Ga naar de inhoud
Direct naar
  • Mijn Wrb
  • Mijn RvR
  • Kenniswijzer
  • Contact
  • Nieuws
  • English
  • Best Practices Leidraad voor asieladvocaten
Raad voor Rechtsbijstand (naar homepage)
Zoeken
  • Voor advocaten
    • Algemene inschrijving bij de Raad
    • Ingeschreven en dan?
    • Over toevoegingen
    • Declaratie indienen
    • Nieuws
    • Formulieren voor advocaten
    • Direct regelen
    • Subsidieregeling beroepsopleiding sociaal advocaten
  • Voor mediators
    • Algemene inschrijving bij de Raad
    • Ingeschreven en dan?
    • Over toevoegingen
    • Declaratie indienen
    • Nieuws voor mediators
    • Formulieren voor mediators
    • Mijn Wrb voor mediators
  • Voor burgers
  • Kenniswijzer
    • Wijzigingen werkinstructies
    • Meer over de Kenniswijzer
    • Werkinstructies extra uren
    • Werkinstructies mediation
    • Werkinstructies toevoegen
    • Werkinstructies vaststellen
    • Wet- en regelgeving
    • Zoeken op Kenniswijzer
    • Zoeken op Kenniswijzer jurisprudentie
    • Inkomensnormen
  • Matching
    • Antwoorden op veelgestelde vragen
  • Mijn Wrb
  • Mijn RvR
  • Kenniswijzer
  • Contact
  • Nieuws
  • English
  • Best Practices Leidraad voor asieladvocaten
  1. Home ›
  2. Voor advocaten ›
  3. Ingeschreven en dan? ›
  4. Legal Aid (Asiel) ›
  5. AC-signalering: berichten AC praktijk en jurisprudentie ›
  6. Jurisprudentie

Jurisprudentie


Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:

17-03-2026, Rb Arnhem, Libanon, beroep ongegrond [medisch advies en onderzoek; Palestijn; artikel 1(D) Vluchtelingenverdrag]

Reden signalering:

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ontvankelijk zijn en de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. De minister mocht uitgaan van de medisch adviezen van MediFirst en had eisers niet uit zichzelf een forensisch medisch onderzoek moeten aanbieden. Verder vindt de minister de gestelde mishandeling en de bedreigingen niet ten onrechte ongeloofwaardig. Op basis van het deel van het asielrelaas dat wél geloofwaardig is geacht, mocht de minister zich op het standpunt stellen dat eisers van vluchtelingschap zijn uitgesloten omdat zij bescherming hebben genoten van de UNRWA en overwegen dat eisers bij terugkeer naar Libanon geen reëel risico op ernstige schade lopen.

Eisers zijn twee Palestijnse broers en afkomstig uit Tripoli, Libanon. Zij leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eisers hebben gezamenlijk en afzonderlijk te maken gehad met verschillende bedreigingen, mishandelingen en beschietingen vanuit organisaties als Hezbollah, [naam organisatie] en de [naam partij] tussen 2011 en 2021, waaronder een beschieting bij hun huis in 2011, een mishandeling na een apotheekbezoek in 2018 en een beschieting op het strand in 2021.

De minister komt bij de beoordeling van de zwaarwegendheid van de deels geloofwaardig geachte asielmotieven tot de conclusie dat eisers bescherming hebben genoten van de UNRWA, waardoor zij van vluchtelingschap zijn uitgesloten. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eisers bij terugkeer naar Libanon ook geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM lopen.

Zijn de beroepen ontvankelijk?

De rechtbank ziet in wat eisers aanvoeren geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het de verantwoordelijkheid van hun gemachtigde is om ervoor te zorgen dat termijnen worden bewaakt en dus (ook) dat beroepsgronden op tijd worden ingediend. Als een combinatie van omstandigheden op het kantoor van de gemachtigde ertoe leidt dat termijnen worden overschreden, dan komt dat voor rekening en risico van de gemachtigde en daarmee van eisers. De rechtbank ziet daarbij niet in waarom er op het kantoor van gemachtigde sprake is geweest van overmacht. De door de gemachtigde gestelde omstandigheden leiden hier in ieder geval niet toe. De rechtbank ziet verder geen reden om toepassing te geven aan de Bahaddar-exceptie. Op basis van de bestreden besluiten en wat eisers daartegen hebben aangevoerd, valt niet te zeggen dat de bestreden besluit evident onjuist zijn. De rechtbank laat een niet-ontvankelijkverklaring desondanks achterwege. Daarvoor is maatgevend dat de minister in deze zaak niet is benadeeld door het te laat indienen van de beroepsgronden. Hij is immers nog ruimschoots in de gelegenheid geweest om op het beroep te reageren met een verweerschrift. Verder zijn er in deze zaak geen andere partijen dan eisers en de minister. Bovendien hebben eisers een zwaarwegend belang bij een inhoudelijke beoordeling van hun zaak, omdat het hier gaat om hun asielaanvragen en (onder meer) om een gesteld risico op schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer naar hun land van herkomst. Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank dat het handelen van hun gemachtigde niet in het nadeel van eisers mag werken en ziet de rechtbank af van het niet-ontvankelijk verklaren van de beroepen. De rechtbank zal de beroepen dan ook inhoudelijk beoordelen.

Mocht de minister uitgaan van de medisch adviezen van MediFirst?

Het betoog van eisers dat de minister niet mocht uitgaan van de medisch adviezen van MediFirst, slaagt niet. MediFirst heeft in deze adviezen vastgesteld dat voor beide eisers geen (medische) beperkingen voor het horen en beslissen bestaan. Eisers wijzen er weliswaar op dat eiser 2 duidelijk zichtbaar schedelletsel heeft en dat zulk letsel kan leiden tot verschillende medische klachten (zoals geheugenverlies), maar hebben niet met stukken (van een specialist, zoals een behandelend arts) onderbouwd dat deze klachten zich ook daadwerkelijk bij eiser 2 voordoen en door MediFirst zijn gemist. De minister mocht daarom uitgaan van de adviezen van MediFirst.

Had de minister eisers een FMO moeten aanbieden?

Eisers betogen dat de minister in de littekens en andere symptomen van eiser 2 aanleiding had moeten zien om hen een FMO aan te bieden. Dit medisch onderzoek is volgens eisers van essentieel belang, omdat eiser 2 ernstig letsel heeft opgelopen en dit mogelijk de oorzaak kan zijn voor de tegenstrijdigheden in zijn asielrelaas en het asielrelaas van eiser 1, en welke aan hen zijn tegengeworpen. Ook betogen eisers dat de minister, voor zover hij niet gehouden was om een FMO op te starten, hen had moeten wijzen op de mogelijkheid om op eigen kosten een FMO aan te vragen.

Het eerste betoog slaagt niet. De minister had eisers niet uit zichzelf een FMO moeten aanbieden. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat hij in de verklaringen van eisers, in combinatie met de medisch adviezen van 5 juli 2022, geen aanleiding zag voor een FMO. De rechtbank kan die redenering van de minister volgen. Dat het FMO had kunnen uitwijzen dat het ernstig letsel van eiser 2 de oorzaak is voor de tegengeworpen tegenstrijdigheden, volgt de rechtbank niet. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit het medisch advies over eiser 2 van 5 juli 2022 dat er geen beperkingen waren voor het horen en beslissen en mocht de minister van dat advies uitgaan. Waarom de minister dan desondanks in het letsel van eiser 2 aanleiding had moeten zien voor een FMO, valt niet in te zien. De rechtbank volgt eisers ook niet in hun betoog dat de minister hen had moeten wijzen op de mogelijkheid om zelf en op eigen kosten een FMO op te laten starten. Nog afgezien van het feit dat eisers tijdens hun gehele asielprocedure door een professionele gemachtigde zijn bijgestaan, hebben eisers niet eerder dan in beroep aan de minister verzocht om een FMO op te starten. Daarom valt niet in te zien waarom de minister eisers al in het bestreden besluit had moeten wijzen op de mogelijkheid om een dergelijk FMO zelf op te starten.

Wat is de waarde van het door eisers zelf uitgevoerde FMO voor de beoordeling van de beroepsgronden over de geloofwaardigheid van de asielrelazen?

Eisers hebben uiteindelijk zelf een FMO laten uitvoeren. Dit FMO had betrekking op eiser 2. Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of de minister het asielrelaas van eisers deels ongeloofwaardig mocht vinden, beantwoordt zij eerst de vraag wat de waarde is van het FMO dat eisers zelf hebben laten uitvoeren. De minister heeft aan het FMO-rapport terecht niet de waarde gehecht die eisers daaraan gehecht wensen te zien.

In de eerste plaats had de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling niet moeten herzien op basis van de beantwoording van de A-vraag. Het enkele feit dat het FMO-rapport een totaaloordeel geeft over de medische klachten van eiser 2 en het verband tussen een litteken en een geloofwaardig geacht incident in voldoende mate verduidelijkt, maakt nog niet dat ook de ongeloofwaardig geachte asielelementen om die reden geloofwaardig moeten worden geacht. Het gaat, zoals de minister terecht stelt, namelijk om de vraag of eisers déze incidenten met het FMO-rapport óók (alsnog) concreet geloofwaardig hebben gemaakt. Dat is bijvoorbeeld het geval als uit het FMO-rapport zou blijken dat bepaalde littekens van eiser 2 door deze incidenten zijn veroorzaakt. De minister stelt zich echter terecht op het standpunt dat dit uit het FMO-rapport onvoldoende blijkt. Gelet op het feit dat het iMMO, anders dan eisers hebben gesteld, zelf al enige voorzichtigheid met betrekking tot de getrokken conclusies heeft ingeruimd, in die zin dat het iMMO zelf al beschrijft dat de littekens ook op alternatieve wijze kunnen zijn ontstaan, ziet de rechtbank ook geen reden voor het oordeel dat de minister zijn standpunt had moeten voorzien van een onderbouwend deskundigenonderzoek.

Mocht de minister overwegen dat eisers van vluchtelingschap zijn uitgesloten?

Eisers betogen dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat zij van de vluchtelingenstatus zijn uitgesloten, omdat zij bescherming van de UNRWA hebben genoten.

Toetsingskader

In artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag is bepaald dat het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is op vreemdelingen die bescherming genieten van de UNRWA. Dat is het geval als de betrokken vreemdeling direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van zijn asielaanvraag daadwerkelijk bijstand van de UNRWA heeft ontvangen. In dat geval is de vreemdeling ‘uitgesloten’ van de vluchtelingenstatus. Dit wordt ook de ‘uitsluitingsgrond’ genoemd. Hierop bestaat echter een uitzondering. Die uitzondering is aan de orde als de bescherming van de UNRWA om redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van de vreemdeling is opgehouden. De vreemdeling valt in dat geval wél onder de reikwijdte van het Vluchtelingenverdrag en is dus in zoverre (alsnog) ingesloten. Daarom wordt dit de ‘insluitingsgrond’ genoemd.

Nederlandse interpretatie van de Kwalificatierichtlijn

Eisers betogen allereerst dat de Nederlandse interpretatie van de Kwalificatierichtlijn geen recht doet aan de speciale positie van Palestijnse vluchtelingen. Eisers wijzen erop dat Palestijnse vluchtelingen worden uitgesloten van vluchtelingschap als zij bescherming hebben ontvangen van de UNRWA (uitsluiting). Dat is alleen anders als deze bescherming buiten hun wil is opgehouden of zij het beschermingsgebied onvrijwillig hebben verlaten (insluiting). In de Nederlandse interpretatie komt de vraag of sprake is van insluiting pas aan de orde als er sprake is (geweest) van uitsluiting. Voor Palestijnen die onder het mandaat van de UNRWA vallen, wordt niet getoetst of zij deze bescherming op enig moment hebben kunnen inroepen. Bij Palestijnen die nooit in het beschermingsgebied van de UNRWA hebben verbleven of die al lang geleden uit dit gebied zijn vertrokken, wordt dus nooit getoetst of er sprake is van insluiting.

Dit betoog treft geen doel. Partijen zijn het erover eens dat eisers bescherming hebben ontvangen van de UNRWA en zij daarom (in beginsel) van vluchtelingschap zijn uitgesloten. Een toets of eisers op enig moment bescherming van de UNRWA hebben kunnen inroepen, is dus in het geval van eisers niet nodig. Gelet daarop heeft de minister ook getoetst of er in het geval van eisers sprake is van insluiting. De vraag of de Nederlandse interpretatie van de Kwalificatierichtlijn juist is, kan daarom in het midden blijven.

Eisers hebben het UNRWA-gebied vrijwillig verlaten (de insluitingsgrond)

Eisers betogen dat zij op enig moment bescherming van de UNRWA hebben genoten, maar dat zij het UNRWA-gebied onvrijwillig hebben verlaten en om die reden in aanmerking komen voor een vluchtelingenstatus. Van het onvrijwillig verlaten van het UNRWA-gebied is volgens eisers sprake als daar een persoonlijke situatie van ernstige onveiligheid is waartegen de UNRWA hen niet kan beschermen. Eisers hebben te maken gehad met verschillende incidenten in 2010 en 2011, die door de minister geloofwaardig zijn geacht en die zijn te kwalificeren als strijdig met artikel 3 van het EVRM. De milities die achter deze incidenten zitten, oefenen invloed uit in de kampen in het beschermingsgebied van de UNRWA. Eisers hebben ook leden van deze milities in dat gebied gezien. Het wisselen van verblijfplaats, wat eisers meermaals hebben gedaan, is daarom geen oplossing. Daarmee is de situatie van eisers vergelijkbaar met de situatie van de vreemdelingen in het arrest Alheto en moet worden aangenomen dat er in het UNRWA-gebied voor eisers een persoonlijke situatie van ernstige onveiligheid heerst. De minister werpt eisers verder ten onrechte tegen dat zij het UNRWA-gebied hebben verlaten om redenen die niet te maken hebben met het mandaat van de UNRWA. De vraag of het vertrek (on)vrijwillig was, moet zelfstandig worden beoordeeld en dus los worden gezien van het mandaat van de UNRWA.

Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eisers het UNRWA-gebied vrijwillig hebben verlaten. Eisers hebben verschillende incidenten meegemaakt, maar daarvan zijn alleen incidenten uit 2010 en 2011 geloofwaardig geacht. De minister mocht, zoals hiervoor is overwogen, de incidenten uit 2018 en 2021 ongeloofwaardig achten. Gelet hierop twijfelt de minister terecht aan de actualiteit van de gestelde vrees voor de milities. Daar komt nog bij dat eisers niet hebben onderbouwd dat de milities waarvoor zij vrezen invloed uitoefenen in de UNRWA-kampen en dat zij als gevolg daarvan niet naar die kampen kunnen terugkeren. Van eenzelfde situatie als in het arrest Alheto is dus geen sprake. Verder stelt de minister terecht dat eisers het UNRWA-gebied niet hebben verlaten om redenen die te maken hebben met de taken die onder het mandaat van de UNRWA-vallen, omdat zij het UNRWA-gebied vanwege drugsgerelateerd geweld hebben verlaten. De rechtbank begrijpt dit standpunt zo dat eisers (dus) nog bescherming kunnen inroepen bij de UNRWA, omdat de reden van vertrek niet is gelegen in een oorzaak waartegen de UNRWA hen moet beschermen. Eisers hebben dat als zodanig niet betwist. De minister heeft daarom terecht geconcludeerd dat eisers niet vallen onder de insluitingsgrond, zodat artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag op hen van toepassing is.

Conclusie

De minister heeft terecht overwogen dat eisers zijn uitgesloten van vluchtelingschap, omdat zij eerder bescherming van de UNRWA hebben genoten en niet is gebleken dat deze bescherming om redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van eisers is opgehouden.

Heeft de minister terecht overwogen dat niet aannemelijk is dat eisers bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade lopen?

Eisers betogen dat de minister ten onrechte overweegt dat het niet aannemelijk is dat zij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade vrezen. Eisers stellen allereerst dat de minister niet heeft onderkend dat het in de lijn der verwachting ligt dat deze vrees gegrond is, omdat de incidenten in 2010 en 2011 geloofwaardig zijn geacht. Verder stellen eisers dat de minister niet heeft betwist dat de milities na het incident in 2011 dachten dat eiser 2 dood was en dat eisers na die incidenten binnenlands zijn gevlucht. Tegen die achtergrond is niet begrijpelijk dat de minister tegenwerpt dat eisers na het incident in 2011 nog enkele jaren zonder problemen in Libanon hebben gewoond.

Dit betoog slaagt niet. Als een vreemdeling in het verleden is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade, is dat een duidelijke aanwijzing dat de gestelde vrees voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat dit anders ligt. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat er voldoende redenen zijn om aan te nemen dat de door eisers beschreven incidenten zich niet opnieuw zullen voordoen. De geloofwaardig geachte incidenten hebben geruime tijd geleden plaatsgevonden en eisers hebben sindsdien probleemloos verbleven in een kamp, terwijl daar volgens eisers veel aanhangers van de vermeende daders wonen. De minister stelt dan ook terecht dat het niet aannemelijk is dat eisers bij terugkeer naar Libanon een reëel risico op ernstige schade lopen. Dat de milities aannamen dat eiser 2 dood was, doet daar niet aan af.

Heeft de minister aan eisers tegengeworpen dat zij zich elders in Libanon kunnen vestigen?

Het betoog van eisers dat de minister in strijd heeft gehandeld met zijn eigen beleid door hen tegen te werpen dat zij zich elders in Libanon kunnen vestigen, slaagt niet. De minister heeft dat in het bestreden besluit niet gedaan. Bovendien hebben eisers gewezen op het beleid omtrent het binnenlands beschermingsalternatief. Daaraan komt de minister echter pas toe als hij aanneemt dat een vreemdeling een verdragsvluchteling is of in zijn land van herkomst een reëel risico op ernstige schade loopt. Ook dat heeft de minister in het geval van eisers, zoals hiervoor is overwogen, terecht niet aangenomen.

Conclusie: de beroepen zijn ongegrond.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:5609

23-03-2026, Rb Groningen, beroep gegrond, rechtgevolgen in stand [Albanees met Griekse nationaliteit; Protocol nr. 24 bij VWEU, schorsende werking]

Reden signalering:

Eiser heeft de Albanese en Griekse nationaliteit. De minister heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie. De rechtbank oordeelt dat de niet-ontvankelijkverklaring stand houdt, maar dat het bestreden besluit ten onrechte vermeldt dat het beroep geen schorsende werking heeft.

Eiser heeft aangevoerd dat zijn aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser beschikt niet over Griekse identiteitsdocumenten en kan daarom niet zelfstandig terugkeren. Op zitting is gesteld dat eiser documenten alleen in Griekenland kan aanvragen en dat hem door de Griekse autoriteiten zou zijn aangezegd dat hij maximaal één maand in Griekenland mag verblijven. Eiser heeft verder betoogd dat zijn zoon in Griekenland niet de benodigde zorg en medische behandeling kan ontvangen. Een stabiele omgeving is in het belang van het kind en dit moet de eerste overweging zijn. De minister heeft echter geen overwegingen gewijd aan de bijzondere medische behoeften van eisers zoon. Ter onderbouwing zijn medische stukken overgelegd en is gewezen op punt 29 en 33 van de considerans van de Procedurerichtlijn. Op zitting heeft eiser het beroep op de Procedurerichtlijn laten vallen, maar is ter nadere onderbouwing gewezen op artikel 24 van het Handvest.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser de Griekse nationaliteit heeft. Ook heeft eiser niet betwist dat aan zijn zoon daarom de Griekse nationaliteit toekomt. Op grond hiervan mag ervan worden uitgegaan dat zij toegang hebben tot Griekenland en als onderdanen daar mogen verblijven. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stellingen over het aanvragen van documenten of de gestelde maximale verblijfsduur in Griekenland, omdat hij deze niet heeft onderbouwd. Eisers stelling dat zelfstandige terugkeer onmogelijk is kan evenmin leiden tot een ander oordeel. Daarbij stelt de rechtbank vast dat aan eiser geen terugkeerbesluit is opgelegd, maar in het bestreden besluit staat vermeld dat hij rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de ambtshalve beoordeling over een verblijfsrecht op grond van het Unierecht.

De rechtbank overweegt dat de lidstaten van de Europese Unie elkaar beschouwen als veilige landen van herkomst in asielzaken. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel ligt daaraan ten grondslag. Een asielaanvraag van een Unieburger wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van het Protocol, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie genoemd in het enig artikel, sub a tot en met d, van het Protocol. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat de hierin genoemde omstandigheden zich niet voordoen met betrekking tot Griekenland. Gesteld, noch gebleken is dat in Griekenland ten aanzien van onderdanen wordt afgeweken van het EVRM, of dat een artikel 7-procedure aanhangig is tegen Griekenland. Dit betekent dat alleen de vraag voorligt of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval niet ten aanzien van Griekenland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

De rechtbank is van oordeel dat eiser hier niet in is geslaagd. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat hij als onderdaan door terugkeer naar Griekenland, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terecht zal komen in leefomstandigheden die in strijd zijn met de artikelen 3 van het EVRM en 4 van het Handvest. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat eiser de Griekse autoriteiten om bescherming kan vragen, als dat nodig is. Ook heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat eiser en zijn zoon in Griekenland medische zorg kunnen krijgen. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit niet mogelijk is, of dat de Griekse autoriteiten hem geen bescherming kunnen of willen bieden. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de besluitvorming voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind. De minister heeft kunnen volstaan met de motivering dat in Griekenland psychische zorg mogelijk is. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eisers zoon gebaat is bij een stabiele omgeving, is onvoldoende onderbouwd dat een eventuele terugkeer naar Griekenland een onomkeerbare achteruitgang zal inhouden en daarom in strijd is met artikel 24 van het Handvest. Anders dan eiser heeft gesteld, blijkt de rechtbank uit de medische stukken van Franse behandelaars en brieven van Accare niet dat een wisseling van omgeving en behandelaars de medische klachten verergerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser op zitting heeft aangegeven dat zijn zoon op dat moment niet onder medische behandeling stond in Nederland. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Schorsende werking van het beroep

Eiser heeft tot slot aangevoerd dat de minister niet het juiste rechtsgevolg heeft verbonden aan de niet-ontvankelijkheidsverklaring van de asielaanvraag. De minister heeft in het besluit ten onrechte gesteld dat eiser de beroepsprocedure niet in Nederland mag afwachten, terwijl anderzijds is vermeld dat hij rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de ambtshalve toets aan het Unierecht.

De rechtbank stelt vast dat de minister eisers asielaanvraag op grond van het Protocol niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aanvraag is niet afgewezen op grond van artikel 30a van de Vw. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit schorsende werking heeft op grond van artikel 82, eerste lid, van de Vw. De uitzonderingen op deze hoofdregel zijn niet van toepassing op de situatie van eiser. Dat betekent dat het beroep in Nederland mocht worden afgewacht. De minister heeft in het bestreden besluit ten onrechte het tegenovergestelde vermeld. De beroepsgrond slaagt daarom.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond, De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit vermeldt dat het beroep hiertegen geen schorsende werking heeft, omdat dit in strijd is met artikel 82 van de Vw. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit voor het overige in stand te laten, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. De minister heeft de asielaanvraag van eiser namelijk niet-ontvankelijk mogen verklaren. Dat in het bestreden besluit aan het beroep geen schorsende werking is toegekend, maakt het voorgaande niet anders. Niet is gesteld of gebleken dat eiser als gevolg van het ontbreken van schorsende werking in materiële zin is benadeeld, nu het besluit ook vermeldt dat eiser rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de ambtshalve beslissing over een verblijfsrecht op grond van het Unierecht.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:6233

10-03-2026, Rb Haarlem, Syrië, beroep gegrond [artikel 15c Kwalificatierichtlijn; humanitaire situatie]

Reden signalering:

De rechtbank oordeelt dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025. Verweerder heeft nagelaten de humanitaire situatie in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen, waardoor sprake is van een motiveringsgebrek.

Eiser vreest voor de onveilige situatie in Syrië. Ook vreest hij ervoor om gerekruteerd te worden voor de militaire dienstplicht van de Koerdische strijdkrachten. Daarbij vreest eiser voor een slechte behandeling door het nieuwe regime.

Verweerder gelooft beide asielmotieven. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft geen gegronde vrees voor vervolging in Syrië alleen omdat hij uit Syrië komt. Eisers vrees voor discriminatie door het nieuwe regime heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Eiser voldoet ook niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vergunning op grond van vervolging wegens dienstweigering. Eiser loopt volgens verweerder ook geen reëel risico op ernstige schade. Het enkele feit dat eiser uit Syrië komt, is volgens verweerder niet genoeg om dit risico aan te nemen, omdat slechts in lage mate sprake is van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict. Eiser moet daarom aan de hand van zijn individuele omstandigheden aannemelijk maken dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens verweerder is eiser daar niet in geslaagd.

Heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade?

Op 11 december 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is (ECLI:NL:RBDHA:2025:23822). De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat ook humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict, moeten worden betrokken in de beoordeling.

Eiser voert aan dat deze uitspraak van 11 december 2025 op hem van toepassing is en dat het bestreden besluit daarom niet in stand kan blijven. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld in Syrië, in het bijzonder in de regio waar eiser vandaan komt. Eiser stelt daartoe dat het geweld de afgelopen weken is opgelaaid en dat verweerder in de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, ten onrechte de humanitaire omstandigheden niet heeft meegenomen. Niet alleen humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van oorlogstactiek of het oogmerk groepen burgers te raken zijn volgens eiser in dat kader relevant, maar ook de humanitaire omstandigheden die een direct of indirect gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is of is geweest bij een gewapend conflict. Eiser verwijst naar een brief van UNHCR van 8 december 2025, waarin wordt benadrukt dat van gedwongen terugkeer van vluchtelingen moet worden afgezien. Eiser voert verder aan dat zijn individuele omstandigheden maken dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van geweld. Eiser is principieel dienstweigeraar.

Verweerder verwijst op zitting zonder nadere aanvulling naar het verweerschrift van 26 februari 2026. Daarin stelt verweerder zich op het standpunt dat de uitspraak van 11 december 2025 niet van toepassing is, omdat die veelal ziet op de stad Homs. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in geheel Syrië sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld en verwijst onder meer naar een Kamerbrief van 10 juni 20256, het Algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025, VN-rapportages, het rapport van de EUAA: Country Guidance Syria van 2 december 2025 (het EUAA-rapport) en Global Protection Cluster updates. Niet is gebleken dat sprake is geweest van grootschalige of een toename aan veiligheidsincidenten, gevechten of geweldsuitbarstingen in Al Hasake, waarbij veel burgers slachtoffer werden van willekeurig geweld. Het geringe aantal ernstige veiligheidsincidenten, zeker in de afgelopen periode, vormt een indicatie voor het aannemen van de laagste gradatie van willekeurig geweld in Al Hasake.

Wat betreft de humanitaire omstandigheden stelt verweerder zich op het standpunt dat de humanitaire situatie in Syrië zeer slecht is, maar dat deze niet of in beperkte mate te wijten is aan een thans lopend gewapend conflict. Dit zijn dan ook omstandigheden die geen (doorslaggevende) rol spelen in de beoordeling van de gradatie van artikel 15c. Volgens verweerder is de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats onjuist en daarom is ook hoger beroep ingesteld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ten aanzien van een brief van de UNHCR van 8 december 2025 stelt verweerder zich op het standpunt dat die brief ziet op ontheemden. Eiser is echter geen ontheemde, want een deel van eisers familie is nog steeds woonachtig op de plek waar eiser vandaan komt.

De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2025 niet volgt dat die uitspraak alleen van toepassing is op Syrische asielzoekers uit Homs. In enkele overwegingen in de uitspraak gaat de rechtbank specifiek in op de veiligheidssituatie in Homs, maar de rechtbank betrekt ook bronnen die zien op de algemene veiligheidssituatie in Syrië. De rechtbank komt in die uitspraak tot de conclusie dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is, dat de verslagperiode van het algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025 daarvoor een te korte periode beslaat en uit meerdere andere bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie fragiel, slecht en onduidelijk is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitspraak van 11 december 2025 ook van toepassing is op de zaak van eiser.

Ter onderbouwing van het bestreden besluit heeft verweerder thans verwezen naar de Kamerbrief van 10 juni 2025, het Algemeen ambtsbericht Syrië, VN-rapportages en Global Protection Cluster updates. Verweerder verwijst ook naar het EUAA-rapport, waarin wordt geconcludeerd dat in Hasaka sprake is van een lage gradatie van willekeurig geweld. De rechtbank vindt deze verwijzingen echter onvoldoende om af te wijken van de uitspraak van 11 december 2025. De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 december 2025 ook landeninformatie betrokken die ziet op de humanitaire situatie in Syrië. Eiser heeft er terecht op gewezen dat verweerder in het bestreden besluit de humanitaire situatie in Syrië ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 11 december 2025 heeft overwogen, zijn ook de humanitaire omstandigheden relevant welke direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Daarbij komt dat uit het EUAA-rapport blijkt dat de humanitaire situatie in Hasaka niet minder ernstig is dan andere delen van Syrië. Uit het rapport blijkt dat Hasaka onder meer kampt met beperkte toegang tot basisvoorzieningen, zoals water, en dat er veel (niet-) ontplofte oorlogsresten aanwezig zijn. Ook in het bericht van UNHCR van 8 december 2025 wordt benadrukt dat van gedwongen terugkeer van vluchtelingen moet worden afgezien, omdat de situatie in Syrië nog steeds fluïde is, en gelet op de slechte humanitaire omstandigheden. Uit het bericht volgt niet dat dit enkel ziet op ontheemden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek.

Nu verweerder in het bestreden besluit heeft nagelaten de humanitaire situatie in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen, is reeds sprake van een motiveringsgebrek en dient het besluit te worden vernietigd.

De rechtbank kan zonder een goed gemotiveerd standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië ook niet beoordelen wat voor individuele omstandigheden nodig zijn om tot een reëel risico op ernstige schade te komen. De rechtbank ziet daarin dus geen aanleiding om nu een oordeel te geven over het al dan niet aanwezig zijn van individuele omstandigheden. De rechtbank komt daarom niet toe aan de behandeling van de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de asielaanvraag is afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:6002

05-03-2026, Rb Rotterdam, Turkije, beroep gegrond [Koerden; PKK; motivering vervolging politieke overtuiging]

Reden signalering:

Verweerder heeft zich niet ondubbelzinnig uitgelaten over de geloofwaardigheid van de verklaringen over de problemen in Turkije, beoordeling van de vrees voor vervolging vanwege zijn politieke overtuiging onvoldoende gemotiveerd.

Eiser stelt dat hij de Turkse nationaliteit heeft en dat hij tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft deelgenomen aan Newroz-vieringen, demonstraties en protestmarges, georganiseerd door de HDP. Eiser is tijdens deze evenementen geslagen door Turkse militairen. Eiser heeft daarnaast, toen hij in de bergen woonde, de PKK geholpen door PKK-leden eten te geven, spullen op te halen en af en toe berichten door te geven. In 2021 is hij in een gevecht tussen de Koerdische strijders en de Turkse autoriteiten terechtgekomen. Zijn identiteitskaart is toen een maand in beslag genomen. Na dit incident zag eiser zich genoodzaakt zijn schapen te verkopen en zich in de stad te vestigen. Eiser werd in die tijd tot aan zijn vertrek uit Turkije door de Turkse autoriteiten in de gaten gehouden. Hij is meerdere keren door de politie gearresteerd, verhoord en mishandeld. Op 15 oktober 2022 is eiser met hulp van een smokkelaar vertrokken uit Turkije. Na zijn vertrek is de Turkse politie vier of vijf keer bij zijn vrouw thuis geweest om naar hem te vragen. De Turkse autoriteiten zijn ook een strafzaak tegen eiser gestart omdat hij hooi op een verkeerde plek zou hebben neergelegd. Eiser vermoedt echter dat de zaak verband houdt met zijn hulp aan PKK-leden. Hij heeft in het kader van deze strafzaak op verzoek van de Turkse autoriteiten een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris in Nederland. In Nederland is eiser lid van een Koerdische vereniging waarbij hij samenkomt met andere Koerden om te praten. Daarnaast is hij in Nederland naar een Koerdische Newroz-viering en een Koerdisch feest geweest. Eiser vreest bij terugkeer naar Turkije door de Turkse autoriteiten te worden vermoord.

Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

  1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  2. Eiser heeft activiteiten verricht voor de PKK/HDP.

Verweerder heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter niet aannemelijk geacht dat eiser bij terugkeer naar Turkije een gegronde vrees heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Hoewel verweerder heeft aangenomen dat eiser is gediscrimineerd vanwege zijn Koerdische etniciteit, heeft verweerder niet aannemelijk geacht dat eiser hierdoor dusdanig werd beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Verweerder heeft verder aangenomen dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar heeft niet aannemelijk geacht dat eiser om die reden een gegronde vrees heeft bij terugkeer naar Turkije. Volgens verweerder staat eiser namelijk niet in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten en is ook niet aannemelijk dat dit bij terugkeer wel zo zal zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was en hij hier geen goede verklaring voor heeft gegeven.

Discriminatie

Eiser voert aan dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de door eiser ervaren discriminatie niet de mate van zwaarwegendheid behaalt die vereist is. In dit kader stelt hij dat verweerder er in het besluit onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat de discriminatie niet alleen verband hield met zijn Koerdische etniciteit maar ook nauw samenhing met zijn politieke activiteiten en overtuiging. Zo heeft verweerder ten onrechte niet betrokken dat eiser door de negatieve aandacht vanwege zijn politieke activiteiten zijn werk als schaapherder en zijn nomadenbestaan in de bergen heeft moeten opgeven.

Uit verweerders beleid in paragraaf C2/3.2.6. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat discriminatie als daad van vervolging wordt aangemerkt als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij door de discriminatie in Turkije dusdanig werd beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Daarbij heeft verweerder er op kunnen wijzen dat eiser documenten kon aanvragen en verkrijgen, dat hij onderdak had en dat hij als schaapherder in zijn levensonderhoud kon voorzien. Ook heeft verweerder er op kunnen wijzen dat niet is gebleken dat eiser geen toegang had tot medische zorg. Verweerder heeft in het besluit ook betrokken dat eiser moeilijkheden heeft ondervonden in zijn werk als (zelfstandig) schaapherder. Dit laat echter onverlet, zoals verweerder in het verweerschrift terecht opmerkt, dat eiser in de periode dat hij in de stad woonde nog heeft kunnen werken als schaapherder voor anderen. De beroepsgrond slaagt niet.

Politieke overtuiging

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte en niet deugdelijk gemotiveerd het standpunt heeft ingenomen dat niet aannemelijk is dat eiser vanwege zijn politieke activiteiten en politieke overtuiging bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging. Daarbij wijst hij er op dat hij als politiek actieve Koerd tot een risicoprofiel behoort. Verder stelt hij dat omdat al zijn verklaringen geloofwaardig zijn geacht, dus ook zijn verklaringen over de door hem ondervonden problemen, niet kan worden gevolgd dat hij niet in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. De geloofwaardig geachte problemen maken ook dat op verweerder een zwaardere motiveringsplicht rust. Eiser doet hierbij een beroep op artikel 4, vierde lid, van de Richtlijn 2011/95/EU en stelt dat verweerder dit aspect ten onrechte niet heeft betrokken in het besluit. De negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten voor eisers persoon blijkt volgens eiser ook uit het rechtshulpverzoek van de Turkse autoriteiten, op grond waarvan hij bij de rechter-commissaris in Nederland is verhoord als verdachte in een Turkse strafzaak. De inhoud van dit verhoor is bovendien belastend voor hem in die zin dat de Turkse autoriteiten daaruit kunnen opmaken dat eiser banden heeft met de PKK. Tot slot stelt eiser dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij Turkije legaal is uitgereisd, omdat deze omstandigheid niet hoeft te betekenen dat hij niet in de negatieve aandacht staat. Eiser verwijst hierbij naar informatie in het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 (het ambtsbericht).

Het standpunt van verweerder dat de politieke overtuiging van eiser bij terugkeer niet leidt tot een gegronde vrees voor vervolging, is in het bestreden besluit als volgt gemotiveerd. Eiser behoort vanwege zijn betrokkenheid bij activiteiten van de HDP tot een risicoprofiel, zoals vermeld in C7/34.3.2 van de Vc. Dit laat echter onverlet dat het individualiseringsvereiste blijft gelden. Eiser heeft niet aangetoond dat hij problemen heeft ondervonden met de Turkse autoriteiten. Hij heeft ook niet met documenten onderbouwd dat de Turkse autoriteiten naar hem op zoek zijn of dat hij wordt vervolgd vanwege zijn politieke activiteiten. Eiser heeft niet met juridische documenten onderbouwd dat hij meermalen zou zijn aangehouden en ondervraagd door de politie. Op de zitting heeft verweerder hierover nog gesteld dat de gestelde arrestaties, verhoren en mishandeling daarmee niet geloofwaardig zijn geacht en dat evenmin geloofwaardig is bevonden dat de Turkse autoriteiten na eisers vertrek meerdere keren bij zijn vrouw thuis zijn geweest om naar hem te vragen. Wel is gevolgd dat bij een incident in de bergen in 2021 eisers identiteitskaart is ingenomen, maar eiser was per ongeluk in het betreffende gevecht terecht gekomen en het incident heeft verder geen verregaande consequenties voor eiser gehad. Dat eiser in Nederland is verhoord door de rechter-commissaris in verband met een Turkse strafzaak, maakt niet aannemelijk dat eiser wordt gezocht vanwege zijn politieke overtuiging. Eiser vermoedt slechts dat de desbetreffende strafzaak verband houdt met zijn politieke overtuiging, zonder dit vermoeden te onderbouwen. Uit de inhoud van eisers verklaring bij de rechter-commissaris kan ook niet worden opgemaakt dat hij banden heeft met de PKK, zo heeft verweerder op de zitting gesteld. Verder was de hulp die eiser aan de PKK-leden verleende slechts gering, nam eiser geen bijzondere rol in binnen de HDP en was de mishandeling van eiser tijdens demonstraties willekeurig, omdat het geweld tegen alle demonstranten was gericht. In Nederland speelt eiser ook geen bijzondere rol tijdens politieke bijeenkomsten. Tot slot is het legaal hebben kunnen uitreizen een indicatie dat er geen negatieve aandacht voor eiser bestaat vanwege zijn politieke overtuiging, gezien ook het tijdsverloop sinds het incident in de bergen en sinds eisers politieke activiteiten. Uit het ambtsbericht volgt namelijk dat in de meeste zaken met een politieke dimensie een uitreisverbod wordt opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit wordt als volgt toegelicht.

Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 17 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2333) en de uitspraak van 11 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:755), volgt dat wanneer verweerder zich niet ondubbelzinnig heeft uitgelaten over de geloofwaardigheid van verklaringen van een vreemdeling, het ervoor moet worden gehouden dat verweerder van de geloofwaardigheid van die gestelde feiten en omstandigheden is uitgegaan.

Verweerder heeft de geloofwaardigheidsbeoordeling in het bestreden besluit beperkt tot eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en de activiteiten die eiser voor de PKK en HDP heeft verricht. Eiser heeft daarnaast verklaard over problemen die hij in Turkije heeft ondervonden. Het gaat hierbij om het incident in de bergen in 2021 waarbij zijn identiteitskaart is ingenomen, de arrestaties, verhoren en mishandeling door de politie en de vier of vijf bezoeken van de politie aan eisers woning na zijn vertrek uit Turkije. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit niet ondubbelzinnig uitgelaten over de geloofwaardigheid van deze problemen. Anders dan verweerder op de zitting heeft gesteld, kan in de overweging in het besluit dat eiser niet met juridische documenten heeft aangetoond dat hij meermalen is gearresteerd en ondervraagd door de politie, niet worden gelezen dat verweerder ondubbelzinnig deze problemen ongeloofwaardig heeft geacht. Hierbij speelt een rol dat deze overweging is opgenomen bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de vrees. Gelet op het voorgaande moet het er daarom voor worden gehouden dat verweerder van de geloofwaardigheid van alle door eiser gestelde problemen is uitgegaan. De rechtbank gaat om deze reden voorbij aan verweerders standpunten ter zitting dat hij de arrestaties, verhoren en mishandeling door de politie, alsmede de huisbezoeken aan eisers woning, niet geloofwaardig acht. Nu moet worden aangenomen dat verweerder van de geloofwaardigheid van het incident in de bergen, de arrestaties, verhoren, mishandelingen en de huisbezoeken door de politie aan eisers woning is uitgegaan, brengt dit mee dat de tegenwerping in het bestreden besluit dat eiser niet heeft aangetoond dat hij problemen heeft ondervonden met de Turkse autoriteiten, naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk is gemotiveerd. Verder kan de rechtbank bij deze stand van zaken niet goed inzien waarom het incident in de bergen in 2021 verder niet tot verregaande consequenties voor eiser zou hebben geleid. Eiser heeft immers verklaard dat de arrestaties, verhoren, mishandelingen en de huisbezoeken hebben plaatsgevonden in de jaren die volgden op dat incident. Tot slot kan, in het verlengde hiervan ook verweerders standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten, niet zonder meer worden gevolgd. De beroepsgrond slaagt.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Turkije niet heeft te vrezen voor vervolging vanwege zijn politieke overtuiging.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:5752

10-03-2026, Rb Den Haag, Turkije, beroep gegrond [terugkomen op eerdere geloofwaardigheidsbeoordeling; horen over delict]

Reden signalering:

De grond dat verweerder niet terug mocht komen op de in het voornemen gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter staat het verweerder steeds vrij om terug te komen van een eerder ingenomen geloofwaardigheidsstandpunt. Verweerder moet dan wel deugdelijk motiveren waarom hij aanleiding ziet om terug te komen van een eerder ingenomen standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het nieuwe voornemen en het besluit ook deugdelijk gemotiveerd dat eisers problemen vanwege zijn activiteiten op social media niet geloofwaardig zijn. Nu eiser valse stukken heeft overgelegd, mocht verweerder aan hem tegenwerpen dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven en dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.

Eiser is als Koerd gediscrimineerd. Zo is hij bijvoorbeeld mishandeld door de politie. Daarnaast wil hij de dienstplicht niet vervullen. Ook heeft eiser problemen gehad omdat hij zich op social media heeft geuit tegen het geweld tegen Koerden door Turkse soldaten. De Turkse overheid heeft vervolgens zijn account geblokkeerd. Eiser heeft een kopie van een rechtbankvonnis en een kopie van een aanhoudingsbevel overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat hij is vervolgd voor het maken van propaganda voor een terroristische beweging.

Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

  1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
  2. discriminatie vanwege eisers Koerdische afkomst;
  3. dat eiser in aanmerking komt voor de militaire dienst in Turkije; en
  4. eisers problemen vanwege het plaatsen van berichten op social media.

Verweerder vindt de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Eisers problemen vanwege het plaatsen van berichten op social media zijn volgens verweerder niet geloofwaardig. Verweerder komt hiermee terug op de beoordeling die hij heeft gemaakt in een eerder – ingetrokken – voornemen van 13 juni 2024. Sinds dat vorige voornemen is namelijk uit een onderzoek van Bureau Documenten gebleken dat de kopieën van het vonnis en het aanhoudingsbevel met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Verweerder vindt geloofwaardig dat eiser is gediscrimineerd vanwege zijn Koerdische afkomst en dat hij in aanmerking komt voor de militaire dienst. Deze asielmotieven maken echter niet dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin en of een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM. Ook dat bij eiser sprake is van een politieke overtuiging, maakt niet dat zijn asielaanvraag ingewilligd moet worden, omdat niet aannemelijk is dat eiser er problemen door zal ondervinden. Verweerder wijst de aanvraag van eiser af als kennelijk ongegrond omdat hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was, omdat hij verklaringen heeft afgelegd die worden beoordeeld als kennelijk vals, en omdat hij op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde. Eiser is namelijk veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf voor zware mishandeling en openlijk geweld in verening.

Mocht verweerder terugkomen op de eerder gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling?

De grond dat verweerder niet terug mocht komen op de in het voornemen van 13 juni 2024 gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter staat het verweerder steeds vrij om terug te komen van een eerder ingenomen geloofwaardigheidsstandpunt. Verweerder moet dan wel deugdelijk motiveren waarom hij aanleiding ziet om terug te komen van een eerder ingenomen standpunt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij is teruggekomen van zijn eerdere standpunt over de geloofwaardigheid van eisers problemen vanwege het plaatsen van berichten op social media. In het bestreden besluit en ter zitting heeft verweerder namelijk toegelicht dat het voor Bureau Documenten sinds het eerdere voornemen mogelijk is geworden om kopieën van Turkse justitiële documenten te onderzoeken op afgifte en opmaak. Dat heet tactisch onderzoek en deze mogelijkheid volgt uit de in mei 2025 bijgewerkte ‘Vakbijlage Bureau Documenten.’ Nu uit het vervolgens uitgevoerde tactisch onderzoek volgt dat het vonnis en het aanhoudingsbevel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, mocht verweerder hierin aanleiding zien om een nieuw voornemen uit te brengen.

Eisers betoog dat het onderzoek niet zorgvuldig is verlopen omdat geen sprake is van een zuivere rolverdeling tussen Bureau Documenten en het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal van de IND (hierna: TOELT), slaagt niet. Met de toelichting van verweerder ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat het tactisch onderzoek is verricht door Bureau Documenten en dat TOELT deze conclusies heeft gecontroleerd en dit heeft opgenomen in de vergewisbrief van 19 mei 2025. Dat uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 9 april 20255 volgt dat TOELT het onderzoek naar dit type documenten verricht, doet hier niet aan af. Verweerder heeft namelijk ter zitting uitgelegd dat de werkwijze wat betreft het tactisch onderzoek in mei 2025, dus nadat deze uitspraak is gedaan, is veranderd. Uit de besluitvorming volgt dat verweerder zich heeft gebaseerd op het documentonderzoek van Bureau Documenten in combinatie met de vergewisbrief. Omdat het een documentonderzoek van Bureau Documenten een deskundigenonderzoek is en verweerder heeft voldaan aan zijn vergewisplicht over de inhoudelijke inzichtelijkheid van het documentonderzoek, mocht verweerder uitgaan van de inhoud van de verklaring daarvan. Eiser heeft hier geen concrete aanknopingspunten voor twijfel, zoals een contra-expertise, tegenover gesteld. Anders dan eiser ter zitting heeft betoogd, hoefde verweerder geen inzicht te geven in welke gebreken precies zijn geconstateerd in het documentonderzoek, nu hiermee mogelijk fraude in de hand zou worden gewerkt. Dat TOELT op 15 april 2025 al afwijkingen heeft geconstateerd in de documenten, doet er niet aan af dat verweerder aan zijn vergewisplicht kon voldoen door navraag te doen bij TOELT. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de onafhankelijke blik van TOELT ten aanzien van dit eerdere onderzoek is beïnvloed omdat zij ervan op de hoogte waren dat in eisers geval openbare-ordeaspecten spelen of dat de vergewisbrief niet onafhankelijk tot stand kan zijn gekomen, nu dit eerdere onderzoek van TOELT er al lag. Voor beide stellingen zijn immers geen concrete aanknopingspunten. Ten slotte acht de rechtbank van belang dat dit eerdere onderzoek van TOELT door een andere medewerker is uitgevoerd.

Heeft verweerder de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling deugdelijk gemotiveerd?

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het nieuwe voornemen van 23 oktober 2025 en het besluit van 17 december 2025 ook deugdelijk gemotiveerd dat eisers problemen vanwege zijn activiteiten op social media niet geloofwaardig zijn. Nu eiser valse stukken heeft overgelegd, mocht verweerder aan hem tegenwerpen dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven en dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Anders dan eiser heeft betoogd, mocht verweerder vanwege de valse documenten ook eisers verklaringen beoordelen als niet samenhangend en niet aannemelijk. Het is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat deze stukken, waar verweerder op dat moment van uitging, er in het oorspronkelijke voornemen van 13 juni 2024 in belangrijke mate aan hebben bijgedragen dat eisers verklaringen aannemelijk werden gevonden. Nu de stukken vals zijn gebleken, mocht verweerder ook concluderen dat eisers verklaringen erover tijdens het gehoor niet waar kunnen zijn. Omdat eiser geen stukken heeft overgelegd van zijn account of posts op Facebook, terwijl uit zijn relaas volgt dat hij hier wel aan zou kunnen komen, mocht verweerder ook concluderen dat eiser zonder goede verklaring onvoldoende documenten heeft gegeven. Tot slot mocht verweerder aan eiser tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag zonder goede verklaring niet zo snel mogelijk heeft ingediend.

Moest verweerder eiser horen over het door hem gepleegde delict?

De grond dat verweerder eiser moest horen over het door hem gepleegde delict en zijn actuele houding daarover, slaagt. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser duidelijk gemaakt dat deze grond ziet op de dienstplicht, de kennelijk-ongegrondverklaring omdat eiser op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde en het zware inreisverbod. Naar het oordeel van de rechtbank is voor alle drie deze aspecten van belang dat verweerder een actuele beoordeling maakt van eisers gedrag en motivatie. Immers moest verweerder beoordelen of eiser nog altijd een gevaar vormt voor de openbare orde en is in het kader van de dienstplicht relevant hoe eiser op dit moment tegen het gebruik van wapens aankijkt.

Eiser heeft, nadat zijn veroordeling onherroepelijk is geworden, een rapport over zijn gedrag in detentie en een eigen verklaring overgelegd. Ook heeft hij aangevoerd dat hij schadevergoeding aan zijn slachtoffer betaalt. Verweerder moest hierin aanleiding zien om eiser te horen om inzicht te krijgen in de oprechtheid van de gestelde gedragsverandering. De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat met een gehoor inzichten kunnen worden verkregen in de intrinsieke motiveringen en overtuigingen van eiser wat betreft het gebruik van geweld, die niet kunnen worden verkregen via een zienswijze op papier. De rechtbank volgt verweerder er dan ook niet in dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn visie te geven omdat hij schriftelijke zienswijzen heeft kunnen indienen.

Aan het gegeven dat eiser tijdens zijn strafproces heeft ontkend dat hij het strafbare feit heeft gepleegd, mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook geen conclusies verbinden over hoe eiser reflecteert op het door hem gepleegde delict. De ontkennende proceshouding van eiser gedurende het strafproces is een op zichzelf staande tactisch-strategische keuze voor dat moment, die doorgaans in overleg met de advocaat gekozen is als verdedigingsstrategie. Deze proceshouding zegt naar het oordeel van de rechtbank dan ook op zichzelf niet zo veel over de gedragsontwikkeling van eiser na het plegen van het strafbare feit. Nu het nader gehoor heeft plaatsgevonden voordat het strafproces was afgerond, mocht op dat moment niet van eiser worden verwacht dat hij in zijn asielprocedure wel openlijk over het delict verklaarde. Daarin had verweerder te meer reden moeten zien om eiser na afloop van zijn strafproces nog eens te horen.

Conclusie en gevolgen

Verweerder heeft het besluit niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd door de aanvraag af te wijzen zonder eiser te horen over het door hem gepleegde delict. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:4964

23-03-2026, Rb Groningen, beroep gegrond [Dublin-Slovenië; opvangvoorzieningen; interstatelijk vertrouwensbeginsel]

Reden signalering:

De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat ten aanzien van de opvangvoorzieningen in Slovenië nog steeds zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Is het besluit onzorgvuldig voorbereid?

Eiser voert aan dat het voornemen niet zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het een standaardvoornemen betreft waarbij onvoldoende is ingegaan op de door eiser tijdens het Dublin-gehoor naar voren gebrachte bezwaren tegen een overdracht aan Slovenië. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juni 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:8597).

De rechtbank constateert dat het voornemen aan de daaraan gestelde vereisten voldoet, omdat het de dragende overwegingen bevat. Zo heeft de minister in het voornemen gemotiveerd waarom Slovenië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. In het voornemen is daarnaast aangegeven dat de verklaringen van eiser over wat hij in Slovenië heeft meegemaakt, niet leiden tot de conclusie dat Slovenië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Eiser heeft ook niet toegelicht welke door hem aangedragen omstandigheden niet of onvoldoende in de beoordeling zijn meegenomen en waarom. Overigens kan het enkele feit dat niet alle afzonderlijke bezwaren van eiser uit het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij een voornemen, op zichzelf niet leiden tot vernietiging van een bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van Afdeling van 11 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1642),

Mag de minister ten aanzien van Slovenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

Uit het door eiser aangehaalde AIDA-rapport van 2024 (update 2025) op pagina 53 volgt dat Dublinclaimanten vanaf het moment van terugkeer als asielzoekers worden beschouwd. Op diezelfde pagina staat dat zij, net als andere asielzoekers, vanwege een achterstand in de behandeling van aanvragen drie tot 20 dagen moeten wachten voordat zij hun asielaanvraag formeel kunnen indienen. Uit pagina 80 van hetzelfde rapport volgt dat zij gedurende die periode geen toegang hebben tot alle opvangvoorzieningen. Nadat de aanvraag formeel is ingediend, hebben zij dezelfde rechten als andere asielzoekers en worden zij gehuisvest in de opvang. Hieruit leidt de rechtbank af dat Dublinclaimanten in de periode voordat hun aanvraag formeel wordt ingediend – wat enkele dagen tot enkele weken kan duren – geen toegang hebben tot de opvangfaciliteiten.

Nu eiser aannemelijk heeft gemaakt dat er aanknopingspunten zijn voor ernstige vrees dat de opvangvoorzieningen voor hem in Slovenië systeemfouten bevatten die kunnen resulteren in schending van artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 EVRM, is het aan de minister om aannemelijk te maken dat daarvan geen sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister hierin niet voldoende geslaagd. Dat dit rapport een vervolg is op eerdere rapporten en die eerdere rapporten al in uitspraken van de afdeling zijn betrokken doet hier niet aan af. Er blijkt juist een verschil te bestaan tussen de eerdere rapporten en het onderhavige rapport. Zo wordt in het rapport van 2023 (update 2024 vermeld dat in de periode voordat de formele aanvraag is ingediend, en personen hierdoor nog niet worden aangemerkt als asielzoeker, zij wel zijn gehuisvest, maar geen toegang hebben tot alle opvangvoorzieningen, terwijl die huisvesting in het meest recente rapport niet wordt genoemd. Voor zover de minister stelt dat als er sprake is van een tekortkoming deze niet structureel is overweegt de rechtbank deze stelling verder niet is onderbouwd.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat ten aanzien van de opvangvoorzieningen in Slovenië nog steeds zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het bestreden besluit bevat daarom een motiveringsgebrek. Het beroep is om die reden gegrond.

Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangevoerd over de rechtsbijstand in Slovenië volgt de rechtbank het betoog van de minister. De minister stelt terecht dat het door eiser aangevoerde punt uit het meest recente AIDA-rapport van 2025, waaronder de vermelde ontslaggronden van de vluchtelingenadviseurs, al is vermeld in de AIDA-rapporten van 2021 (update 2022), van 2022 (update 2023) en van 2023 (update 2024). Het rapport van 2021 (update 2022) was al bekend ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2022. De rechtbank ziet in het rapport van 2024 (update 2025) geen wezenlijk ander beeld van de situatie ten aanzien van de rechtsbijstand dan eerder is betrokken. Zoals de minister in het bestreden besluit terecht stelt, moet er een onderscheid worden gemaakt tussen de bestuurlijke besluitvormingsfase en de (hoger) beroepsfase. Op grond van de Procedurerichtlijn zijn lidstaten gehouden om rechtsbijstand te voorzien voor die laatste fase. Daaraan voldoet Slovenië. Daarbij komt dat ook uit het meest recente AIDA-rapport niet blijkt dat vreemdelingen in zijn geheel geen mogelijkheid hebben om rechtsbijstand te verkrijgen in de bestuurlijke besluitvormingsfase in Slovenië. Zelfs als dit het geval zou zijn, merkt de rechtbank op dat eiser in zijn concrete situatie nog geen asielaanvraag in Slovenië heeft lopen en er dus ook nog geen besluit is genomen. Concrete aanwijzingen dat hij bij een eventuele afwijzing van zijn asielaanvraag geen gebruik zou kunnen maken van rechtsbijstand zijn niet gegeven. Mocht eiser desondanks in de toekomst problemen ondervinden, dient hij zich te wenden tot de (hogere) Sloveense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk of bij voorbaat zinloos zou zijn.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het artikel 3:46 van de Awb. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt en dat de minister opnieuw op de aanvraag van eiser moet beslissen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:6360



Deel deze informatie
  • Delen op Whatsapp
  • Delen op LinkedIn

We hebben een nieuw beeldmerk:

Lees meer


Over de Raad voor Rechtsbijstand

Burgers moeten kunnen rekenen op passende ondersteuning en goede rechtsbijstand. Daar maakt de Raad voor Rechtsbijstand zich sterk voor via de organisatie en borging van gesubsidieerde mediation en rechtsbijstand, uitvoering van de Wet schuldsanering natuurlijke personen en de Wet beëdigde tolken en vertalers.

  • Meer over ons
  • Contact
  • Protocol Wet open overheid (Woo)
  • Toegankelijkheid
  • Privacy
  • Cookies
  • Proclaimer
  • Informatiebeveiliging

Volg ons op

  • Youtube
  • LinkedIn