Jurisprudentie
Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:
14-01-2026, Rb Arnhem MK, Turkije, beroep gegrond [Gülenaanhangers; vervolging]
Reden signalering:
De minister hoeft niet alle (toegedichte) Gülenaanhangers als verdragsvluchteling aan te merken. Hij mag het risico op vervolging op basis van een individueel onderzoek beoordelen. Maar die beoordeling is in het geval van eiser onvolledig geweest.
Vrees voor vervolging vanwege betrokkenheid Gülenbeweging
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Turkije vreest voor vervolging vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging.
De minister acht eisers gestelde politieke overtuiging, zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging en zijn activiteiten in Turkije en Nederland geloofwaardig. Dit leidt volgens de minister echter niet tot de conclusie dat hij hierdoor te vrezen heeft voor vervolging bij terugkeer naar Turkije. Niet alle (toegedichte) Gülenaanhangers lopen volgens de minister dat risico en eiser heeft onvoldoende met individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij dat risico zelf wél loopt.
Eiser betoogt dat de minister niet heeft onderkend dat uit landeninformatie blijkt dat alle (toegedichte) aanhangers van de Gülenbeweging systematisch worden vervolgd in Turkije. Het per 1 december 2023 gewijzigde beleid, dat volgens eiser tot gevolg heeft gehad dat niet (langer) alle (toegedichte) Gülenaanhangers in aanmerking komen voor een asielvergunning, is daarom onrechtmatig. De minister heeft die beleidswijziging ondeugdelijk gemotiveerd. De algemene situatie in Turkije die aanleiding was voor het tot 1 december 2023 gevoerde beleid is namelijk niet wezenlijk gewijzigd. Dat het aantal vervolgingen in absolute zin is afgenomen is logisch: veel Gülenaanhangers zijn al vervolgd en gevlucht en de Gülenbeweging is inmiddels volledig ontmanteld. Uit algemene informatie blijkt niet dat de aandacht van de autoriteiten voor de Gülenbeweging zou zijn verslapt of afgenomen. Eiser verwijst naar een verklaring van de nationale veiligheidsraad van Turkije van 30 juli 2025.
De rechtbank leidt uit de informatie in de ambtsberichten van 2023 en 2025 af dat de situatie voor Gülenaanhangers nog steeds zorgwekkend is en dat arrestaties van (vermeende) Gülenaanhangers op grote schaal voorkomen. Dat de intensiteit van de vervolging sinds de periode direct na de mislukte staatsgreep in 2016 is afgenomen betekent op zichzelf niet dat dit een indicatie is voor de te verwachten risico’s bij terugkeer. Deze daling is in het ambtsbericht namelijk ook teruggevoerd op het feit dat de meest zichtbare Gülenisten in de Turkse samenleving al waren ontslagen, strafrechtelijk onderzocht en vervolgd of het land hadden verlaten. Ook laat deze geschetste trend volgens het ambtsbericht onverlet dat de Turkse autoriteiten in de verslagperiode doorgingen met de vervolging van (vermeende) Gülenisten. Het ambtsbericht bevat echter ook indicaties dat het risico voor Gülenaanhangers bij terugkeer niet voor iedereen gelijk is: met name (vermeende) Gülenaanhangers binnen het veiligheids- of justitiële apparaat staan in de bijzondere negatieve belangstelling van de autoriteiten. Uit deze informatie in het ambtsbericht kan niet worden afgeleid dat iedere Gülenaanhanger, waaronder degenen die zich meer op de achtergrond hielden en daardoor minder zichtbaar waren, soortgelijke risico’s liepen als de in het ambtsbericht genoemde categorieën Gülenaanhangers. Daarnaast noemt het ambtsbericht (van 2023) ook nog een aanvullende oorzaak voor de afgenomen intensiteit, namelijk dat de Turkse autoriteiten hun aandacht in toenemende mate hebben verschoven naar de Koerdische beweging en de lhbtiq+-gemeenschap.
Voorts volgt uit de informatie dat de kans op een strafrechtelijke veroordeling is afgenomen, nu de rechterlijke macht een strengere toets hanteert ten aanzien van indicatoren zoals het aanhouden van een bankrekening bij Bank Asya of het gebruik van de ByLock-app.
Gelet op het voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat onvoldoende is gebleken dat elke (vermeende) Gülenaanhanger in Turkije een gegronde vrees voor vervolging heeft. De minister hoefde eiser dus niet al, zonder individueel onderzoek, wegens zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging als verdragsvluchteling aan te merken. De minister mocht daarom op grond van zijn beleid beoordelen of eiser, gelet op zijn individuele situatie, aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging. De rechtbank zal hierna beoordelen of het standpunt van de minister hierover de rechterlijke toets kan doorstaan.
Heeft eiser op grond van zijn persoonlijke situatie een gegronde vrees voor vervolging?
Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij, gelet op zijn door de minister geloofwaardig geachte levensovertuiging als Gülenaanhanger, bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging. De minister heeft bij de beoordeling van de vrees niet alle relevante omstandigheden betrokken.
Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard over zijn activiteiten in Turkije voor de Gülenbeweging. Sinds eiser op twaalfjarige leeftijd is ingeschreven op een school van de Gülenbeweging, is hij betrokken bij deze beweging. Eiser nam vanaf toen deel aan zogenoemde sohbets. Hierbij komen groepen mensen bij elkaar onder begeleiding van een mentor, een geestelijke leider, die de sohbet leidt. Dat is hij blijven doen tot 2016. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij vanaf 2010, toen hij begon met zijn werkzaamheden als docent, betrokken is geweest bij de [naam groep]. Hier had eiser een begeleidende rol. Tijdens bijeenkomsten werden plannen gemaakt voor het organiseren van sociale, culturele en religieuze activiteiten. Eiser was verantwoordelijk voor een groep leerlingen die hij begeleiding gaf op het vlak van persoonlijke en religieuze ontwikkeling. Ook organiseerde hij voetbalwedstrijden, gezamenlijke etentjes en hielp hij leerlingen met hun lessen. Deze activiteiten organiseerde hij tot de dag van de coup.
Na 2016 kon hij deze activiteiten niet meer verrichten omdat ze vanaf toen als terroristische activiteiten werden bestempeld. Toch bleef hij heimelijk betrokken bij de Gülenbeweging omdat hij samen met vrienden financiële en materiële ondersteuning gaf aan gezinnen van Gülenisten die hulpbehoevend waren, bijvoorbeeld omdat ouders in de gevangenis waren beland.
De rechtbank stelt vast dat deze verklaringen relevant zijn, als bedoeld in het arrest Y en Z, voor de beoordeling of bij eiser sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een (toegedichte) politieke overtuiging. Deze verklaringen geven inzicht in de sterkte van de overtuiging van eiser, omdat daaruit blijkt dat hij al sinds zijn twaalfde actief betrokken is bij de Gülenbeweging en hij, ondanks daaraan verbonden risico’s, na de mislukte staatsgreep in 2016 hulp bleef bieden aan families van Gülenaanhangers die om politieke redenen in de gevangenis zaten. Ook blijkt uit die verklaringen dat eisers betrokkenheid bij de Gülenbeweging niet van ondergeschikte aard was: in zijn betrokkenheid bij een [naam groep] had eiser een begeleidende rol, hij organiseerde activiteiten en trad daarmee ook naar buiten. De minister heeft hiermee onvoldoende rekening gehouden in het besluit. Hij kon niet volstaan met het hiervoor weergegeven standpunt. Zoals het arrest Y en Z vereist, moet de minister een uitputtend en grondig onderzoek verrichten of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een (toegedichte) politieke overtuiging. De minister had daarom op basis van eisers verklaringen over zijn activiteiten voor en na de staatsgreep van 2016 moeten beoordelen of het reëel en geloofwaardig is dat hij zich bij terugkeer in Turkije zal blijven uiten als aanhanger van de Gülenbeweging of ondersteuning zal bieden aan gezinnen van hulpbehoevende (gedetineerde) Gülenisten. Nu de minister dit niet heeft gedaan is het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:643
15-01-2026, Rb Middelburg, Gambia, beroep gegrond [homoseksualiteit; rekening houden jonge leeftijd; referentiekader]
Reden signalering:
Motiveringsgebrek van de minister bij ongeloofwaardig achten van verklaringen over geaardheid en relatie, geen rekening gehouden met jonge leeftijd eiser, tegenwerpingen onvoldoende gemotiveerd, steunverklaringen opnieuw beoordelen, afdoening als kennelijk ongegrond omdat eiser zich laat heeft gemeld doet geen afbreuk aan geloofwaardigheid.
Eiser vreest bij terugkeer naar Gambia voor zijn leven vanwege zijn homoseksuele geaardheid. Hij heeft in Gambia negen jaar een geheime relatie gehad met een man genaamd [naam 1]. In december 2022 zijn zij samen betrapt door eisers vader. Eiser is toen ernstig mishandeld door zijn vader, waarna hij tot zijn vertrek uit Gambia in januari 2023 tijdelijk op andere adressen heeft gewoond. Eiser beschikte over een visum om een conferentie in Nederland bij te wonen.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder gelooft niet dat eiser homoseksueel is en dat hij als gevolg daarvan problemen heeft ondervonden in Gambia. Verweerder overweegt dat eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn asielmotief volledig onderbouwen. Daarnaast vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verweerder vindt dat eisers verklaringen over de ontdekking van zijn geaardheid in beperkte mate persoonlijk en authentiek zijn en dat eiser onvoldoende inzicht geeft in wat het met hem deed dat hij op mannen viel. Eiser verklaart summier over de wijze waarop hij zijn geaardheid geaccepteerd heeft in een maatschappij waar homoseksualiteit verboden is. Ook eisers verklaringen over zijn relatie met [naam 1] zijn summier. Net als eisers verklaringen over de bijeenkomsten van het COC en de Pride in Nederland. Tot slot heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en hij daar geen goede verklaring voor heeft.
Raadplegen lhbti-coördinator
In de WI 2019/17 staat dat op elke locatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) lhbti-coördinatoren aanwezig zijn. In elke zaak waar een lhbti-motief speelt, dient voor het besluit genomen wordt een lhbti-coördinator te worden geraadpleegd. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat een dergelijke coördinator is geraadpleegd. Zij brengen vervolgens een advies uit en dat wordt opgenomen in de interne stukken. Dat het voorgaande niet is opgenomen in de besluitvorming doet daaraan niet af. Uit WI 2019/17 volgt voor verweerder namelijk geen verplichting om kenbaar in de besluitvorming op te nemen dat er met een lhbti-coördinator is overlegd. De rechtbank acht het ook niet onredelijk dat verweerder de totstandkoming en de inhoud van het advies van een lhbti-coördinator niet uitdrukkelijk in het asielbesluit vermeldt, omdat het hier gaat om voorbereidingshandelingen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Referentiekader
Uit de WI 2019/17 volgt dat het bepalen welk gewicht toekomt aan de antwoorden op de vragen die zijn gesteld over iemands seksuele gerichtheid sterk afhankelijk is van de individuele zaak. Verweerder houdt hierbij rekening met het referentiekader van de vreemdeling (opleidingsniveau, leeftijdsfase, cultuur, afkomst, etc.). In de WI 2019/17 wordt verder benadrukt dat het uiteraard van belang blijft om in de vraagstelling en de beoordeling rekening te houden met de persoonlijkheid en achtergrond van de vreemdeling. Elke vreemdeling heeft immers een eigen referentiekader op basis van opleiding, culturele achtergrond, levensfase etc.
In het voornemen heeft verweerder samengevat het volgende referentiekader opgenomen: Eiser is een zevenentwintigjarige man die gestudeerd heeft aan de universiteit en heeft gewerkt als dierenarts. Eiser behoort tot de Jola-stam, heeft een Islamitische achtergrond, waar hij inmiddels afstand van heeft gedaan en hij is opgegroeid in Gambia. Vanwege het opleidingsniveau van eiser mag verwacht worden dat hij enigszins lastige vragen kan beantwoorden. Tijdens het horen is de vraagstelling geregeld aangepast indien eiser de vraag niet begreep. In zoverre is voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser.
Uit de verklaringen van eiser volgt dat hij voor het eerst op zevenjarige leeftijd uiting heeft gegeven aan zijn homoseksuele gevoelens, tijdens het spelen met zijn neefje. Eiser is toen bestraft door zijn moeder. Toen eiser dertien was begonnen zijn dromen over jongens. Eiser verklaart tot welke gevoelens en fysieke gevolgen die dromen leidden. Ook verklaart hij over ervaringen met vrienden, dat hij wel gevoelens had bij jongens en niet bij meisjes en dat hij daardoor in de war raakte. Hij verklaart ook dat hij bang was en dat hij niemand over zijn verwarrende gevoelens durfde te vertellen, omdat iedereen in zijn omgeving moslim was en homoseksualiteit niet was toegestaan. Eiser ging naar een internetcafé om dingen op te zoeken over homoseksualiteit en hij deed heimelijk navraag bij zijn science-docent. Vanaf ongeveer zijn vijftiende accepteerde eiser zijn gevoelens. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze verklaringen summier zijn en niet gedetailleerd.
De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat in de besluitvorming onvoldoende gemotiveerd is waarom eisers verklaringen tekortschieten, gelet op zijn referentiekader. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom deze vrij uitgebreide verklaringen onvoldoende zijn, mede gelet op eisers destijds jonge leeftijd. Het komt de rechtbank voor dat eisers verklaringen nu juist passen bij een jongen in de periode van zijn zevende tot ongeveer zijn vijftiende levensjaar.
Dit geldt ook voor eisers verklaringen over wat het met hem deed dat hij op mannen valt in een maatschappij waar dat niet is toegestaan. Eiser verklaart namelijk op meerdere punten dat hij in de war en bang was, anderen niet durfden te vertellen over zijn gevoelens, dat hij dacht dat het niet normaal was, hij zichzelf haatte en soms moest huilen. Ook verklaart eiser dat hij zich afvroeg waarom dit bij hem gebeurde en dat hij het moeilijk en pijnlijk vond in een maatschappij waar zijn geaardheid is verboden. Ook heeft eiser verklaard over de verschillende wijzen waarop hij onderzoek heeft gedaan naar zijn geaardheid. Verweerder motiveert in dit verband evenmin deugdelijk waarom eiser met deze verklaringen gelet op zijn jonge leeftijd onvoldoende inzicht heeft gegevens in zijn gevoelens en het proces waar hij doorheen ging.
De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat van eiser verlangd mag worden dat hij beter kan verklaren over zijn geaardheid en de gevolgen daarvan omdat hij hoogopgeleid is. Het enkele feit dat eiser hoogopgeleid is maakt niet dat hij beter kan verklaren over zijn geaardheid dan personen met een lager opleidingsniveau. Verweerder legt niet uit dat het opleidingsniveau van eiser tot gevolg heeft dat hij goed over zijn gevoelens kan praten en dat hij zich voldoende vrij voelt om daarover te praten, met name in de situatie dat hij is opgegroeid in een maatschappij waar zijn geaardheid verboden is.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:701
15-01-2026, Rb Rotterdam, Iran, beroep gegrond [politieke activiteiten; afvalligheid]
Reden signalering:
Verweerder heeft onvoldoende onderzocht en gemotiveerd waarom de geloofwaardig geachte afvalligheid van beide eisers, de politieke overtuiging en activiteiten eiser, niet tot problemen met de autoriteiten zullen leiden bij terugkeer in Iran.
Verweerder heeft zich in beide zaken onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat eisers bij terugkeer naar Iran, zowel op het vliegveld als ín Iran, een gegronde vrees hebben voor vervolging vanwege hun geloofwaardige afvalligheid. De bestreden besluiten vertonen op dit punt diverse zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken.
Geloofwaardige politieke overtuiging en activiteiten
De rechtbank overweegt dat de beoordeling of aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat of zal komen te staan, uiteenvalt in twee stappen. De eerste stap van de beoordeling is of het aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten kennis hebben of zullen krijgen van de politieke overtuiging en activiteiten van eiser. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is de tweede stap van de beoordeling of het aannemelijk is dat die kennis zal leiden tot negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten voor eiser. De rechtbank zal, met inachtneming van deze twee stappen, beoordelen of verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat of zal komen te staan vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten. Daarbij zal de rechtbank eerst ingaan op de actuele situatie en daarna ingaan op de situatie bij/na terugkeer van eiser naar Iran.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers politieke overtuiging en activiteiten. Het gaat hierbij dan met name om eisers Instagram-pagina, die op eisers eigen naam staat en dus direct aan hem te linken is. Verweerder heeft bij de beoordeling van het bereik van eisers Instagram-pagina slechts acht geslagen op het aantal volgers en niet (ook) op het aantal ‘views’. Het aantal volgers bedraagt ongeveer 1.400, maar het aantal ‘views’ is vele malen hoger. Er staan berichten/foto’s op eisers Instagram-pagina die wel meer dan tienduizenden ‘views’ hebben, met uitschieters naar 50.000 en 146.000 ‘views’. Dit betekent dat het bereik van eiseres Instagram-pagina een stuk groter is dan waar verweerder van uit is gegaan. Nu verweerder is uitgegaan van een te beperkt bereik, heeft hij ondeugdelijk gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers Instagram-pagina. Immers, hoe groter het bereik, hoe groter de kans dat de Iraanse autoriteiten daarvan kennis hebben. Bovendien geldt dat verweerder bij deze beoordeling niet kenbaar heeft betrokken dat uit het ambtsbericht, p. 40, en de daarbij aangehaalde onderliggende bronnen (zie noot 282), volgt dat de Iraanse autoriteiten politiek-kritische Iraniërs in het buitenland monitoren, onder andere door het in de gaten houden van social media en via personen die buiten Iran met hen samenwerken.
Gelet op het voorgaande en nu verweerder niet heeft betwist dat de inhoud van de berichten op eisers Instagram-pagina de Iraanse autoriteiten onwelgevallig zullen zijn, heeft verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser op dit moment in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten.
Hierna toetst de rechtbank – volledigheidshalve en er veronderstellenderwijs van uitgaand dat eiser thans niet in de negatieve aandacht staat – het standpunt van verweerder dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Iran alsnog in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten terecht zal komen. Daarbij zal eerst worden ingegaan op de situatie op het vliegveld in Iran en vervolgens op de situatie na terugkeer ín Iran.
Over de situatie bij terugkeer op het vliegveld in Iran overweegt de rechtbank als volgt. Onder 10.5. is reeds geoordeeld dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of het aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten als onderdeel van de ondervraging op het vliegveld een telefoon/social media-controle bij eiser zullen verrichten. Daarbij is verwezen p. 115 van het Algemeen ambtsbericht Iran van 2023. Nu dit niet is beoordeeld, heeft verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten op het vliegveld op de hoogte zullen raken van eisers politieke overtuiging en activiteiten.
Over de situatie na terugkeer van eiser in Iran overweegt de rechtbank als volgt. Verweerders standpunt komt erop neer dat eiser geen sterke politieke overtuiging heeft en dat het daarom niet aannemelijk is dat hij in Iran zijn politieke overtuiging zal uiten door politieke activiteiten te verrichten. Dit standpunt berust niet op een deugdelijke motivering. Eiser heeft niet alleen in Nederland, maar ook al in Iran deelgenomen aan diverse demonstraties tegen het Iraanse regime en is daarbij zelfs één keer gearresteerd. Reeds nu eiser al jarenlang (sinds 2017) zowel in Iran als in Nederland frequent deelneemt aan anti-regime demonstraties en in dat kader ook steeds enige organisatorische rol heeft vervuld, kan verweerder niet worden gevolgd in zijn standpunten dat eiser geen sterke politieke overtuiging heeft en dat het niet aannemelijk is dat eiser zijn politieke overtuiging in Iran daadwerkelijk wil uiten op (tenminste) dezelfde wijze als hij eerder in Iran heeft gedaan en nu in Nederland doet. De rechtbank wijst er (ook in dit verband) op dat als er bij een vreemdeling sprake is van aannemelijke daadwerkelijke wil om zijn geloofwaardige politieke overtuiging in Iran te uiten – het ontbreken van die wil bij eiser is door verweerder dus ondeugdelijk gemotiveerd – verweerder niet van die vreemdeling mag verwachten dat hij zijn politieke overtuiging in Iran toch niet uit, omdat er geen terughoudendheid van de vreemdeling mag worden verlangd. In het verlengde van het voorgaande ligt dat verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten na terugkeer van eiser ín Iran op de hoogte zullen komen van eisers politieke overtuiging en activiteiten.
Gelet op het voorgaande, op hetgeen is overwogen over de inhoud van eisers berichten op Instagram en nu verweerder niet heeft betwist dat het deelnemen door eiser aan anti-regime demonstraties de Iraanse autoriteiten onwelgevallig zal zijn, heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd het standpunt ingenomen dat het niet aannemelijk is dat eiser na terugkeer in Iran in de negatieve belangstelling zal komen te staan van de Iraanse autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten.
Uit het vorenstaande volgt dat verweerder zich in eisers zaak onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Iran een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn geloofwaardige politieke overtuiging en activiteiten. Het op eiser betrekking hebbende bestreden besluit vertoont op dit punt diverse gebreken.
De beroepen zijn gezien al het voorgaande gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:843
NB: In de procedurevergadering van de vaste commissie voor Asiel en Migratie van 22 januari 2026 is besloten minister Van Weel te verzoeken de Kamer een reactie te doen toekomen waarin u ingaat op de huidige situatie in Iran en wat de gevolgen hiervan zijn voor lopende asielprocedures. Lees op deze pagina het verzoek.
09-01-2026, Rb Haarlem, Iran, beroep ongegrond [politieke activiteiten; geloofsovertuiging]
Reden signalering:
De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers gestelde geloofsovertuiging (volger van soefisme) ongeloofwaardig mogen vinden. Voorts mocht verweerder concluderen dat het niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging.
Eiser stelt de Iraanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1989. Hij legt aan zijn opvolgende asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser ziet zichzelf als afvallige. Hij is een volger van Erfan en Tasavof . Daarmee bedoelt eiser dat hij een volger is van het soefisme. Ook is eiser lid van een politieke partij genaamd 'Restart Opposition'. Voor deze partij heeft eiser in 2018 een protestactie uitgevoerd bij de Iraanse ambassade in Nederland. Deze protestactie is gefilmd en eiser is in beeld gekomen. Wegens zijn geloofsovertuiging en zijn politieke overtuiging kan eiser niet terug naar Iran.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers geloofsovertuiging vindt verweerder echter ongeloofwaardig. Verweerder vindt dat eisers verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eisers verklaringen over zijn gestelde afvalligheid vindt verweerder algemeen en vaag. Eisers verklaringen over het soefisme vindt verweerder tegenstrijdig, vaag, te algemeen van aard en onjuist. Daarnaast geeft eiser volgens verweerder geen blijk van een verdere verdiepende kennis van het soefisme. Om deze redenen voldoet eiser niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verweerder vindt eisers politieke overtuiging geloofwaardig. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging te vrezen heeft voor de Iraanse autoriteiten. Volgens verweerder is immers niet gebleken dat eiser een sterke politieke overtuiging heeft. Ook zijn er volgens verweerder geen indicaties dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers sociale media. Tevens heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij de persoon is in de video van de protestactie bij de Iraanse ambassade. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de Iraanse autoriteiten bij zijn familie in Iran langs zijn geweest na eisers protestactie. Tot slot vindt verweerder eisers verklaringen over het uiten van zijn politieke mening bij terugkeer naar Iran niet aannemelijk.
Heeft verweerder eisers gestelde geloofsovertuiging ongeloofwaardig mogen vinden?
De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Allereerst mocht verweerder eiser tegenwerpen dat zijn verklaringen over zijn afvalligheid vaag zijn. Zo verklaart eiser dat hij alle religies bekritiseert omdat ze geen antwoord kunnen geven op de vragen uit Erfan en Tasavof. Eiser legt echter niet uit welke vragen dit zijn of waarom deze vragen voor hem belangrijk zijn.
Ten tweede mocht verweerder eiser tegenwerpen dat hij tegenstrijdig en vaag heeft verklaard over zijn huidige geloofsovertuiging. Enerzijds verklaart eiser immers in het formulier opvolgende asielaanvraag dat hij bekeerd is tot het soefisme, hetgeen hij ook bevestigt in het gehoor opvolgende aanvraag, terwijl hij anderzijds verklaart dat hij geen soefi is. In de correcties en aanvullingen stelt eiser vervolgens dat hij een volger is van het soefisme, maar dat hij niet is bekeerd.
Ten derde mocht verweerder vinden dat eiser vaag en summier heeft verklaard over waarom hij heeft gekozen voor het soefisme. Eiser heeft verklaard dat hij via podcasts en via Telegram in aanraking is gekomen met het programma ‘Restart’, een mystieke leer die de gedichten van oude dichters in hedendaagse taal uitdrukt, waardoor hij in contact is gekomen met het soefisme. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser door het enkel luisteren van podcasts en gedichten niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij volger van het soefisme is geworden. Ook mocht verweerder concluderen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt welke specifieke gedichten hebben geleid tot zijn keuze voor het soefisme. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de tekst: “Doe het oog van je hart open, zodat je het leven kunt zien. Wat onzichtbaar is, dat zal je zien” behoort tot een gedicht van Saghir Efsahani. Ook mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat niet valt in te zien waarom eiser geen andere gedichten zou kennen, aangezien hij heeft verklaard dat hij al zeven jaar het soefisme aanhangt. Eisers stelling dat hij volgens het soefisme geen gedichten uit het hoofd mag leren omdat dit tot hoogmoed zou leiden, heeft verweerder niet afdoende mogen vinden. Bovendien mocht verweerder eiser tegenwerpen dat hij onsamenhangend heeft verklaard over de strekking van een gedicht van Molavi Rumi. Tijdens het gehoor heeft de hoormedewerker meermaals aangegeven dat zij eisers uitleg niet volgt, maar eiser verduidelijkte zijn verklaringen niet.
Daarnaast mocht verweerder concluderen dat eiser er niet in is geslaagd om de verschillen uit te leggen tussen de twee hoofdstromingen van het soefisme. Eiser heeft immers verklaard dat er binnen het soefisme twee stromingen bestaan en dat hij geen aanhanger is van de andere stroming. Eiser heeft een uitleg gegeven over die andere stroming, maar verklaart vervolgens dat dit ook de kern is van zijn eigen stroming. Ook heeft eiser niet toegelicht waarom hij de ene stroming boven de andere heeft verkozen.
Ook mocht verweerder eiser tegenwerpen dat hij vaag en algemeen heeft verklaard over hoe hij invulling geeft aan het soefisme. Eisers heeft immers voornamelijk verklaard over het lezen van informatie en gedichten, het reinigen van hemzelf en over de politieke actie die hij zou hebben uitgevoerd in 2018, maar wat eiser daarnaast concreet doet voor zijn geloofsovertuiging, is niet duidelijk geworden. Ook toen dit specifiek aan eiser werd gevraagd, was eisers enkele antwoord dat hij nog steeds afvallig is en dat het lang verhaal is. Op de vraag of hij dit toch zou willen uitleggen, gaf eiser enkel ten antwoord dat hij bang is dat hij dan het asielzoekerscentrum zal worden uitgezet.
Tevens mocht verweerder eiser tegenwerpen dat hij vaag heeft verklaard over de toestemming die hij krijgt om gedichten te lezen. Eiser heeft immers verklaard dat hij geen toestemming moet hebben van een organisatie, maar dat toestemming voortkomt uit het onderbewuste. Even later verklaart hij weer dat hij deze toestemming van een leider krijgt. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers verklaringen hierover daarom niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van zijn asielmotief.
Verder mocht verweerder vinden dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over meneer Seyed Mohamad Hoseini. Eiser heeft immers verklaard dat meneer Hoseini een leider is binnen het soefisme. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat dit nergens uit blijkt en dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen andere namen kan noemen van belangrijke personen binnen de stroming die eiser aanhangt. Eisers stelling dat hij geen namen mag noemen omdat hij hiervoor toestemming moet hebben, heeft hij niet aannemelijk gemaakt.
Voorts mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat de door eiser genoemde verwijzing naar ‘Abraham Zartosht’ niet overeenkomt met openbare bronnen. Volgens openbare bronnen is Zartosht immers de Iraanse profeet en grondlegger van het zoroatrisme en heeft hij geen enkele relatie met Abraham. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het aan eiser is om zijn verklaringen aannemelijk te maken. Het standpunt van eisers gemachtigde ter zitting dat hij hierover geen onderbouwing kan geven omdat de bronnen over Abraham Zartosht enkel in het Farsish zijn, volstaat niet. Het ligt immers op eisers weg om de bronnen te vertalen.
Eveneens mocht verweerder eiser tegenwerpen dat hij geen aannemelijke verklaringen heeft afgelegd over een piramide binnen het soefisme. Hoewel de rechtbank eisers stelling volgt dat verweerder zijn standpunt in het voornemen en in het bestreden besluit mager heeft onderbouwd, overweegt de rechtbank dat verweerder zijn standpunt ter zitting wel nader heeft uitgelegd. De rechtbank volgt het standpunt van verweerders gemachtigde ter zitting dat verweerder geen bronnen heeft gevonden die de piramide binnen het soefisme bevestigen en dat het aan eiser is om dit aannemelijk te maken. Eiser heeft zijn verklaringen over de piramide binnen het soefisme niet onderbouwd.
De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht verweerder concluderen dat het niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging?
Eiser voert aan dat verweerder zich niet op het standpunt mocht stellen dat het niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging. Eiser voert hierover het volgende aan.
De rechtbank volgt verweerders standpunt dat eiser niet kan worden herkend in de video op YouTube, omdat hij maar enkele seconden in beeld is en omdat hij een zonnebril draagt. Dat eiser hetzelfde shirt aan heeft als op de foto die hij tijdens zijn eerdere beroepsprocedure heeft overgelegd, doet hier niets aan af. Ten aanzien van eisers berichten op X volgt de rechtbank verweerders standpunt dat eiser maar weinig volgers heeft op X en dat er geen indicaties zijn dat eisers profiel wordt gemonitord door de Iraanse autoriteiten. Eiser heeft immers geen signalen van de Iraanse autoriteiten gekregen. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser zijn stelling dat de Iraanse autoriteiten het monitoren van sociale media hebben geïntensiveerd, onvoldoende heeft onderbouwd. Eiser verwijst immers naar pagina 69 van het ambtsbericht, maar dit ziet op de internetvrijheid in Iran zelf, niet op het monitoren van Iraniërs in het buitenland. Verder volgt de rechtbank verweerders standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich politiek zou gaan uiten in Iran. Eiser is immers sinds 2018 niet meer politiek actief geweest, behoudens enkele berichten op sociale media. Daarnaast heeft eiser tijdens het aanvullend gehoor enkel verklaard dat zijn binnenste gaat protesteren als hij onrechtvaardigheid ziet en dat hij wellicht een opmerking zal maken als een vrouw wordt aangesproken op haar hijab. Met verweerder vindt de rechtbank dit niet getuigen van een sterke politieke overtuiging die voor eiser problemen kan veroorzaken in Iran. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:789
16-01-2026, Rb Haarlem, Eritrea, beroep gegrond [terugkeer na studie VAE; artikel 3 EVRM]
Reden signalering:
Eiser is na het afronden van zijn studie in de Verenigde Arabische Emiraten niet naar Eritrea teruggekeerd. Uit een aantal bronnen blijkt dat het niet (tijdig) terugkeren na een studie voor Eritreeërs ernstige gevolgen kan hebben. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
Eiser is in 2019 uit Eritrea vertrokken met een studentenvisum en heeft vervolgens vier jaar in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) gestudeerd. Voordat eiser aan zijn studie begon, heeft hij in Eritrea een overeenkomst getekend waarin hij heeft beloofd na zijn studie terug te keren naar Eritrea. Eiser heeft na het afronden van zijn studie in de VAE een visum gekregen om naar de Verenigde Staten te reizen voor het volgen van een andere studie. Bij de transfer op Schiphol bleek het visum niet geldig en heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Omdat eiser zich niet heeft gehouden aan de afspraken uit de getekende overeenkomst vreest eiser bij terugkeer voor ernstige gevolgen. Eiser vreest dat zijn diploma zal worden afgepakt, hij in detentie wordt gezet en de militaire dienst moet vervullen.
Verweerder heeft eisers studie in het buitenland geloofwaardig geacht, maar het niet geloofwaardig gevonden dat eiser een overeenkomst heeft moeten tekenen voor vertrek uit Eritrea. Eiser heeft geen origineel of kopie van de overeenkomst overgelegd en is er ook met zijn verklaringen niet in geslaagd om dit aannemelijk te maken. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea. Dat een legaal uitgereisde vreemdeling buiten Eritrea heeft verbleven is daarvoor onvoldoende. Verder duidt eisers asielrelaas erop dat hij goede banden heeft met het regime. Uit de omstandigheid dat eiser tweemaal terug is geweest toen hij in de VAE studeerde, blijkt niet dat eiser vreest voor het regime. Eiser heeft ook verder niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ongeloofwaardig is dat eiser een overeenkomst heeft getekend voor zijn vertrek uit Eritrea. Verweerder heeft in het bestreden besluit en in het verweerschrift van 28 oktober 2025 niet langer tegengeworpen dat eiser geen (kopie van de) overeenkomst kan overleggen. Ook wordt hem niet langer tegengeworpen dat hij summier heeft verklaard over de opmaak van het document, omdat verweerder eiser volgt in de stelling dat het vier jaar geleden is dat eiser deze documenten heeft gezien en hij het zich daarom niet duidelijk kan herinneren. Ter zitting is verweerder op dit laatste punt teruggekomen en werpt verweerder eiser tegen dat, nu hij heeft verklaard dat hij bij vertrek uit Eritrea al wist dat hij niet definitief zou terugkeren, van hem verlangd kan worden dat hij specifieker over de overeenkomst kan verklaren. De rechtbank vindt deze tegenwerping onvoldoende in het licht van de door eiser overgelegde verklaringen van de deskundigen Hirt en Treiber die juist bevestigen dat het plausibel en consistent is dat hij voor vertrek zo’n overeenkomst heeft moeten tekenen. Zo verklaart Hirt ‘It is highly plausible that he had to sign a declaration before departing to give emphasis to the authorities’ demands’. Treiber verklaart ‘I did not know that this practice has been taken up again, but it sounds consistent’. Dat in de landeninformatie die verweerder heeft geraadpleegd het bestaan van een dergelijke overeenkomst niet wordt genoemd, doet er niet aan af dat twee deskundigen dit wel kunnen bevestigen. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat aan de deskundigheid van Treiber en Hirt niet (langer) wordt getwijfeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de verwijzing naar deze verklaringen het bestaan van de overeenkomst aannemelijk gemaakt. Als verweerder daarover twijfels had, had het gelet op de samenwerkingsplicht op de weg van verweerder gelegen om bijvoorbeeld contact op te nemen met Treiber en Hirt. Ook de tegenstrijdigheid tussen eisers verklaring en die van zijn reisgenote over het aantal pagina’s van de overeenkomst, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het bestaan van de overeenkomst als ongeloofwaardig af te doen. Dat eiser stelt dat de overeenkomst uit één pagina bestond terwijl zijn reisgenote stelt dat het om twee of drie pagina’s ging, kan hem in redelijkheid niet worden tegengeworpen omdat het om een minimale afwijking gaat en ook gelet op het tijdsverloop sinds de ondertekening van de overeenkomst.
De tegenwerping dat uit landeninformatie blijkt dat het voor het verkrijgen van een uitreisvisum nodig is om een onderpand te bieden en eiser daarover niet heeft verklaard, acht de rechtbank overigens niet relevant voor de geloofwaardigheidsbeoordeling. De geciteerde informatie in het verweerschrift van 29 september 2025 heeft immers geen betrekking op het tekenen van een (studie)overeenkomst, maar gaat over het krijgen van een uitreisvisum. Daarbij komt dat verweerder het zelf geloofwaardig heeft gevonden dat eiser met een uitreisvisum naar de VAE is vertrokken.
De beroepsgrond slaagt.
Loopt eiser een reëel risico op ernstige schade omdat hij na zijn studie in de VAE niet naar Eritrea is teruggekeerd?
Over het verstrekken van uitreisvisa staat op pagina 20 van het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2023 het volgende:
"Verder zouden er inconsistent en willekeurig uitreisvisa worden verstrekt aan studenten, zakenmensen, sporters, mensen die ambtenaren die verantwoordelijk waren voor de afgifte van uitreisvisa omkochten, en personen met persoonlijke connecties. Uitreisvisa werden vooral verstrekt naar aanleiding van persoonlijke connecties"
De rechtbank stelt vast dat studenten en personen met persoonlijke connecties in bovenstaand citaat als afzonderlijke categorieën worden genoemd. Hieruit blijkt dus niet dat enkel studenten met persoonlijke connecties met het regime in het buitenland kunnen studeren. Dat in het ambtsbericht ook staat dat uitreisvisa vooral werden verstrekt op basis van persoonlijke connecties, betekent nog niet dat eiser als student per definitie die persoonlijke connecties nodig had. Eiser heeft onderbouwd dat hij goede studieresultaten had en gesteld dat hij op basis daarvan in de VAE mocht studeren. Ook met de andere in de verweerschriften aangehaalde bronnen is verweerder er niet in geslaagd te onderbouwen dat uitreizen als student alleen mogelijk is als de student of zijn familie goede banden heeft met het regime. Op de door verweerder aangehaalde pagina 44 van het EUAA Country of Origin Information Report uit september 2019, staat dat als iemand aan de visumvoorwaarden voldoet alsnog een visum kan worden geweigerd. Ook uit deze verwijzing volgt niet dat er altijd persoonlijke connecties nodig zijn om een uitreisvisum te verkrijgen. Het feit dat eiser tijdens zijn studie heeft terug kunnen reizen naar Eritrea en weer heeft kunnen vertrekken, duidt ook niet zonder meer op goede banden met de Eritrese autoriteiten. Eiser heeft immers verklaard dat het in- en uitreizen gekoppeld was aan de duur van zijn studievisum voor de VAE. Uit landeninformatie blijkt niet dat dit niet mogelijk is.
De verwijzing door verweerder naar het Algemeen Ambtsbericht 2023 en de nadere toelichting daarop van 30 april 2025, vindt de rechtbank ook onvoldoende voor het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit die informatie volgt dat terugkeer naar Eritrea na het verlopen van een uitreisvisum geen belangrijke reden voor vervolging is. Als sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, kan een niet tijdige terugkeer echter wel aangemerkt worden als illegaal verblijf in het buitenland. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. In het geval van eiser is immers niet alleen sprake van een verlopen uitreisvisum, maar ook van het niet terugkeren na het voltooien van een studie in het buiteland. Eiser heeft het gestelde risico bij terugkeer voldoende aannemelijk gemaakt door te verwijzen naar de verklaringen van de deskundigen Hirt en Treiber. Zij wijzen op ernstige risico’s bij terugkeer.
De rechtbank acht het hierbij ook aannemelijk dat de Eritrese autoriteiten, bekend waren met eisers studie in de VAE en de einddatum daarvan. Het volgen van een studie in het buitenland voor Eritrese onderdanen is immers alleen mogelijk met instemming van de Eritrese autoriteiten. Verweerder heeft in het bestreden besluit en in de verweerschriften onvoldoende betrokken dat het risico bij terugkeer voor eiser juist is gebaseerd op het niet tijdig terugkeren na het afronden van de studie, ongeacht of er een overeenkomst is getekend of een uitreisvisum is verlopen. Het standpunt dat eiser, gelet op zijn persoonlijke connecties met het Eritrese regime - wat daar ook van zij -, zonder problemen zou kunnen terugkeren volgt de rechtbank niet. Daarbij acht de rechtbank van belang dat zowel Treiber en Hirt aangeven dat het niet tijdig terugkeren na afronden van een studie wordt gezien als verraad of een ernstige vertrouwensbreuk. Daargelaten of verweerder voldoende heeft onderbouwd dat deze persoonlijke connecties bestaan, heeft verweerder geen afdoende reactie gegeven op de vraag of bovenstaande landeninformatie op zichzelf, dus ongeacht of eiser banden met het Eritrese regime heeft, maakt dat eiser bij terugkeer een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
Verweerder heeft de aanvraag gelet op het voorgaande ten onrechte als ongegrond afgewezen. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:987
20-01-2026, Rb Arnhem, Somalië, beroep gegrond [Al-Shabaab; binnenlands vestigingsalternatief]
Reden signalering:
De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de problemen van eiser met Al-Shabaab slechts deels geloofwaardig zijn. Nu de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet geloofwaardig is dat eiser op een dodenlijst staat en omdat dit argument dragend is voor het standpunt dat aan eiser Mogadishu als binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen, heeft de minister dat standpunt ook onvoldoende gemotiveerd.
De oudste zoon van eiser en eiser zelf zijn benaderd door Al-Shabaab om zich bij hen aan te sluiten. Zij wilden dit niet en eiser heeft voor zijn zoon een schuilplek geregeld zodat hij niet zou worden meegenomen. Vervolgens is Al-Shabaab teruggekomen en hebben zij eiser mishandeld, omdat de zoon van eiser niet aanwezig was. Al-Shabaab heeft eiser daarna enkele dagen vastgehouden, waarna hij is bevrijd. Daarna heeft eiser besloten Somalië te verlaten. Bij terugkeer vreest eiser dat hij gedood zal worden door Al-Shabaab, omdat hij op de dodenlijst van Al-Shabaab staat.
De problemen met Al-Shabaab acht de minister deels geloofwaardig. De minister acht daarbij geloofwaardig dat eiser door Al-Shabaab is benaderd, maar niet geloofwaardig dat hij op een dodenlijst staat. De minister concludeert dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling en, ondanks dat het tweede asielmotief deels geloofwaardig is, ook geen reëel risico op ernstigeschade loopt. Er is volgens de minister namelijk sprake van een binnenlands beschermingsalternatief.
Mocht de minister de problemen van eiser met Al-Shabaab deels ongeloofwaardig achten?
Eiser betoogt dat de minister de problemen met Al-Shabaab volledig geloofwaardig had moeten achten. Hij heeft namelijk zelf verklaard dat hij op een dodenlijst staat.
Tijdens de zitting is gebleken dat de minister in het kader van het tweede asielmotief geloofwaardig acht dat eiser eerder problemen heeft gehad met Al-Shabaab en dat zij hem hebben benaderd. De minister acht echter niet geloofwaardig dat eiser op een dodenlijst staat, omdat dit enkel een vermoeden is en eiser dit gebaseerd heeft op vage en indirecte informatie.
Deze beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom niet geloofwaardig is dat eiser op de dodenlijst staat. Volgens de minister heeft eiser enkel een vermoeden dat hij op de dodenlijst staat, en is dit vermoeden enkel gebaseerd op vage en indirecte informatie. Eiser zou van zijn neef, die het van een stamhoofd heeft gehoord, vernomen hebben dat eiser op de dodenlijst staat. De minister stelt daarbij echter ten onrechte dat eiser geen meer concrete informatie naar voren heeft gebracht. Eiser heeft namelijk in het nader gehoor verklaard dat hij ook zelf van Al-Shabaab heeft gehoord dat hij op de dodenlijst staat, toen hij door hen werd vastgehouden. Op deze verklaring is de minister niet ingegaan in de besluitvorming en ook tijdens de zitting heeft de minister hierover geen standpunt ingenomen. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd.
Mocht de minister aan eiser Mogadishu als binnenlands beschermingsalternatief tegenwerpen?
De minister stelt zich op het standpunt dat aan eiser een binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen. Eiser loopt namelijk geen risico op ernstige schade. Dat eiser onder bijzondere aandacht van Al-Shabaab staat vanwege zijn baan, volgt de minister namelijk niet omdat eiser dit niet nader heeft toegelicht. Daarbij komt dat niet geloofwaardig is geacht dat eiser op de dodenlijst zou staan. Daarnaast behoort eiser tot een meerderheidsclan, wat ook als vereiste mag worden meegenomen voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief. Verder mag van eiser wel verwacht worden dat hij zich in Mogadishu vestigt omdat hij daar een aantal maanden heeft verbleven, daar een achterneef heeft en volgens de minister niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer weer enkel ondergedoken zou moeten leven in Mogadishu. Omdat niet wordt gevolgd dat eiser op de dodenlijst staat, is het niet aannemelijk dat Al-Shabaab naar hem op zoek is. Daarmee is, volgens de minister, voldaan aan de voorwaarden van paragraaf C2/3.4 en C7/30.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
De beroepsgrond slaagt. Hierbij wijst de rechtbank er allereerst op dat het standpunt van de minister dat eiser niet op de dodenlijst staat, een dragend argument is voor het standpunt van de minister dat aan eiser een binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen omdat hij geen risico op ernstige schade loopt in Mogadishu. De minister heeft namelijk gesteld dat eiser niet onder de verhoogde aandacht van Al-Shabaab staat omdat niet geloofwaardig is dat hij op de dodenlijst staat. Gelet op dat wat in het voorgaande is geoordeeld, inhoudende dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet op de dodenlijst zou staan, moet de minister ook opnieuw motiveren dat eiser geen risico op ernstige schade loopt in Mogadishu.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat van eiser verwacht kan worden dat hij zich opnieuw kan vestigen in Mogadishu. In paragraaf C7/30.5.2. van de Vc 2000 staat namelijk dat bij een binnenlands beschermingsalternatief betrokken moet worden of grootfamilie aanwezig is. Eiser heeft verklaard dat een verre achterneef van hem in Mogadishu is, maar naar het oordeel van de rechtbank valt een verre achterneef niet onder ‘grootfamilie.’ Met grootfamilie wordt namelijk gedoeld op gezinsleden, en andere naaste familie, zoals bijvoorbeeld opa’s, oma’s, tantes en ooms. Het standpunt van de minister dat hiermee bedoeld wordt dat er iemand aanwezig moet zijn die aan eiser hulp kan bieden en dat de verre achterneef daarom onder ‘grootfamilie’ valt, volgt de rechtbank niet. Dit volgt namelijk niet uit het beleid. Los daarvan heeft de minister ook niet nader onderzocht of deze verre achterneef daadwerkelijk hulp heeft geboden aan eiser en bij terugkeer hulp kan bieden.
Conclusie en gevolgen
Gelet op voorgaande heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom niet geloofwaardig is dat eiser op een dodenlijst staat en omdat dit argument dragend is voor het standpunt dat aan eiser Mogadishu als binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen, heeft de minister dat standpunt ook onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat het beroep van eiser gegrond is.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:993
14-01-2026, ABRvS, hoger beroep vreemdeling ongegrond [COA; eigen bijdrage; dwangsom]
Reden signalering:
Deze uitspraak gaat over de vraag of het COa op grond van de Rva 2005 en de Reba 2008 voor vreemdelingen een eigen bijdrage mag vaststellen in de kosten van opvang wegens het hebben van vermogen boven de vermogensgrens, als deze vreemdelingen alleen over dit vermogen beschikken omdat de IND aan hen een dwangsom heeft betaald. De Afdeling is van oordeel dat het COa deze eigen bijdrage ook dan mag vaststellen.
Het besluit
Het COa krijgt op basis van het ‘Convenant ten behoeve van het uitvoeren van art. 20 Rva 2005 en de Reba 2008 door het COa’ van de IND informatie over dwangsommen die de IND heeft uitbetaald aan vreemdelingen. Uit de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:139, onder 5.2 tot en met 5.2.2, volgt dat de IND en het COa deze gegevens mogen verwerken. Aan de hand van deze informatie onderzoekt het COa of een vreemdeling vermogen boven de vermogensgrens heeft. Als dat zo is, maakt het COa een berekening en stelt het daarna bij besluit een bedrag vast dat volgens het COa betaald moet worden als eigen bijdrage in de kosten van de opvang. Het COa past bij deze berekening een zogenoemde interingsnorm toe van 1,5 die doorgaans ook bij bijstandsgerechtigden wordt toegepast. Volgens het COa is de gedachte daarachter dat een vreemdeling zuinig met het verkregen eigen vermogen moet omgaan en niet snel weer op verstrekkingen moet zijn aangewezen.
Bij het besluit van 31 mei 2022 heeft het COa de hoogte van de eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang vastgesteld op € 5.663,33, omdat zij volgens het COa een vermogen groter dan de vermogensgrens heeft nadat de IND € 15.000,00 aan dwangsommen aan haar heeft uitbetaald. Bij het besluit heeft het COa een berekening meegestuurd. Die berekening vermeldt dat op 31 januari 2022 het vermogen van appellant is vastgesteld op € 15.000,00 en het vrijgesteld vermogen op € 6.505,00, zodat een bedrag van € 8.495,00 overblijft. De kosten van de verstrekkingen bedragen in totaal € 475,95 per maand, waarvan € 259,45 aan weekgelden en € 216,50 aan woonlasten. Het bedrag van € 8.495,00 heeft het COa gedeeld door € 713,93 (het totaalbedrag van de verstrekkingen vermenigvuldigd met de factor 1,5 van de interingsnorm). De uitkomst daarvan geeft het aantal maanden waarvoor appellant met inachtneming van de interingsnorm de kosten van de opvang kan dragen, totdat haar eigen vermogen is teruggelopen tot het vrijgestelde bedrag van € 6.505,00, in dit geval afgerond 11,90 maanden. Dat aantal maanden heeft het COa vervolgens vermenigvuldigd met het maandelijkse totaalbedrag van de verstrekkingen van € 475,95. De uitkomst daarvan is € 5.663,33, het bedrag dat appellant volgens het COa aan eigen bijdrage in de kosten van de opvang moet betalen.
Ontvankelijkheid van het beroep
Appellant heeft tegen het besluit rechtstreeks beroep ingesteld. Zij heeft daarmee gevolg gegeven aan de rechtsmiddelenclausule onder dat besluit, die vermeldt dat tegen het besluit beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank. In het kader van de door haar ambtshalve uit te voeren beoordelingen, ziet de Afdeling zich geconfronteerd met de vraag of tegen een besluit waarin het COa een eigen bijdrage vaststelt in de kosten van de opvang inderdaad rechtstreeks beroep openstaat en de rechtbank dus terecht dat beroep ontvankelijk heeft verklaard.
Het COa heeft op de zitting toegelicht dat het de verstrekkingen niet beëindigt wanneer iemand vermogen heeft boven de vermogensgrens, maar in plaats daarvan een eigen bijdrage in de kosten van de opvang verlangt. Het COa heeft de verstrekkingen van appellant dus niet beëindigd, nadat zij vermogen boven de vermogensgrens had verkregen. De Afdeling is daarom van oordeel dat het vaststellen van een eigen bijdrage in de kosten van de opvang niet gelijk staat aan het, al dan niet gedeeltelijk, onthouden of beëindigen van de verstrekkingen. Dat betekent dat tegen een besluit over de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage in de kosten van de opvang bezwaar openstaat. De rechtbank had daarom het door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren, het beroepschrift moeten aanmerken als een bezwaarschrift en dat op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb, ter behandeling moeten doorsturen naar het COa.
Dat de procedurele gang van zaken niet in lijn is met artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb, leidt in dit geval niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:302, onder 3.2, heeft overwogen, kan alleen de indiener van het bezwaarschrift het bestuursorgaan verzoeken om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Dat heeft appellant weliswaar niet gedaan, maar partijen zijn tijdens de zitting bij de Afdeling alsnog akkoord gegaan met het overslaan van de bezwaarprocedure. De Afdeling vindt daarbij ook van belang dat appellant zelf niet heeft geklaagd over het feit dat de bezwaarprocedure is overgeslagen. Dat in aanmerking genomen, en gelet op het belang dat appellant heeft bij het verkrijgen van uitsluitsel over de uitkomst van haar procedure, welk belang niet is gediend bij een herstart in de bezwaarfase, zal de Afdeling zich inhoudelijk buigen over het hogerberoepschrift.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het COa deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de berekening die volgt uit de Reba 2008 verschilt van die van de Participatiewet, ondanks dat de berekening op hetzelfde rekenmodel is gebaseerd. Volgens de rechtbank is het besluit daarom niet in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Ook is de rechtbank van oordeel dat het COa zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een dwangsom een prikkel tot besluitvorming is en geen immateriële schadevergoeding en dat zij appellant niet volgt in haar betoog dat de uitgekeerde dwangsom buiten beschouwing zou moeten blijven bij het bepalen van haar vermogen.
Hoger beroep
Het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel
Appellant richt haar eerste grief tegen het oordeel van de rechtbank dat het COa deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de berekening die volgt uit de Reba 2008 verschilt van die van de Participatiewet, ondanks dat de berekening op hetzelfde rekenmodel is gebaseerd, en dat het besluit niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Appellant betoogt dat voor de aansluiting bij het rekenmodel dat is gebaseerd op de interingsnorm uit de Participatiewet geen wettelijke grondslag bestaat en dat deze berekening in vergelijking voor vreemdelingen onevenredig zwaar is. Zo krijgt een bijstandsgerechtigde, in tegenstelling tot een vreemdeling die opvang geniet, ook huurtoeslag en wordt huurtoeslag pas teruggevorderd bij een aanzienlijk hoger eigen vermogen voor een alleenstaande. Volgens haar is toepassing van deze regels niet evenwichtig. Zij wijst erop dat de IND ruimschoots na de genoemde termijn in artikel 31 van de Procedurerichtlijn van 21 maanden een besluit heeft genomen op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dat zij psychische klachten heeft en al die tijd in de beperkte omgeving van de opvang heeft verbleven. Volgens appellant heeft de rechtbank niet onderkend dat het COa niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe het besluit zich in dit geval verhoudt tot het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
Interingsnorm
Het betoog van appellant slaagt niet. Uit artikel 17, vierde lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat lidstaten, als verzoekers over voldoende middelen beschikken, een bijdrage mogen verlangen voor het totaal of een deel van de kosten van de door de Opvangrichtlijn geboden materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat lidstaten verzoekers, bij het verstrekken van materiële opvangvoorzieningen in de vorm van uitkeringen, minder gunstig kunnen behandelen dan eigen onderdanen. Dit geldt met name als de materiële steun gedeeltelijk in natura wordt verstrekt of als die niveaus, die gelden voor onderdanen, een hogere levensstandaard beogen dan die welke deze richtlijn voor verzoekers voorschrijft. Hieruit volgt dat vreemdelingen de verstrekkingen die zij op basis van de Rva 2005 krijgen niet een op een kunnen vergelijken met aanspraken die rechthebbenden ontvangen op grond van de Participatiewet. Het brengt dus ook niet mee dat vreemdelingen alleen al daarom een groter deel van hun vermogen zouden mogen behouden.
In de Opvangrichtlijn is verder niet geregeld hoe de lidstaten gebruik kunnen maken van deze bevoegdheid, zodat de verdere invulling hiervan aan de lidstaten is. De regelgever heeft deze bevoegdheid geïmplementeerd in artikel 20 van de Rva 2005. Uit de toelichting op artikel 20 van de Rva 2005 (Stb. 2005, 24, p. 16) volgt dat de druk die de kosten van opvang legt op de collectieve middelen rechtvaardigt dat alleen opvang wordt geboden als en voor zover vreemdelingen niet in het eigen bestaan kunnen voorzien. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt ook dat het COa vrij is om zelf invulling te geven aan zijn bevoegdheid om een vergoeding voor de kosten van opvang te vragen aan een vreemdeling die over voldoende middelen beschikt. Niet valt in te zien waarom het COa niet een interingsnorm van 1,5 zou mogen toepassen. Te meer, omdat toepassing van een interingsnorm van 1,5 voor appellant voordeliger uitpakt dan wanneer het COa geen interingsnorm zou toepassen. Appellant hoeft daardoor namelijk niet haar gehele vermogen boven de vermogensgrens af te staan, maar mag een deel van het vermogen houden en aanwenden voor eigen gebruik. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het besluit niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, omdat het COa een interingsnorm gebruikt bij de berekening. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:140, onder 6.2.1 tot en met 6.2.3.
Evenwichtigheid
Appellant heeft verder in haar grief gewezen op een aantal omstandigheden, die volgens haar maken dat het verlangen van een eigen bijdrage in haar geval niet evenwichtig is. De Afdeling beoordeelt of die omstandigheden maken dat de gevolgen van de vaststelling van de eigen bijdrage niet evenwichtig zijn in verhouding tot het doel van het COa om alleen kosteloze opvang te bieden aan vreemdelingen die niet in hun eigen bestaan kunnen voorzien.
De Afdeling vindt dat dit niet het geval is. Daarvoor vindt zij allereerst van belang dat het COa feitelijk kosten heeft gemaakt voor de daadwerkelijke opvang van appellant en het uitgangspunt is dat het COa alleen geen eigen bijdrage verlangt indien vreemdelingen niet beschikken over voldoende middelen om zelf in de noodzakelijke kosten van hun bestaan te voorzien. Het uitgangspunt is dus dat het COa voor deze gemaakte kosten een eigen bijdrage vaststelt bij een vermogen boven de vermogensgrens. Het hanteren van die vermogensgrens maakt dat appellant een aanzienlijk deel van de ontvangen dwangsom kan aanwenden voor eigen gebruik, zonder enige verplichting richting het COa. Het hanteren van de interingsnorm over het vermogen boven de vermogensgrens geeft appellant daartoe nog meer ruimte. Appellant kan de ontvangen dwangsom dus al deels naar eigen inzicht aanwenden voor andere uitgaven.
De omstandigheid dat de IND ruimschoots na de genoemde termijn in artikel 31 van de Procedurerichtlijn van 21 maanden een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van appellant en zij door die langdurige besluitvorming vermogen heeft verkregen als gevolg van een uitbetaalde dwangsom, maakt niet dat het verlangen van een eigen bijdrage op grond van dat vermogen niet evenwichtig is. Van belang is dat appellant vermogen als bedoeld in artikel 7 van de Reba 2008 had, niet van wie of waarom zij dat heeft verkregen. Dat de IND net als het COa betrokken is bij de vreemdelingenketen, betekent niet dat een fout van de IND eerder in deze keten, zoals hier het niet tijdig nemen van een besluit, later in die keten meebrengt dat het daardoor verkregen vermogen niet vatbaar is voor het in rekening brengen van een eigen bijdrage in de kosten die het COa voor opvang maakt en daarom het verlangen van een eigen bijdrage niet evenwichtig is.
De omstandigheden dat appellant al die tijd in de opvang heeft verbleven en de door haar gestelde psychische klachten maken ook niet dat het besluit niet evenwichtig is. Hoewel de Afdeling begrijpt dat het lange verblijf in de opvang, waarbij, zoals zij tijdens de zitting heeft toegelicht, zij zich onveilig heeft gevoeld, veel van haar heeft gevergd, maakt dat nog niet dat het COa van appellant geen eigen bijdrage in de kosten van de opvang mag verlangen. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat zij psychische klachten heeft door, zoals appellant tijdens de zitting heeft toegelicht, wat zij heeft meegemaakt in haar land van herkomst en de in het rapport van VluchtelingenWerk Nederland aangehaalde slechte opvangomstandigheden. Deze omstandigheden zijn geen gevolgen van het besluit tot vaststelling van de eigen bijdrage in de kosten van de opvang.
Het voorgaande in aanmerking genomen en de aangevoerde omstandigheden ook in samenhang bezien, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het besluit niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
De grief slaagt niet.
Immateriële schadevergoeding
Appellant richt grieven twee en drie tegen het oordeel van de rechtbank dat een dwangsom een prikkel tot besluitvorming is en geen immateriële schadevergoeding. Appellant betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3027, onder 3, dat een dwangsom óók een financiële compensatie is. Ook betoogt zij dat uitbetaalde dwangsommen niet onder het vermogen moeten vallen bij de berekening van een eigen bijdrage in de kosten van de opvang, omdat anders te zeer afbreuk wordt gedaan aan de financiële prikkel die van de dwangsom uitgaat. Volgens haar valt zowel de IND als het COa immers onder het Ministerie van Justitie en Veiligheid en vloeit door de eigen bijdrage in de kosten van de opvang een deel van de dwangsom dus terug naar het Ministerie dat die dwangsom eerder heeft moeten betalen.
Het betoog van appellant slaagt niet. De dwangsom is een financiële prikkel voor het bestuursorgaan om te komen tot snellere besluitvorming. De dwangsom is dus niet bedoeld als een sanctie voor de minister voor het overschrijden van de beslistermijn en ook niet als vorm van genoegdoening voor degene die te lang op een besluit wacht. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301, onder 19.13. Een toegekende dwangsom staat ook niet in de weg aan een verzoek om vergoeding voor geleden materiële en/of immateriële schade als gevolg van trage besluitvorming door het bestuursorgaan. Dat uit de woorden ‘financiële compensatie’ in de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2020 afgeleid moet worden dat het om een immateriële schadevergoeding gaat, volgt de Afdeling daarom niet. Dat heeft de rechtbank terecht overwogen. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat het COa en de IND een eigen financiering hebben. Alleen al daarom slaagt het betoog niet dat te zeer afbreuk wordt gedaan aan de financiële prikkel die van de dwangsom uitgaat, doordat deze uiteindelijk terugvloeit naar het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De grief slaagt niet.
Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gehele uitspraak: Uitspraak 202300124/1/V1 - Raad van State
NB: op 14 januari 2026 heeft de Afdeling in nog drie andere, vergelijkbare zaken uitspraak gedaan: