die opvangproblematiek nadien wezenlijk is verbeterd, en de recente overdrachtsweigeringen – zoals genoemd in het EU-rapport van juli 2026 – wijzen er veeleer op dat deze problematiek nog steeds actueel is. Er ontbreken dan ook vooralsnog voldoende aanknopingspunten voor het standpunt van de minister dat Italië de eenzijdige blokkade vanaf 12 juni 2026 effectief heeft opgeheven en inmiddels daadwerkelijk voorzien wordt in opvangvoorzieningen voor terugkeerders, waardoor er weer (structureel en zonder uitzonderingen) overgedragen kan worden aan Italië.

De rechtbank overweegt voorts dat het beroep van de minister op de arresten Tudmur en Daraa van het Hof hem niet kan baten. De rechtbank neemt immers – net als de Afdeling in haar uitspraken van 16 april 2023 – niet uitsluitend de eenzijdige opschorting door Italië tot uitgangspunt bij het oordeel dat thans (nog steeds) niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, maar komt mede tot deze conclusie na de hiervoor weergegeven analyse van de beschikbare informatie ten aanzien van de (onduidelijkheid over de) opvangvoorzieningen in Italië voor terugkeerders. Daarmee is nog steeds sprake van een situatie waarin een reëel risico bestaat dat vreemdelingen buiten hun eigen wil en keuzes om bij overdracht aan Italië terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, als bedoeld in punt 92 van het arrest Jawo, waardoor zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals onderdak, eten en stromend water.

De minister heeft er aan het einde van de behandeling ter zitting nog op gewezen dat de dag ervoor (dus op 19 augustus 2026) één succesvolle overdracht zou hebben plaatsgevonden aan Italië van een vreemdeling die in vreemdelingenbewaring verbleef. Desgevraagd heeft de minister niet meer informatie kunnen verstrekken dan dat het om een jonge alleenstaande man zou gaan die geen beroep had ingediend tegen het overdrachtsbesluit. Deze ene door de minister gestelde succesvolle overdracht maakt wat hiervoor is overwogen naar het oordeel van de rechtbank niet anders. In dit kader is onder meer van belang dat, zoals hiervoor al is overwogen, ook in de voorbije jaren – sinds het verschijnen van de ‘circular letter’ – zo nu en dan wel overdrachten aan Italië plaatsvonden vanuit andere lidstaten in het kader van de discretionaire bevoegdheid en de familie- en gezinsbepalingen. Bij gebrek aan voldoende informatie over deze specifieke overdracht, verandert deze omstandigheid het oordeel van de rechtbank niet.

Tot slot hecht de rechtbank er aan op te merken dat zij ziet dat de minister inspanningen verricht om de situatie met betrekking tot overdrachten aan Italië te verbeteren en dat uit het EU-rapport van juli 2026 blijkt dat de Italiaanse autoriteiten wel bezig zijn met het uitvoering geven aan hun internationale verplichtingen. Dat laat echter onverlet dat uit de beschikbare gegevens vooralsnog onvoldoende kan worden afgeleid dat de situatie voor Dublin- en/of AMBV-terugkeerders naar Italië na het van toepassing worden van het AMP op 12 juni 2026 daadwerkelijk is verbeterd ten opzichte van de periode daarvoor. De rechtbank wijst er daarbij op dat zij zich ervan bewust is dat nog slechts een beperkte periode is verstreken sinds 12 juni 2026 en dat het zou kunnen dat op afzienbare termijn wel voldoende aanknopingspunten blijken van daadwerkelijke en structurele opvangvoorzieningen voor terugkeerders en consistente hernieuwde medewerking door de Italiaanse autoriteiten. Op dit moment is daarvan echter nog onvoldoende gebleken.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de minister er, aan de hand van de in deze procedure ingebrachte informatie, niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Het beroep is reeds om deze reden gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:25113.

18-08-2026, Rb Utrecht, beroep gegrond [artikel 35, eerste lid, AMBV; discretionaire bevoegdheid; overgangsrecht]

Reden signalering:

De minister heeft in het kader van artikel 35, eerste lid, van de AMBV, toepassing heeft gegeven aan zijn beleid om een asielaanvraag alleen onverplicht te behandelen, als proceseconomische redenen daartoe aanleiding geven. Volgens de minister zijn die er niet. Gelet echter op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had de minister ook moeten beoordelen of er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat strikte toepassing van het beleid leidt tot onevenredige gevolgen. En of er aanleiding is om van het beleid af te wijken.

Overgangsrecht

Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.

Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming wordt bepaald volgens de in de Dvo vastgelegde criteria. De verzoeken van eisers om internationale bescherming zijn vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht, wordt bepaald volgens de in de Dvo vastgelegde criteria. Op grond van de Dvo neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

De bestreden besluiten gaan ook over de toepassing van de discretionaire bevoegdheid van de minister, op grond van artikel 35 van de AMBV. Dit artikel heeft directe werking sinds 12 juni 2026. Uit artikel 84, tweede lid, van de AMBV volgt namelijk niet dat het overgangsrecht ook op artikel 35 van de AMBV van toepassing is.

Discretionaire bevoegdheid

Eisers voeren aan dat de minister niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 7 mei 2026, ten aanzien van de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dvo (discretionaire bevoegdheid). Dat nu in artikel 43 van de AMBV is bepaald dat in beroep niet kan worden geklaagd over de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de AMBV (discretionaire bevoegdheid) is volgens eisers niet relevant. Doordat de minister niet in hoger beroep is gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 mei 2026, heeft de uitspraak gezag van gewijsde. De minister dient daarom nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister heeft in de bestreden besluiten alleen overwogen dat de verblijfsduur in Nederland ten opzichte van die in Roemenië geen proceseconomische reden is voor toepassing van artikel 35, eerste lid, van de AMBV. De minister is in het geheel niet ingegaan op de omstandigheden waaronder dit verblijf in Nederland en Roemenië heeft plaatsgevonden en de disbalans tussen de verblijfsduur in beide landen. De rechtbank heeft echter in de uitspraak van 7 mei 2026 nadrukkelijk overwogen dat de minister dit wel had moeten doen. Eisers hebben ruim een jaar rechtmatig onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) in Nederland verbleven en zijn direct na de eerste mededeling dat de RTB werd afgeschaft voor derdelanders met een tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne, teruggekeerd naar Oekraïne omdat zij niet wisten dat zij een asielaanvraag in Nederland konden indienen. Bij terugkeer naar Nederland hebben eisers in Roemenië een transit gemaakt van 5 uur met een transit visum. De minister heeft in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van gezag van gewijsde gehandeld door de opdracht van de rechtbank niet op te volgen.

De rechtbank overweegt dat de minister terecht het nu geldende recht aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft gelegd. Zoals hiervoor onder ‘overgangsrecht’ al is vastgesteld, is de AMBV op 12 juni 2026 in werking getreden en is de Dvo op die datum ingetrokken. De AMBV had dus vanaf dat moment directe werking, met uitzondering van de bepalingen over welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming.

De rechtbank stelt vast dat de uitspraak van 7 mei 2026 gezag van gewijsde heeft. In die uitspraak is de minister opgedragen om met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister niet alle omstandigheden kenbaar heeft betrokken bij de besluitvorming en de afweging bij de vraag of toepassing gegeven moest worden aan artikel 17 van de Dvo. In dat artikel was de discretionaire bevoegdheid van de minister opgenomen om een asielaanvraag te behandelen, ook al is hij daartoe volgens de in de Dvo neergelegde criteria niet verplicht. Diezelfde discretionaire bevoegdheid staat nu in artikel 35, eerste lid, van de AMVB.

In de bestreden besluiten stelt de minister zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 35, eerste lid, van de AMBV. De minister heeft overwogen dat hij alleen gebruik maakt van deze bevoegdheid als het voor de minister gunstiger is om de aanvragen zelf te behandelen (proceseconomische redenen). Dat is volgens de minister in het geval van eisers niet aan de orde. Daarom wordt geen uitzondering gemaakt op de regels van de AMBV, aldus de minister.

In artikel 43, eerste lid, van de AMVB staat dat de verzoeker het recht heeft tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen. De draagwijdte van een dergelijk rechtsmiddel is beperkt tot een beoordeling of:

  1. de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten;
  2. er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening; en inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.

De rechtbank stelt vast dat de bestreden besluiten (ook) gaan over de toepassing van de discretionaire bevoegdheid in artikel 35, eerste lid, van de AMBV. In artikel 43, eerste lid, onder c, van de AMBV wordt artikel 35 van de AMVB niet genoemd. Daaruit volgt dat het beroep niet kan gaan over de vraag of de minister geen gebruik heeft hoeven maken van de discretionaire bevoegdheid om de asielaanvragen onverplicht te behandelen. Wanneer echter de rechtbank geen oordeel kan geven over de thans bestreden besluiten, als het gaat om het niet toepassen van de discretionaire bevoegdheid, zou dat betekenen dat de rechtbank niet kan toetsen of de minister op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 7 mei 2026. Dat heeft tot gevolg dat die uitspraak, die gezag van gewijsde heeft, feitelijk elke betekenis verliest doordat de rechter in een volgende procedure de uitvoering van de opdracht in de uitspraak niet meer mag toetsen. Dat verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese unie en met het gezag van gewijsde van de uitspraak van 7 mei 2026. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of de minister op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 7 mei 2026.

De minister heeft in de bestreden besluiten, in het kader van artikel 35, eerste lid, van de AMBV, toepassing heeft gegeven aan zijn beleid om een asielaanvraag alleen onverplicht te behandelen, als proceseconomische redenen daartoe aanleiding geven. Volgens de minister zijn die er niet. Gelet echter op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had de minister ook moeten beoordelen of er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat strikte toepassing van het beleid leidt tot onevenredige gevolgen. En of er aanleiding is om van het beleid af te wijken. De minister had, gelet op wat de rechtbank in de uitspraak van 7 mei 2026 heeft overwogen, een dergelijke beoordeling wel moeten maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister niet op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de opdracht in de uitspraak van 7 mei 2026.

Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de bestreden overdrachtsbesluiten worden vernietigd.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:24910.

13-08-2026, Rb ’s-Hertogenbosch, beroep gegrond [België; interstatelijk vertrouwensbeginsel; opvang]

Reden signalering:

De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De brief van Fedasil biedt onvoldoende onderbouwing voor de conclusie dat eiser als niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoeker daadwerkelijk opvang zal krijgen. Bovendien volgt uit de AIDA-rapporten een ander beeld. Hieruit volgt dat er een grote kans bestaat dat eiser maandenlang op straat zal belanden.

De minister heeft met het bestreden besluit de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, Vw 2000 omdat België hiervoor verantwoordelijk is.

Het standpunt van eiser

Eiser betoogt dat de minister stelt dat België verantwoordelijk is omdat eiser eerder in België om internationale bescherming heeft verzocht en België op 20 februari 2026 akkoord is gegaan met het terugnameverzoek. In beide voornemens heeft de minister echter verwezen naar artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, terwijl het claimakkoord volgens het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Volgens eiser is dit niet louter een technisch verschil, maar raakt het aan de vraag of eisers Belgische procedure is afgewezen of ingetrokken en daarmee ook aan de beoordeling van de positie waarin eiser na overdracht feitelijk terechtkomt, waaronder de toegang tot opvang bij een opvolgende of hervatte procedure.

De rechtbank stelt vast dat de minister weliswaar in het voornemen van 23 februari 2026 heeft aangegeven dat België heeft ingestemd met het terugnameverzoek op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, maar dat zowel in het voornemen van 1 april 2026 als in het bestreden besluit artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening wordt vermeld als acceptatiegrond. Dit komt ook overeen met het claimakkoord van 20 februari 2026, waarin de Belgische autoriteiten hebben aangegeven dat zij akkoord gaan met het verzoek om terugname van eiser op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Nu zowel het voornemen van 1 april 2026 als het bestreden besluit, in lijn met het claimakkoord, artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening vermelden als acceptatiegrond wordt eiser niet gevolgd in zijn stelling dat de minister uit is gegaan van een onjuiste acceptatiegrond. De beroepsgrond slaagt niet.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser betoogt dat de minister zich bij zijn beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel baseert en op recente informatie van de Belgische autoriteiten, meer in het bijzonder een brief van 5 februari 2026. Daaruit zou volgen dat de opvangsituatie voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers is verbeterd, dat er noodopvang beschikbaar is en dat de gemiddelde doorstroomtijd voor toegang tot de reguliere opvang 3,5 maand bedraagt. Volgens eiser beantwoordt deze algemene informatie echter niet de vraag welke situatie eiser na overdracht zal aantreffen. Eiser wijst erop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk had gemotiveerd dat bij toepassing van de Dublinverordening op niet-kwetsbare alleenstaande mannen ten aanzien van België zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon worden uitgegaan. De minister stelt dat latere informatie van de Belgische autoriteiten dat gebrek wegneemt, maar dat standpunt vraagt om een deugdelijke en op de individuele zaak toegesneden motivering. Eiser meent dat de minister die motivering niet heeft gegeven. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 18 maart 2026. Uit die uitspraak volgt dat bij Dublinterugkeerders naar België, in het bijzonder bij opvolgende aanvragen, serieuze twijfel kan bestaan over toegang tot opvang en effectieve rechtsbescherming. De minister erkent dat deze uitspraak ziet op de problematiek van opvolgende aanvragen, maar schuift haar vervolgens terzijde met algemene verwijzingen naar het AIDA-rapport, update 2024, en de Opvangrichtlijn. Daarmee wordt volgens eiser onvoldoende ingegaan op de concrete vraag of eiser bij terugkeer, mede gelet op het claimakkoord onder artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening, feitelijk onmiddellijk toegang zal hebben tot opvang en noodzakelijke psychische zorg. De motivering dat hij in België kan klagen is volgens eiser ook ontoereikend. Een abstracte verwijzing naar een klachtmogelijkheid volstaat niet wanneer juist is aangevoerd dat bij opvolgende of hervatte procedures problemen bestaan met toegang tot opvang en met de effectiviteit van rechtsmiddelen. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt is door eiser gewezen op twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Utrecht en Middelburg van respectievelijk 2 en 4 juni 2026.

De minister betoogt dat na de brief van de Belgische autoriteiten van 5 februari 2026 weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van België. Op 5 februari 2026 heeft de directeur-generaal van Fedasil (de Belgische overheidsinstelling die verantwoordelijk is voor de opvang) namelijk een brief gestuurd over de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers. Hieruit volgt dat er al een lange tijd veel minder mannen op de doorstroomlijst staan voor een plek in de regulier opvang. Het aantal personen op deze lijst neemt steeds verder af. De minister wijst erop dat de gemiddelde doorstroomtijd nu 3,5 maand is. Het aantal personen op de doorstroomlijst was ten tijde van de Afdelingsuitspraak 2.513, terwijl er op 1 juni 2026 nog maar 1.043 personen op deze lijst staan. Dit onderstreept volgens de minister het beeld dat sprake is van een structurele (en continuerende) afname. Ook volgt uit deze brief dat er in België een groot netwerk voor nood- en daklozenopvang is. Zo zijn er 2.000 plaatsen in een noodopvang in Brussel, waar mannen op de doorstsroomlijst tijdelijk kunnen verblijven. Alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten kunnen dus feitelijk toegang krijgen tot een (nood)opvangplaats in België als ze op de doorstroomlijst staan. Deze mannen krijgen daarbij genoeg basishulp die nodig is om te kunnen leven. Uit de brief volgt dat de Belgische autoriteiten veel moeite doen om de problemen in de opvang op te lossen. Er is dus geen sprake meer van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in België zoals ten tijde van de uitspraak van de Afdeling. Nu de opvangsituatie in België verbeterd is, zijn de problemen met betrekking tot het aanwenden van een effectief rechtsmiddel niet meer van belang. Tijdens de zitting verwijst de minister in aanvulling hierop naar het arrest N.H. e.a. tegen Frankrijk9 van het EHRM. De minister betoogt hierbij dat zelfs al zou sprake zijn van tekortkomingen in de opvang in België, dan volgt uit dit arrest dat dit niet leidt tot een gebrek die de hoge drempel van het arrest Jawo haalt.

De rechtbank begrijpt het beroep van eiser zo dat hij ook betwist dat in zijn algemeenheid ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan met betrekking tot niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers. Dit is door eiser ter zitting bevestigd. De rechtbank zal eerst deze grond bespreken.

De rechtbank stelt voorop dat eisers asielaanvraag bij terugkeer naar België – gelet op de acceptatiegrond van het terugnameverzoek – door de Belgische autoriteiten waarschijnlijk niet zal worden aangemerkt als opvolgende aanvraag. De minister heeft dit ter zitting bevestigd.

Het uitgangspunt is dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit wordt gegaan dat de lidstaten van de Europese Unie hun unierechtelijke en internationale verplichtingen tegenover asielzoekers nakomen. De Afdeling is bij uitspraak van 23 juli 2025 in zoverre teruggekomen van haar eerdere oordeel in de uitspraak van 13 maart 2024. Volgens de Afdeling kan voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer uitgegaan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. De Afdeling heeft daarbij onder andere betekenis toegekend aan de langdurige opvangproblemen in België en de omstandigheid dat voor deze groep geen effectief rechtsmiddel beschikbaar was. Gelet op de conclusie van de Afdeling in deze uitspraak is de rechtbank van oordeel dat het in eerste instantie aan de minister is om te onderbouwen en aannemelijk te maken dat inmiddels voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen weer kan worden uitgegaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel ten aanzien van België.

In dit kader verwijst de minister naar de brief van Fedasil van 5 februari 2026, die als bijlage is opgenomen bij Informatiebericht (IB) 2026/8. Hierin staat, voor zover relevant, het volgende:

“In zijn huidige vorm voorziet het samenwerkingsakkoord in 2.000 humanitaire opvangplaatsen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Binnen dit totaal gaat het om 600 structurele opvangplaatsen en 1.400 bufferplaatsen die flexibel kunnen worden naargelang de opvangnoden. Deze capaciteit is niet exclusief bestemd voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en wordt ook ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.

In de reguliere federale opvang verbleven op 23 januari 2026 in totaal 9.742 alleenstaande mannen. Fedasil beschikt niet over een volledig overzicht van alle nood- en daklozenopvangplaatsen in België, aangezien dit geen federale bevoegdheid is.

Alleenstaande mannelijke verzoekers die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, kunnen tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde “wachtlijst” staan, die in de praktijk een “doorstroomlijst” is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maanden na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Het aantal personen op deze lijst is op 1 jaar tijd bijna gehalveerd en zakte op 2 juni 2025 voor het eerst onder de 2.000. Op 27 januari 2026 stonden nog 1.535 personen op de lijst, met een dalende trend die zich structureel verderzet.

Aangezien het aantal personen op deze “doorstroomlijst” reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, kan worden vastgesteld dat alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken.”

De rechtbank is allereerst van oordeel dat uit deze brief niet duidelijk blijkt dat na de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2025 door de Belgische autoriteiten iets is gedaan voor de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Er zouden weliswaar 2.000 humanitaire opvangplaatsen zijn gerealiseerd via het samenwerkingsakkoord, maar het is voor de rechtbank onduidelijk of deze opvangplaatsen zijn gerealiseerd na deze uitspraak van de Afdeling. Immers, in het AIDA Country Report van juni 2025 en juli 2026 wordt gesproken over 2.000 extra opvangplaatsen in het Brusselse Gewest als gevolg van de zogenaamde ‘Brusselse Deal’. Deze plaatsen zijn echter al in 2022 (dus ruim voor de uitspraak van de Afdeling) gerealiseerd. Uit de brief van Fedasil van 5 februari 2026 volgt niet wanneer deze plaatsen zijn gerealiseerd. Het lijkt erop dat dit dezelfde plaatsen zijn als genoemd in de AIDA-rapporten. Dit betekent dat deze plaatsen dus niet zijn gerealiseerd na de uitspraak van de Afdeling. De minister heeft dit ter zitting ook met zoveel woorden bevestigd. Dit betekent dat – anders dan de minister lijkt te schetsen – de Belgische autoriteiten na de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling niet meer opvangplaatsen hebben gerealiseerd.

Daar komt bij dat de rechtbank van oordeel is dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er voor alle niet-kwetsbare alleenstaande mannen een plek is in de opvang. Fedasil concludeert in de eerdergenoemde brief dat er minder personen op de doorstroomlijst staan dan er plekken zijn in de humanitaire opvangplaatsen van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest en dat daarom alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats zouden kunnen beschikken. Deze conclusie kan echter niet zonder meer worden gevolgd. Uit de brief volgt dat van deze plaatsen 2.000 plaatsen er 200 plaatsen zijn bedoeld voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. De overige 1.800 plaatsen zijn ook niet exclusief bedoeld voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers. Dit volgt uit de volgende passage van de brief:

“Deze capaciteit is niet exclusief bestemd voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en wordt ook ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.”

Deze 1.800 opvangplaatsen kunnen dus ook door anderen dan niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers worden gebruikt. Uit de brief van Fedasil noch uit andere informatie van de minister volgt hoeveel van deze plekken worden benut door anderen dan niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers. Het kan dus zijn dat bijvoorbeeld 1.799 plaatsen worden gebruikt door gezinnen en minderjarigen en slechts één plaats beschikbaar is voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers. In dat geval kunnen niet alle personen op de doorstroomlijst beschikken over een opvangplek in deze noodopvang. Daarbij leidt de rechtbank uit de brief van 5 februari 2025 af dat alle personen op deze doorstroomlijst niet-kwetsbare alleenstaande mannen moeten zijn, nu kwetsbare personen wel direct worden toegelaten tot de reguliere opvang. Uit de brief volgt verder niet dat Fedasil is nagegaan of alle alleenstaande niet-kwetsbare mannelijke verzoekers die op de doorstroomlijst staan daadwerkelijk gebruik kunnen maken van deze noodopvang. Fedasil volstaat immers met de algemene constatering dat er minder mensen op de doorstroomlijst staan dan het aantal plaatsen in de noodopvang, zonder dat daarbij kenbaar rekening wordt gehouden met het feit dat de 1.800 plaatsen niet exclusief beschikbaar zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers. Daardoor is het voor de rechtbank onduidelijk of alle verzoekers die op de doorstroomlijst staan daadwerkelijk gebruik kunnen maken van deze noodopvang plaatsen. Niet is gebleken dat de minister hier nader onderzoek naar heeft gedaan door hierover bijvoorbeeld een vraag te stellen aan Fedasil. Bovendien volgt uit het eerdergenoemde AIDA-rapport dat verzoekers om internationale bescherming geen voorrang krijgen bij deze plaatsen in de noodopvang en dat ondanks deze 2.000 plaatsen in de noodopvang er een groot tekort is in de opvangvoorzieningen.

Nu de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor alle niet-kwetsbare alleenstaande asielzoekers een plek in de opvang is, bestaat er een grote kans dat deze personen verstoken blijven van opvang. Verder geldt dat er een wachttijd is van gemiddeld 3,5 maand voor toegang tot de reguliere opvang. Dit betekent dat een niet-kwetsbare alleenstaande asielzoeker waarvoor geen plek is in de noodopvang waarschijnlijk 3,5 maand op straat belandt. Dit volgt ook uit de eerdergenoemde AIDA-rapporten. Zo volgt hieruit ook dat verzoekers die geen opvang krijgen op straat belanden en in een precaire situatie terechtkomen. Ook blijkt uit het AIDA-rapport van juli 2026 dat Vluchtelingenwerk Vlaanderen zich fel verzet tegen de conclusie van de Nederlandse autoriteiten dat overdrachten van alleenstaande mannen naar België kunnen worden hervat omdat de Belgische overheid garanties heeft gegeven dat de opvangsituatie is verbeterd. Volgens Vluchtelingenwerk Vlaanderen krijgen niet-kwetsbare alleenstaande mannen gedurende deze wachttijd niet automatisch een opvangplek in Brussel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ondanks de informatie in de brief van 5 februari 2026 de kern van de kritiek van de Afdeling in rechtsoverweging 5.3 tot en met 5.3.4 en 5.6 van de uitspraak van 25 juli 2025 overeind blijft. Gelet op deze rechtsoverwegingen kan de ter zitting gegeven toelichting van de minister dat er ten tijde van de uitspraak van de Afdeling sprake was van 2.513 personen op de doorstroomlijst, wat de maximale capaciteit van 2.000 oversteeg, en dat er daarom in die periode niet voor iedereen opvang was, geen doel treffen. Ook hieruit blijkt immers niet hoeveel niet-kwetsbare alleenstaande mannen er op dat moment daadwerkelijk gebruik konden maken van de 2.000 humanitaire opvangplaatsen.

Bovendien lijkt de informatie in de brief van Fedasil in strijd met de informatie die de minister kennelijk eerder heeft gekregen, zoals ook volgt uit voornoemde uitspraak van de Afdeling. Hierin staat dat uit de reactie die de minister op 23 maart 2025 heeft ontvangen van de Belgische autoriteiten volgt dat zij de ambitie hebben om de opvangcapaciteit geleidelijk af te bouwen. Dit volgt ook uit de eerdergenoemde AIDA-rapporten.19 Niet is gebleken dat de minister hier navraag of onderzoek naar heeft gedaan. Daardoor is onduidelijk of er daadwerkelijk sprake is van meer opvangplaatsen en het eerder vastgestelde tekort is verkleind. Uit de AIDA-rapporten lijkt juist te volgen dat er in België inmiddels minder opvangplekken zijn dan er eerder waren en dat er forse bezuinigingen zijn gepland op dit vlak.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de brief van Fedasil, en daarmee dus ook de minister omdat die naar deze brief verwijst, (nog) onvoldoende zekerheid en duidelijkheid geeft over de asielopvangcapaciteit van België. De rechtbank kan uit de brief niet opmaken of alle niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers in heel België die behoefte hebben aan opvang, daadwerkelijk een opvangplek krijgen. Dit is ook uit de nadere toelichting tijdens de zitting niet gebleken. De brief geeft daarnaast ook geen inzicht in het aantal asielzoekers dat in heel België in de nood- en daklozenopvang zit en het totaal aantal opvangplaatsen en tekorten. Terwijl uit de eerdergenoemde AIDA-rapporten blijkt dat sprake is van structurele tekorten. Hierdoor blijft er naar het oordeel van de rechtbank te veel onzekerheid bestaan over het aantal beschikbare plekken voor niet-kwetsbare alleenstaande asielzoekers. De rechtbank vindt hierbij van belang dat de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 ook al tot de conclusie kwam dat het onduidelijk was hoeveel plaatsen er daadwerkelijk beschikbaar waren in de nood- en daklozenopvang voor niet-kwetsbare alleenstaande asielzoekers, waardoor het ook onduidelijk was hoeveel niet-kwetsbare alleenstaande asielzoekers daar verbleven. De brief van Fedasil, en daarmee ook de minister die zich daarop baseert ter onderbouwing van zijn standpunt, heeft deze onduidelijkheid niet weggenomen. Het feit dat het aantal personen op de doorstroomlijst afneemt, is onvoldoende.

Voor zover de minister zich ter zitting onder verwijzing naar het arrest N.H. e.a. tegen Frankrijk op het standpunt heeft gesteld dat opvangplaatsen niet gegarandeerd moeten zijn, wordt dit door de rechtbank niet gevolgd. Weliswaar volgt uit punt 160 van dit arrest dat een lidstaat niet is gehouden om aan eenieder die onder zijn jurisdictie valt een recht op huisvesting te garanderen, maar een recht op huisvesting is meer omvattend dan opvang gedurende de asielprocedure. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het EHRM in het door de minister aangehaalde arrest een schending van artikel 3 EVRM heeft aangenomen in het geval van drie alleenstaande mannen, niet zijnde Dublinclaimanten, die in afwachting van het indienen van hun asielaanvraag in België geen aanspraak konden maken op opvang en andere voorzieningen omdat zij niet de status hadden van asielzoeker. Bovendien heeft het EHRM in het arrest van 9 april 2026 België nog veroordeeld wegens schending van artikel 3 EVRM voor onder andere het maandenlang niet verstrekken van opvang aan verzoekers om internationale bescherming. Daar komt nog bij dat uit het arrest Changu van het HvJ-EU volgt dat er altijd opvang dient te zijn die onvoorwaardelijk is. Voor zover de minister heeft willen betogen dat als asielzoekers een korte tijd verstoken zijn van opvang dit niet leidt tot een situatie als bedoeld in het arrest Jawo, verwijst de rechtbank naar wat is overwogen onder 6.8.

Gelet op het voorgaande is met de huidige onderbouwing van het bestreden besluit onvoldoende zeker o f ten aanzien van België weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt. Alleen al op grond van het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:22821.

17-08-2026, Rb Haarlem, beroep gegrond [Dublin-Frankrijk; interstatelijk vertrouwensbeginsel; opvang]

Reden signalering:

Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser kan klagen bij de bevoegde autoriteiten in Frankrijk over het uitblijven van opvang, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eerst gehouden is onderzoek te doen naar het gedaalde percentage van de groep die opvang krijgt en waar eiser als Dublinterugkeerder toe behoort, voordat van hem kan worden gevergd om te klagen bij de Franse autoriteiten. Hierbij acht de rechtbank van belang dat ongeveer 80 procent van de Dublinterugkeerders en -aanvragers blijkbaar geen opvang krijgt. Dat klagen een effectief rechtsmiddel is om een plek in de opvang te bewerkstelligen en te voorkomen om op straat te belanden acht de rechtbank in die situatie onvoldoende duidelijk.

Eiser voert aan dat uit het nieuwe AIDA-rapport (AIDA Country report France, update on 2025, may 2026, p. 130) volgt dat de opvang van Dublin-terugkeerders in Frankrijk dusdanig ontoereikend is, dat niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit het AIDA-rapport volgt dat de asielzoekers die in Frankrijk onder de Dublinprocedure vallen in 4.887 van de 24.174 gevallen opvang krijgen. Dit komt neer op 20,2 procent. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook erkend dat ruim 20 procent van de terugkeerders en aanvragers die onder de Dublinverordening vallen opvang heeft gekregen. In het bestreden besluit verwijst verweerder naar een uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3623). Bij die uitspraak is het nieuwe AIDA-rapport echter nog niet meegenomen.

De rechtbank volgt de stelling van eiser en is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank is als volgt tot dit oordeel gekomen.

Uit het AIDA-rapport8 van mei 2026 (update 2025) volgt: ‘Asylum seekers who fall under the Dublin procedure in France can in theory benefit from emergency accommodation up until the notification of the decision of transfer, while Dublin returnees are treated as regular asylum seekers and therefore benefit from the same reception conditions granted to asylum seekers under the regular or the accelerated procedure. In practice, however, many persons subject to Dublin procedures (applicants or returnees) live on the streets or in squats because of the overall lack of places. At the end of 2025, only 4,887 out of 24,174 asylum applicants under Dublin procedure this year were accommodated (20.2%). No such detailed data are available for 2024.’

De rechtbank leest het rapport zo dat het percentage van 20,2 procent ziet op zowel Dublinterugkeerders als asielzoekers die in Frankrijk in de Dublin-procedure worden behandeld en vanuit Frankrijk worden overgedragen aan een andere lidstaat. De rechtbank acht in dit kader van belang dat uit het AIDA-rapport blijkt dat het theoretische onderscheid tussen aanvragers en terugkeerders in de praktijk anders uitpakt, nu beide groepen volgens het rapport op straat of in kraakpanden moeten leven wegens het tekort aan opvangplekken. De rechtbank constateert dat verweerder zich in het bestreden besluit op pagina 6 ook op het standpunt heeft gesteld dat ‘Ruim 20% van alle terugkeerders en aanvragers heeft wel fysieke opvang verkregen’, terwijl verweerder ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat het percentage alleen ziet op personen die in Frankrijk asiel aanvragen en onder de Dublin (of AMBV) procedure vallen. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder ter zitting dus niet, en merkt op dat dit ook tegenstrijdig is met wat verweerder in het bestreden besluit heeft opgenomen.

Daarnaast schetst het AIDA-rapport van mei 2026 (update 2025) een ander beeld dan het AIDA-rapport van juni 2025 (update 2024). Uit het rapport update 20249 volgt dat van dezelfde groep een jaar eerder nog 29,6 procent werd opgevangen in Frankrijk. Dit is dus een daling van bijna 10 procent. De rechtbank kan daarom het standpunt van verweerder dat het AIDA-rapport van mei 2026 geen wezenlijk ander beeld schetst dan het rapport van juni 2025, niet volgen zonder een nadere motivering.

De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, leidt ook niet tot een ander oordeel. De Afdeling heeft in deze uitspraak namelijk het vorige AIDA-rapport van juni 2025 (update 2024) betrokken. Daarnaast merkt de rechtbank op dat de Afdeling voor het laatst inhoudelijk is ingegaan op de AIDA-rapporten over Frankrijk in haar uitspraak10 van 5 april 2023, waarin de overwegingen van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, worden overgenomen over het AIDA-rapport van april 2022 (update 2021). In dit rapport werden nog geen percentages genoemd, maar hierin werd wel al gesignaleerd dat zowel Dublinterugkeerders als -aanvragers op straat leefden.

Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser kan klagen bij de bevoegde autoriteiten in Frankrijk over het uitblijven van opvang, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eerst gehouden is onderzoek te doen naar het gedaalde percentage van de groep die opvang krijgt en waar eiser als Dublinterugkeerder toe behoort, voordat van hem kan worden gevergd om te klagen bij de Franse autoriteiten. Hierbij acht de rechtbank van belang dat ongeveer 80 procent van de Dublinterugkeerders en -aanvragers blijkbaar geen opvang krijgt. Dat klagen een effectief rechtsmiddel is om een plek in de opvang te bewerkstelligen en te voorkomen om op straat te belanden acht de rechtbank in die situatie onvoldoende duidelijk.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond omdat het besluit een motiveringsgebrek bevat. Dit betekent dat eiser gelijkt krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:23149.

07-08-2026, Rb Groningen, NL25.61075, Somalië, beroep gegrond [herbesnijdenis; bewijslast]

Reden signalering:

Eiser legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij op een dag onderweg naar school twee mannen zag die verdacht deden. Ze volgden eiseres, daarop is eiseres naar de politiepost gegaan. Toen gingen ze weg. Eiseres vertelde het thuis aan haar oma en die zei dat de mannen misschien wel van Al Shabaab waren. Eiseres is naar de buren gegaan. De volgende dag kwamen de mannen langs bij eiseres haar oma; ze wilden eiseres meenemen. Daarna zijn ze nog twee keer langsgekomen. Bij eiseres haar vluchtadres is eiseres aangerand door de zoon die in het huis woonde. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

  1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  2. Problemen met Al Shabaab;
  3. Aanranding in het huis in Towfik.

De minister stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn, evenals aanranding in het huis in Towfik. De problemen met Al Shabaab zijn volgens de minister niet geloofwaardig. De rechtbank heeft in de vorige procedure geoordeeld dat de minister de problemen met Al Shabaab niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daarnaast is geoordeeld dat de minister in de geloofwaardig geachte aanranding, terecht geen aanleiding heeft hoeven zien om een vergunning te verlenen. Dit staat in rechte vast.

De minister heeft eiseres haar vrees voor herbesnijdenis (genitale verminking) ongeloofwaardig geacht. Eiseres haar verklaringen vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel.3 Zo worden haar verklaringen niet onderschreven door informatie uit openbare bronnen. Ook zijn haar verklaringen vaag, ongerijmd en op aannames gebaseerd

Verder vindt de minister niet dat de geloofwaardig geachte identiteit, nationaliteit en herkomst tot vergunningverlening leidt. Zo valt eiseres niet onder het alleenstaande vrouwenbeleid. Ook is geen sprake van systematische blootstelling, omdat eiseres niet uit een gebied komt waar Al Shabaab aan de macht is of hoeft te reizen door een gebied dat onder controle staat van Al Shabaab. Daarnaast neemt de minister aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Mogadishu, en heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij een hoger risico loopt op willekeurig geweld

Tot slot stelt de minister zich op het standpunt dat nader onderzoek door DT&V nodig is om te kunnen bepalen of aan de vereisten van adequate opvang wordt voldaan.

Wat is in de eerdere procedure geoordeeld?

De rechtbank overweegt dat de aanvraag van eiseres al eens eerder is afgewezen. Het tegen die afwijzing ingestelde beroep is gegrond verklaard. In die uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat, omdat de minister geloofwaardig acht dat eiseres al eerder het slachtoffer van genitale verminking is geweest, moet worden aangenomen dat zulk gevaar bij terugkeer bestaat. Door te stellen dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij bij een terugkeer naar Somalië te maken krijgt met herbesnijdenis, heeft de minister onvoldoende rekenschap gegeven van de omkering van de bewijslast als bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Vw. Het is niet aan eiseres om haar vrees aannemelijk te maken, maar aan de minister om het vermoeden te weerleggen dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van een herhaalde genitale verminking, aldus de rechtbank.

De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat het aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer naar Somalië te maken kan krijgen met een huwelijk of de geboorte van een kind. Deze omstandigheden zijn door de minister ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken en de enkele verwijzing naar algemene informatie, zegt onvoldoende over het concrete risico voor eiseres.

Wat vindt eiseres?

De rechtbank begrijpt dat eiseres betoogt dat de minister het vermoeden dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van een herhaalde genitale verminking, niet heeft kunnen weerleggen. Bij de beoordeling die is gemaakt, is sprake van een te beperkte en onvolledige interpretatie van landeninformatie over herbesnijdenis en is onvoldoende aandacht voor culturele context, bewijslast, leeftijd en trauma. Net als in de eerdere procedure baseert de minister zich op openbare bronnen en vraagt deze van eiseres om haar vrees aannemelijk te maken, terwijl het niet op de weg van eiseres ligt om dat te doen. De minister geeft daarmee eenzelfde verweer als in de procedure die leidde tot een gegrond beroep en daarom kan ook het besluit in deze procedure geen standhouden. Wat oordeelt de rechtbank? 8. De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure wordt uitgegaan van de juistheid van de diverse in de uitspraak van 25 oktober 2024 gegeven rechtsoordelen. Dit betekent dat vaststaat dat eiseres in het verleden al eens is besneden en zij dus al eerder slachtoffer is geworden van een onmenswaardige behandeling in de zin van artikel 3 EVRM. Het uitgangspunt is vervolgens dat het niet aan eiseres is om haar vrees voor herbesnijdenis aannemelijk te maken, maar dat het aan de minister is om het vermoeden te weerleggen dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van een herhaalde genitale verminking.

De rechtbank stelt vast dat de minister in de besluitvorming de vrees voor herbesnijdenis heeft beoordeeld met toepassing van artikel 31, zesde lid, van de Vw, omdat eiseres haar verklaringen niet met objectieve documenten volledig heeft onderbouwd. De minister heeft de vrees voor herbesnijdenis namelijk aangemerkt als asielmotief. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarmee niet het juiste toetsingskader heeft gehanteerd. De minister heeft namelijk geloofwaardig geacht dat eiseres is besneden. Vervolgens is dit een duidelijke aanwijzing dat de vrees van eiseres voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. De minister diende dit dan ook niet te beoordelen als asielmotief onder artikel 31, zesde lid van de Vw, maar bij de vraag of sprake is van een gegronde vrees van vervolging. Omdat de minister dat niet heeft gedaan is sprake van een motiveringsgebrek en zorgvuldigheidsgebrek. Het beroep is gegrond en het besluit wordt vernietigd. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven.

De rechtbank stelt voorop dat de minister een deugdelijke risicobeoordeling dient te maken of eiseres bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft of sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De rechtbank wijst daarbij eveneens op het arrest Ebilum waaruit volgt dat in ieder geval sprake is van een vrees voor vervolging/reëel risico op ernstige schade als sprake is van een ‘redelijke mate van waarschijnlijkheid’ dat die persoon zal worden vervolgd. Om dit risico te beoordelen dient de minister mee te nemen dat eiseres in het verleden is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade. Dit is namelijk een sterke indicator dat iemand bij terugkeer opnieuw aan dit risico blootgesteld zal worden. Zoals hiervoor al is aangegeven keert dan de bewijslast om. De rechtbank vat het betoog van de minister op zitting zo op dat hij zich op het standpunt stelt dat de lat van ‘redelijke mate van waarschijnlijkheid’ niet wordt gehaald, omdat er goede redenen zijn om aan te nemen dat de vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. De minister baseert zich daarbij op informatie uit openbare bron, die niet overeenkomt met de verklaringen van eiseres. Daar komt volgens de minister bij dat de verklaringen van eiseres over een herbesnijdenis vaag en ongerijmd zijn, en zijn gebaseerd op aannames.

De rechtbank volgt de minister niet dat de verklaringen van eiseres niet overeenkomen met informatie uit een openbare bron. In deze openbare bron is opgenomen dat: “In cases where the wounds have not healed properly or where they are otherwise not satisfied with the result, corrective interventions are sometimes performed during the first year after the procedure was carried out. There are also anecdotal reports of cases where a new procedure is done because the family wants a more extensive procedure than the original one.”

Uit deze bron volgt niet dat altijd binnen een jaar wordt herbesneden wanneer men niet tevreden is met de herbesnijdenis. Eiseres is in het aanvullend gehoor bevraagd over de redenen dat haar oma heeft gewacht met het bekijken van haar besnijden totdat zij dertien jaar oud was. Eiseres verklaart onder meer dat haar oma wilde weten of zij iets had gedaan dat niet was toegestaan. Haar oma wilde daarom haar besnijdenis bekijken. Eiseres weet niet zeker waarom haar oma twijfelde dat zij iets had gedaan dat niet was toegestaan. Maar verklaart dat dit vaker voorkomt om zeker te zijn dat meisjes niets hebben gedaan.15 Eiseres heeft hiermee (enige) uitleg gegeven waarom haar oma haar besnijdenis juist op haar dertiende wilde controleren. De rechtbank overweegt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze uitleg onvoldoende is.

Ook heeft de minister niet nader toegelicht wat maakt dat deze verklaringen niet helder zijn. Het is de rechtbank niet duidelijk wat de minister nog meer van eiseres verwacht op dit punt.

De rechtbank betrekt hierbij ook het referentiekader van eiseres. Eiseres was ten tijde van het nader gehoor vijftien jaar oud en is ongeschoold. Haar verklaringen gaan over de periode na haar besnijdenis op haar zevende/achtste en haar vertrek uit Somalië op haar dertiende. De minister stelt zich op het standpunt dat desondanks meer van eiseres verwacht kan worden, omdat vrouwenbesnijdenis in zijn algemeenheid een grote rol speelt in het leven van (jonge) Somalische meisjes. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres haar verklaringen onvoldoende helder zijn en dat er meer van haar verwacht kan worden. 13. Daarnaast heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiseres haar verklaringen vaag, ongerijmd en gebaseerd op aannames zijn.

Eiseres heeft verklaard dat haar oma tegen haar heeft gezegd dat ze herbesneden moet worden. Dat haar oma niet heeft verteld wanneer dit exact zou plaatsvinden, maakt niet - zoals de minister stelt - dat de herbesnijdenis niet zal plaatsvinden. Daarbij betrekt de rechtbank dat de beslissing voor een herbesnijdenis vaak wordt genomen door oudere vrouwelijke familieleden.

Verder heeft eiseres verklaard dat zij denkt dat haar hechtingen niet goed waren of los zaten en dat zij daarom nog een keer besneden moest worden.

Eiseres heeft ook verklaard dat als een meisje niet goed besneden is, zij onrein is. De rechtbank overweegt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd wat er, gezien het hiervoor geschetste referentiekader van eiseres, meer van haar verwacht had mogen worden. Dat zij haar vriendinnen heeft verteld dat zij herbesneden zou worden maar niet weet wat er tijdens de eerste besnijdenis is misgegaan, maakt niet dat haar verklaringen vaag of ongerijmd zijn. Datzelfde geldt voor het gegeven dat de buurvrouw de besnijdenis heeft bekeken en vond dat eiseres nogmaals moest worden besneden maar niet kan toelichten waarom de buurvrouw dit vond. De rechtbank benadrukt daarbij dat de beslissing voor een herbesnijdenis vaak wordt genomen door oudere vrouwelijke familieleden.

Daarnaast heeft eiseres verklaard dat tussen de vaststelling van haar oma dat zij herbesneden moest worden en haar vertrek uit Somalië ongeveer anderhalve maand zat. De minister stelt dat het onwaarschijnlijk is dat nog maanden zouden verstrijken voordat een daadwerkelijke herbesnijdenis zou plaatsvinden. Het is de rechtbank onduidelijk waar de minister dit op baseert. Eiseres heeft over de herbesnijdenis verklaard dat zij niets te kiezen had, dat haar oma haar voogd was en zij voor haar besliste. Ook heeft zij verklaard dat bij haar eerste besnijdenis zij pas na aankomst bij het huis van een vriendin wist dat zij op dat moment besneden zou worden. Bovendien kan van eiseres niet verwacht worden dat zij wacht totdat zij daadwerkelijk aan een herbesnijdenis wordt onderworpen, voordat zij haar land van herkomst verlaat.

Tot slot heeft eiseres verklaard dat zij in eerste instantie met de Sunni-methode is besneden en dat zij denkt dat haar oma voor de herbesnijdenis zal kiezen voor de Fironi methode. Eiseres heeft daarbij verklaard dat ze dit niet zeker weet, maar dat ze heeft gezien dat meisjes die voor de tweede keer werden besneden, met de Fironi-methode werden besneden. Als de Sunni methode niet goed werkt, dan wordt de Fironi methode toegepast, denkt eiseres. De rechtbank overweegt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd wat er, gezien het hiervoor geschetste referentiekader van eiseres, meer van haar verwacht had mogen worden. Eiseres heeft uitgelegd waarom zij denkt dat de Fironi methode bij een herbesnijdenis toegepast zou worden. Het enkele feit dat eiseres dit niet zeker weet, betekent niet zonder meer dat zij geen gegronde vrees voor herbesnijdenis heeft. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.

Het beroep is gegrond.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:22129.

11-08-2026, Rb Haarlem, Somalië, beroep gegrond [Al-Shabaab, gedwongen rekrutering; geloofwaardigheid; arresten Quotal en Ebilum; volle geloofwaardigheidstoets rechter]

Reden signalering:

De rechtbank voorziet zelf in de zaak en draagt verweerder op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen. De rechtbank vindt de problemen van eiser met Al-Shabaab geloofwaardig en komt tot de conclusie dat eiser in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming nu eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië. Verweerder heeft daarmee onterecht de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, en had ook geen terugkeerbesluit mogen uitvaardigen of een inreisverbod mogen opleggen.

Geloofwaardigheid

De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de (toekomstige) problemen van eiser met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn. Hierbij betrekt de rechtbank dat verweerder meerdere cruciale onderdelen uit het asielrelaas van eiser, zoals de gedwongen rekrutering, het verblijf in het kamp en de ontsnapping hieruit geloofwaardig acht. De onderdelen die verweerder onlogisch vindt en waarover hij tegenwerpingen maakt, geven onvoldoende grond om het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig te achten. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat het document dat door eiser is overgelegd vals is bevonden, onvoldoende om de gehele geloofwaardigheid van het asielrelaas te ontkrachten. Dit geldt des te meer, nu de rechtbank het asielrelaas van eiser geloofwaardig acht.

In de arresten Quotal en Ebilum heeft het Hof overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europese recht. In lijn met deze arresten toetst de rechtbank de geloofwaardigheid daarom nu vol. Vol toetsend, is de rechtbank van oordeel, gelet op wat al geloofwaardig is geacht door verweerder en wat hierboven is overwogen over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser, dat moet worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van de problemen met Al-Shabaab. Dit geldt ook voor de negatieve aandacht die eiser vreest bij terugkeer naar Somalië.

Zwaarwegendheid

Eiser voert aan dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Hij wijst erop dat Al-Shabaab naar hem op zoek is en dat zij hem willen vermoorden. Eiser voert aan dat hij niet veilig terug kan keren naar [plaats] en dat Mogadishu ook niet kan gelden als binnenlands vestigingsalternatief. Hierbij wijst eiser erop dat uit het AAB 2023 en het EUAA-rapport 2025 volgt dat Mogadishu slechts in uitzonderlijke gevallen als vestigingsalternatief kan gelden. Dit is slechts zo indien je behoort tot een lokale meerderheidsclan, voldoende mogelijkheden hebt in je eigen onderhoud te voorzien, en je sociale netwerk. Nu eiser onderdeel uitmaakt van een minderheidsclan en geen grootfamilie heeft, kan hem dit niet worden tegengeworpen.

De rechtbank volgt verweerder in zijn conclusie dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan een van de voorwaarden voldoet die gesteld zijn in het Vluchtelingenverdrag en dat hij daarmee niet onder het Vluchtelingenverdrag valt. Nu eiser niet in aanmerking komt voor vluchtelingschap, toetst de rechtbank of eiser in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Daarvoor moet eiser aannemelijk maken dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Het asielrelaas van eiser is reeds door de rechtbank geloofwaardig bevonden. Daarnaast volgt uit landeninformatie dat gedeserteerde leden, ook die van lagere rangen, vermoord worden wanneer zij worden ontdekt door Al-Shabaab. Ook is het risico op represailles voor iemand die aan Al-Shabaab heeft kunnen ontsnappen, erg hoog. Het EUAA-rapport 2025 wijst er daarnaast op dat deserteurs en hun familie risico lopen op vervolging door Al-Shabaab. Op basis van deze informatie is de rechtbank van oordeel dat eiser een hoog risico loopt in Somalië en dat eiser bij terugkeer naar [plaats] een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft dit met zijn stelling dat, enkel onder verwijzing naar Cedoca, een bron van de Belgische overheid uit 2023, er geen informatie is die aantoont dat Al-Shabaab deserteurs daadwerkelijk opspoort en doodt, niet kunnen ontkrachten. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de door eiser overlegde bronnen recenter en talrijker zijn dan de bronnen waarop verweerder zich heeft gebaseerd. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat het asielrelaas van eiser zwaarwegend is en dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico op ernstige schade loopt.

Tot slot toetst de rechtbank of het binnenlandse beschermingsalternatief terecht is tegengeworpen. Uit het EUAA-rapport 2025 en het AAB 2023 volgt dat een redelijk vestigingsalternatief in Mogadishu zich slechts voordoet bij alleenstaande en gezonde jonge mannen of kinderloze koppels zonder kwetsbaarheden, die behoren tot een lokale meerderheidsclan en die voldoende mogelijkheden hebben om in hun eigen onderhoud te voorzien. Eiser is een buitenechtelijk kind, behorend tot een minderheidsclan zonder grootfamilie. Dit maakt dat eiser niet onder de groep mensen valt waarvoor Mogadishu een redelijk vestigingsalternatief is. De stelling van verweerder dat eiser veilig bij zijn moeder terecht kan wordt niet gevolgd, omdat geloofwaardig is geacht dat de moeder van eiser al is gevonden door Al-Shabaab. Gelet op deze omstandigheden is het niet redelijk om Mogadishu als binnenlands vestigingsalternatief tegen te werpen.

Nu de rechtbank van oordeel is dat het asielrelaas van eiser zwaarwegend is en hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico op ernstige schade loopt en dat Mogadishu hem niet als vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:23872.

14-08-2026, Rb Groningen, beroep ongegrond [grensdetentie, artikel 6, derde lid Vw, Screeningsverordening; screeningslocatie; medisch gekwalificeerd personeel]

Reden signalering:

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de luchthaven Schiphol en het JCS onterecht worden aangemerkt als geschikte screeningslocaties in de zin van de Screeningsverordening. Ten aanzien van de beroepsgrond dat er tijdens de screeningsprocedure geen medische controle heeft plaatsgevonden overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat blijkens het screeningsformulier tijdens de screeningsprocedure een voorlopige kwetsbaarheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden door medisch gekwalificeerd personeel als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening. Uit artikel 16, eerste lid, van de Schengengrenscode, volgt immers dat ambtenaren van de Kmar zijn opgeleid op het gebied van het herkennen van en het omgaan met situaties waarin kwetsbare personen betrokken zijn. De rechtbank stelt vast dat de Kmar in de zaak van eiseres bij de eerste beoordeling betrokken is geweest. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de minister voorafgaand aan zijn afweging om de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen wel degelijk op zorgvuldige wijze heeft beoordeeld of eiseres detentiegeschikt is dan wel een lichter middel voor eiseres zou zijn aangewezen.

Toetsingskader

Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.

Screeningslocatie en screeningsprocedure

Eiseres betoogt dat de luchthaven Schiphol en het JCS ongeschikte locaties zijn voor het verrichten van een screening. Daarnaast is de screeningsprocedure nog niet afgerond, omdat er geen medische controle (door medisch gekwalificeerd personeel) heeft plaatsgevonden. In het besluit is ook niet gemotiveerd waarom screening in het JCS moest plaatsvinden. De vrijheidsontnemende maatregel dient volgens eiseres daarom te worden opgeheven.

De rechtbank overweegt eerst dat de Screeningsverordening geen omschrijving omvat aan welke specifieke vereisten een screeningslocatie moet voldoen. Wel schrijft artikel 8, achtste lid, van de Screeningsverordening voor dat gewaarborgd wordt dat de te screenen vreemdeling toereikende leefomstandigheden wordt geboden, met bescherming van diens lichamelijke en geestelijke gezondheid met inachtneming van rechten uit hoofde van het Handvest. Op grond van artikel 6 van de Screeningsverordening mag de vreemdeling tijdens de screening aan de buitengrens niet tot het grondgebied van een lidstaat worden toegelaten. Dit is nodig om elk risico op onderduiken, mogelijke bedreigingen voor de binnenlandse veiligheid als gevolg van dergelijk onderduiken of mogelijke gevaren voor de volksgezondheid als gevolg van dergelijke onderduiken te voorkomen. Op basis van de voorgaande passages ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de luchthaven Schiphol en het JCS onterecht worden aangemerkt als geschikte screeningslocaties in de zin van de Screeningsverordening. Deze beroepsgrond slaagt niet.

De beroepsgrond dat de screeningsprocedure niet is beëindigd, omdat er tijdens de screeningsprocedure geen medische controle heeft plaatsgevonden, slaagt evenmin. De rechtbank stelt vast dat blijkens het screeningsformulier tijdens de screeningsprocedure een voorlopige kwetsbaarheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden door medisch gekwalificeerd personeel als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening. Uit artikel 16, eerste lid, van de Schengengrenscode, volgt immers dat ambtenaren van de Kmar zijn opgeleid op het gebied van het herkennen van en het omgaan met situaties waarin kwetsbare personen betrokken zijn. De rechtbank stelt vast dat de Kmar in de zaak van eiseres bij de eerste beoordeling betrokken is geweest. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de minister voorafgaand aan zijn afweging om de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen wel degelijk op zorgvuldige wijze heeft beoordeeld of eiseres detentiegeschikt is dan wel een lichter middel voor eiseres zou zijn aangewezen.

Eiseres voert verder aan dat in de maatregel niet deugdelijk is gemotiveerd waarom de minister niet heeft gekozen voor een lichter middel. Eiseres vindt dat zij door stress die zij ervaart detentieongeschikt is en dat zij geplaatst had kunnen worden bij haar in Nederland woonachtige zus, waarvan ze afhankelijk is.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken. Het grensbewakingsbelang kan daarom in beginsel enkel worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel.

De rechtbank stelt het volgende vast. Uit het verslag van het “gehoor met betrekking tot het uitstellen van de toegangsweigering” blijkt dat aan eiseres is medegedeeld dat zij gedurende de behandeling van haar asielaanvraag in de asielgrensprocedure zal verblijven in een gesloten detentiecentrum. Aan eiseres is gevraagd om aan te geven wat daarvan de gevolgen voor haar zijn. Eiseres heeft verklaard: “Ik gebruik anti stress medicijnen youfren 10MG. Verder heb ik geen problemen met de tijdelijke insluiting”. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister bij de beoordeling heeft betrokken dat een medische dienst aanwezig is op het JCS. Gelet op dit alles oordeelt de rechtbank dat de minister aan het grensbewakingsbelang een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen dan aan het belang van eiseres om een lichter middel toe te passen. De huidige informatie biedt immers geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiseres detentieongeschikt zou zijn. De omstandigheid dat familie van eiseres in Nederland woonachtig is doorbreekt het grensbewakingsbelang niet. Daar komt bij dat eiseres haar gestelde afhankelijkheid niet heeft onderbouwd. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is. Beroep ongegrond.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:22824.

21-07-2026, Rb Haarlem, Gaza, beroep gegrond [UNRWA; daadwerkelijke bescherming en bijstand; artikel 1D VV; ingangsdatum en geldigheidsduur asielvergunning; overgangsrecht]

Reden signalering:

De rechtbank is van oordeel dat eiser moet worden erkend als vluchteling en dat zijn aanvraag dus gegrond is. Eiser genoot kort voor het indienen van zijn asielaanvraag bijstand van UNRWA, maar deze bijstand is opgehouden te bestaan omdat UNRWA geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden. De positie van staatloze Palestijnen is niet definitief geregeld in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Eiser valt dus onder de insluitingsgrond van artikel 1D. Aan eiser moet daarom een verblijfsvergunning asiel op de daarmee corresponderende grond worden toegekend. De rechtbank voorziet zelf in de zaak, acht de aanvraag gegrond en draagt daarom verweerder op om per direct aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De rechtbank kiest hierbij voor de datum van de asielaanvraag als ingangsdatum van de verblijfsvergunning en voor de geldigheidsduur een termijn van vijf jaar. De Implementatiewet bevat het overgangsrecht voor de behandeling van asielaanvragen die zijn ingediend vóór 12 juni 2026. Dit overgangsrecht houdt in dat voorschriften van de tot 12 juni 2026 geldende Vw die betrekking hebben op een achttal specifiek genoemde onderwerpen, van toepassing blijven voor de aanvragen van vóór 12 juni 2026. De voorschriften voor de ingangsdatum en geldigheidsduur van een verleende asielvergunning zijn niet genoemd in dit overgangsrecht. Hierdoor zouden voor eiser niet langer de ten tijde van zijn asielaanvraag geldende regels gelden, namelijk dat de asielvergunning ingaat op de datum van de aanvraag en een geldigheidsduur van vijf jaar heeft. In plaats daarvan zou de vergunning ingaan op de dag na de verlening en een geldigheidsduur van drie jaar hebben. Die opvatting vindt de rechtbank vanuit een oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en rechtsbescherming niet aanvaardbaar. Een redelijke toepassing van de Vw en de Implementatiewet brengt daarom naar het oordeel van de rechtbank mee dat aan eiser een vergunning moet worden verleend met ingang van de datum van zijn asielaanvraag met een geldigheidsduur van vijf jaar.

Voorop staat dat eiser is geregistreerd bij UNRWA en dat hij heeft verklaard dat hij tot vertrek uit Gaza bijstand van UNRWA heeft ontvangen. Dit is ook niet in geschil tussen partijen. Tussen partijen is wel in geschil of eiser vrijwillig afstand heeft gedaan van de bijstand van UNRWA door naar Egypte vertrekken. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Daarbij is van belang dat zowel uit eisers verklaringen als ook uit de door eiser bij zienswijze aangehaalde landeninformatie volgt dat hij na 7 oktober 2023 niet kon terugkeren naar Gaza vanwege het uitbreken van de oorlog. Verweerder heeft desgevraagd op zitting niet kunnen noemen waaruit blijkt dat eiser na 7 oktober 2023 terug kon naar Gaza. Het standpunt van verweerder op zitting dat eiser zich ook na het uitbreken van de oorlog in principe weer onder de bescherming van UNRWA in Gaza kon brengen, volgt de rechtbank dan ook niet. Eiser heeft dus ten hoogste een kleine twee maanden, namelijk vanaf zijn vertrek uit Gaza op 12 augustus 2023 tot het uitbreken van de oorlog op 7 oktober 2023, buiten UNRWA-mandaatgebied verbleven voordat hij niet meer terug kon. Over die periode heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij beoogde om tijdelijk in Egypte te blijven, zich nooit te hebben willen vestigen in Egypte en dat zijn familie achterbleef in Gaza. Verweerder betwist dit ook niet. Mede gelet op de aangehaalde Afdelingsuitspraak van 24 september 2025 is dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat eiser zich vrijwillig aan de bescherming en/of bijstand van UNRWA heeft onttrokken. Eiser wordt dus in beginsel uitgesloten van vluchtelingenstatus op grond van artikel 1D. De beroepsgrond slaagt.

Moet eiser worden erkend als vluchteling?

Uit het voorgaande volgt dat eiser van vluchtelingenstatus moet worden uitgesloten op grond van artikel 1D. Onder omstandigheden kunnen de personen die op grond van artikel 1D worden uitgesloten toch aanspraak maken op een vluchtelingenstatus. Dit wordt de insluiting genoemd. Artikel 1D, tweede volzin, bepaalt namelijk dat, wanneer de bescherming of bijstand is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de personen die werden beschermd van rechtswege onder de werking van het Vluchtelingenverdrag vallen (insluitingsgrond). Aan hen moet vluchtelingenstatus worden toegekend zonder dat zij aannemelijk hoeven te maken dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben, tenzij zij onder een van de overige uitsluitingsgronden vallen. Door dit systeem wordt de bescherming van deze groep vluchtelingen gegarandeerd totdat hun positie definitief is geregeld.

De insluitingsgrond is van toepassing als de UNWRA niet in staat is in het desbetreffende mandaatgebied levensomstandigheden te bieden die stroken met haar opdracht, waardoor de staatloze wegens omstandigheden buiten zijn wil gedwongen is het werkgebied van UNRWA te verlaten. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat hiervoor een actuele beoordeling vereist is van de vraag of UNRWA jegens eiser zal kunnen voldoen aan de verplichtingen die uit haar mandaat volgen als eiser naar het mandaatgebied zou moeten terugkeren. Dat gaat verder dan de vraag of UNRWA eiser kan beschermen tegen behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. UNRWA moet levensomstandigheden kunnen bieden die stroken met de taak van de organisatie: om Palestijnse vluchtelingen te beschermen, maar ook om hun welzijn en ontwikkeling te dienen. UNRWA moet in ieder geval in staat zijn om te voorzien in de basisbehoeften van Palestijnse vluchtelingen, zoals voedsel, water, onderdak en de mogelijkheid om onderwijs te volgen. Humanitaire omstandigheden, ook omstandigheden die los staan van eisers individuele situatie, kunnen van belang zijn voor deze beoordeling. Zowel de eigen verklaringen van de vreemdeling als de actuele algemene informatie over UNRWA en de positie van Palestijnse vluchtelingen in het betreffende mandaatgebied moeten bij die beoordeling worden betrokken.

Niet in geschil is dat Gaza een mandaatgebied van UNRWA is. Op zitting is met partijen besproken of UNRWA in Gaza aan zijn mandaat kan voldoen. Eiser heeft betwist dat dit het geval is. Verweerder heeft zich nadrukkelijk subsidiair op het standpunt gesteld dat de bescherming en bijstand van UNRWA in Gaza niet is opgehouden te bestaan na het uitbreken van de oorlog.

De rechtbank komt tot de conclusie dat UNRWA in Gaza niet aan zijn mandaat kan voldoen. Daarmee is de bescherming of bijstand van UNRWA opgehouden te bestaan. De rechtbank wijst daarbij allereerst op het landenbeleid van verweerder, waarin is opgenomen dat verweerder zelf voor Gaza aanneemt dat UNRWA weliswaar aldaar actief is maar dat zij geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden. Het standpunt van verweerder op zitting dat de bescherming en bijstand van de UNRWA in Gaza niet is opgehouden te bestaan na het uitbreken van de oorlog houdt al daarom geen stand. De conclusie in het landenbeleid wordt ook ondersteund door het op 7 juli 2026 met partijen gedeelde EUAA-rapport ‘UNRWA’s ability to fulfil its mandate across its areas of operation’ van 15 april 2026. In dat rapport komt duidelijk naar voren dat UNRWA niet in staat is om te voorzien in de basisbehoeften van Palestijnse vluchtelingen. Zo verhinderen de Israëlische autoriteiten UNRWA om rechtstreeks humanitair personeel en hulpgoederen Gaza in te brengen en zijn er door sluitingen van grensovergangen ernstige tekorten aan goederen en essentiële benodigdheden zoals medicijnen.

De rechtbank is vanwege het voorgaande van oordeel dat eiser moet worden erkend als vluchteling en dat zijn aanvraag dus gegrond is. Eiser genoot kort voor het indienen van zijn asielaanvraag bijstand van UNRWA, maar deze bijstand is opgehouden te bestaan omdat UNRWA geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden. De positie van staatloze Palestijnen is niet definitief geregeld in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Eiser valt dus onder de insluitingsgrond van artikel 1D. Verweerder heeft zich niet op het standpunt gesteld dat een van de andere uitsluitingsgronden uit het Vluchtelingenverdrag van toepassing is en dat blijkt verder ook nergens uit. Aan eiser moet daarom een verblijfsvergunning asiel op de daarmee corresponderende grond worden toegekend.

Conclusie

Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Omdat het beroep al hierom gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van wat verder door eiser is aangevoerd in beroep. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. De rechtbank acht de aanvraag gegrond en draagt daarom verweerder op om per direct aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw met als ingangsdatum 21 mei 2026, geldig tot 21 mei 2031.

De rechtbank kiest hierbij voor de datum van de asielaanvraag als ingangsdatum van de verblijfsvergunning en voor de geldigheidsduur een termijn van vijf jaar. Zij overweegt daartoe als volgt. Artikel 44, tweede lid, en artikel 34 van de Vw zoals die luidden ten tijde van de aanvraag, bepaalden dat bij inwilliging een verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen voor de duur van vijf jaar. De sinds 12 juni 2026 van toepassing zijnde artikelen 44, tweede lid, en artikel 9, derde lid, van de Vw, die zijn ingevoerd met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (Implementatiewet), bepalen dat de verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag na de bekendmaking van de beschikking voor de duur van drie jaar. De Implementatiewet bevat het overgangsrecht voor de behandeling van asielaanvragen die zijn ingediend vóór 12 juni 2026. Dit overgangsrecht houdt in dat voorschriften van de tot 12 juni 2026 geldende Vw die betrekking hebben op een achttal specifiek genoemde onderwerpen, van toepassing blijven voor de aanvragen van vóór 12 juni 2026. De voorschriften voor de ingangsdatum en geldigheidsduur van een verleende asielvergunning zijn niet genoemd in dit overgangsrecht. Hierdoor zouden voor eiser niet langer de ten tijde van zijn asielaanvraag geldende regels gelden, namelijk dat de asielvergunning ingaat op de datum van de aanvraag en een geldigheidsduur van vijf jaar heeft. In plaats daarvan zou de vergunning ingaan op de dag na de verlening en een geldigheidsduur van drie jaar hebben. Die opvatting vindt de rechtbank vanuit een oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en rechtsbescherming niet aanvaardbaar. Een redelijke toepassing van de Vw en de Implementatiewet brengt daarom naar het oordeel van de rechtbank mee dat aan eiser een vergunning moet worden verleend met ingang van de datum van zijn asielaanvraag met een geldigheidsduur van vijf jaar.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:20524.

20-08-2026, Rb Rotterdam MK, Verenigde Staten, beroep gegrond [levenslange gevangenisstraf; artikel 3 EVRM]

Reden signalering:

Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in de Verenigde Staten het risico loopt veroordeeld te worden tot een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidsstelling. Verweerder heeft niet alle twijfels weggenomen dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM.

Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder in het besluit van 10 december 2025 onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres bij terugkeer naar de Verenigde Staten niet tot een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidsstelling kan worden veroordeeld. Als eiseres hiertoe kan worden veroordeeld, loopt zij een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. De rechtbank heeft overwogen dat verweerder zijn besluit op dit punt beter dient te motiveren.

Het aanvullend besluit

In het aanvullende besluit heeft verweerder gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de Verenigde Staten zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid tot vervroegde vrijlating. Verweerder doet hierbij een beroep op het arrest Sanchez-Sanchez v. The United Kingdom, waaruit volgt dat het aan de vreemdeling is om te onderbouwen dat hij of zij bij uitlevering een levenslange gevangenisstraf krijgt zonder regeling voor voorwaardelijke of vervroegde vrijlating en dat er in het land van herkomst geen regeling is die voorziet in herziening van de levenslange gevangenisstraf of die op andere wijze kan leiden tot invrijheidsstelling.1 Verweerder werpt eiseres verder tegen dat de uitkomst van de strafrechtelijke procedure in de Verenigde Staten nog niet vaststaat en de strafeis nog niet bekend is. Uit de wet volgt volgens verweerder in ieder geval niet dat eiseres zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating. Dat kan anders zijn bij verzwarende omstandigheden, waarvan volgens verweerder geen sprake is. Wel is sprake van een verzachtende omstandigheid, namelijk dat eiseres niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarmee geweld gepaard is gegaan. Verweerder verwijst verder naar vergelijkbare zaken die evenmin hebben geleid tot een levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit niet heeft hersteld met het aanvullende besluit. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat in zaken waarin er een beroep wordt gedaan op artikel 3 van het EVRM het in eerste instantie aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij/zij het reële risico loopt om in een situatie te belanden die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Dit volgt ook uit het arrest Sanchez-Sanchez v. The United Kingdom, weliswaar een uitleveringszaak, waarnaar verweerder verwijst. Als een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM door de vreemdeling aannemelijk is gemaakt, dan is het aan verweerder om daarover alle twijfels weg te nemen. 2 Artikel 3 van het EVRM heeft immers een absoluut karakter. Lidstaten kunnen de verplichtingen die uit dit artikel volgen niet naast zich neerleggen.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de Verenigde Staten het risico loopt veroordeeld te worden tot een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidsstelling. Daarvoor verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 12 mei 2026, rechtsoverweging 8.3 tot en met 8.5. Daarin is overwogen dat eiseres in het aanvullend gehoor heeft verklaard over haar vrees dat een levenslange gevangenisstraf wordt opgelegd en dat dit wordt onderschreven door de Affidavit, waaruit blijkt dat bij veroordeling voor de in het arrestatiebevel opgenomen beschuldiging van ‘accessory before the fact of murder’, aan eiseres een levenslange gevangenisstraf zonder de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidsstelling kan worden opgelegd, gelet op de uitspraak in de zaak Bixby. Het gaat om een reëel risico, nu niet enkel sprake is van een hypothetische mogelijkheid of subjectieve vrees van eiseres, maar haar vrees wordt gestaafd met een beëdigde verklaring van de autoriteiten waarin is vermeld dat het voorhanden bewijsmateriaal erop wijst dat eiseres schuldig is aan de strafbare feiten vermeld in de arrestatiebevelen. Dat eiseres aannemelijk moet maken dat zij zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidsstelling, zoals verweerder stelt, volgt de rechtbank niet. Verweerder legt met die stelling een te zware maatstaf aan.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet alle twijfels heeft weggenomen dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. Dat de uitkomst van de strafrechtelijke procedure in de Verenigde Staten nog niet vaststaat en de strafeis nog niet bekend is, is feitelijk juist maar naar het oordeel van de rechtbank niet relevant omdat het niet wegneemt dat eiseres een reëel risico loopt op veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating. Niet ter discussie staat ook dat eiseres op dit moment ‘slechts’ wordt verdacht van medeplichtigheid aan en samenzwering tot moord op haar ex-partner en dat zij hiervoor nog niet terecht heeft gestaan. De verwijzing van verweerder naar paragraaf 16-3-20 van de South Carolina Code of Laws, waarin staat opgesomd wat de straffen voor moord kunnen zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres wordt in de eerste plaats niet verdacht van moord, maar van medeplichtigheid aan en samenzwering tot moord, waarvoor volgens de Affidavit wel degelijk levenslange gevangenisstraffen zonder kans op vervroegde vrijlating kunnen worden opgelegd. Verder volgt de rechtbank de stelling van verweerder niet dat er in geval van eiseres geen sprake is van verzwarende omstandigheden en wel van verzachtende omstandigheden. Uit het dossier blijkt dit immers niet. Dat er mogelijk verzachtende omstandigheden zijn is net zo min zeker als dat er sprake kan zijn van verzwarende omstandigheden. Het is aan de strafrechter hier uiteindelijk een oordeel over te vellen aan de hand van alle feiten en omstandigheden die in de strafzaak naar voren komen.

Ook de verwijzing van verweerder naar zaken in de Verenigde Staten waar verdachten niet zijn veroordeeld tot levenslange gevangenisstraffen zonder kans op vervroegde vrijlating, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder haalt enkel drie nieuwsberichten uit de Verenigde Staten aan, waaruit niet valt op te maken dat de zaken voldoende vergelijkbaar zijn met de zaak van eiseres om te onderbouwen dat zij geen risico loopt op veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating. Zoals de rechtbank al heeft overwogen wordt eiseres niet verdacht van moord. Verder kan uit de nieuwsberichten niet worden afgeleid of in de aangehaalde zaken sprake was van verzachtende omstandigheden. Verweerder heeft ook overigens geen meer objectieve informatie, zoals informatie over herzieningsmechanismes of percentages van zaken waarin levenslange gevangenisstraffen worden opgelegd, aangedragen waardoor twijfels over een risico op schending van artikel 3 EVRM zouden kunnen worden weggenomen.

Nu eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar de Verenigde Staten een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM en verweerder niet alle twijfels daarover heeft weggenomen, is de rechtbank van oordeel dat met het aanvullende besluit het geconstateerde gebrek niet is hersteld. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie

Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het aanvullende besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:24913.



Deel deze informatie
  • Delen op Whatsapp
  • Delen op LinkedIn


Raad voor Rechtsbijstand (naar homepage)

Over de Raad voor Rechtsbijstand

Burgers moeten kunnen rekenen op passende ondersteuning en goede rechtsbijstand. Daar maakt de Raad voor Rechtsbijstand zich sterk voor via de organisatie en borging van gesubsidieerde mediation en rechtsbijstand, uitvoering van de Wet schuldsanering natuurlijke personen en de Wet beëdigde tolken en vertalers.

  • Meer over ons
  • Contact
  • Wet open overheid (Woo)
  • Toegankelijkheid
  • Privacy
  • Cookies
  • Proclaimer
  • Informatiebeveiliging

Volg ons op

  • LinkedIn