Jurisprudentie
Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:
30-04-2026, ABRvS, Somalië, hoger beroep vreemdeling gegrond [vrouwen; sociale groep; arrest K en L]
Reden signalering:
De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoort tot een specifieke sociale groep waardoor zij te vrezen heeft voor vervolging in Somalië. De minister is in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over wat het arrest K en L betekent voor appellant, maar heeft gelet op het voorgaande ondeugdelijk gemotiveerd dat bij appellant geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen.
Appellant is een Somalische vrouw uit de stad Marka. Ze klaagt in haar eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoort tot een sociale groep waardoor zij te vrezen heeft voor vervolging. Ze betoogt dat zij als zelfstandige vrouw in Somalië problemen heeft gekregen met Al-Shabaab. Volgens appellant moet zij daarom worden aangemerkt als lid van een sociale groep in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn.
Appellant had in Somalië een eigen eethuis. Ze heeft naar eigen zeggen problemen gekregen met Al-Shabaab omdat ze daar sigaretten verkocht. Ook zou ze zweepslagen hebben gekregen, omdat ze met een andere eigenaar van een eethuis thuis heeft gepraat. Zij heeft verder problemen gekregen met Al-Shabaab omdat zij zich anders kleedde dan de daar geldende kledingvoorschriften. Zij moest kleding dragen die haar lichaam volledig bedekte. Ze is mishandeld op straat omdat ze een neuspiercing inhad en omdat ze meerdere gaatjes heeft in haar oorlellen. Ze heeft verder verklaard dat zij in vrijheid is opgegroeid en daarom zelf wil bepalen hoe zij zich kleedt. Zij heeft ook verklaard dat ze twee keer gehuwd en twee keer gescheiden is.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 15 mei 2024 geoordeeld dat vrouwen onder omstandigheden tot een bepaalde sociale groep kunnen horen, maar dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant onvoldoende heeft geconcretiseerd waarom zij behoort tot een sociale groep waardoor zij te vrezen heeft voor vervolging.
De Afdeling heeft de minister bij brief van 9 mei 2025 verzocht om toe te lichten wat het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2024, K en L, ECLI:EU:C:2024:487, en het beleid van de minister in paragraaf C2/3.2.5.2.1 van de Vc 2000, betekenen voor het betoog van appellant. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat vrouwen die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen, kunnen behoren tot een bepaalde sociale groep overeenkomstig artikel 10, eerste lid en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Dit houdt volgens het Hof in dat een vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van deze gelijkheid wil genieten, wat veronderstelt dat zij vrij haar eigen levenskeuzes kan maken; onder meer op het vlak van onderwijs en beroepsloopbaan, de mate en aard van activiteiten in de publieke sfeer, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze, welke keuzen bepalend zijn voor haar identiteit.
De minister heeft zich in zijn reactie van 28 mei 2025 op het standpunt gesteld dat bij appellant geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Dat appellant zich niet wil houden aan de strenge kledingvoorschriften van Al-Shabaab, betekent volgens de minister niet dat sprake is van deze vereenzelviging. Daarvoor is volgens de minister van belang dat haar problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn geacht en dat de streng islamitische regels in Somalië ook gelden voor mannen. Ook is volgens de minister gebleken dat appellant kan functioneren in de Somalische maatschappij en dat zij bij terugkeer niet langs of door gebied van Al-Shabaab hoeft.
Naar oordeel van de Afdeling heeft de minister met deze reactie ondeugdelijk gemotiveerd dat appellant niet behoort tot een sociale groep in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Zoals weergegeven onder 1.3, houdt vereenzelviging volgens het Hof in dat een vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen wil genieten, wat veronderstelt dat zij haar eigen levenskeuzes kan maken, die bepalend zijn voor haar identiteit. De minister licht in zijn reactie niet toe waarom hieronder niet kan vallen dat appellant zich niet wil houden aan de strenge kledingvoorschriften van Al-Shabaab. Bovendien heeft appellant niet alleen over de strenge kledingvoorschriften verklaard. Zoals onder 1.1 is weergegeven heeft zij ook verklaard over haar eigen winkel, haar partnerkeuze en dat ze het belangrijk vindt om haar eigen levenskeuzes te kunnen maken. De minister heeft deze verklaringen niet in zijn reactie betrokken.
De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de streng islamitische regels in Somalië ook gelden voor mannen, dat is gebleken dat appellant kan functioneren in de Somalische maatschappij en dat zij bij terugkeer niet langs of door gebied van Al-Shabaab hoeft. Deze standpunten gaan naar oordeel van de Afdeling niet over de vraag of appellant zich persoonlijk heeft vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Hiermee heeft de minister immers niet toegelicht in hoeverre uit de verklaringen van appellant blijkt of zij in haar dagelijks leven het voordeel van de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen wil genieten.
Met het standpunt dat de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn geacht, heeft de minister ook ondeugdelijk gemotiveerd dat bij appellant geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. De minister heeft de problemen van appellant met Al-Shabaab in algemene zin ongeloofwaardig geacht. Appellant heeft echter verklaard over verschillende incidenten en niet van elk incident heeft de minister duidelijk gemaakt of en waarom deze incidenten ongeloofwaardig zijn geacht. Dat geldt met name voor de verklaringen van appellant dat ze problemen heeft gekregen met Al-Shabaab vanwege haar kledingkeuze, neuspiercing en gaatjes in haar oor.
Hoewel de rechtbank geen rekening heeft kunnen houden met het arrest K en L, heeft zij achteraf bezien ten onrechte overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoort tot een specifieke sociale groep waardoor zij te vrezen heeft voor vervolging in Somalië. De minister is in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over wat het arrest K en L betekent voor appellant, maar heeft gelet op het voorgaande ondeugdelijk gemotiveerd dat bij appellant geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen.
De eerste grief slaagt.
Uit het voorgaande volgt dat de vraag of appellant behoort tot een bepaalde sociale groep overeenkomstig artikel 10, eerste lid en onder d, van de Kwalificatierichtlijn, kan worden beantwoord aan de hand van het arrest K en L. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 17 januari 2024. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Gehele uitspraak: Uitspraak 202403099/1/V2 | Raad van State
19-05-2026, Rb Arnhem MK, Syrië, beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand [Damascus; humanitaire omstandigheden]
Reden signalering:
Humanitaire omstandigheden, ook wanneer zij indirect voortvloeien uit willekeurig geweld, kunnen van betekenis zijn bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Vereist is wel dat zij in voldoende rechtstreeks verband staan met dat geweld. Ontbreekt een dergelijk verband of is dit te ver verwijderd geraakt, dan vallen deze omstandigheden buiten het bereik van artikel 15c Kwalificatierichtlijn. Dat geldt ook voor humanitaire omstandigheden die weliswaar zijn veroorzaakt door een actor die eerder partij was bij het conflict, maar die niet langer voldoende samenhangen met het actuele willekeurige geweld.
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat zich in Damascus geen hogere gradatie dan de in het beleid aangenomen gradatie van willekeurig geweld voordoet. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat het EUAA in het rapport van december 2025 ten aanzien van Damascus heeft geconcludeerd dat zich daar in het geheel geen situatie als bedoeld in artikel 15c Kwalificatierichtlijn voordoet.
Mate van causaal verband
Het voorgaande roept de vraag op hoe sterk het vereiste causale verband moet zijn. De rechtbank is van oordeel dat het willekeurig geweld een daadwerkelijke oorzaak moet vormen van de ernstige en individuele bedreiging. Het hoeft niet de enige oorzaak te zijn, maar het verband mag niet te ver verwijderd zijn. De rechtbank vindt hiervoor steun in het arrest CF en DN. Hoewel het Hof van Justitie in het arrest CF en DN heeft geoordeeld dat ‘alle relevante feiten in verband met het land van herkomst’ bij de beoordeling van een ernstige en individuele dreiging globaal in aanmerking moeten worden genomen16, volgt uit de opsomming in punt 43 van dat arrest, gelezen in samenhang met de punten 56 en 59 van de conclusie van de advocaat-generaal waarnaar in dat punt wordt verwezen, dat deze feiten wel in voldoende rechtstreeks verband (moeten) staan met het (opzettelijke) geweld dat door de strijdende partijen wordt uitgeoefend in het kader van het gewapend conflict.
Deze benadering sluit aan bij de uitleg die het Hof van Justitie heeft gegeven aan het vereiste van causaal verband in artikel 9, derde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Uit die bepaling, die over vluchtelingschap gaat, volgt dat er een verband moet zijn tussen de gronden van vervolging (artikel 10, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn) en de daden van vervolging of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden (artikel 9, eerste en tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn).
Het Hof van Justitie heeft in het arrest EZ (ECLI:EU:C:2020:945) benadrukt dat de werkingssfeer van de Kwalificatierichtlijn niet mag worden uitgebreid door een te ruim causaal verband aan te nemen. Dit zou niet stroken met de in overweging 24 van de preambule neergelegde bedoeling van de Uniewetgever om te komen tot harmonisatie van de toepassing van de vluchtelingenstatus.
De rechtbank stelt vast dat voor subsidiaire bescherming een vergelijkbare overweging in de preambule is opgenomen. In overweging 34 is namelijk de bedoeling van de Uniewetgever opgenomen om gemeenschappelijke criteria vast te stellen om degenen die om internationale bescherming verzoeken, als personen te erkennen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen. Het aannemen van een causaal verband tussen bedreiging en willekeurige geweld waar dit ontbreekt of te ver verwijderd is, zou de werkingssfeer van de Kwalificatierichtlijn op het punt van subsidiaire bescherming ontoelaatbaar uitbreiden, wat niet strookt met overweging 34 van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank wijst in dit verband ook op overweging 26 van de Kwalificatierichtlijn, waaruit blijkt dat gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld, normaliter op zich geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt.
Het voorgaande betekent niet, zoals de minister stelt, dat humanitaire omstandigheden die indirect samenhangen met willekeurig geweld alleen daarom al niet relevant zijn. Bepalend is of tussen die omstandigheden en het willekeurig geweld een voldoende causaal verband bestaat. Daarvan kan sprake zijn als de humanitaire omstandigheden in overwegende mate voortvloeien uit het willekeurige geweld zelf of uit de wijze waarop het gewapend conflict wordt gevoerd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer strijdende partijen civiele infrastructuur vernietigen, humanitaire hulp blokkeren of de toegang tot voedsel, water of medische zorg belemmeren. Indien dat het geval is hebben humanitaire omstandigheden, ook als zij het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict, bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn betekenis. Of sprake is van een voldoende causaal verband zal steeds aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld. Ontbreekt een voldoende causaal verband met het willekeurig geweld, dan kunnen dergelijke omstandigheden wel een rol spelen bij de meer algemene beoordeling onder artikel 3 EVRM of uitzetting een reëel risico op een onmenselijke behandeling oplevert. Dat betreft evenwel een andere toets, waarop de rechtbank hierna zal ingaan.
Tussenconclusie
Uit het voorgaande volgt dat humanitaire omstandigheden, ook wanneer zij indirect voortvloeien uit willekeurig geweld, van betekenis kunnen zijn bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Vereist is wel dat zij in voldoende rechtstreeks verband staan met dat geweld. Ontbreekt een dergelijk verband of is dit te ver verwijderd geraakt, dan vallen deze omstandigheden buiten het bereik van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dat geldt ook voor humanitaire omstandigheden die weliswaar zijn veroorzaakt door een actor die eerder partij was bij het conflict, maar die niet langer voldoende samenhangen met het actuele willekeurige geweld.
Gelet hierop bestaat geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vraag van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, af te wachten. De rechtbank zal hierna beoordelen of de minister deze uitgangspunten voldoende in zijn beleid en besluitvorming heeft betrokken.
Had de minister voor Damascus een hogere gradatie van willekeurig geweld moeten aannemen?
Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het beleid voor Damascus geen hogere gradatie van willekeurig geweld is aangenomen. Ter onderbouwing van dit betoog heeft eiser, naast een aantal rechterlijke uitspraken, meerdere brieven van VluchtelingenWerk Nederland overgelegd. Ook heeft hij gewezen op het ambtsbericht van april 2025, waarin de veiligheidssituatie in Syrië als volatiel en instabiel wordt omschreven, en het ambtsbericht van 2026, waaruit volgens hem een ander beeld naar voren lijkt te komen van de algemene veiligheidssituatie dan het eerdere ambtsbericht. Na heropening van het onderzoek heeft eiser nog gewezen op uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag en zittingsplaats Haarlem (resp. 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611 en 2320 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3845).
Het in het besluit toegepaste beleid van de minister is gebaseerd op het ambtsbericht van mei 2025. De rechtbank zal daarom hierna eerst, aan de hand van het ambtsbericht van mei 2025 en de door eiser overgelegde brieven van VluchtelingenWerk Nederland, een beschrijving geven van de veiligheidssituatie in Damascus. Omdat partijen in beroep ook stukken hebben ingeroepen die dateren van na het bestreden besluit – het ambtsbericht van januari 2026 en het EUAA-rapport van december 2025 – zal de rechtbank ook een uiteenzetting geven van de in die stukken beschreven veiligheidssituatie.Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of de minister ten tijde van het besluit en in beroep had moeten uitgaan van een hogere gradatie van willekeurig geweld dan de in WBV 2025/13 opgenomen laagste gradatie .
De rechtbank leidt uit deze informatie af dat in Damascus, ondanks geweldsincidenten – waaronder luchtaanvallen, bomaanslagen, raketbeschietingen en een ernstige zelfmoordaanslag – het aantal geregistreerde geweldsincidenten en burgerdoden in verhouding tot de bevolkingsomvang relatief laag is. Het geweld vertoonde fluctuaties, maar bleef in absolute en relatieve zin beperkter dan in andere delen van het land. Daarbij wordt Damascus aangemerkt als het meest stabiele gebied van Syrië, mede door de aanwezigheid van veiligheidstroepen en een dalende trend in geweldsincidenten in 2025. De cijfers ten aanzien van het aantal dodelijke burgerslachtoffers zoals betrokken in het ambtsbericht van januari 2026, zijn niet hoger, eerder lager, dan de cijfers waar de minister in het bestreden besluit van uit is gegaan.
Het beschreven geweld betreft tenminste voor een deel gericht geweld. Het gaat om criminaliteit, sektarisch geweld tegen Alawieten (waartoe eiser niet behoort) of geweld tussen de overblijfselen van het veiligheidsapparaat van het Assad-regime en de General Security Service. De Israëlische luchtaanvallen, die overigens afnamen in vergelijking met de vorige verslagperiode, zijn ook gericht: het doelwit was de Palestijnse Islamitische Jihad en een militair onderzoekscentrum. Ook waren er meerdere luchtaanvallen eind april 2025 in de overwegend druzische voorsteden Jaramana en Ashrafiyet Sahnaya: deze waren gericht tegen troepen van de overgangsregering en anderen en dienden als “waarschuwing” naar de autoriteiten of waren gericht tegen een “extremistische groep” die het op de druzische bevolking gericht zou hebben (hierbij kwam één burger om). Ook vonden er korte geweldsepisodes plaats in de voorstad Jaramana en in Ashrafiyet Sahnaya, ten zuidwesten van Damascus, waarbij enkele burgers zijn omgekomen; in beide plaatsen bereikten de autoriteiten en druzische leiders een veiligheidsakkoord.
De in het ambtsbericht van 2025 beschreven ontheemdenstromen vanuit de voorsteden Jaramana en Ashrafiyet Sahnaya zijn het gevolg van gericht geweld, niet van willekeurig geweld. Bovendien blijkt uit de informatie juist dat veel ontheemden (ook uit het buitenland) terugkeerden.
Aan de aanwezigheid van mijnen hoeft de minister geen doorslaggevende betekenis toe te kennen. Uit de stukken blijkt niet dat die mijnen in Damascus tot veel slachtoffers hebben geleid en er wordt gewerkt aan het ruimen van die mijnen.
Op grond van het vorenstaande heeft de minister, zowel in het besluit als in beroep, zich terecht op het standpunt gesteld dat zich in Damascus geen hogere gradatie dan de in het beleid aangenomen gradatie van willekeurig geweld voordoet. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat het EUAA in het rapport van december 2025 ten aanzien van Damascus heeft geconcludeerd dat zich daar in het geheel geen situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet. De door eiser genoemde uitspraken van andere zittingsplaatsen geven geen aanleiding voor een ander oordeel.
Verhoogd risico slachtoffer willekeurig geweld
Zoals volgt uit het arrest X en Y, en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, moet de betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de betrokkene specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op basis van zijn persoonlijke omstandigheden en individuele situatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Damascus een verhoogd risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld loopt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, gelet op de voor artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn geldende glijdende schaal, bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld, de door de betrokkene naar voren gebrachte risicoverhogende omstandigheden meer gewicht moeten hebben om een reëel risico aan te kunnen nemen.
De pas in beroep naar voren gebrachte omstandigheden – ‘staatloosheid’ en het ‘ontbreken van een netwerk’ – zijn daarvoor onvoldoende. In het beroepschrift is ook niet nader onderbouwd waarom eiser hierdoor een hoger risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat eiser heeft verklaard dat zijn ouders nog in [naam wijk] , dat in Damascus ligt, verblijven en hij dus wel degelijk een netwerk heeft. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een significant verhoogd risico loopt ten opzichte van andere personen.
Is uitzetting wegens de humanitaire situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM?
Eiser betoogt dat terugkeer in strijd is met artikel 3 EVRM, omdat hij in Syrië terecht zal komen in erbarmelijke humanitaire omstandigheden.
Uit het arrest Sufi en Elmi, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907, volgt dat als een slechte humanitaire situatie zich niet afspeelt in de context van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, artikel 3 EVRM slechts wordt geschonden in ‘very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling’.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt terecht dat eiser in de gronden geen onderbouwing heeft gegeven van deze zeer uitzonderlijke humanitaire omstandigheden, en dat ook niet heeft toegespitst op de situatie in Damascus. Hoewel sprake is van een zeer slechte en complexe humanitaire situatie, is de rechtbank niet gebleken dat in Syrië, en Damascus in het bijzonder, zeer uitzonderlijke omstandigheden bestaan. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat volgens UN OCHA naar schatting 16,5 miljoen Syriërs, onder wie 7,2 miljoen binnenlands ontheemden en bijna 2 miljoen teruggekeerde binnenlands ontheemden, behoefte hadden aan humanitaire hulp. Naar schatting 90% van de bevolking leefde onder de armoedegrens van 2,15 dollar per dag. Meer dan de helft van de bevolking had te kampen met voedselonzekerheid en bijna drie miljoen mensen had te maken met ernstige voedselonzekerheid. Tegelijk blijkt uit het ambtsbericht van mei 2025 dat verschillen bestonden tussen stedelijke en rurale gebieden; diensten waren over het algemeen in grotere steden geconcentreerd. Bovendien zijn internationale hulporganisaties actief in Syrië en niet is gebleken dat deze organisaties, anders dan aan de orde was in de zaak Sufi en Elmi, geen toegang hebben tot de getroffen gebieden. De humanitaire situatie in Damascus is op zichzelf dan ook onvoldoende om een schending van artikel 3 EVRM aan te nemen.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:12595
13-05-2026, Rb Middelburg, Syrië, beroep gegrond [Druzen; risicoprofiel]
Reden signalering:
Eiseres heeft zich naar het oordeel van de rechtbank, anders dan verweerder stelt, gemotiveerd op het standpunt gesteld dat Druzen sinds de val van het Assad-regime slachtoffer zijn geworden van ernstige mensenrechtenschendingen van de zijde van aan de regering gelieerde milities en dat er sinds juli 2025 grootschalige uitbarstingen van geweld hebben plaatsgevonden in de plaats waar eiseres vandaan komt. Uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 en uit de door eiseres aangehaalde stukken van Vluchtelingenwerk Nederland en de publicaties blijkt dat er met name in juli 2025, maar ook daarna, gerichte aanvallen op de Druzische gemeenschap hebben plaatsgevonden. De ervaringen van haar familie, waar eiseres uitgebreid over heeft verklaard, worden dan ook bevestigd door openbare bronnen. Verweerder heeft niet voldoende gemotiveerd waarom eiseres hiermee niet zou hebben voldaan aan het aanvoeren van individuele risicoverhogende omstandigheden.
Eiseres stelt de Syrische nationaliteit te hebben en heeft op 10 januari 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij als Druus zijnde is gediscrimineerd. Ze vreest ook voor de veiligheid en toekomst van haar dochters. Verweerder heeft de asielaanvraag bij besluit van 7 oktober 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Op 8 december 2024 heeft er een regimewisseling plaatsgevonden in Syrië. Naar aanleiding hiervan is de zaak aangehouden zodat verweerder eiseres aanvullend kon horen. Dit is op 1 september 2025 gebeurd. Eiseres heeft verklaard dat zij ook onder het nieuwe regime gevaar loopt in Syrië vanwege de algemene veiligheidssituatie ten aanzien van de Druzen. Zij zal als Druus onderdrukt worden, door onder andere de overheid.
Bij het aanvullend besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond. Verweerder acht haar identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder stelt dat eiseres geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag omdat op grond van haar verklaringen niet is gebleken van een gegronde vrees voor vervolging. De vrees om als Druus onderdrukt te worden is niet op geloofwaardigheid beoordeeld, maar direct op zwaarwegendheid. Verweerder meent dat hetgeen zij heeft verklaard over wat haar familie meemaakt, geen individuele omstandigheden zijn die kunnen worden aangemerkt als risico verhogende omstandigheid. Verweerder volgt niet dat eiseres bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder neemt voor heel Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan. Eiseres heeft geen individuele omstandigheden aangevoerd die kunnen worden aangemerkt als risico verhogende omstandigheden waardoor zij meer risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
In de aanvullende gronden stelt eiseres zich niet te kunnen verenigen met het aanvullend besluit en beroept zij zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 2 februari 2026.2 Zij meent dat deze uitspraak ziet op een gelijkluidende feitelijke zaak en wijst daarbij ook expliciet op de voetnoten en daarin genoemde bronnen. Eiseres stelt dat de vreemdeling in deze zaak heeft gesteld dat hij vreest voor vervolging omdat hij behoort tot de Druzengemeenschap. Hij verwees hiervoor naar diverse internationale rapporten en jurisprudentie. Subsidiair heeft de vreemdeling gesteld dat de humanitaire situatie in Syrië, met zwaar beschadigde infrastructuur en oorlogsgeweld, een risico voor hem vormt. Eiseres wijst voorts uitdrukkelijk naar de gemaakte individuele beoordeling wegens het feit dat het zijn van Druus een risico beïnvloedbare factor is en beroept zich daartoe op de EUAA Country Guidance van 1 december 2025.
De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank stelt voorop dat de beschikking van 7 oktober 2024 niet langer relevant is. Hetgeen daarin is overwogen moet worden gezien in het licht van het Assad-regime. Aangezien er inmiddels een regimewisseling heeft plaatsgevonden, betekent dit dat de overwegingen in de beschikking van 7 oktober 2024 achterhaald zijn. Dit betekent dat dit besluit vernietigd dient te worden. De rechtbank zal dit besluit en de daartegen gerichte beroepsgronden dan ook niet nader bespreken.
In artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn staat dat ernstige schade, die aanleiding geeft om een asielvergunning te verlenen, kan bestaan uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Daarbij kent willekeurig geweld verschillende gradaties.3 In de hoogste gradatie, de meest uitzonderlijke, is de mate van willekeurig geweld zodanig dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in een gebied al een reëel risico loopt op ernstige schade. In een lagere gradatie kan een vreemdeling door zijn persoonlijke kenmerken eerder slachtoffer worden van willekeurig geweld. Verweerder heeft in het wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire4 geconcludeerd dat in heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit houdt in dat door de vreemdeling individuele, risico verhogende omstandigheden moeten worden aangevoerd om te onderbouwen dat er ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer als gevolg van het willekeurig geweld.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de enkele verwijzing van eiseres naar ‘anekdotische gebeurtenissen’ van haar familie of mensen in haar voormalige woonomgeving en openbare bronnen onvoldoende zijn om in haar persoonlijke geval te kunnen spreken van individuele omstandigheden die kunnen worden aangemerkt als risicoverhogende omstandigheden. De rechtbank volgt dit niet. Eiseres heeft zich namelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat Druzen sinds de val van het Assad-regime slachtoffer zijn geworden van ernstige mensenrechtenschendingen van de zijde van aan de regering gelieerde milities en dat er sinds juli 2025 grootschalige uitbarstingen van geweld hebben plaatsgevonden in [plaats] , alwaar eiseres vandaan komt. Hetgeen eiseres daarover heeft verklaard in het aanvullend gehoor komt daarmee overeen. Ter zitting heeft zij nader toegelicht dat deze situatie nog steeds voortduurt en haar familie elke dag leeft met de dreiging dat er iets gewelddadigs kan gebeuren. Uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 en uit de door eiseres aangehaalde stukken van Vluchtelingenwerk Nederland en de publicaties blijkt dat er met name in juli 2025, maar ook daarna, gerichte aanvallen op de Druzische gemeenschap hebben plaatsgevonden. De ervaringen van haar familie, waar eiseres uitgebreid over heeft verklaard, worden dan ook bevestigd door openbare bronnen. Als eiseres terug moet keren naar haar voormalige woonomgeving in Syrië en haar familie zal zij in deze situatie terugkeren. Verweerder heeft niet voldoende gemotiveerd waarom eiseres hiermee niet zou hebben voldaan aan het aanvoeren van individuele risicoverhogende omstandigheden. Verweerder heeft het aanvullende besluit dan ook onvoldoende gemotiveerd.
Gelet op het voorgaande is het beroep reeds gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd in de beroepsgronden behoeft dan ook geen nadere bespreking. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verder is het de rechtbank ambtshalve bekend dat verweerder bij brief van 22 april 2026, derhalve na het sluiten van het onderzoek ter zitting in deze zaak, heeft aangekondigd dat Druzen in het landenbeleid voor Syrië als risicoprofiel worden aangewezen. Verweerder dient dit ook in acht te nemen bij het nemen van een nieuw besluit. Omdat de rechtbank al een motiveringsgebrek heeft geconstateerd wordt geen aanleiding gezien om, conform het verzoek van eiseres, het onderzoek te heropenen vanwege deze beleidswijziging van verweerder.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:11677
13-05-2026, Rb Amsterdam MK, Gaza, beroep gegrond [subsidiaire bescherming, openbare orde
Reden signalering:
De minister heeft de asielaanvraag van eiser, afkomstig uit Gaza, afgewezen, omdat eiser niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Eiser is namelijk veroordeeld voor het tweemaal plegen van brandstichting en vormt door zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling van eisers persoonlijke gedragingen niet kenbaar alle individuele omstandigheden heeft betrokken. Dit vormt een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarnaast onvoldoende gemotiveerd dat de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het weigeren van subsidiaire bescherming geschikt is om de samenleving te beschermen. De rechtbank oordeelt verder dat ook de noodzakelijkheid van de maatregel onvoldoende is gemotiveerd, nu de minister nalaat te motiveren waarom geen lichter middel voorhanden is om de samenleving te beschermen.
Eiser is geboren in Gaza Stad en in 2021 gevlucht vanwege de algemene situatie in Gaza. Op 21 januari 2024 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend.
Op 13 februari 2025 heeft de minister geprobeerd eiser te horen. Dat gehoor is afgebroken omdat eiser verward gedrag vertoonde. Vanwege zijn gedrag is eiser in het asielzoekerscentrum in Ter Apel in een time-out voorziening geplaatst. Op 5 maart 2024 heeft eiser daar brand gesticht. Hij is daarvoor aangehouden en in voorlopige hechtenis geplaatst. Op 14 maart 2024 heeft eiser opnieuw brandgesticht in de Penitentiaire Inrichting in Leeuwarden. Voor deze misdrijven is eiser op 10 april 2025 door de strafrechter in de meervoudige kamer veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren1. Daarbij zijn aan eiser bijzondere voorwaarden opgelegd, onder andere gedurende maximaal 12 maanden een opname en behandeling bij een Forensisch Psychische Afdeling en aansluitend begeleid wonen en een ambulante behandeling zolang de reclassering dit nodig vindt.
De minister heeft de asielaanvraag afgewezen, voor zover in beroep van belang omdat eiser niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Eiser is namelijk veroordeeld voor het tweemaal plegen van brandstichting en vormt door zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
De minister heeft het gevaar voor de openbare orde in het besluit als volgt gemotiveerd. Eiser is veroordeeld voor opzettelijke brandstichting en is doorgegaan met het stichten van de brand toen het aanwezige personeel de brand al probeerde te blussen. Ook blijkt uit het verslag van het nader gehoor dat eiser de gepleegde feiten ontkent. Hieruit blijkt geen spijtbetuiging of verantwoordelijkheid voor de gepleegde feiten. Eiser vormt daarbij een actuele bedreiging, nu er een kort tijdsbestek zit tussen de veroordelingen en nu. De werkelijke bedreiging vloeit voort uit de gevangenisstraf waardoor de bedreiging van de openbare orde aanwijsbaar en tastbaar is. Ook speelt de aard en de ernst van het strafbare feit een rol in de beoordeling, waarbij brandstichting kwalificeert als een voldoende ernstig misdrijf. Tot slot raakt de brandstichting een fundamenteel belang van de samenleving nu zowel schade aan goederen als angst bij personen is toegebracht. De minister concludeert daarom dat eiser gelet op zijn persoonlijk gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
Volgens de minister is het onthouden van subsidiaire bescherming voorts een evenredige maatregel. De maatregel is geschikt, omdat het doel van de maatregel is om de Nederlandse samenleving tegen eiser te beschermen. De maatregel is noodzakelijk omdat de samenleving tegen eiser wordt beschermd en er geen ander lichter middel beschikbaar is. De maatregel is ook evenwichtig, omdat eiser geen dusdanige band heeft opgebouwd met Nederland en in het strafvonnis rekening is gehouden met de verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid, maar alsnog een gevangenisstraf van 20 maanden is opgelegd.
De gronden van beroep
Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit. Hij betwist dat hij een gevaar voor de openbare orde vormt.
Volgens eiser is de individuele beoordeling onzorgvuldig uitgevoerd. De minister heeft ten onrechte weinig oog voor de mentale conditie van eiser toen hij de strafbare feiten beging, en ook nog ten tijde van het nader gehoor. Daarbij is de mentale toestand van eiser sterk verbeterd door de behandelingen die hij ondergaat. De minister heeft onvoldoende onderzocht of eiser nu nog een actueel gevaar vormt.
Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn individuele omstandigheden en dat het onthouden van subsidiaire bescherming onevenredig is.
De beoordeling door de rechtbank
Allereerst stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser ernstige misdrijven heeft gepleegd.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser daardoor een gevaar vormt voor de openbare orde, dus of eiser (1) door zijn persoonlijke gedrag een (2) werkelijke, (3) actuele en (4) voldoende ernstige bedreiging vormt voor een (5) fundamenteel belang van de samenleving.
De rechtbank is van oordeel dat de door de minister gemaakte beoordeling ten aanzien van het persoonlijk gedrag van eiser onvoldoende zorgvuldig is geweest. De minister heeft daarbij namelijk niet kenbaar alle individuele omstandigheden van eiser betrokken, waaronder het feit dat eiser ten tijde van de gepleegde delicten floride psychotisch was. Dit staat immers niet ter discussie. Ook heeft de minister ten onrechte tegengeworpen dat eiser in het nader gehoor zijn daden heeft ontkend. Hoewel het juist is dat eiser de daden heeft ontkend, is de rechtbank van oordeel dat aan de verklaringen in het nader gehoor niet de waarde kan worden gehecht die de minister daaraan toekent omdat eiser op het moment van het nader gehoor nog in voorlopige hechtenis zat en nog kampte met psychische problemen waarvoor hij behandeld diende te worden. De minister heeft uit de persoonlijke gedragingen van eiser daarom ten onrechte afgeleid dat hij niet de verantwoordelijkheid voor de door hem gepleegde misdrijven heeft willen nemen.
Uit het voorgaande volgt dat de minister bij de beoordeling van eisers persoonlijke gedragingen niet kenbaar alle individuele omstandigheden heeft betrokken. Dit vormt een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarnaast onvoldoende gemotiveerd dat de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het weigeren van subsidiaire bescherming geschikt is om de samenleving te beschermen. Vast staat immers dat eiser de delicten onder invloed van een psychose heeft gepleegd en dat de psychische problematiek van eiser door deze maatregel niet wordt opgelost. Ook eiser zelf zal door deze maatregel niet ineens ‘verdwijnen’; hij is immers niet uitzetbaar. Het vertrek van eiser uit Nederland kan niet worden afgedwongen, vanwege de veiligheidssituatie in Gaza. Er is dus sprake van een terugkeerbeletsel. Dat eiser op grond van de wet een zelfstandige vertrekplicht heeft, is bovendien tegenstrijdig met het standpunt van de minister dat het eiser vrijstaat om de behandeling die als bijzondere voorwaarde door de strafrechter is opgelegd, in Nederland af te maken. De minister heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom het onthouden van de subsidiaire bescherming geschikt is om de samenleving te beschermen.
De rechtbank oordeelt verder dat ook de noodzakelijkheid van de maatregel onvoldoende is gemotiveerd, nu de minister nalaat te motiveren waarom geen lichter middel voorhanden is om de samenleving te beschermen. De minister hecht veel waarde aan het strafrechtelijk vonnis, maar betrekt hierbij onvoldoende dat in ditzelfde vonnis niet alleen het belang van een zorgvuldige en stapsgewijze resocialisatie is onderschreven, maar ook is overwogen dat het risico op recidive zonder interventies wordt ingeschat op matig tot hoog. Dit komt overeen met de in beroep overgelegde evaluatie van het behandelplan, waarin staat dat binnen een gestructureerd kader een laag recidiverisico bestaat, maar dat dit risico buiten een gestructureerd kader wordt ingeschat op matig tot hoog. Verder staat hierin toegelicht dat bij het wegvallen van structuur, behandeling of medicatie, het risico op ontregeling en delictgedrag wordt verhoogd. Op de zitting heeft de psychologisch behandelaar van eiser toegelicht dat eiser op dit moment is gestabiliseerd. Een lichter middel om de samenleving te beschermen zou bijvoorbeeld het voortzetten van de behandeling en het blijven monitoren van eiser kunnen zijn. De behandeling vormt bovendien een band met Nederland, die volgens het beleid moet worden betrokken in de afweging. Niet deugdelijk is gemotiveerd op welke wijze de samenleving wordt beschermd met het onthouden van de subsidiaire bescherming als dit ertoe zou leiden dat de kans op recidive wordt vergroot.
Ook gelet op de eerder besproken individuele omstandigheden is onvoldoende gemotiveerd dat deze maatregel evenwichtig is.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb8. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:11884
07-05-2026, Rb Groningen, tussenuitspraak [gebruik Case Matcher door IND]
Reden signalering:
De rechtbank is van oordeel dat de minister met de overgelegde documenten en de toelichting onvoldoende inzicht heeft gegeven in de technische werking van CaseMatcher. De minister heeft in de stukken met name toegelicht dat geen sprake is van een AI-systeem en dit standpunt met verschillende verklaringen nader onderbouwd. Hiermee is echter niet voldaan aan het verzoek van de rechtbank om documenten over te leggen die inzicht geven in de regels die ten grondslag liggen aan het algoritme. Het is voor de rechtbank daardoor niet inzichtelijk geworden op welke wijze de relevantie van een zoekresultaat wordt bepaald.
De rechtbank is verder van oordeel dat ook onvoldoende is gemotiveerd dat geen sprake is van (confirmation) bias, dan wel dat eventuele risico’s hierop voldoende zijn ondervangen. De enkele stelling dat de wijze waarop zoekresultaten worden weergegeven geen risico voor bias oplevert, acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. De rechtbank kan de minister zonder nadere motivering dan ook niet volgen in het standpunt dat het gebruik van CaseMatcher geen risico op (confirmation) bias met zich brengt.
De rechtbank heeft het beroep voor het eerst op 10 maart 2025 op zitting behandeld. Het onderzoek is hierna heropend heropend in afwachting van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats over het gebruik van AI tijdens de besluitvorming. Hierop is het onderzoek opnieuw behandeld en heropend en de rechtbank heeft de minister verzocht om aanvullende informatie over de feitelijke werking van CaseMatcher.
Op 29 januari 2026 is namens de minister aanvullende informatie overgelegd. Op 2 maart 2026 is namens eiser gereageerd.
De rechtbank heeft op grond van artikel 8:80a in samenhang met artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht besloten tot het doen van deze tussenuitspraak. De rechtbank overweegt in deze tussenuitspraak welk gebrek hiertoe aanleiding heeft gegeven, op welke wijze dit gebrek kan worden hersteld en hoe het onderzoek zal worden voortgezet.
Eiser voert, kort samengevat, aan dat dat de minister in het besluit ten onrechte niet heeft vermeld dat hij gebruik heeft gemaakt of gemaakt kan hebben van een algoritme. De minister gebruikt bij de besluitvorming in asielaanvragen de zogeheten ‘CaseMatcher’. Eiser vindt dat de besluitvorming van de minister transparant, inzichtelijk en controleerbaar moet zijn, wat betekent dat de minister op deugdelijke wijze informatie moet geven over de algoritmes die hij gebruikt. Er is geen (wettelijke) regeling voor het gebruik van de ‘CaseMatcher’ of AI door de minister. Daardoor is onvoldoende geborgd dat het besluit zorgvuldig tot stand komt en dat bij de totstandkoming van het besluit niet wordt gediscrimineerd. De waarborgen die op de website over de ‘CaseMatcher’ worden genoemd, zijn niet neergelegd in een (wettelijke), voor de rechter toetsbare, regeling. Bij het gebruik van de ‘CaseMatcher’ is volgens eiser verder onvoldoende garantie dat bij toepassing ervan geen discriminatie plaatsvindt. Uit informatie van het College voor de rechten van de mens blijkt dat algoritmes kunnen discrimineren. Eiser wijst op de AI-verordening. Deze is volgens eiser van toepassing omdat de besluitvorming onder het EU-recht valt. De minister heeft gebruik gemaakt van een AI-systeem dat op grond van artikel 5 van de verordening verboden is. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat de minister gebruik heeft gemaakt van een AI-systeem met een hoog risico in de zin van artikel 6 van de verordening, waarvoor strikte verplichtingen gelden bij het gebruik. Het gebrek aan regelgeving kan volgens eiser tot slot ook met zich brengen dat de ambtenaar naast de ‘CaseMatcher’ gebruik kan hebben gemaakt van andere vormen van AI, zoals ChatGPT of Copilot.
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of CaseMatcher een AI-toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de (technische) werking van CaseMatcher onvoldoende inzichtelijk gemaakt, zodat het standpunt van de minister dat CaseMatcher geen AI-systeem is zonder nadere motivering niet kan worden gevolgd. De rechtbank acht hierbij het volgende van belang.
De gemachtigde van de minister heeft zich in het verweerschrift en op zitting op het standpunt gesteld dat de software die aan CaseMatcher ten grondslag ligt weliswaar gebruik maakt van een algoritme, maar dat het geen AI-systeem is. De minister stelt voorop dat CaseMatcher niet in staat is om te leren, redeneren of modelleren en daarmee niet zelfstandig acties kan uitvoeren of capaciteiten kan aanleren. Volgens de minister is Casematcher een simpele zoekmachine die op basis van een ‘keyword search’ enkel vaststelt of en zo ja, hoe vaak, een bepaalde zoekterm in een document of zaak voorkomt. Dit gebeurt aan de hand van statistische principes en wiskundige berekeningen. Volgens de minister gaat het hierbij enkel om (het optellen van) zoektermen en dus niet om een (gedeeltelijk) autonome of (gedeeltelijk) zelflerende toepassing. De minister heeft er verder op gewezen dat uit het evaluatierapport volgt dat bij de implementatie van CaseMatcher is afgezien van het gebruik van AI.
De rechtbank heeft na de zitting van 29 oktober 2025 aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en heeft de minister verzocht om documenten te overleggen waaruit het geheel aan regels blijkt dat ten grondslag ligt aan de werking van het algoritme. Verder heeft de rechtbank verzocht om nadere stukken waaruit blijkt of, en zo ja welke, risico’s op (automation) bias bij het gebruik van CaseMatcher door de minister in kaart zijn gebracht en welke maatregelen in het kader van de mogelijke risico’s zijn genomen.
Op 29 januari 2026 heeft de minister aanvullende documenten overgelegd. In de verklaring van de technisch expert is toegelicht dat binnen CaseMatcher gebruik wordt gemaakt van een eenvoudige software van een externe partij. Hieraan is geen AI-element toegevoegd. De softwareleverancier heeft in een verklaring toegelicht dat de software gebaseerd is op rule-based formules en dat het systeem geen voorspellingen, aanbevelingen, classificaties of besluiten kan genereren. Het systeem heeft evenmin een zelflerend vermogen. De relevantiescore zou verder worden bepaald aan de hand van verschillende methoden. De formules die hieraan ten grondslag liggen opereren enkel op basis van informatie zoals de vraag hoe vaak een zoekterm in een document voorkomt en op basis van vooraf ingestelde wiskundige wegingsfactoren.
De minister heeft ook stukken overgelegd die zien op de vraag of sprake kan zijn van (automation) bias. Volgens de technisch expert kan het in theorie zo zijn dat een zoekterm vaker voorkomt in zaken waarin een aanvraag wordt afgewezen dan in zaken waarin een aanvraag is ingewilligd. Ondanks dat dit volgens de technisch expert geen risico voor bias oplevert, is bepaald dat medewerkers voorafgaand aan het gebruik ervan een
e-learning moeten doorlopen. De minister heeft screenshots overgelegd van deze e-learning.
De rechtbank is van oordeel dat de minister met de overgelegde documenten en de toelichting onvoldoende inzicht heeft gegeven in de technische werking van CaseMatcher. De minister heeft in de stukken met name toegelicht dat geen sprake is van een AI-systeem en dit standpunt met verschillende verklaringen nader onderbouwd. Hiermee is echter niet voldaan aan het verzoek van de rechtbank om documenten over te leggen die inzicht geven in de regels die ten grondslag liggen aan het algoritme. Het is voor de rechtbank daardoor niet inzichtelijk geworden op welke wijze de relevantie van een zoekresultaat wordt bepaald.
De rechtbank is verder van oordeel dat ook onvoldoende is gemotiveerd dat geen sprake is van (confirmation) bias, dan wel dat eventuele risico’s hierop voldoende zijn ondervangen. De enkele stelling dat de wijze waarop zoekresultaten worden weergegeven geen risico voor bias oplevert, acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. De rechtbank overweegt verder dat uit de screenshots van de e-learning blijkt dat aan medewerkers de tip wordt gegeven om CaseMatcher niet te gebruiken om patronen of profielen over zaken heen te analyseren en dat het ongewenst is om te zoeken op afdoeningswijze, omdat dit kan leiden tot tunnelvisie. De rechtbank kan de minister zonder nadere motivering dan ook niet volgen in het standpunt dat het gebruik van CaseMatcher geen risico op (confirmation) bias met zich brengt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank stelt de minister door middel van deze tussenuitspraak in de gelegenheid dit gebrek te herstellen en alsnog de door de rechtbank verzochte documenten over te leggen. Het gaat hierbij om stukken die ten tijde van de ontwikkeling van CaseMatcher zijn gebruikt, waaruit het geheel aan regels blijkt die ten grondslag liggen aan de werking van het algoritme. Uit de documenten moet in ieder geval blijken:
- hoe documenten worden gerangschikt op basis van de frequentie van zoektermen en andere criteria;
- of en zo ja, wat voor scoringsmechanisme wordt gebruikt dat de relevantie van documenten bepaalt en
- welke andere criteria of parameters worden gebruikt.
De rechtbank acht verder van belang dat de stelling dat er expliciet voor is gekozen om bij de ontwikkeling en implementatie van CaseMatcher geen gebruik te maken van AI, eveneens nader wordt onderbouwd door middel van documenten.
Tot slot moet de minister documenten overleggen waaruit blijkt of, en zo ja, welke risico’s op (automation) bias bij het gebruik van CaseMatcher door de minister in kaart zijn gebracht. Ook moet hieruit blijken welke maatregelen in het kader van deze mogelijke risico’s zijn genomen en welke eventuele restrisico’s er zijn.
Conclusie en gevolgen
Gelet op wat hiervoor is overwogen stelt de rechtbank de minister schriftelijk in de gelegenheid de motiveringsgebreken zoals beschreven onder voornoemde rechtsoverwegingen te herstellen. De minister wordt verzocht de rechtbank schriftelijk te informeren over het geheel aan regels die ten grondslag liggen aan de werking van het algoritme. De rechtbank verzoekt hierbij in het bijzonder om stukken waaruit blijkt hoe documenten worden gerangschikt op basis van de frequentie van zoektermen en andere criteria, of en zo ja wat voor scoringsmechanisme wordt gebruikt dat de relevantie van documenten bepaalt en welke andere criteria of parameters worden gebruikt. Daarbij wordt eveneens verzocht om schriftelijk te onderbouwen dat bij de ontwikkeling en implementatie van CaseMatcher geen gebruik is gemaakt van AI. De minister wordt verder verzocht om stukken te overleggen waaruit blijkt of, en zo ja, welke risico’s op (automation) bias door de minister in kaart zijn gebracht en welke maatregelen er in dit kader zijn genomen.
Reden signalering: ECLI:NL:RBDHA:2026:10886
11-05-2026, Rb Zwolle, beroep ongegrond [MOB; contact gemachtigde met client]
Reden signalering:
Dat uit de rechtspraak van de Afdeling niet volgt dat de communicatie tussen eiser en zijn gemachtigde wederkerig moet zijn, volgt de rechtbank niet. Het hebben van contact impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en dat hij met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. Daarvan kan bij een eenzijdig contact waarbij de gemachtigde berichten verzendt naar zijn cliënt maar van deze cliënt nimmer een reactie ontvangt geen sprake zijn. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
De minister heeft de rechtbank op 19 augustus 2025 bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft op 11 maart 2026 bericht dat onduidelijk is of eiser mogelijkerwijs is opgenomen of in detentie verblijft of op een alternatief adres in Nederland. De gemachtigde van eiser heeft daarvoor geen aanwijzingen maar kan het ook niet uitsluiten. Eiser is op de hoogte gesteld van de zitting per e-mail, er is ook een tolk en niet kan worden uitgesloten dat eiser ter zitting zal verschijnen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser in aanvulling daarop verklaard dat het contact met eiser eenzijdig is, hij reageert niet op berichten.
Uit het feit dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer heeft met zijn gemachtigde, leidt de rechtbank af dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Zie bijvoorbeeld uitspraak Afdeling 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662. Dat uit de rechtspraak van de Afdeling niet volgt dat de communicatie tussen eiser en zijn gemachtigde wederkerig moet zijn, volgt de rechtbank niet. Het hebben van contact impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en dat hij met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt (Afdeling 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579). Daarvan kan bij een eenzijdig contact waarbij de gemachtigde berichten verzendt naar zijn cliënt maar van deze cliënt nimmer een reactie ontvangt geen sprake zijn. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Het beroep is niet-ontvankelijk.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:11456
20-05-2026, Rb Zwolle, Afghanistan, beroep gegrond [AMV; geloofwaardigheid; motivering]
Reden signalering:
Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is samen met de rest van het gezin gevlucht uit Afghanistan, zo’n twee maanden nadat de Taliban aan de macht kwam. Volgens eiser wordt zijn vader gezocht door de Taliban, omdat hij heeft gewerkt voor buitenlanders. De details hiervan weet eiser niet, omdat hij nog jong was en zijn vader dit niet met hem deelde. Door het werk van zijn vader loopt het hele gezin van eiser gevaar. Eiser is met de rest van het gezin gevlucht naar Pakistan, waar ze ondergedoken zitten bij een vriend van eisers vader. Omdat het te gevaarlijk was om met het hele gezin verder te vluchten, is eiser als enige naar Nederland gevlucht. De rest van het gezin verblijft nog in Pakistan.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het voornemen het standpunt heeft ingenomen dat de vader van eiser door zijn werkzaamheden voor EOD Technology niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft gewerkt voor de VN of de NAVO, terwijl hij zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat zijn vader voor EOD Technology heeft gewerkt. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een nieuw standpunt en het in het bestreden besluit verwijzen naar het voornemen voor de motivering van dit nieuwe standpunt valt hiermee niet te rijmen.
Bovendien heeft de minister door te stellen dat niet geloofwaardig is dat de vader van eiser voor de VN of de NAVO heeft gewerkt, geen recht gedaan aan eisers verklaringen hierover. Tijdens het nader gehoor heeft eiser immers desgevraagd uitgelegd dat wanneer hij ‘de NAVO’ zegt, hij ‘werken voor buitenlanders’ bedoelt. De rechtbank verwijst hiervoor naar relevante passages uit het rapport nader gehoor. Door te overwegen dat eiser niet heeft aangetoond dat zijn vader voor de VN of de NAVO heeft gewerkt heeft de minister dus een te beperkte betekenis aan eisers verklaringen gegeven.
De rechtbank stelt verder vast dat de minister in de besluitvorming geen inhoudelijk standpunt heeft ingenomen over de verklaringen van eiser dat zijn vader voor buitenlanders heeft gewerkt. De rechtbank heeft dit op zitting voorgehouden aan de gemachtigde van de minister en haar de gelegenheid gegeven daarop te reageren. De gemachtigde van de minister heeft hierop echter niet inhoudelijk gereageerd.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij geen originele en recente documenten van de werkzaamheden van zijn vader heeft overgelegd. De rechtbank begrijpt de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor zo dat zijn vader die documenten heeft verbrand uit vrees voor de Taliban en dat eisers moeder bij toeval de foto’s van de wel door eiser overgelegde documenten op haar telefoon had.
Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister, door meer te verwachten van de verklaringen van eiser over de gestelde problemen van zijn vader en zijn werkzaamheden, onvoldoende rekening heeft gehouden met de leeftijd van eiser ten tijde van de gestelde gebeurtenissen, ten tijde van het gehoor en de Afghaanse cultuur waarin eiser is opgegroeid. De rechtbank ziet niet in wat het feit dat eiser nog acht maanden in Pakistan bij zijn gezin heeft verbleven en als enige van het gezin naar Europa is gestuurd daar aan af doet.
Nu de minister de werkzaamheden van de vader van eiser voor buitenlanders niet inhoudelijk heeft beoordeeld en uit het Landgebondenbeleid inzake Afghanistan zoals dat gold op het moment van het bestreden besluit volgt dat burgers die hebben gewerkt voor westerse landen in Afghanistan en hun familieleden als risicogroep worden aangemerkt, is het bestreden besluit niet zorgvuldig en niet deugdelijk gemotiveerd.
Aangezien het antwoord op de vraag of geloofwaardig is dat de vader van eiser heeft gewerkt voor westerse landen ook van invloed is op de beoordeling van het risico op ernstige schade dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan loopt en daarnaast ook relevant is voor de beoordeling of tegen eiser een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om deze onderdelen van het besluit op dit moment te beoordelen.
De rechtbank geeft de minister mee eiser aanvullend te horen voordat hij een nieuw besluit neemt. Eiser verblijft inmiddels vier jaren in Nederland en hij is nog niet in de gelegenheid geweest te verklaren over de door hem in de zienswijze gestelde verwestering. Hierbij is ook van belang dat eiser, zoals op zitting is besproken, een baard heeft die volgens het meest recente ambtsbericht door de Taliban niet wordt getolereerd. Beroep gegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:13172