Ga naar de inhoud
Direct naar
  • Mijn Wrb
  • Mijn RvR
  • Kenniswijzer
  • Contact
  • Nieuws
  • English
  • Best Practices Leidraad voor asieladvocaten
Raad voor Rechtsbijstand (naar homepage)
Zoeken
  • Voor advocaten
    • Algemene inschrijving bij de Raad
    • Ingeschreven en dan?
    • Over toevoegingen
    • Declaratie indienen
    • Nieuws
    • Formulieren voor advocaten
    • Direct regelen
    • Subsidieregeling beroepsopleiding sociaal advocaten
  • Voor mediators
    • Algemene inschrijving bij de Raad
    • Ingeschreven en dan?
    • Over toevoegingen
    • Declaratie indienen
    • Nieuws voor mediators
    • Formulieren voor mediators
    • Mijn Wrb voor mediators
  • Voor burgers
  • Kenniswijzer
    • Wijzigingen werkinstructies
    • Meer over de Kenniswijzer
    • Werkinstructies extra uren
    • Werkinstructies mediation
    • Werkinstructies toevoegen
    • Werkinstructies vaststellen
    • Wet- en regelgeving
    • Zoeken op Kenniswijzer
    • Zoeken op Kenniswijzer jurisprudentie
  • Matching
    • Antwoorden op veelgestelde vragen
  • Mijn Wrb
  • Mijn RvR
  • Kenniswijzer
  • Contact
  • Nieuws
  • English
  • Best Practices Leidraad voor asieladvocaten
  1. Home ›
  2. Voor advocaten ›
  3. Ingeschreven en dan? ›
  4. Legal Aid (Asiel) ›
  5. AC-signalering: berichten AC praktijk en jurisprudentie ›
  6. Jurisprudentie

Jurisprudentie


Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:

11-02-2026, Rb Rotterdam, Irak, beroep gegrond [gelijkheid tussen man en vrouw; bedreiging door vader]

Reden signalering:

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom ongeloofwaardig is geacht dat eiseres zich heeft vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom he tongeloofwaardig is dat eiseres door haar vader heeft bedreigd.

Eiseres legt aan deze opvolgende aanvraag ten grondslag dat zij een verwesterde levensstijl heeft. Daarnaast heeft eiseres aan haar vader verteld dat ze een seksuele relatie heeft gehad met een man terwijl ze niet met hem getrouwd was. Haar vader heeft haar daarna met de dood bedreigd. Eiseres heeft een geluidsfragment van de doodsbedreiging en vertaling hiervan overgelegd. Eiseres vreest bij terugkeer te worden gedood omdat zij de eer van de familie heeft beschadigd.

Volgens verweerder is uit eiseres haar verklaringen niet gebleken dat zij zich daadwerkelijk heeft vereenzelvigd met de waarde van gelijkheid tussen man en vrouw en dat dit dermate fundamenteel is voor eiseres haar identiteit en morele integriteit dat niet van haar kan worden geëist dat ze dit opgeeft. Eiseres heeft hier volgens verweerder namelijk oppervlakkig en onvoldoende concreet over verklaard. Daarnaast heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar leven in Nederland dusdanig anders is dan in Irak en heeft eiseres tegenstrijdig verklaard aan de eerste asielprocedure. Verder kan verweerder niet verifiëren dat eiseres daadwerkelijk door haar vader is bedreigd, past eerwraak niet binnen het beeld dat eiseres heeft geschetst van de relatie tussen haar en haar ouders, en heeft eiseres ongerijmd verklaard over hoe haar vader op de hoogte is geraakt van haar eerdere seksuele relatie.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom ongeloofwaardig is geacht dat eiseres zich heeft vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw. Zij legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres enkel basisonderwijs heeft gevolgd en dat dit in beginsel betekent dat er minder van eiseres mag worden verwacht voor wat betreft haar verklaringen over de vereenzelviging. In dit kader stelt verweerder dat er geen doorwrocht juridisch betoog van eiseres wordt verwacht, maar dat wel van eiseres wordt verwacht dat zij aannemelijk kan maken waarom de vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw fundamenteel voor haar is. Volgens verweerder is eiseres hier om verschillende redenen niet in geslaagd; zij heeft hier algemeen, oppervlakkig en onvoldoende concreet over verklaard, zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar leven in Nederland anders is dan in Irak en zij heeft tegenstrijdig aan haar eerdere procedure verklaard.

De rechtbank volgt verweerder allereerst niet in zijn standpunt dat niet geloofwaardig is dat eiseres zich heeft vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar leven in Nederland anders is dan in Irak en zij tegenstrijdig heeft verklaard over haar leven in Irak. Dat eiseres over haar leven in Irak tegenstrijdig zou hebben verklaard en – kort gezegd – in haar eerdere procedure heeft aangegeven dat zij in Irak meer vrijheden had dan dat zij thans verklaart, maakt op zichzelf niet dat van vereenzelviging geen sprake kan zijn. Hierbij acht de rechtbank verder van belang dat eiseres in Irak enige mate en vorm van vrijheid genoot. Anders dan verweerder lijkt te stellen, brengt de omstandigheid dat eiseres in Irak al enige vrijheid genoot niet mee dat er daarom in Nederland geen sprake kan zijn vereenzelviging. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat eiseres in Irak, gelet op de (relatieve) vrijheden die ze daar had en nam, al belang hechtte aan vrijheid. Dit maakt niet onaannemelijk dat zij in Nederland, waar zij volgens haar eigen verklaring veel meer vrijheid ervaart, nog meer belang is gaan hechten aan vrijheid, wat ook wordt bevestigd door de verklaringen van eiseres. Dat, zoals verweerder op de zitting naar voren heeft gebracht, van eiseres mag worden verwacht dat zij inzicht geeft in de ontwikkeling die zij in Nederland heeft doorgemaakt en dat eiseres hier niet in is geslaagd, acht de rechtbank in dit kader ook onvoldoende gemotiveerd. Eiseres genoot in Irak immers al een mate en vorm van vrijheid zodat niet onaannemelijk is dat – om te kunnen spreken van vereenzelviging – een mindere mate van ontwikkeling vereist is dan bij iemand die ‘van verder moet komen’ en dan verweerder nu van eiseres lijkt te verwachten. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres wel degelijk heeft verklaard over een ontwikkeling die zij heeft doorgemaakt in Nederland. Zo heeft eiseres verklaard dat zij afstand heeft genomen van de islamitische tradities en dat zij in Nederland vrijheid geniet die ze in Irak niet had.

De rechtbank volgt verweerder ook niet in zijn standpunt dat eiseres algemeen, oppervlakkig en onvoldoende concreet heeft verklaard over haar vereenzelviging. Over de gelijkheid tussen mannen en vrouwen verklaart eiseres dat deze in Nederland is zoals die moet zijn en dat die ook in Irak zou moeten zijn zoals in Nederland. Dit is zo belangrijk voor haar dat zij dit wil zo lang zij leeft en dit is alles wat zij wil.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met haarverklaringen meerdere voorbeelden gegeven over wat vrijheid en gelijkheid voor haar betekent. Dat eiseres haar verklaringen onvoldoende zijn omdat zij, zo lijkt verweerder te stellen, vooral zien op algemeenheden en oppervlakkige dingen zoals een vrije kledingkeuze, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft erkend dat er van eiseres, gelet op haar referentiekader, minder kan worden verwacht. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit de verslagen van de gehoren (ook in de eerdere procedure) blijkt dat vragen geregeld moesten worden herhaald of op een andere manier worden gesteld en dat eiseres in haar verklaringen, ook over andere onderwerpen, veelal relatief korte antwoorden geeft waarbij zij vooral feitelijkheden noemt en niet veel vertelt over haar gedachten. Het is dan ook de vraag of verweerder qua reflectievermogen de lat voor eiseres niet te hoog legt. Niet valt in te zien waarom eiseres gelet op haar referentiekader met bovenstaande verklaringen onvoldoende concreet en uitgebreid heeft verklaard over haar vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw.

Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiseres zich niet heeft vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen man en vrouw. Verweerder heeft het tweede asielmotief daarom onvoldoende gemotiveerd ongeloofwaardig geacht. De beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende vragen gesteld aan eiseres over haar vereenzelviging. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit niet dat er sprake is van een onzorgvuldig gehoor.

Verweerder heeft ongeloofwaardig geacht dat eiseres door haar vader is bedreigd. In het bestreden besluit en op de zitting heeft verweerder zich hierover op het standpunt gesteld dat het ongerijmd is dat eiseres aan haar vader zou hebben verteld dat ze seks heeft gehad. Het is volgens verweerder dan aan eiseres om aan de hand van andere bewijsmiddelen aannemelijk te maken dat dit wel het geval is. Eiseres is hier volgens verweerder niet in geslaagd. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De rechtbank volgt verweerder allereerst niet in zijn standpunt dat het ongerijmd is dat eiseres haar vader ervan op de hoogte heeft gebracht dat ze seks heeft gehad omdat zij in haar eerdere asielprocedure heeft verklaard dat zij dit tegen niemand durfde te vertellen omdat zij dan om het leven zou worden gebracht. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiseres zich, toen zij dit via de telefoon vertelde, in Nederland bevond en niet bij haar vader in Irak, en dat - zoals hiervoor onder 4.5. en 4.6. ook al is overwogen - het niet onaannemelijk is dat eiseres in Nederland nog meer belang is gaan hechten aan vrijheid dan zij in Irak deed en dat onvoldoende is gemotiveerd waaruit blijkt dat eiseres zich niet heeft vereenzelvigd met de waarde van gelijkheid tussen man en vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee ook niet onaannemelijk dat, zoals eiseres in de zienswijze ook heeft gesteld, zij zich in Nederland – mede door de ontwikkeling die zij heeft doorgemaakt en het ontdekken van haar eigen identiteit en eigenwaarde - veilig en vrij genoeg voelt om openhartig te zijn tegen haar vader.

Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiseres naast de geluidsopname ook een fotokopie van de identiteitskaart van haar vader en screenshots van Messenger heeft overgelegd. In beroep heeft eiseres nog getuigenverklaringen van haar broer en nicht overgelegd waarin zij verklaren de stem van degene die de bedreigingen uit te herkennen en bevestigen dat de bedreigingen door de vader van eiseres worden geuit. Over deze getuigenverklaringen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit subjectief bewijs is en dat hier daarom niet de waarde aan wordt gehecht die eiseres wenst. De rechtbank acht dit standpunt onvoldoende gemotiveerd en verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2095). Uit deze uitspraak volgt dat de bewijskracht van getuigenverklaringen weliswaar beperkt is, maar dat deze verklaringen niet alleen om hun niet-objectieve karakter kunnen worden tegengeworpen, hetgeen verweerder wel lijkt te doen.

Gelet op hetgeen is overwogen heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom ongeloofwaardig is dat eiseres door haar vader is bedreigd. Verweerder heeft het derde asielmotief daarom onvoldoende gemotiveerd ongeloofwaardig geacht. De beroepsgrond slaagt.

Gehele uitspraak:  ECLI:NL:RBDHA:2026:3568

12-02-2026, Rb Groningen, Irak, beroep gegrond [jezidi's; ontheemdenkampen KAR; normale woon- of verblijfplaats]

Reden signalering:

De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom sinds medio 2024 de ontheemdenkampen in de KAR als normale woon- of verblijfplaats worden aangemerkt voor jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar-regio. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar het ontheemdenkamp geen reëel risico loopt in de zin van artikel 3 EVRM.

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij jezidi is en afkomstig is uit de streek Sinjar in Irak. Tot zijn vertrek in 2022 woonde hij in het ontheemdenkamp Chamishku vlakbij Zakho in de regio Duhok. Hij heeft Irak verlaten omdat hij onrechtmatig behandeld en gediscrimineerd werd vanwege zijn religie en zijn etniciteit. Daar komt bij dat in Sinjar geen sprake is van overheidsgezag maar de dienst wordt uitgemaakt door verschillende groepen waaronder de PKK.

De minister geeft aan bekend te zijn met de positie van de jezidi’s in Irak maar zij worden in het huidige landgebonden beleid voor Irak niet aangemerkt als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging. Ook behoort eiser niet tot één van de andere risicoprofielen zoals benoemd in paragraaf C7/16.3.2 van de Vc 2000.4 Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij op basis van persoonlijke omstandigheden bij terugkeer te vrezen heeft vanwege het feit dat hij jezidi is. Voorts stelt de minister zich op het standpunt dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade.

Het geldende beleid

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister het beleid zoals dat gold voor 27 juni 2024 had dienen toe te passen. Vooropgesteld moet immers worden dat als uitgangspunt heeft te gelden dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op het moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. In het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstigere positie komt, is geen bijzondere omstandigheid waardoor van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken. Ook in de combinatie van het gewijzigde strengere beleid en het niet tijdig beslissen door de minister ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheid die aanleiding zou moeten vormen om van het uitgangspunt van toepassing van het geldende recht af te wijken. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit lange tijd op zich heeft laten wachten, echter van het frustreren van de rechten van eiser is de rechtbank niet gebleken.

Situatie in het ontheemdenkamp

De rechtbank stelt vast dat de minister blijkens het aanvullende besluit van 29 september 2025 het vluchtelingenkamp Chamishku in Duhok beschouwt als de normale woon- of verblijfplaats van eiser. De gemachtigde van de minister heeft dit tijdens de zitting bevestigd. In haar uitspraak van 4 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:1393) heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat door de minister niet inzichtelijk is gemotiveerd wat nu heeft gemaakt dat sinds 2024 anders wordt aangekeken tegen het aanmerken van de ontheemdenkampen in de KAR, waartoe ook Chamishku behoort, als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar regio. In het in 2019 geldende beleid is vastgesteld dat ontheemde jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hadden in de KAR en daar niet, naar lokale maatstaven gemeten, op een normaal niveau konden functioneren. Medio 2024 is besloten dat deze ontheemdenkampen in de KAR wel kunnen worden beschouwd als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi’s uit de Sinjar regio. Deze beleidswijziging heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 4 februari 2024 onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd geacht. In de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 februari 2025, 8 juli 2025 en 18 augustus 2025 is dit standpunt herhaald. In haar uitspraak van 24 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:22152) heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat dit ook heeft te gelden voor de situatie van jezidi’s die buiten de ontheemdenkampen in de KAR wonen. Ook in die gevallen dient de minister uiteen te zetten wat maakt dat voor de jezidi’s de situatie medio mei 2024 in de KAR verbeterd is.

De rechtbank constateert dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de minister de feitelijke situatie in de ontheemdenkampen of in zijn algemeenheid in de KAR voor jezidi’s heeft onderzocht. Evenmin is aangegeven waarom de situatie in de kampen verbeterd is sinds 2019. Daar komt bij dat er op 7 november 2025 een Thematisch ambtsbericht is verschenen waarin uitgebreid de huidige situatie in de kampen in de KAR wordt beschreven. Blijkens het Thematisch ambtsbericht heeft het federale ministerie van Migratie en Ontheemding in januari 2024 besloten om de op dat moment resterende formele vluchtelingenkampen onder het gezag van de Koerdische regionale regering, waaronder ook Chamishku, te sluiten. Dit besluit is uitgesteld maar leidde volgens het thematisch ambtsbericht desondanks tot terugtrekking van hulp en het vertrek van verschillende (internationale) organisaties. Daarbij hebben de kortingen van de regering van president Trump ten aanzien van de USAID gemaakt dat veel (lokale) hulporganisaties hun activiteiten hebben moeten staken. Dit resulteerde volgens het thematisch ambtsbericht in een gebrek aan basisvoorzieningen, gebrek aan medische zorg, gebrek aan psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen. In het licht van deze informatie is de rechtbank van oordeel dat de minister niet alleen heeft nagelaten te motiveren waarom de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s uit de Sinjar-regio kan worden aangemerkt maar bovendien onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huidige situatie in de ontheemdenkampen niet maakt dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM zoals volgt uit het arrest Sufi en Elmi.

Terugkeerbesluit

Eiser heeft internationale bescherming in Griekenland. De minister kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten. Tijdens de zitting heeft de minister verwezen naar het informatiebericht over Griekse statushouders (IB 2026/1) en toegelicht dat bij Griekse statushouders een uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt dat aan vreemdelingen met een status in een andere lidstaat geen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. Toegelicht is verder dat niet duidelijk is of de Griekse autoriteiten de door hen aan eiser verleende vluchtelingenstatus intrekken. Naar het oordeel van de rechtbank kon gelet hierop door de minister geen terugkeerbesluit genomen worden.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond. De rechtbank zal daarom niet ingaan op wat eiser verder aan beroepsgronden heeft aangevoerd. Het besluit wordt vernietigd omdat sprake is van motiveringsgebreken.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:2642

05-02-2026, Rb Utrecht, Iran, beroep gegrond [gebruik AI; afvalligheid; afzonderlijk asielmotief]

Reden signalering:

De rechtbank ziet in dat wat eiser aanvoert geen reden om te twijfelen aan de duidelijke verklaring van de beslismedewerker, waarin hij of zij expliciet meedeelt geen AI of Case Matcher gebruikt te hebben, omdat de tegenwerpingen daarvoor niet concreet genoeg zijn.

De rechtbank oordeelt verder dat de rechtbank zittingsplaats Amsterdam in de eerdere uitspraak geen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel heeft gegeven over eisers asielmotief ‘bekering tot het atheïsme’, terwijl eiser daar wel een beroepsgrond tegen had gericht. De minister is er daarom ten onrechte van uitgegaan dat de ongeloofwaardig geachte bekering tot het atheïsme met de uitspraak van de rechtbank in rechte vaststond en is ten onrechte niet ingegaan op wat eiser in de zienswijze en gronden beroep heeft aangevoerd over de bekering tot het atheïsme.

Eiser, van Iraanse nationaliteit, heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in het najaar van 2021 atheïst is geworden. Na de dood van Mahsa Amini heeft eiser deelgenomen aan meerdere demonstraties tegen het Iraanse regime. Eiser heeft berichten hierover geplaatst op sociale media. Eiser vreest hierdoor bij terugkeer naar Iran voor zijn leven.

Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister één asielmotief: deelname aan demonstraties en geplaatste berichten daarover op sociale media.

De minister heeft zich ten aanzien van dit asielmotief op het standpunt gesteld dat dit motief geloofwaardig is, maar dat het niet aannemelijk is dat eiser hierdoor in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat. Ook wordt niet aannemelijk geacht dat eiser zijn politieke opvatting bij terugkeer naar Iran zal uiten op een wijze waardoor hij problemen krijgt met de Iraanse autoriteiten. En eiser loopt bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade.

De minister stelt verder dat het asielmotief ‘bekering tot het atheïsme’ in de vorige beroepsprocedure niet ter discussie heeft gestaan en door de rechtbank niet ten onrechte ongeloofwaardig is bevonden. Daarom heeft de minister in het bestreden besluit alleen de geloofwaardig bevonden deelname aan demonstraties en geplaatste berichten op sociale media en de vraag of die leiden tot een gegronde vrees voor vervolging, beoordeeld.

Gebruik van Case Matcher

Eiser betoogt dat de besluitvorming onzorgvuldig is, omdat niet is uitgesloten dat de minister daarbij gebruik heeft gemaakt van Case Matcher en de minister niet vanuit zichzelf transparant is geweest over het gebruik van dit algoritme in deze zaak.

De minister heeft in de beroepsprocedure een verklaring overgelegd. In die verklaring staat onder meer: “Ik heb de beschikking op ambtseed opgesteld waarin staat dat er geen AI/casematcher is gebruikt.” En “Ook van de casematcher is geen sprake in deze zaak. Het is niet eens in me opgekomen om überhaupt iets van AI of casematcher toe te passen.” Op zitting heeft de gemachtigde van de minister bevestigd dat de verklaring is opgesteld door de beslismedewerker wiens naam onder zowel het voornemen als het bestreden besluit staat.

Eiser heeft in een reactie en op de zitting hiertegen ingebracht dat de naam onder het voornemen en het bestreden besluit niet van de feitelijke beslisambtenaar hoeft te zijn, en dat besluiten door twee beslismedewerkers moeten worden genomen en dat dus niet is uit te sluiten dat Case Matcher door een andere medewerker gebruikt is. Ook staat in het bestreden besluit slechts dat er geen AI-tool is gebruikt en niet dat er geen Case Matcher is gebruikt.

De rechtbank ziet in dat wat eiser aanvoert geen reden om te twijfelen aan de duidelijke verklaring van de beslismedewerker, waarin hij of zij expliciet meedeelt geen AI of Case Matcher gebruikt te hebben, omdat de tegenwerpingen daarvoor niet concreet genoeg zijn. Het is daarom niet aannemelijk geworden dat in deze zaak gebruik is gemaakt van Case Matcher. Deze grond slaagt niet.

Bekering tot het atheïsme

Eiser voert aan dat de rechtbank in haar uitspraak van 28 oktober 2024 géén uitdrukkelijke overweging aan het asielmotief ‘bekering tot het atheïsme’ heeft gewijd en dit asielmotief daarom nog ter discussie stond.

De rechtbank stelt het volgende vast:

In de beschikking van 12 augustus 2024 zijn de volgende asielmotieven vastgesteld:

  1. Identiteit, nationaliteit en herkomst zijn geloofwaardig
  2. Uw bekering tot atheïsme is niet geloofwaardig
  3. Uw deelname aan demonstraties en geplaatste berichten op sociale media daarover zijn geloofwaardig

De minister heeft de politieke activiteiten van eiser gewogen onder asielmotief 3.

De rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft in de uitspraak van 28 oktober 2024 geoordeeld dat de minister het juiste toetsingskader heeft gebruikt voor de beoordeling van eisers politieke overtuiging. De minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat deze overweging moet zien op de beroepsgrond over het onjuiste toetsingskader met betrekking tot atheïsme. In het beroepschrift was namelijk geen afzonderlijke grond aangevoerd over een onjuist toetsingskader met betrekking tot de politieke overtuiging. In de overweging staat echter politieke overtuiging en niet atheïsme, en uit de verdere tekst van de uitspraak blijkt niet dat het toch over atheïsme gaat. In de uitspraak wordt vervolgens een oordeel gegeven over asielmotief 3 en wordt een deel van de daartegen gerichte gronden gegrond verklaard. Vervolgens heeft de rechtbank geconcludeerd geen aanleiding te zien om de overige beroepsgronden te bespreken.

Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de rechtbank zittingsplaats Amsterdam in de uitspraak van 28 oktober 2024 geen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel heeft gegeven over eisers asielmotief ‘bekering tot het atheïsme’, terwijl eiser daar wel een beroepsgrond tegen had gericht. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesterkt doordat de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het gehele besluit van 12 augustus 2024 heeft vernietigd en geen onderscheid heeft gemaakt tussen de in geschil zijnde asielmotieven.

De minister is er daarom ten onrechte van uitgegaan dat de ongeloofwaardig geachte bekering tot het atheïsme met de uitspraak van de rechtbank in rechte vaststond. Eiser heeft in de procedure van het nu ter beoordeling voorliggende bestreden besluit zowel in de zienswijze als in beroep gronden aangevoerd over de bekering tot het atheïsme. De minister heeft daar niet inhoudelijk op gereageerd. Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister moet dus een nieuw besluit nemen, waarbij (naast asielmotief 3) ook asielmotief 2 als genoemd in de eerdere beschikking van 12 augustus 2024 inhoudelijk moet worden beoordeeld.

De rechtbank komt niet toe aan de bespreking van de beroepsgronden van eiser over asielmotief 3 en ook niet aan de beroepsgrond van eiser dat de minister ten onrechte niet is ingegaan op de verslechterde veiligheidssituatie in Iran. Eiser stelt vanwege die verslechtering een reëel risico te lopen om vervolgd te worden of in een met artikel 3 EVRM strijdige situatie te geraken. De minister zal in een nieuw te nemen besluit ook daarop nog moeten reageren.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:3257

Lees ook deze kamerbrief waarin de Minister toelicht hoe in lopende asielprocedures rekening wordt gehouden met de huidige situatie in Iran.

06-02-2026, Rb Utrecht, Syrië, beroep gegrond [Koerdische regio Al-Hasakah; motiveringsgebrek]

Reden signalering:

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser als atheïstische Koerd afkomstig uit Hasaka in Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij zijn land heeft moeten verlaten omdat hij een Koerdische atheïst is en bij terugkeer voor zijn leven vreest vanwege dreiging door moslims, de Syrische regering en door een man genaamd [naam] , die hem met de dood heeft bedreigd nadat eiser weigerde zich aan te sluiten bij de Koerdische strijdkrachten (PKK/YPG).

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met eiser van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser als atheïstische Koerd afkomstig uit Hasaka in Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft aan zijn beoordeling ten grondslag gelegd dat bekeerlingen/atheïsten en Koerden volgens het landgebonden beleid Syrië niet als risicogroep worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan, in het licht van de recente ontwikkelingen in het Koerdisch gebied in het Noordoosten van Syrië, op dit punt niet worden volstaan met het verwijzen naar het landgebonden beleid zoals neergelegd in paragraaf C7 van de Vc, dat voor het laatst in juni 2025 is gewijzigd. De beleidswijziging van juni 2025 is gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 waarin geen rekening is gehouden met de recente ontwikkelingen in Noordoost-Syrië.

De minister heeft zijn standpunt, dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft op grond van zijn atheïsme, ook nog gebaseerd op de belofte van al-Sharaa dat eenieder ongestoord zijn religie kan blijven uitoefenen en op een grondwettelijke verklaring van 13 maart 2025 die vrijheid van geloof garandeert. De rechtbank oordeelt dat ook dit, mede in het licht van de recente ontwikkelingen en de onduidelijke machtsverhoudingen in Noordoost-Syrië, onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat eiser niet vervolgd zal worden vanwege zijn atheïsme.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. De gemachtigde van de minister bleek op de zitting niet in staat om te reageren op de vraag of de recente ontwikkelingen in Syrië invloed (moeten) hebben op het standpunt van de minister of op de manier waarop het landenbeleid geïnterpreteerd moet worden en daarmee het bestreden besluit op dit punt aan te vullen. Het beroep van eiser is daarom gegrond. De overige beroepsgronden behoeven hier dan ook geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb is genomen. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:2607

18-02-2026, Rb Zwolle, Afghanistan, beroep gegrond [geloofwaardigheidsbeoordeling; tijdlijn; ontsnapping]

Reden signalering:

Ten aanzien van de vertrekdatum van eiser uit Afghanistan is de rechtbank van oordeel dat niet duidelijk is of de conversie tussen de verschillende kalenders juist is uitgevoerd. Daarnaast blijkt uit het verslag van het aanmeldgehoor niet afdoende hoe de gehoormedewerker tot 31 mei 2022 als de vertrekdatum van eiser uit Afghanistan is gekomen. Niet duidelijk is namelijk of eiser dit zelf heeft verklaard of dat dit een vertaling door de tolk betreft.

Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder de ongeloofwaardigheid van eisers asielrelaas niet enkel kan baseren op dat het ontsnappingsverhaal van eiser hem onwaarschijnlijk voorkomt dan wel onmogelijk is.

Eiser stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op 1 januari 1995. Verder stelt eiser dat hij tot de Pashtun bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat de Taliban hem ten onrechte als dader aanwijst voor de moord op drie lijfwachten. Volgens eiser heeft de Taliban hem daarom mishandeld en gedetineerd, terwijl hij niets met de moorden te maken heeft. Eiser verklaart dat de drie lijfwachten wapens en geld vervoerden en hoogstwaarschijnlijk om die reden zijn overvallen en gedood. Omdat hij voor zijn leven vreesde, stelt eiser te zijn gevlucht. Eiser stelt zich hierbij op het standpunt dat hij geen bescherming tegen de Taliban van de Afghaanse overheid of hogere instanties kan krijgen

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde ruzie tussen zijn broer en (een lid van) de Taliban en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig zijn.

Daaraan heeft verweerder in het voornemen de volgende vijf redenen ten grondslag gelegd:

  1. Eiser heeft inconsistent verklaard over de tijdlijn van gebeurtenissen;
  2. Het is vaag dat eiser zonder zijn broer opeens wel kan ontsnappen;
  3. Het hele ontsnappingsverhaal van eiser is niet te volgen en onvoldoende inzichtelijk gemaakt;
  4. Eiser heeft niet helder gemaakt waarom zijn moeder wel in Afghanistan kan verblijven en hij niet;
  5. Eiser heeft inconsistent verklaard over zijn verblijf na de dood van zijn broer.

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de redenen 4 en 5 niet langer aan eiser worden tegengeworpen. De overige drie redenen heeft eiser in beroep gemotiveerd betwist. De rechtbank zal hierna op deze beroepsgronden ingaan.

Reden 1 tijdlijn:

Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiser tegengeworpen dat hij inconsistent heeft verklaard over wanneer hij Afghanistan heeft verlaten en wanneer de problemen, die aanleiding gaven om zijn land te verlaten, zich hebben afgespeeld. Zo heeft eiser tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat hij Afghanistan op 31 mei 2022 heeft verlaten, terwijl hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat de problemen die aanleiding waren voor zijn vertrek pas in juli 2022 zijn begonnen. Volgens verweerder mag redelijkerwijs van eiser worden verwacht dat hij helder en eenduidig verklaart over de periode waarin hij zijn land heeft verlaten en de gebeurtenissen die daaraan voorafgingen. Verweerder meent dat eiser ook in beroep geen verschoonbare reden voor deze inconsistente verklaringen heeft gegeven. Hij heeft namelijk niet onderbouwd waarom hij in zijn specifieke geval onder invloed van stress inconsistent heeft verklaard.

Volgens eiser wordt er in Afghanistan een andere kalender dan in Nederland gebruikt. Eiser stelt dat er in de omzetting van de data tussen deze twee kalenders een fout door de tolk moet zijn gemaakt. Daarom is eiser van mening dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

De rechtbank stelt vast dat uitsluitend de datum van uitreis uit Afghanistan ter discussie staat. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser in het nader gehoor een datum is voorgehouden (22 mei) die volgens het verslag van het aanmeldgehoor niet door eiser is genoemd (31 mei). Vast staat dat eiser tijdens het nader gehoor niet is geconfronteerd met het verschil in vertrekmaand, zodat hij ook niet in de gelegenheid is gesteld hiervoor een verklaring voor te geven.

Naar aanleiding van wat op de zitting door eiser naar voren is gebracht over het verschil in maand van vertrek overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat in Afghanistan voor officiële en civiele doeleinden de Zonne-Hidjri – ook wel de Khayyami , Perzische of Jalali kalender genoemd – wordt gebruikt, die afwijkt van de Gregoriaanse kalender die in Nederland wordt gehanteerd.

Het jaar op de Zonne-Hidjri kalender begint op de eerste dag van de lente en bestaat uit twaalf maanden. De eerste zes maanden zijn elk 31 dagen, de volgende vijf 30 dagen, en de laatste maand heeft 29 dagen, maar 30 dagen in schrikkeljaren. Uit de conversietabel kan worden afgeleid dat Mordad (de vijfde maand) op de Zonne-Hidjri kalender deels samenvalt met juli (de zevende maand) op de Gregoriaanse kalender. Daar komt bij dat Mordad 31 dagen telt en dat niet is uitgesloten dat in het aanmeldgehoor de 31ste van de vijfde maand is omgezet naar 31 mei zonder dat de juiste conversie is uitgevoerd. Daarnaast blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het verslag van het aanmeldgehoor niet afdoende hoe de gehoormedewerker, die dit verslag heeft gemaakt, tot 31 mei 2022 als de vertrekdatum van eiser uit Afghanistan is gekomen. Niet duidelijk is namelijk of eiser dit zelf heeft verklaard of dat dit een vertaling door de tolk betreft. Tegen die achtergrond vindt de rechtbank de verklaring van eiser dat de datum 31 mei 2022 als gevolg van een (onjuiste) vertaalslag door de tolk is ontstaan niet onwaarschijnlijk. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

Reden 2 en 3 ontsnappingsverhaal:

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet zonder meer op het standpunt kunnen stellen dat het onaannemelijk is dat de eerste ontsnappingspoging samen – waarbij volgens verweerder gebruik werd gemaakt van tweemaal zoveel mankracht – niet is gelukt maar de tweede ontsnappingspoging van eiser alleen wel, aangezien deze vergelijking van verweerder mank gaat. (..)

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij inconsistent heeft verklaard over de staat van (de staven van) het hek voor het raam waardoor hij is ontsnapt.

De rechtbank stelt vast dat alleen de tegenwerping van verweerder overblijft dat eiser niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de ontsnapping precies heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser hierover onvoldoende bevraagd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Op zitting is gebleken dat eiser meer kan verklaren en meer details kan geven over de ontsnapping.

Het komt de rechtbank voor dat als de gehoormedewerker meer tijd en ruimte had genomen om eiser meer te bevragen over zijn ontsnappingspoging deze verklaringen ook tijdens het gehoor naar voren waren gekomen. De rechtbank wijst verweerder hierbij op de samenwerkingsplicht die vereist dat, als eiser verklaringen geeft die de gehoormedewerker bevreemdend (kunnen) voorkomen of vragen oproepen, het op de weg van verweerder ligt om daarover verdere vragen te stellen die gedetailleerdere antwoorden bij eiser konden uitlokken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet aan eiser kan tegenwerpen dat hij niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de ontsnapping precies heeft plaatsgevonden, omdat dit ook het gevolg kan zijn van onvoldoende doorvragen door de gehoormedewerker.

De rechtbank wijst verweerder er verder op dat hij ervoor moet waken dat verklaringen ongeloofwaardig worden gevonden enkel omdat de door de vreemdeling gestelde gebeurtenis hem onwaarschijnlijk voorkomt.

De EUAA heeft hierover – voor zover relevant – het volgende overwogen: “An event is not implausible merely because it is unlikely. Unlikely events do happen. A series of consecutive unlikely events can however lead to implausibility, especially when other credibility indicators point in the same direction.”

Hieruit volgt dat verweerder de ongeloofwaardigheid van eisers asielrelaas niet enkel kan baseren op dat het ontsnappingsverhaal van eiser hem onwaarschijnlijk voorkomt dan wel onmogelijk is.

Conclusie ten aanzien van de geloofwaardigheidsbeoordeling

Het vorenstaande betekent dat verweerder eiser opnieuw zal moeten horen. Hierbij geeft de rechtbank nog aan verweerder mee dat als hij op basis van het te verrichten nader onderzoek (wederom) tot de conclusie komt dat het ontsnappingsverhaal van eiser onwaarschijnlijk dan wel onmogelijk is, verweerder – nu het enkel onwaarschijnlijk zijn van een gebeurtenis niet voldoende is – het asielrelaas van eiser geloofwaardig moet vinden. Immers, verweerder heeft reden 4 en 5 laten vallen, mag reden 1 niet aan eiser tegenwerpen en heeft voor het overige onvoldoende doorgevraagd.

Gehele uitspraak: nog niet gepubliceerd: NL25.131 (op te vragen via [email protected]).

13-02-2026, Rb Groningen, Angola, beroep gegrond [standpunt wijzigen in verweerschrift; belangenafweging; adequate opvang]

Reden signalering:

Eiseres voert aan dat de minister zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij de familierechtelijke relatie tussen haar en haar tante niet heeft aangetoond. De beroepsgrond slaagt, alleen al omdat de minister dit standpunt in het verweerschrift niet langer handhaaft. De minister heeft in het verweerschrift hierover een ander standpunt ingenomen, namelijk dat wel sprake is familie- of gezinsleven. De minister heeft bovendien alsnog een belangenafweging gemaakt. Het beroep is alleen hierom al gegrond en de rechtbank zal het besluit vernietigen. Inmiddels is het bijna 2 jaar en 4 maanden geleden dat eiseres haar asielaanvraag heeft ingediend. De minister heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke onderzoekshandelingen DT&V nog wil verrichten en hoe lang ze verwachten daarmee bezig te zijn.. Met de hiervoor omschreven handelwijze heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voortvarend gehandeld en eiseres onnodig lang in onzekerheid laten verkeren over haar verblijfsstatus.

Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij bij terugkeer naar Angola een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarnaast is er sprake van een beschermenswaardig familieleven tussen eiseres en haar ‘tante’. Haar moeder heeft haar bij deze tante achtergelaten. Inmiddels verblijft eiseres al ruim twee jaar bij haar en hebben zij een hechte band opgebouwd. Daarnaast heeft zij in de afgelopen periode een privéleven opgebouwd in Nederland. Ze gaat hier naar school, spreekt de Nederlandse taal en heeft vriendinnen gemaakt.

De minister vindt het asielmotief geloofwaardig, maar wijst de asielaanvraag alsnog af. Volgens de minister is niet gebleken dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Verder stelt de minister zich in het besluit op het standpunt dat eiseres de familierechtelijke relatie met haar tante niet heeft aangetoond. De minister komt daarom in het besluit niet toe aan de verdere toets van familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM. Tot slot is de afwijzing van de aanvraag volgens de minister niet in strijd met het privéleven van eiseres. Het belang van de Nederlandse staat weegt zwaarder dan eiseres haar belangen.

In het verweerschrift heeft de minister zich alsnog op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en haar tante sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. De minister heeft vervolgens een belangenafweging gemaakt. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister verklaard dat voor deze werkwijze is gekozen in het kader van de finale geschilbeslechting. Volgens de minister zijn alle belangen voldoende in kaart gebracht. Eiseres opnieuw in de gelegenheid stellen standpunten in te brengen zou het uiteindelijke besluit op de asielaanvraag niet anders maken.

Kan de minister in het verweerschrift een ander standpunt innemen?

Eiseres voert aan dat de minister zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij de familierechtelijke relatie tussen haar en haar tante niet heeft aangetoond.

De beroepsgrond slaagt, alleen al omdat de minister dit standpunt in het verweerschrift niet langer handhaaft. De minister heeft in het verweerschrift hierover een ander standpunt ingenomen, namelijk dat wel sprake is familie- of gezinsleven. De minister heeft bovendien alsnog een belangenafweging gemaakt. Het beroep is alleen hierom al gegrond en de rechtbank zal het besluit vernietigen. Omdat de minister in het verweerschrift alsnog een belangenafweging heeft gemaakt en eiseres daarop schriftelijk en op de zitting heeft gereageerd, zal de rechtbank de belangenafweging in het kader van de finale geschilbeslechting beoordelen. De rechtbank bespreekt in dat kader ook de overige beroepsgronden van eiseres.

Belangenafweging

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar tante. Daarnaast is ook niet in geschil dat eiseres privéleven heeft opgebouwd in Nederland. De vraag is of de minister het belang van de Nederlandse staat zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van eiseres. Uit vaste rechtspraak volgt dat de minister bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven een ‘fair balance’ moet vinden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moet hij alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken.

Eiseres is minderjarig. De rechtbank overweegt dat bij alle maatregelen die kinderen betreffen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Die belangen hoeven op zichzelf niet doorslaggevend te zijn, maar er dient wel veel gewicht aan toe te komen. Dit betekent dat het belangrijk is om de belangen van eiseres volledig en grondig in kaart te brengen en te betrekken bij het besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat onvoldoende gedaan.

In de belangenafweging heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een objectieve belemmering om het familieleven tussen eiseres en haar tante voort te zetten in Angola. De tante heeft immers een verblijfsvergunning in Nederland en kan niet met haar kinderen naar Angola reizen. Volgens het beleid van de minister komt aan het bestaan van een objectieve belemmering in beginsel veel gewicht toe. In de belangenafweging zal goed moeten worden gemotiveerd waarom de verblijfsweigering niet in strijd is met artikel 8 EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister hier niet in geslaagd. Hierbij acht de rechtbank van belang dat hoewel het familieleven tussen eiseres en haar tante is aangegaan tijdens onzeker verblijf, dit niet is gebeurd tijdens illegaal verblijf.

Ook stelt de minister dat het in het belang van eiseres is om bij haar biologische moeder te verblijven, nu zij in Angola altijd bij haar heeft gewoond en door haar werd verzorgd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hier onvoldoende bij betrokken dat eiseres heeft verklaard dat haar moeder in Angola regelmatig dagen weg was en haar alleen achterliet. Eiseres verklaart dat zij zich niet meer welkom voelt bij haar moeder en zich bij haar tante in Nederland thuis voelt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het toch in het beste belang van eiseres is om met haar moeder herenigd te worden in Angola. Daar komt nog bij dat in het onderzoek naar adequate opvang eiseres haar moeder nog niet is gevonden. Hier zal de rechtbank later in deze uitspraak op ingaan.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank concludeert dat de minister de af te wegen belangen niet goed in kaart heeft gebracht. De minister moet een nieuwe belangenafweging maken. Ook moet de minister hierbij betrekken dat eiseres ter zitting heeft verklaard dat haar tante een goede baan heeft. In een nieuw te verrichten belangenafweging kan de minister er daarom niet zonder meer vanuit gaan dat de tante niet in eiseres haar kosten voor onderwijs en gezondheidszorg kan voorzien.

Onderzoek naar adequate opvang

Tot slot voert eiseres aan dat de minister haar ten onrechte geen reguliere vergunning heeft verleend op grond van het buitenschuldbeleid voor minderjarige vreemdelingen. Ten tijde van de asielaanvraag was eiseres dertien jaar oud. Zij heeft geloofwaardige verklaringen afgelegd over haar identiteit, nationaliteit, ouders en andere familieleden. Uit deze verklaringen blijkt dat er geen familieleden of andere personen in Angola zijn die haar adequate opvang kunnen bieden. Eiseres weet immers niet waar haar moeder is. Verder heeft eiseres het inmiddels ruim twee jaar durende onderzoek naar adequate opvang ook niet gefrustreerd.

Ten aanzien van de voortvarendheid van het onderzoek naar adequate opvang, stelt de rechtbank voorop dat de Afdeling in een drietal uitspraken (ECLI:NL:RVS:2022:1530, ECLI:NL:RVS:2022:1531 en ECLI:NL:RVS:2022:1532) heeft uiteengezet wat de gevolgen zijn van het arrest T.Q. In deze uitspraken is geoordeeld dat de minister zo spoedig mogelijk na het indienen van een asielverzoek door een alleenstaande minderjarige moet onderzoeken of er in het land van herkomst adequate opvang beschikbaar is. De minister moet ernaar streven om dit onderzoek tijdens de beoordeling van de asielaanvraag af te ronden, maar mag een besluit op de asielaanvraag loskoppelen van een besluit over terugkeer als dit onderzoek op dat moment nog niet is afgerond. Voorop staat echter dat de minister voortvarend handelt en zo spoedig mogelijk duidelijkheid geeft over de verblijfsrechtelijke status van de alleenstaande minderjarige. Daarom moet de minister in dergelijke gevallen bij het afwijzen van een asielaanvraag motiveren waarom hij geen terugkeerbesluit uitvaardigt. Als blijkt dat er geen sprake is van adequate opvang in het land van herkomst, moet de minister een reguliere verblijfsvergunning verlenen.

De Afdeling heeft in deze uitspraken ook geoordeeld dat een termijn van drie jaar na indiening van de asielaanvraag voor het onderzoek naar adequate opvang hoe dan ook te lang is. De minister is namelijk gehouden om voortvarend te handelen, om de periode waarin de vreemdeling in onzekerheid verkeert over zijn verblijfsstatus zo kort mogelijk te houden en de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn om een doeltreffend terugkeer- en verwijderingsbeleid te voeren te waarborgen. De vreemdeling is daarnaast gehouden zijn volledige medewerking aan het onderzoek te verlenen.

De rechtbank stelt vast dat eiseres op 3 oktober 2023 asiel heeft aangevraagd.

Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat het onderzoek inmiddels is opgestart, maar dat er nog geen uitkomst is. De gemachtigde van de minister kon niet aangeven wanneer er resultaat van het onderzoek verwacht kan worden. Op de zitting is duidelijk geworden dat er voor het onderzoek tot nu toe één gesprek heeft plaatsgevonden eind 2025.

De beroepsgrond slaagt. Inmiddels is het bijna 2 jaar en 4 maanden geleden dat eiseres haar asielaanvraag heeft ingediend. De minister heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke onderzoekshandelingen DT&V nog wil verrichten en hoe lang ze verwachten daarmee bezig te zijn. Er is geen enkel zicht op afronding van het onderzoek. Met de hiervoor omschreven handelwijze heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voortvarend gehandeld en eiseres onnodig lang in onzekerheid laten verkeren over haar verblijfsstatus.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit meerdere gebreken bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:2754

10-02-2026, Rb Groningen, Verenigde Staten, beroep gegrond [transpersoon; nationale lijst veilige landen; artikel 3 EVRM]

Reden signalering:

Asielverzoeken transpersoon en haar moeder uit de Verenigde Staten. Minister heeft de aanvragen ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond omdat de minister gedurende de procedure de nationale lijst van veilige landen van herkomst heeft opgeschort. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers - gelet op hun individuele situatie en de huidige algemene situatie voor transpersonen - hun vrees voor vervolging of een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM niet aannemelijk hebben gemaakt.

Eiseres 1 legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres 1 heeft verklaard gediscrimineerd te zijn vanwege haar leeftijd en gehoor. Ook stelt ze haar politieke overtuiging te hebben geuit. Eiseres 2 legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres 2 heeft verklaard non-binair te zijn en problemen te hebben ervaren vanwege haar etniciteit en genderidentiteit. Ze heeft verder verklaard dat ze op school gepest is op basis van haar etniciteit. Ook heeft ze verteld dat ze speciaal onderwijs volgt omdat ze ADHD en dyslexie heeft. Eiseres 2 stelt dat de Verenigde Staten (VS) niet langer veilig is voor zwarte en gemixte mensen onder de Trump regering. Ook heeft ze verklaard gevlucht te zijn vanwege haar mentale gezondheid. Tot slot heeft eiseres 2 verteld dat ze suïcidaal is. Bij terugkeer naar de VS vreest eiseres beschoten en gedood te worden.

Heeft de minister de aanvraag van eisers als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen?

De minister heeft bij Kamerbrief van 23 september 2025 meegedeeld dat hij de toepassing van de nationale lijst met veilige landen van herkomst heeft opgeschort. Als gevolg hiervan wordt een aantal landen, waaronder de VS, niet langer als een veilig land van herkomst aangemerkt. De grond waarop de asielaanvragen van eisers als kennelijk ongegrond is afgewezen is daarmee komen te vervallen. De bestreden besluiten kunnen om deze reden niet langer standhouden. De rechtbank zal de beroepen daarom gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen.

Eisers stellen dat de minister in andere zaken uit de VS het besluit na de opschorting van de nationale lijst met veilige landen van herkomst heeft ingetrokken en besloten heeft eisers opnieuw te horen. Eisers betogen dat de minister in dit geval de besluiten eveneens had moeten intrekken nu de besluiten zijn genomen terwijl werd uitgegaan van de VS als veilig land van herkomst. Ondanks dat eiseres 2 aanvullend is gehoord, is het besluit volgens eisers onzorgvuldig tot stand gekomen, omdat de aanvraag is beoordeeld door de bril van een ‘spoor 2’ behandeling.

De rechtbank stelt vast dat de minister de asielprocedure van eiseres 1 heeft behandeld in het zogeheten ‘spoor 2’. Dit is een versnelde procedure die onder meer wordt toegepast als de vreemdeling uit een veilig land van herkomst afkomstig is. Omdat de minister de toepassing van de nationale lijst met veilige landen van herkomst heeft opgeschort en ook de VS niet langer als veilig land van herkomst wordt aangemerkt, heeft de minister de aanvraag van eiseres 1 ten onrechte in spoor 2 behandeld. De minister had de asielaanvraag van eiseres 1 eigenlijk in ‘spoor 4’ (de algemene en verlengde asielprocedure) moeten behandelen. Dit is van belang, omdat de versnelde procedure van spoor 2 minder procedurele waarborgen kent dan spoor 4. De asielaanvraag van eiseres 1 hangt weliswaar voor een groot deel samen met de asielaanvraag van eiseres 2, maar eiseres 1 heeft ook eigen asielmotieven die door de minister zijn beoordeeld.

De rechtbank is echter van oordeel dat niet is gebleken dat eiseres 1 door de afdoening van haar asielaanvraag in spoor 2 onvoldoende heeft kunnen verklaren over haar asielmotieven of op een andere wijze in haar belangen is geschaad. Eiseres 1 heeft tijdens het gehoor kunnen verklaren over de problemen die zij in de VS heeft ondervonden en heeft niet geconcretiseerd wat zij nog meer had kunnen verklaren als haar aanvraag in spoor 4 zou zijn behandeld. Daarbij komt dat de asielmotieven van eiseres 1 geloofwaardig zijn bevonden door de minister. Evenmin is gebleken dat eiseres 1 door het onthouden van een medisch onderzoek in haar belangen is geschaad. De minister heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat er in dit geval geen aanleiding bestond om eiseres 1 aanvullend te horen dan wel het besluit in te trekken.

Ook voor wat betreft eiseres 2 ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit ingetrokken had moeten worden. In het verweerschrift van 6 oktober 2025 is door de minister het standpunt dat de asielaanvragen kennelijk ongegrond zijn ingetrokken. De minister heeft in het verweerschrift gemotiveerd waarom de asielaanvragen als ongegrond moeten worden afgewezen. De rechtbank merkt het verweerschrift aan als een aanvullende motivering en ziet in deze werkwijze geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit alsnog ingetrokken had moeten worden.

Gelet op de verplichting om het geschil zoveel mogelijk finaal te beslechten, zal de rechtbank hierna beoordelen of de minister zich wel op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor de verlening van een asielvergunning en dat de asielaanvragen daarmee ongegrond zijn. De rechtbank zal daarbij gelet op de ex nunc-beoordeling ook de feiten en omstandigheden die partijen ná het bestreden besluit hebben aangevoerd in haar beoordeling betrekken.

Heeft de minister terecht overwogen dat eisers niet in aanmerking komen voor een asielvergunning?

Eisers betogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zij niet in aanmerking komen voor een asielvergunning. Eisers stellen dat het klemt dat er geen actuele landeninformatie aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Nu er grote veranderingen in het politieke, juridische en sociale veld zijn aangebracht door de regering Trump is dit wel van belang. Daarbij is duidelijk wat er daadwerkelijk uitgevoerd gaat worden van de plannen van de regering Trump en wat de intenties zijn van deze regering. De minister is daarom gehouden om inzichtelijke, kenbare bronnen van landeninformatie te hanteren en ook een actueel algemeen ambtsbericht te laten opstellen. Eisers hebben verder verwezen naar verschillende bronnen die zien op de ontwikkelingen in de VS. Er is een enorme hoeveelheid aan wetsvoorstellen gedaan die transrechten beogen te ontnemen en een groot aantal hiervan is ook daadwerkelijk aangenomen. Eisers verwijzen – samengevat – naar verschillende bronnen waaruit volgt dat de wettelijke definitie van man en vrouw wordt gewijzigd, dat transzorg voor jongeren onmogelijk wordt gemaakt waaronder ook psychologische zorg valt, dat een aantal groepen als binnenlandse terroristen worden gezien waaronder mensen met een genderideologie en worden opgepakt, dat blijkt dat ICE verschillende mensen oppakt en dat Portland Oregon maar ook andere progressieve steden niet langer veilig zijn voor transgenders.

Tussen partijen is niet in geschil dat er zorgen bestaan over de recente overheidsmaatregelen in de VS ten aanzien van transpersonen. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of de minister voldoende zorgvuldig naar de huidige situatie in de VS heeft gekeken en of die situatie dusdanig ernstig is dat eisers in aanmerking komen voor een asielvergunning. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende onderzoek heeft gedaan naar de situatie in de VS en hier voldoende gemotiveerd op is ingegaan. De minister is aan de hand van verschillende bronnen ingegaan op de situatie in de VS. Dat een deel van de bronnen zijn gebruikt ter onderbouwing toen het veilige landenbeleid nog gold maakt niet dat sprake is van een onzorgvuldigheid. In de bronnen wordt immers verwezen naar de situatie van lhbtiq+-personen en transpersonen. De minister is vervolgens in het verweerschrift van 6 oktober 2025 ingegaan op de ontwikkelingen in de VS sinds het aantreden van president Trump en heeft hierbij actuele landeninformatie betrokken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende gemotiveerd is ingegaan op de actuele situatie in de VS. Dat er geen actueel algemeen ambtsbericht is met betrekking tot de VS, maakt niet dat de minister onvoldoende zorgvuldig de situatie in de VS heeft bekeken.

De algemene situatie voor transpersonen in de VS

De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde landeninformatie volgt dat in de VS in de afgelopen jaren zowel op nationaal niveau als door staten in toenemende mate wetsvoorstellen zijn gedaan en presidentiële decreten zijn uitgevaardigd die de rechten van lhbtiq+’ers in het algemeen en transpersonen in het bijzonder inperken.

De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat de situatie voor transpersonen in de VS is verslechterd, zoals door eisers is betoogd. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank echter voldoende gemotiveerd dat, ondanks de verslechtering en de inperking van de rechten voor transpersonen, geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. De rechtbank overweegt dat uit de stukken niet naar voren komt dat transpersonen dusdanig worden beperkt in hun bestaansmogelijkheden dat zij in de VS onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kunnen functioneren en/of systematisch het doelwit zijn van geweld. Uit de informatie blijkt bijvoorbeeld niet dat transpersonen systematisch geen toegang hebben tot medische zorg, huisvesting, onderwijs of een baan waarmee zij in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

De minister heeft daarnaast ook terecht betrokken dat verschillende overheidsmaatregelen bij de rechter worden aangevochten en dat de uitvoering van meerdere maatregelen (tijdelijk) door de rechter zijn geblokkeerd. De minister heeft verder voorbeelden genoemd waaruit blijkt dat daders van ‘hate crimes’ tegen de lhbtiq+-gemeenschap strafrechtelijk zijn veroordeeld. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de (rechterlijke) autoriteiten zowel juridisch als feitelijk bescherming kunnen bieden. Van een situatie waarbij de autoriteiten in de VS transpersonen in het geheel niet willen of kunnen beschermen is dan ook niet gebleken.

De individuele situatie van eisers

Nu de rechtbank van oordeel is dat de situatie in de VS voor transpersonen niet zodanig is dat zij systematisch worden blootgesteld aan vervolging of als groep het risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM is het aan eisers om aannemelijk te maken dat in hun individuele geval wél een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM bestaat.

De rechtbank is van oordeel dat eisers daarin niet zijn geslaagd. De minister heeft in dit kader terecht overwogen dat eiseres 2 niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij uitgesloten zal worden van zorg. De minister heeft hierbij verwezen naar de verklaring van eiseres 2 dat zij voor haar vertrek uit de VS terecht kon in een mentaal ziekenhuis. Niet is gebleken dat eiseres 2 hier in de toekomst niet terecht zou kunnen. De minister heeft verder verwezen naar het gegeven dat er nog steeds genderbevestigende zorg aanwezig is in andere staten, die niet worden beïnvloed door de verboden. De minister heeft in de overgelegde bronnen dan ook geen aanleiding hoeven zien voor een ander oordeel. Eiseres 2 heeft onvoldoende onderbouwd dat zij een reëel risico loopt dat zij geheel of gedeeltelijk zal worden uitgesloten van medische zorg. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat transpersonen in de VS een beroep kunnen doen op het rechtssysteem. De minister heeft, zoals hiervoor overwogen, allereerst gewezen op het gegeven dat verschillende overheidsmaatregelen door transpersonen en organisaties bij de rechter worden aangevochten en de uitvoering van meerdere maatregelen (tijdelijk) door de rechter zijn geblokkeerd. De minister heeft verder gewezen op het feit dat eiseres 2 zich heeft kunnen wenden tot de politie. Dat deze melding niet heeft geleid tot actie leidt niet tot een ander oordeel nu eisers zelf hebben verklaard de klachten niet doorgezet te hebben. Verder heeft de melding bij de schooldirectie geleid tot de schorsing van een schoolgenoot. Hieruit volgt dat er mogelijkheden zijn voor eisers om hulp in te schakelen. De minister heeft terecht geconcludeerd dat eiseres 2 niet dusdanig in haar bestaansmogelijkheden is beperkt dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal vlak te functioneren, dan wel dat een reëel risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

De minister heeft verder terecht overwogen dat eiseres 1 weliswaar te maken heeft gehad met discriminatie op haar werk, maar dat zij evenmin dusdanig in haar bestaansmogelijkheden is beperkt dat het voor haar onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal vlak te functioneren. Eiseres 1 heeft in de VS immers scholing gevolgd, gewerkt en uit niets blijkt dat er belemmeringen waren om een woning te bewonen. Daarbij weegt mee dat zij documenten had in het land van herkomst, te weten een nationaal paspoort. Verder heeft zij op legale wijze de VS kunnen verlaten. Bovendien heeft eiseres 1 niet aannemelijk gemaakt dat zij in de VS geen bescherming van de autoriteiten kan inroepen. Ten aanzien van de politieke overtuiging heeft de minister terecht opgemerkt dat eiseres 1 heeft verklaard dat zij zich sinds 2016 negatief heeft uitgelaten over Trump, en dus voor de eerste presidentiële termijn. Niet is gebleken dat eiseres 1 in de periode daarna nog problemen heeft gehad vanwege haar eerdere negatieve uitlatingen.

Eisers hebben verder aangevoerd dat in de VS sprake is van een snel verslechterende situatie. Daarbij hebben zij ook gewezen op de behandeling van (ongedocumenteerde) immigranten in de VS en stellen zij dat er door de Amerikaanse immigratiedienst ICE willekeurig mensen worden aangehouden. Eiseres 2 is Afro Amerikaans en loopt daarom het risico om eveneens door ICE te worden aangehouden en te zullen worden mishandeld. Eisers hebben hierbij verwezen naar berichtgeving over aanhoudingen, mishandeling en moorden door ICE.

De rechtbank is van oordeel dat eisers onvoldoende hebben onderbouwd waarom de wijze waarop de Amerikaanse overheid met immigranten of andere bevolkingsgroepen omgaat, betekent dat eiseres 2 persoonlijk een gegronde vrees heeft dat zij zal worden vervolgd of te maken zal krijgen met een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM. Eiseres 2 beschikt immers over de Amerikaanse nationaliteit en heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in dezelfde positie verkeert als (ongedocumenteerde) migranten. De rechtbank is verder met de minister van oordeel dat door eisers onvoldoende is onderbouwd dat zij als binnenlandse terroristen zullen worden gezien. In de aangehaalde bron wordt verwezen naar binnenlandse terroristen die geweld of de dreiging van geweld gebruiken om politieke en sociale agenda’s promoten. Niet valt in te zien waarom eisers hieronder zouden vallen. De minister heeft in het gegeven dat eiseres 1 in het verleden geld heeft gegeven aan antifa geen aanleiding hoeven zien voor een ander oordeel.

Gelet op het voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers – gelet op hun individuele situatie en de huidige algemene situatie voor transpersonen in de VS – hun vrees voor vervolging of een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM niet aannemelijk hebben gemaakt.

Conclusie en gevolgen

Nu de asielaanvragen van eisers niet als kennelijk ongegrond mochten worden afgewezen en de minister in het verlengde daarvan ook niet kon overgaan tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit met een onmiddellijke vertrekplicht en een inreisverbod, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, voor zover het de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond en de uitvaardiging van het terugkeerbesluit en het inreisverbod betreft.

De rechtbank ziet, in het kader van de finale geschilbeslechting en gelet op proceseconomische redenen, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Zoals in deze uitspraak is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de minister de asielaanvragen wel ongegrond mocht verklaren. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb te bepalen dat de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. Dit houdt in dat deze uitspraak heeft te gelden als een terugkeerbesluit en dat de vertrektermijn vier weken bedraagt.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:2467

13-02-2026, Rb Roermond, Uganda, beroep gegrond [seksuele geaardheid; tijdsverloop; proceshouding verweerder]

Reden signalering:

De rechtbank acht het zinnig dat verweerder nagaat of een aanpassing van zijn proceshouding kan bijdragen aan het voorkomen van nog langere procedures. Indien verweerder eerder zou berusten in één rechterlijke controle van zijn besluit en bereid zou zijn om minder door te procederen in die zaken waarin de besluitvorming niet binnen wettelijke termijnen heeft plaatsgevonden en waarin geen fundamentele rechtsvragen aan de orde zijn, betekent dit niet alleen dat sneller een einde komt aan de onzekerheid voor de vreemdeling, maar tevens dat de schaarse capaciteit bij verweerder en bij de rechtbank efficiënt worden ingezet.

Eiseres heeft op 17 mei 2019 een asielaanvraag ingediend. De rechtbank doet heden, zes jaar en 10 maanden later, uitspraak op het besluit dat betrekking heeft op deze -eerste en enige- aanvraag. Dit buitengewoon aanzienlijke tijdsverloop is niet te wijten aan eiseres.

De rechtbank overweegt dat deze procedure zich bij uitstek leent om zelf te voorzien en te bepalen dat verweerder aan eiseres een verblijfsvergunning moet verlenen in verband met haar seksuele geaardheid. De rechtbank is daartoe ook bevoegd gelet op het Unierecht en de uitlegging hiervan door het Hof. De rechtbank ontleent de bevoegdheid om zelf te voorzien ook aan het nationale bestuursprocesrecht en is zelfs verplicht om zoveel mogelijk het geschil finaal te beslechten. De rechtbank ziet in deze procedure, juist om het geschil finaal te beslechten, echter af van het zelf voorzien. De ervaring van de rechtbank is namelijk dat het zelf voorzien door de rechtbank een zelfstandige aanleiding voor verweerder is om in hoger beroep te gaan.

De rechtbank geeft verweerder ook reeds nu mee dat niet uitgesloten moet worden geacht dat de rechtbank in de nabije toekomst wel zal overgaan tot gebruikmaking van haar Unierechtelijke en nationaal-wettelijke bevoegdheid om geschillen finaal te gaan beslechten. De rechtbank is zéér bezorgd over ‘de werkvoorraad’ bij zowel verweerder als de rechtbank. Verweerder heeft publiekelijk te kennen gegeven dat hij vanaf 12 juni 2026 slechts grofweg een derde van zijn capaciteit zal inzetten voor de behandeling van aanvragen die voor die datum zijn ingediend en zich voornamelijk zal richten op asielaanvragen die worden beoordeeld met het toetsingskader zoals dat uit het Asiel- en migratiepact volgt. Tegelijkertijd heeft te gelden dat de enige mogelijkheid die vreemdelingen hebben om besluitvorming af te dwingen, te weten het indienen van een zogenoemd ‘beroep niet tijdig’, niet effectief is en niet daadwerkelijk tot besluitvorming leidt.

De rechtbank acht het zinnig dat verweerder reeds nu nagaat of een aanpassing van zijn proceshouding kan bijdragen aan het voorkomen van nog langere procedures. Indien verweerder eerder zou berusten in één rechterlijke controle van zijn besluit en bereid zou zijn om minder door te procederen in die zaken waarin de besluitvorming niet binnen wettelijke termijnen heeft plaatsgevonden en waarin geen fundamentele rechtsvragen aan de orde zijn, betekent dit niet alleen dat sneller een einde komt aan de onzekerheid voor de vreemdeling, maar tevens dat de schaarse capaciteit bij verweerder en bij de rechtbank efficiënt worden ingezet.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:2949



Deel deze informatie
  • Delen op Whatsapp
  • Delen op LinkedIn

We hebben een nieuw beeldmerk:

Lees meer


Over de Raad voor Rechtsbijstand

Burgers moeten kunnen rekenen op passende ondersteuning en goede rechtsbijstand. Daar maakt de Raad voor Rechtsbijstand zich sterk voor via de organisatie en borging van gesubsidieerde mediation en rechtsbijstand, uitvoering van de Wet schuldsanering natuurlijke personen en de Wet beëdigde tolken en vertalers.

  • Meer over ons
  • Contact
  • Protocol Wet open overheid (Woo)
  • Toegankelijkheid
  • Privacy
  • Cookies
  • Proclaimer
  • Informatiebeveiliging

Volg ons op

  • Youtube
  • LinkedIn