Jurisprudentie
Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:
02-04-2026, Rb Middelburg MK, Syrië, beroep ongegrond [artikel 1F Vluchtelingenverdrag; artikel 8 EVRM]
Reden signalering:
De rechtbank oordeelt dat verweerder de asielvergunning van eiser mocht intrekken, omdat hij tijdens zijn asielprocedure heeft achtergehouden dat hij in verband kan worden gebracht met terroristische misdrijven. Ook oordeelt de rechtbank dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser kan terugkeren naar Syrië, dat er een zwaar inreisverbod en een signalering tegen hem mocht worden uitgevaardigd, omdat eiser een actuele bedreiging voor de openbare orde is, en dat geen sprake is van strijd met het recht op familie- en privéleven.
Artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 1951
Volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling vereist de veronderstelling dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 1951 van toepassing is geen bewijs conform de in het strafrecht gehanteerde maatstaven. Voor eisers stelling ter zitting dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken wanneer gebleken is dat het Openbaar Ministerie in Nederland daadwerkelijk kan overgaan tot vervolging bestaat geen juridische basis. Eiser kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder niet bevoegd zou zijn om zijn asielvergunning vanwege de toepasselijkheid van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag in te trekken omdat zijn veroordeling nog onderwerp is van een hoger beroep.
Artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag moet restrictief worden uitgelegd. Het ligt dan ook op de weg van verweerder om aan te tonen dat ernstige redenen zoals bedoeld in dit artikel aanwezig zijn. Vanwege de ernst van de betreffende misdrijven en het verstrekkende karakter van de vaststelling dat dit artikel van toepassing is, worden aan de bewijsvoering en motivering strenge eisen gesteld. Dit volgt uit de vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 16 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2008.
Niet in geschil is dat verweerder op grond van openbaar toegankelijke bronnen aannemelijk heeft gemaakt dat IS zich in de periode waarin eiser zich volgens het strafvonnis van 28 juni 2024 bij hen heeft aangesloten systematisch en op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen die kwalificeren als misdrijven in de zin van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag. In het strafvonnis van 28 juni 2024 is bewezen verklaard dat eiser in juni 2016 in [plaats] onderdeel is gaan uitmaken van de Ansar-terreurgroep, die op enig moment trouw heeft gezworen aan IS. Eiser is daar in die hoedanigheid gebleven totdat in 2019 de laatste IS-strijders door het Syrische regeringsleger werden verjaagd. Eiser heeft in die periode door deel te nemen aan de gewapende strijd een aandeel gehad in de verwezenlijking van het terroristisch gedachtegoed van IS. Ondanks dat eiser deze bewezenverklaring aanvecht in hoger beroep, heeft verweerder hieruit terecht geconcludeerd dat voldaan is aan de vereisten van knowing and personal participation. Verweerder is daarom terecht op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw tot intrekking en niet-verlenging van eisers asielvergunning overgegaan.
Onjuiste of achtergehouden gegevens
Hoewel het voorgaande de intrekking en niet-verlenging al kan dragen, gaat de rechtbank vanuit het oogpunt van finale geschilbeslechting ook in op de beroepsgronden over het verstrekken van onjuiste gegevens, dan wel het achterhouden van gegevens. Allereerst moet in dat kader worden opgemerkt dat, anders dan eiser lijkt aan te voeren, hierbij sprake is van een afzonderlijke intrekkingsgrond. Het is dus niet zo dat tevens aan deze intrekkingsgrond moet zijn voldaan om de hiervoor besproken intrekkingsgrond staande te houden, of andersom.
Niet in geschil is dat eiser tijdens zijn aanmeldgehoor van 4 april 2019 heeft verklaard dat hij nooit actief is geweest voor een gewapende groepering. Evenmin is in geschil dat hij tijdens zijn nader gehoor van 4 juni 2020 geen melding heeft gemaakt van deelname aan een gewapende groepering. Uit de volgens het strafvonnis van 28 juni 2024 bewezenverklaarde feiten volgt echter dat eiser dat wel degelijk heeft gedaan. Eiser heeft daarmee gegevens achtergehouden die hadden geleid tot het afwijzen van zijn asielaanvraag als die gegevens meteen bekend waren geweest. Immers, uit wat hiervoor is overwogen volgt dat uit deze gegevens kan worden opgemaakt dat artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag aan eiser kan worden tegengeworpen, wat niet alleen een intrekkingsgrond maar ook een afwijzingsgrond is.
Het door eiser aangehaalde artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn vereist in het derde lid, onder b, niet dat sprake moet zijn van een onherroepelijke veroordeling. De omstandigheid dat er nog een hoger beroep aanhangig is tegen het strafvonnis van 28 juni 2024 maakt dan ook niet dat verweerder deze intrekkingsgrond niet mocht tegenwerpen. Verweerder is daarom ook terecht op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw tot intrekking en niet-verlenging van eisers asielvergunning overgegaan.
Terugkeerbesluit
Verweerder heeft gemotiveerd en onder verwijzing naar openbaar toegankelijke bronnen, zoals het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Syrië van mei 2025, overwogen dat niet gebleken is dat oud IS-strijders die staatloos Palestijn zijn op dit moment in [plaats] een reëel risico lopen op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft zijn stelling dat dit wel het geval is niet onderbouwd. De enkele stelling dat UNRWA niet meer aanwezig is, is hiervoor onvoldoende. Hierbij is van belang dat tijdens de zitting op 25 februari 2026 is opgehelderd dat Syrië in het geval van eiser kan worden aangemerkt als land van herkomst in de zin van artikel 3, derde lid, aanhef en onder het eerste streepje, van de Terugkeerrichtlijn omdat dit eisers land van bestendig verblijf is.
Eiser kan daarnaast niet worden gevolgd in zijn stelling dat terugkeer naar Syrië langdurig niet mogelijk is. Hij is niet zeer langdurig of levenslang gestraft. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat het niet mogelijk is om eiser na afloop van zijn detentie uit te zetten. De enkele opmerking van een regievoerder van DT&V tijdens het vertrekgesprek van 23 september 2025 dat dit moeilijk zal worden en dat diegene de precieze mogelijkheden daartoe niet kent, is daartoe onvoldoende. Ook eisers stelling dat artikel 8 van het EVRM aan uitzetting in de weg staat slaagt niet. Hierop zal hierna verder worden ingegaan. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de beantwoording van de door eiser aangehaalde prejudiciële vragen af te wachten, dan wel om verweerder op te dragen aan eiser een tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning te verstrekken.
Unierechtelijk openbare ordecriterium
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij niet (langer) een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging is. Hoewel eiser zich al in [plaats] bevond toen de oorlog in Syrië uitbrak en bij hem geen sprake was van religieuze of jihadistische motieven, laat dit onverlet dat hij zich volgens het strafvonnis van 28 juni 2024 heeft aangesloten bij een terroristische organisatie en zelfs actief heeft deelgenomen aan de gewapende strijd. Dit heeft eiser gedaan gedurende meerdere jaren tot aan 2019. Het betreft dan ook behoorlijk ernstige en tamelijk recente gedragingen. Eiser heeft met de door hem overgelegde stukken aannemelijk gemaakt dat hij zich in detentie goed gedraagt. Hieraan komt echter beperkte betekenis toe, aangezien het in eisers belang is om zolang hij onder toezicht staat niet te worden gezien als een gevaar voor de openbare orde. Hieruit kan ook niet worden afgeleid dat eiser als dit toezicht wegvalt een houding zal aannemen die zich verdraagt met de fundamentele waarden van de artikelen 2 en 3 van het VEU. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2670, en 7 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:73. Verder heeft eiser er tijdens het intrekkingsgehoor van 14 mei 2025 en tijdens de zitting op 25 februari 2026 ook geen blijk van gegeven dat hij een houding aanneemt die zich verdraagt met de fundamentele waarden van de samenleving. Eiser heeft enkel ontkend dat hij betrokken is geweest bij de feiten waarvoor hij door de rechtbank Rotterdam is veroordeeld en geen afstand genomen van de terroristische activiteiten van IS. Gelet hierop heeft verweerder terecht tegen eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn alsmede een inreisverbod en een signalering in de systemen E&S en SIS voor de duur van twintig jaren uitgevaardigd.
Familie- en privéleven
In artikel 8 EVRM is het recht op familie- en privéleven neergelegd. Niet in geschil is dat eiser in Nederland familieleven heeft met zijn vrouw en drie minderjarige kinderen en dat hij in Nederland privéleven heeft. Evenmin is in geschil dat het bestreden besluit hierop een inmenging vormt. Dit artikel staat echter pas aan het bestreden besluit in de weg als een afweging tussen eisers belang bij uitoefening van zijn familie- en privéleven in Nederland enerzijds, en het algemeen belang van de Nederlandse Staat anderzijds in het voordeel van eiser zou uitvallen. In deze afweging moet verweerder een goed evenwicht vinden tussen alle betrokken belangen. Omdat hierbij een zekere beoordelingsruime bestaat, moet de rechtbank dit enigszins terughoudend toetsen.
Hoewel eiser familieleven heeft, heeft verweerder hier niet ten onrechte een relatief gering gewicht aan toegekend. Eiser bevindt zich immers in detentie en zijn kinderen zijn uit huis geplaatst. Wat ook niet in eisers voordeel spreekt, is dat hij zich op 23 januari 2023 schuldig heeft gemaakt aan huiselijk geweld. Uit de door eiser overgelegde beschikking tot verlenging van uithuisplaatsing volgt dat de rechtbank terugplaatsing bij één van de ouders van de dochter van 4 jaar niet voor zich ziet. Ten aanzien van de zoon van 9 en de dochter van 11 jaar oud overweegt de rechtbank dat nader onderzoek moet plaatsvinden naar het perspectief voor deze kinderen, maar dat in de tussentijd de uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening moet worden verlengd. Ook hieruit volgt dat eisers familieleven van een relatief gering gewicht is.
Hier komt bij dat eiser zijn stelling dat voortzetting van het familieleven in Syrië niet mogelijk is, niet aannemelijk heeft gemaakt. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege een artikel 3 EVRM-risico niet zou kunnen terugkeren naar Syrië. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zijn vrouw en kinderen als familieleden van iemand die Syrië lang als een land van bestendig verblijf heeft gehad geen toegang tot Syrië zouden kunnen krijgen. De enkele stelling dat zij niet de Syrische nationaliteit hebben is hiertoe niet voldoende.
Ten aanzien van zijn privéleven heeft eiser erop gewezen dat hij in Nederland een baan en een studie had en dat hij bezig was met het halen van zijn rijbewijs en het leren van de taal. Hier heeft verweerder echter niet ten onrechte tegenover gesteld dat eiser sterkere banden met Syrië heeft dan met Nederland, omdat hij daar veruit het grootste deel van zijn leven heeft gewoond. Eisers stelling dat hij goede reclasserings- en re-integratiekansen heeft, zijn toekomstige onzekere gebeurtenissen.
Ten slotte heeft verweerder niet ten onrechte zwaar gewicht toegekend aan het belang van de Nederlandse Staat bij het handhaven van de openbare orde en de nationale veiligheid. Aangezien dit aspect niet aan de orde was in het door eiser aangehaalde [naam 3] -arrest, kan eiser daar geen geslaagd beroep op doen. Al met al betekent dit dat verweerder de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Beroep ongegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:9401
07-04-2026, Rb Haarlem, beroep gegrond [Dublin-België; AIDA-rapport; opvang; minderjarige kinderen]
Reden signalering:
De rechtbank concludeert dat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd dat in het geval van eisers ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Gelet op de in het AIDA-rapport geschetste omstandigheden is er een reële kans dat eisers enige tijd geen toegang tot opvang zullen krijgen. Verweerder is onvoldoende ingegaan op deze situatie en heeft hierbij de belangen van de minderjarige kinderen onvoldoende betrokken.
Eisers voeren aan dat ten aanzien van België niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit het AIDA-rapport over België (2024 update) volgt dat Dublinterugkeerders geen automatische toegang hebben tot opvangvoorzieningen als zij een herhaalde asielaanvraag hebben ingediend, ook niet wanneer het een gezin met minderjarige kinderen betreft.3 Dit komt ook overeen met de eigen ervaringen van eisers. Zij hebben al meermaals asiel aangevraagd in België. Tijdens de meest recente asielprocedure werden zij niet toegelaten tot de opvang. In dat kader wijzen eisers ook op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 24 oktober 2025, de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 4 november 2025 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 5 februari 2026. Uit deze uitspraken volgt dat ten aanzien van gezinnen met (jonge) kinderen sprake is van tekortkomingen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid hebben bereikt. Verweerder heeft ook niet voldoende gemotiveerd dat adequate opvang wel beschikbaar is voor deze doelgroep.
Daar komt bij dat de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3305) heeft geoordeeld dat voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ten onrechte heeft verweerder alsnog besloten om eiser 2, de meerderjarige zoon van eiser 1 en eiseres 1, over te dragen aan België. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025 volgt ook dat asielzoekers geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Verweerders standpunt dat eisers in België kunnen klagen over de opvangvoorzieningen, gaat daarom niet op volgens eisers.
De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in haar uitspraak van 13 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:896) heeft geoordeeld dat ten aanzien van België kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In haar uitspraak van 23 juli 2025 is de Afdeling in zoverre teruggekomen van de uitspraak van 13 maart 2024 dat ten aanzien van België voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit deze uitspraak volgt dat voor wat betreft de opvangsituatie in België – voor zover het niet-kwetsbare alleenstaande mannen betreft – er niet langer sprake is van tijdelijke tekortkomingen, maar van tekortkomingen die als structureel moeten worden beschouwd. Verder volgt uit die uitspraak dat asielzoekers in België geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Dit omdat is gebleken dat de Belgische autoriteiten onverschillig staan tegenover de tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en weigeren gerechtelijke uitspraken uit te voeren en dwangsommen te betalen.
Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit sprake van een motiveringsgebrek ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daartoe is het volgende redengevend.
Eisers hebben in het verleden meermaals asielaanvragen ingediend in België. Bij overdracht aan België zullen zij dan ook worden aangemerkt als Dublinterugkeerders met een herhaalde asielaanvraag. Verweerder stelt zich in dit kader op het standpunt dat de Belgische autoriteiten met het expliciete claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling nemen en dat dit verzoek wordt beoordeeld in lijn met de verschillende Europese richtlijnen op het gebied van asielrecht. Bovendien zijn zij niet eerder overgedragen aan België in het kader van de Dublinverordening. Verweerder verwijst hierbij ook naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 2 april 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:5581) In die uitspraak is geoordeeld dat het systeem dat de Belgische autoriteiten geen opvang verlenen aan asielzoekers die een opvolgende aanvraag indienen voordat de aanvraag ontvankelijk is verklaard, voldoet aan de normen van de Opvangrichtlijn. De rechtbank vindt deze verwijzing onvoldoende. Dat de Opvangrichtlijn toestaat bij opvolgende aanvragen in het algemeen materiële opvangvoorzieningen in te trekken of te beperken, zoals verweerder terecht heeft aangevoerd, betekent niet dat dit in deze situatie is toegestaan. Uit het AIDA-rapport over België (2024 update) blijkt immers dat Dublinterugkeerders onder de algemene praktijk voor opvolgende aanvragen vallen en dat die systematisch uitgesloten zijn van opvang. Zij kunnen zich inschrijven op een wachtlijst, waarna ze na veelal enkele maanden worden toegelaten tot een opvanglocatie. Uit dit rapport volgt dat dit ook geldt voor gezinnen met minderjarige kinderen. Gelet op de in dit rapport geschetste omstandigheden acht de rechtbank de kans reëel dat eisers, een gezin met (minderjarige) kinderen met een opvolgende asielaanvraag, enige tijd geen toegang tot opvang krijgen na overdracht aan België. Daarnaast constateert de rechtbank dat verweerder niet heeft betrokken in hoeverre het geen toegang hebben tot opvang ingaat tegen de belangen van de minderjarige kinderen van eisers.
Met verweerders argument dat eisers recht zullen hebben op medische en juridische hulp totdat over de ontvankelijkheid van de asielaanvraag is beslist en dat zij kunnen klagen bij de Belgische autoriteiten indien zij geen opvang ontvangen, is het motiveringsgebrek niet hersteld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierbij miskent wat de Afdeling daarover heeft geoordeeld in de eerder aangehaalde uitspraak van 23 juli 2025. Het recht op juridische hulp is niet voldoende. Zonder een goed systeem van rechtsbescherming kunnen individuen moeite hebben om hun rechten te doen gelden, waardoor hun fundamentele rechten niet adequaat worden beschermd.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er ten aanzien van België kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel met betrekking tot gezinnen met (minderjarige) kinderen die een opvolgende asielaanvraag indienen. Aan een bespreking van de argumenten die zien op de overdracht van eiser 2 als niet-kwetsbare alleenstaande man komt de rechtbank niet meer toe. Verweerder heeft zich in beroep namelijk op het standpunt gesteld dat hij tot het kerngezin behoort. Dit brengt met zich mee dat ook voor hem, evenals voor de overige gezinsleden, een reële kans bestaat dat hij na overdracht aan België gedurende enige tijd geen toegang tot opvang zal krijgen.
Al gelet op wat hiervoor is overwogen ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking en het beroep is al om die reden gegrond. De rechtbank komt daarom niet toe aan de bespreking van wat verder door eisers is aangevoerd in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het besluit bevat een motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:9183
10-03-2026, Rb Amsterdam, beroep gegrond [herkomst en identiteit ongeloofwaardig; adequate opvang; terugkeerbesluit naar Syrië, Irak of Turkije]
Reden signalering:
Uit de jurisprudentie van ondermeer de Afdeling volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister bij het opnemen van één of meerdere landen van terugkeer in het terugkeerbesluit een kenbare en actuele beoordeling moet maken van de vraag of terugkeer naar deze landen strijdig is met het non-refoulementbeginsel. In tegenstelling tot wat de minister op zitting heeft gesteld, geldt dit naar het oordeel van de rechtbank óók als de nationaliteit en herkomst van een vreemdeling niet aannemelijk zijn geworden, nu bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn het beginsel van non-refoulement in elke fase van de terugkeerprocedure moet worden geëerbiedigd. De rechtbank stelt vast dat de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit niet heeft beoordeeld of er bij terugkeer van eiser naar Syrië, Irak of Turkije sprake zal zijn van een risico op refoulement.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in 2006 in Syrië is geboren in [geboorteplaats]. Hij heeft verklaard dat hij staatloos is, tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort en dat hij in 2011, toen hij vijf jaar oud was, met zijn familie uit Syrië is gevlucht vanwege de oorlog. In Turkije konden eiser en zijn familie ook niet naturaliseren en hierdoor hadden zij ook hier geen rechten. Eiser heeft verklaard dat hij samen met zijn neef, [naam 1], van Kroatië naar Nederland is gereisd. Hij heeft daarnaast uitgelegd dat zijn ouders nog in Turkije wonen, in [woonplaats], en dat hij nog steeds contact heeft met zijn ouders.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig. De geloofwaardigheid van het tweede asielmotief heeft de minister daarom niet getoetst. De verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Volgens de minister wisselen de verklaringen die eiser heeft afgelegd in Kroatië zodanig met hetgeen hij in Nederland heeft verklaard, dat niet valt af te leiden welke verklaringen over zijn persoonsgegevens correct zijn. De minister mag van eiser verwachten dat hij eerlijk en consistent is over zijn persoonsgegevens, ook al is hij jong, ongeschoold en analfabeet. Daarnaast volgt uit de taalanalyse dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot een spraakgemeenschap binnen Syrië. Tevens heeft Bureau Documenten geconcludeerd dat de identiteitsverklaring die door eiser is overgelegd, afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Gezien het bovenstaande kan eiser volgens de minister ook niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd.
Daarnaast komt eiser volgens de minister niet met terugwerkende kracht in aanmerking voor een buitenschuldvergunning op basis van het beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser tijdens zijn minderjarigheid adequate opvang had bij zijn ouders. De minister legt een terugkeerbesluit op naar Syrië, Irak of Turkije. Ook krijgt eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
Identiteit, nationaliteit en herkomst
De rechtbank is van oordeel dat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. De minister mocht zijn standpunt over de geloofwaardigheid van dit asielmotief namelijk baseren op de uitkomst van de taalanalyse en het onderzoek door Bureau Documenten. Zowel een rapport van een taalanalyse als een rapport van Bureau Documenten, kunnen volgens vaste rechtspraak van de Afdeling aangemerkt worden als deskundigenadvies. Als de inhoud van dergelijke rapporten inzichtelijk en concludent is en als de vreemdeling geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waardoor aan de uitkomst getwijfeld kan worden, mag de minister uitgaan van de juistheid van dergelijke rapporten.
Wat betreft de inhoud van de rapporten overweegt de rechtbank het volgende. Uit het rapport van de taalanalyse volgt dat niets in de spraak van eiser erop wijst dat hij ooit contact heeft gehad met uit Syrië afkomstige sprekers van het Kurmanji. Dit terwijl volgens het rapport juist wel van eiser verwacht mag worden dat hij nog steeds een goede beheersing heeft van het Kurmanji-Koerdisch zoals dat gangbaar is in zijn gestelde geboortestreek in Syrië. Eiser stelt namelijk dat hij samen met zijn ouders, die hun hele leven in Syrië zouden hebben gewoond, naar Turkije is gevlucht. Bovendien zijn volgens het rapport ook in Turkije veel Syrisch-Koerdische vluchtelingen aanwezig. Uit het onderzoek door Bureau Documenten blijkt daarnaast dat de door eiser overgelegde Syrische identiteitsverklaring afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Dit document is daarom met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. De rechtbank overweegt dat de minister, gezien de uitkomst van beide onderzoeken, de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. De rechtbank betrekt hier ook bij dat eiser tijdens de gehoren, in beroep en op de zitting geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht die twijfel kunnen zaaien over de uitkomst van deze onderzoeken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ten overvloede wil de rechtbank wel benadrukken dat de minister niet zomaar had kunnen tegenwerpen dat eiser andere verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft afgelegd in Kroatië. Eiser heeft uitgelegd waarom hij in Kroatië andere persoonsgegevens heeft opgegeven. Hij was jong en kwetsbaar en een Irakees gezin dat zich ook in Kroatië bevond heeft zich toen over hem ontfermd. Dit gezin heeft hem gezegd dat hij deze gegevens moest doorgeven. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser met deze uitleg niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij met afwijkende persoonsgegevens staat geregistreerd in Kroatië. Dit laat echter onverlet dat de minister de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst wel ongeloofwaardig heeft mogen achten, vanwege hetgeen hiervoor is overwogen.
Amv-buitenschuldvergunning
Eiser brengt ook naar voren dat hij hier als amv’er naartoe is gekomen en dat hij destijds in het bezit had moeten worden gesteld van een reguliere buitenschuldvergunning. De ouders van eiser konden hem geen adequate opvang bieden. Door lang te wachten met het nemen van een beslissing heeft de minister wel degelijk te weinig rekening gehouden met de belangen van het kind.
De rechtbank stelt vast dat de minister ten tijde van eisers minderjarigheid onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de vraag of er voor eiser adequate opvang is indien hij als minderjarige Nederland zou moeten verlaten. Hiertoe is van belang dat eiser op 18 november 2022 asiel heeft aangevraagd. Hij was toen 16 jaar en 11 maanden oud. Tijdens het aanmeldgehoor op 13 februari 2023 zijn aan eiser enkele vragen gesteld over zijn ouders en het contact dat hij met hen onderhoudt. Eerst op 21 februari 2024, eiser was inmiddels 18 jaar, doet de minister vervolgonderzoek naar de vraag of eiser terug zou kunnen keren naar zijn ouders. De minister heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat hij met het nader gehoor zo lang heeft gewacht.
Dit gebrek leidt in de onderhavige situatie echter niet tot gegrondverklaring van het beroep nu eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. De minister heeft zich in het bestreden besluit namelijk op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die met terugwerkende kracht tot aan meerderjarigheid hadden moeten leiden tot het ambtshalve verlenen van een amv-buitenschuldvergunning. Tijdens het aanmeldgehoor, vier maanden na zijn asielaanvraag, is eiser gevraagd of hij nog contact heeft met zijn ouders. Eiser heeft toen verklaard dat hij tot aan zijn vertrek uit Turkije altijd bij zijn ouders heeft gewoond, dat zijn ouders weten dat hij in Nederland is en dat hij ze twee of drie dagen geleden voor het laatst heeft gesproken. Tijdens het nader gehoor heeft eiser aangegeven dat zijn ouders altijd voor hem hebben gezorgd. Hij heeft toen ook het telefoonnummer van zijn ouders doorgegeven en aangegeven dat hij zijn ouders nog steeds iedere twee à drie dagen spreekt. De minister heeft zich volgens de rechtbank daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er tijdens de minderjarigheid van eiser adequate opvang beschikbaar was bij zijn ouders in Turkije. Zoals de minister opmerkt, ligt de zorgplicht in principe bij de ouders en zijn er geen indicaties naar voren gekomen waaruit blijkt dat er geen adequate opvang beschikbaar was bij de ouders. De beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeerbesluit en risico op refoulement
Daarnaast geeft eiser aan dat bij terugkeer altijd in ogenschouw moet worden genomen of er sprake is van een risico op refoulement. Volgens eiser had er geen terugkeerbesluit naar Syrië, Irak of Turkije opgelegd kunnen worden zonder nader onderzoek naar de situatie in deze landen.
De rechtbank zal hieronder eerst ingaan op enkele relevante jurisprudentie over toetsing van het refoulementrisico bij het opleggen van een terugkeerbesluit. Naar aanleiding van prejudiciële vragen die gesteld zijn door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ECLI:NL:RBDHA:2023:3154, heeft het Hof in het arrest Ararat verduidelijkt dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van de artikelen 4 en 19, tweede lid van het Handvest, de minister verplicht om een actuele beoordeling van het refoulementrisico te maken vóór de uitvoering van het terugkeerbesluit. Rechtbank Roermond heeft vervolgens in een tussenuitspraak overwogen dat, gelet op de systematiek van de vreemdelingenwet en meer in het bijzonder van de meeromvattende beschikking, uit het arrest Ararat volgt dat de minister deze actuele beoordeling van het refoulementrisico moet maken vóór de oplegging van het terugkeerbesluit omdat in de vreemdelingenwet niet is voorzien in een zelfstandig besluit tot verwijdering. Bij uitspraak in hoger beroep tegen de einduitspraak van rechtbank Roermond, heeft de Afdeling de hierboven genoemde tussenuitspraak van zittingsplaats Roermond bevestigd (ECLI:NL:RVS:2025:4178).
Uit bovenstaande jurisprudentie volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister bij het opnemen van één of meerdere landen van terugkeer in het terugkeerbesluit een kenbare en actuele beoordeling moet maken van de vraag of terugkeer naar deze landen strijdig is met het non-refoulementbeginsel. In tegenstelling tot wat de minister op zitting heeft gesteld, geldt dit naar het oordeel van de rechtbank óók als de nationaliteit en herkomst van een vreemdeling niet aannemelijk zijn geworden, nu bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn het beginsel van non-refoulement in elke fase van de terugkeerprocedure moet worden geëerbiedigd. De rechtbank stelt vast dat de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit niet heeft beoordeeld of er bij terugkeer van eiser naar Syrië, Irak of Turkije sprake zal zijn van een risico op refoulement. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek in de besluitvorming. De minister zal van alle drie de landen die in het terugkeerbesluit zijn genoemd, moeten beoordelen of sprake is van een risico op refoulement. Daarbij zal rekening gehouden moeten worden met de verklaringen van eiser en met hetgeen algemeen bekend is over deze landen. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met de artikelen 3:2 (het zorgvuldigheidsbeginsel) en 3:46 (het motiveringsbeginsel) van de Awb. De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:6477
15-04-2026, Rb Groningen, Irak, beroep gegrond [joodse etniciteit; relevant asielmotief]
Reden signalering:
Naar het oordeel van de rechtbank kan weliswaar een onderscheid worden gemaakt tussen het joodse geloof en de joodse etniciteit, maar heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vraag of eiseres etnisch joods is geen relevant asielmotief is, omdat het geen verband houdt met vervolging bij terugkeer.
Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat toen zij op de basisschool zat, zij heeft gehoord dat zij niet moslim is maar joods. Eiseres heeft dit in Irak altijd geheim gehouden. Nadat eiseres in Nederland bij haar zus was geweest, kwam zij bij terugkomst in Irak erachter dat haar man was vreemdgegaan. Vervolgens is eiseres gaan scheiden. Haar ex-man heeft gedreigd aan mensen te vertellen dat eiseres joods is, omdat hij de bruidsschat terug wil. Bij terugkeer naar Irak vreest eiseres dat zij vermoord zal worden, omdat mensen door haar ex-man erachter zullen komen dat zij joods is.
Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
1) de identiteit, nationaliteit en herkomst,
2) dat eiseres het jodendom aanhangt en
3) dat de ex-man heeft gedreigd om aan de grote klok te hangen dat eiseres de joodse etniciteit heeft of het jodendom aanhangt.
De minister heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat het eerste asielmotief geloofwaardig is: Eiseres heeft de Iraakse nationaliteit, is geboren in Irak op [geboortedatum] en komt uit [plaats] , [gebied]. De andere twee asielmotieven vindt de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister is de vraag of eiseres daadwerkelijk etnisch joods is als haar grootvader en overgrootvader joods zijn, een vraag die niet objectief te beantwoorden valt en daarom niet verder wordt beoordeeld. Dat eiseres zichzelf als etnisch joods beschouwt is geen asielmotief, omdat dit niet relevant is voor de vraag of eiseres bij terugkeer daden van vervolging vreest. Eiseres is volgens de minister vrij om zichzelf wel of niet etnisch joods te vinden, zonder dat dit bij terugkeer tot problemen leidt.
Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiseres haar verklaringen dat zij zichzelf zowel etnisch als religieus joods beschouwt niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Dit betekent dat de minister verder beoordeelt of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is niet het geval. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c en d, van de Vw. Zo vormen de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel. De verklaringen over het geloof zijn tegenstrijdig. Eiseres heeft verklaard dat zij gelooft in het jodendom, maar tijdens het aanmeldgehoor in [jaar] heeft eiseres verklaard moslim te zijn en volgens de islam te leven. Ook verklaarde eiseres vaag over de kern van het jodendom. Verder heeft eiseres de asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft eiseres daarvoor geen goede verklaring.
Ten aanzien van het derde asielmotief heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het weinig plausibel is dat de ex-man zou dreigen bekend te maken dat eiseres joods is, omdat niet is gebleken dat eiseres joods is, in de zin dat zij het jodendom aanhangt. Verder is volgens de minister uit het relaas niet gebleken dat eiseres door haar omgeving ooit als joods is gezien.
In het bestreden besluit is de minister ingegaan op dat wat eiseres in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Zo is de minister onder meer ingegaan op de stelling van eiseres dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling niet conform de Europese richtlijnen is. Volgens de minister bestaat geen aanleiding om de werkwijze zoals opgenomen in WI 2024/6 niet langer te handhaven.
Ook is de minister in het bestreden besluit ingegaan op wat eiseres in de zienswijze heeft aangevoerd ten aanzien van de etnische kant van het jodendom en dat dit volgens haar relevant is voor de beoordeling van de asielaanvraag. Volgens de minister is nadrukkelijk een onderscheid gemaakt tussen het joodse geloof en de etnische identiteit als jood. Het etnische aspect vormt geen relevant asielmotief, omdat het geen verband houdt met vervolging bij terugkeer. Voor zover eiseres stelt dat zij etnisch joods is, is volgens de minister niet gebleken dat zij zichzelf, of dat de omgeving eiseres als zodanig beschouwt. Van belang daarbij is dat eiseres zelf heeft aangegeven dat zij in het geheim is opgevoed met het joodse geloof en dat eiseres in het dagelijks leven geen zichtbare of kenbare uiting geeft aan een joodse identiteit. Verder heeft eiseres geen concrete informatie verschaft over bijvoorbeeld de familieachtergrond waaruit blijkt dat eiseres etnisch als jood kan worden beschouwd. Om die reden is in het voornemen geen conclusie verbonden aan de vermeende etnische achtergrond en is volstaan met de constatering dat eiseres zich als joods identificeert. Nergens uit blijkt dat zij door haar omgeving als zodanig wordt gezien. De beoordeling van het asielrelaas richt zich daarom terecht op de geloofwaardigheid van de religie, aldus de minister.
Bij schrijven van 10 februari 2026 heeft de minister een aanvullend besluit genomen. In dat besluit heeft de minister aangegeven dat de brief van de rabbijn echt is, maar dat aan die brief niet of nauwelijks bewijswaarde toekomt omdat de brief geen informatie bevat over hoe de rabbijn heeft vastgesteld dat eiseres joods is. Uit de brief blijkt niet dat de rabbijn hiernaar onderzoek heeft gedaan. De brief kan daarom niet opwegen tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister. De rabbijn geeft aan dat eiseres joods is, omdat de halfzus van eiseres joods is en dezelfde moeder als eiseres heeft (het joods-zijn zou door de moeder worden doorgegeven). Volgens de minister heeft de rabbijn daarmee niet vastgesteld dat eiseres joods is, maar enkel aangegeven dat haar zus joods zou zijn. Om dit aannemelijk te maken heeft eiseres concreet moeten verklaren hoe de rabbijn heeft vastgesteld dat haar zus joods is. Dit heeft eiseres niet gedaan.
Eiseres voert aan dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling niet conform de Europese richtlijnen is. Naar aanleiding van de uitspraak van 8 augustus 2025 heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de minister geen integrale beoordeling heeft gemaakt als bedoeld in die uitspraak.
Wat oordeelt de rechtbank
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de minister terecht een onderscheid maakt tussen het joodse geloof en de etnische identiteit als jood en in het verlengde daarvan de vraag of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vraag of eiseres etnisch joods is niet objectief te beantwoorden valt en dat de etnische identiteit als jood geen relevant asielmotief is, omdat het geen verband houdt met vervolging bij terugkeer.
Naar het oordeel van de rechtbank kan weliswaar een onderscheid worden gemaakt tussen het joodse geloof en de joodse etniciteit, maar heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vraag of eiseres etnisch joods is geen relevant asielmotief is, omdat het geen verband houdt met vervolging bij terugkeer. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Is de joodse etniciteit (afkomst) een relevant asielmotief?
Op grond van het Vluchtelingenverdrag geldt als vluchteling elke persoon die gegronde vrees heeft voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging. Hoewel etniciteit niet in het Vluchtelingenverdrag wordt genoemd biedt het Handboek van de UNHCR wel aanwijzingen dat gegronde vrees voor vervolging op grond van etniciteit kan bestaan.
Zo kan uit paragraaf 68 van het Handboek worden afgeleid dat het begrip ras moet worden beschouwd in de ruimste zin, waaronder ook alle soorten etnische groepen vallen waarnaar in het gangbaar taalgebruik als ‘ras’ wordt verwezen. Vaak gaat dit ook gepaard met het behoren tot een specifieke sociale groep van gemeenschappelijke afkomst, die een minderheid vormt binnen een grotere bevolkingsgroep. Discriminatie wegens ras wordt wereldwijd veroordeeld als een van de ernstigste schendingen van mensenrechten. Discriminatie op grond van ras is derhalve een belangrijke factor bij het vaststellen of er sprake is van vervolging.
In paragraaf 69 is opgenomen dat discriminatie op grond van ras vaak vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag behelst. Dit is het geval indien, als gevolg van rassendiscriminatie, de menselijke waardigheid zodanig wordt aangetast dat dit in strijd is met de meest basale en onvervreemdbare mensenrechten, of als het negeren van raciale barrières ernstige consequenties heeft.
En in paragraaf 70 is opgenomen dat het enkel behoren tot een bepaalde raciale groep normaal gesproken niet voldoende is om in aanmerking te komen voor de vluchtelingenstatus. Er zijn echter situaties denkbaar waarin, als gevolg van specifieke omstandigheden die een groep treffen, het behoren tot die groep op zichzelf gegronde reden is om te vrezen voor vervolging.
Ook in artikel 10 van de Definitierichtlijn is bepaald dat bij de beoordeling van de gronden van vervolging de lidstaten rekening houden met dat het begrip „ras” met name de aspecten huidskleur, afkomst of het behoren tot een bepaalde etnische groep omvat.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de joodse etniciteit wel een relevant asielmotief is. De stelling van de minister dat niet is gebleken dat eiseres zichzelf, of dat de omgeving eiseres als etnisch jood beschouwt, maakt dat niet anders. Pas als is beoordeeld wat de etnische afkomst van eiseres is, kan worden beoordeeld in hoeverre sprake is van gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer. Bij de beoordeling of daar sprake van is kan worden betrokken de vraag of is gebleken dat eiseres zichzelf, of dat de omgeving eiseres als etnisch jood beschouwt dan wel identificeert. Ook de stellingen van de minister dat bij de vaststelling van de joodse etniciteit van belang is dat eiseres zelf heeft aangegeven dat zij in het geheim is opgevoed met het joodse geloof, en dat zij in het dagelijks leven geen zichtbare of kenbare uiting geeft aan een joodse identiteit, kunnen bij die beoordeling worden betrokken.
De rechtbank concludeert dan ook dat de vraag of eiseres van etnisch joodse afkomst is, wel (objectief) kan en moet worden beoordeeld. De minister heeft derhalve ten onrechte geen conclusie verbonden aan de gestelde etnische joodse achtergrond van eiseres en heeft de beoordeling van het asielrelaas ten onrechte beperkt tot de geloofwaardigheid van de joodse religie.
Gelet op het voorgaande slaagt deze beroepsgrond van eiseres en komt het besluit voor vernietiging in aanmerking. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb. Die vraag beantwoordt de rechtbank negatief. Dat legt de rechtbank hierna uit.
Is de joodse etniciteit van eiseres ongeloofwaardig?
Voor zover de minister zich in het bestreden besluit, met het standpunt dat eiseres in het dagelijks leven geen zichtbare of kenbare uiting heeft gegeven aan een joodse identiteit, zich (ook) op het standpunt heeft gesteld, zij het niet expliciet, dat de joodse etniciteit van eiseres niet geloofwaardig is, is de rechtbank van oordeel dat de minister ook dit standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister de verklaringen van eiseres dat zij in het geheim is opgevoed met het joodse geloof en dat eiseres in het dagelijks leven geen zichtbare of kenbare uiting heeft gegeven aan een joodse identiteit, heeft moeten beoordelen in het licht van dat wat bekend is over de joodse gemeenschap in Irak. In het ambtsbericht staat alleen dat het jodendom een bij wet geaccepteerde religie is, maar er is in het ambtsbericht niets opgenomen over de positie van joden in Irak, terwijl uit algemene bronnen bekend is dat er vanwege de positie van joden vrijwel geen joden meer zijn in Irak. In dit verband wijst de rechtbank op de verklaringen van eiseres “dat de samenleving waar ik vandaan kom, christenen een betere positie hebben dan joden.” en “Het jodendom is op allerlei manieren niet geaccepteerd”. In dit licht bezien heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat de joodse etniciteit ongeloofwaardig is, omdat eiseres heeft verklaard dat zij in het geheim is opgevoed met het joodse geloof en dat zij in het dagelijks leven geen zichtbare of kenbare uiting heeft gegeven aan een joodse identiteit. Het standpunt van de minister dat eiseres vaag over de kern van het jodendom heeft verklaard dient bovendien in het licht van dat wat bekend is over de joodse gemeenschap in Irak te worden beoordeeld.
De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat in het ambtsbericht van november 2023 staat dat het vorige ambtsbericht van oktober 2021 vermeldde dat de erkende religieuze minderheden officieel en van overheidswege in staat waren hun geloof vrij te beleven en belijden (…). In de praktijk hing de mogelijkheid om vrij te praktiseren echter af van de locatie waar religieuze minderheden wonen en hoe de (veiligheids)situatie daar is. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er in de verslagperiode significante veranderingen zijn opgetreden in de mate waarin Irakezen in hun dagelijks leven hun godsdienst of levensovertuiging kunnen beleven. (…) Andere bronnen vermeldden dat leden van verschillende groepen in bepaalde gebieden vermeden zichtbaar religieus over te komen op de sociale omgeving, aldus het ambtsbericht. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van eiseres dat zij in het geheim is opgevoed met het joodse geloof en dat zij in het dagelijks leven geen zichtbare of kenbare uiting heeft gegeven aan een joodse identiteit, overeenkomen met dit deel van het ambtsbericht. De minister heeft eiseres dan ook niet zonder meer kunnen tegenwerpen dat eiseres in het dagelijks leven geen zichtbare of kenbare uiting heeft gegeven aan een joodse identiteit.
Het oordeel van de rechtbank dat de minister de verklaringen van eiseres heeft moeten beoordelen in het licht van dat wat bekend is over de joodse gemeenschap in Irak geldt gelet op het ambtsbericht ook voor de door minister tegengeworpen tegenstrijdige verklaringen van eiseres, inhoudende dat eiseres in het aanmeldgehoor uit [jaar] heeft verklaard dat zij gelooft in het jodendom, terwijl zij tijdens het aanmeldgehoor in [jaar] heeft verklaard moslim te zijn en volgens de islam te leven. Ook hiervoor heeft eiseres een verklaring gegeven, namelijk dat op haar identiteitskaart staat dat zij moslim is en dat je het wel uit je hoofd laat om bij de aanvraag om een identiteitskaart op te geven dat je joods bent, hoewel dat in de praktijk wel mogelijk is. Daar komt bij dat eiseres heeft verklaard in [jaar] met een ander doel naar Nederland te zijn gekomen, dat haar ex-echtgenoot haar daarna heeft bedreigd vanwege haar joodse achtergrond en dat eiseres daarom in [jaar] haar huidige asielaanvraag heeft ingediend en pas toen heeft aangegeven joods te zijn.
Verder betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen concrete informatie heeft verschaft over bijvoorbeeld de familieachtergrond waaruit blijkt dat eiseres als etnisch joods kan worden beschouwd. Zo heeft eiseres op de vraag7 “U vertelde dat uw grootvader uit Penjwen kwam en dat hij joods was. Kunt u mij uitleggen hoe de rest van uw familielijn loopt. Dus wie van uw voorouders joods was?” verklaard: “Het is eigenlijk begonnen bij de overgrootvader van mijn moeder die uit [plaats] komt. Toen heeft mijn moeder dat gekregen van haar voorouders. (…).” De vraag of de opa van eiseres joods was heeft eiseres bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres hiermee wel concrete informatie verschaft over de familieachtergrond. Ook in zoverre heeft de minister niet zonder meer aan eiseres kunnen tegenwerpen dat zij geen concrete informatie heeft verschaft over de familieachtergrond.
Ook het standpunt van de minister in het aanvullend besluit dat aan de brief van de rabbijn niet of nauwelijks bewijswaarde toekomt, omdat de brief geen informatie bevat over hoe de rabbijn heeft vastgesteld dat eiseres joods is, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister met de stelling “dat de rabbijn dus niet heeft vastgesteld dat eiseres joods is, maar dat de zus joods is”, niet ingaat op de stelling van eiseres dat ze dezelfde moeder hebben (het joods-zijn zou door de moeder worden doorgegeven). Daar komt bij dat eiseres tijdens het aanvullend gehoor8 heeft verklaard dat de rabbijn eerder vragen heeft gesteld aan de zus en dat, omdat eiseres ook uit “ [plaats] (fon.)” (lees: [plaats] ) afkomstig is, het toen voor de rabbijn duidelijk werd dat eiseres joods is. Ook hier gaat de minister ten onrechte niet op in.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat ook het standpunt van de minister dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt hoe de rabbijn heeft vastgesteld dat de zus joods is, onvoldoende is gemotiveerd. De minister heeft immers niet eerder getwijfeld aan de joodse afkomst van de zus, althans niet kenbaar. De verklaringen van de minister ter zitting dat er wel twijfel bestaat op grond van het dossier van de zus, maken het oordeel van de rechtbank niet anders, omdat dat dossier geen deel uitmaakt van het dossier van eiseres.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gelet op het voorgaande gegrond. De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat de minister geen integrale beoordeling heeft gemaakt, omdat de minister ten onrechte geen conclusie heeft verbonden aan de gestelde etnische joodse achtergrond van eiseres, de minister de verklaringen van eiseres heeft moeten beoordelen in het licht van dat wat bekend is over de joodse gemeenschap in Irak en omdat de minister niet ingaat op de stelling van eiseres dat zij en haar halfzus dezelfde moeder hebben en afkomstig zijn uit Penjwen. Dat betekent dat het bestreden besluit en het aanvullend besluit, worden vernietigd.
De rechtbank ziet vanwege de vastgestelde gebreken aanleiding om de overige beroepsgronden onbesproken te laten en ziet geen mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een beoordeling van de vraag of de minister ten onrechte niet geloofwaardig acht dat eiseres het joodse geloof aanhangt (asielmotief 2) en of dat de ex-man heeft gedreigd om aan de grote klok te hangen dat eiseres de joodse etniciteit heeft of het jodendom aanhangt (asielmotief 3). De minister dient opnieuw op de aanvraag te beslissen in overeenstemming met wat in deze uitspraak is overwogen en derhalve een nieuwe integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te maken.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:9168
14-04-2026, Rb Middelburg, Irak, beroep gegrond [alleenstaande vrouwen; verwestering]
Reden signalering:
De rechtbank is van oordeel dat het asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht – verwestering niet aannemelijk – maar motiveringsgebrek bij beoordeling aan de hand van het beleid voor alleenstaande vrouwen uit Irak.
Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiseres haar relaas ook niet aannemelijk heeft gemaakt met de door haar overgelegde stukken. De brief van de vader van eiseres heeft verweerder terecht als niet objectief verifieerbaar document aangemerkt. Verweerder heeft ook naar de inhoud van deze brief gekeken en daarover terecht geconcludeerd dat dit de verklaringen van eiseres niet ondersteunt. De inhoud van de brief strookt namelijk niet met de verklaringen van eiseres over de verblijfplaats tijdens het onderduiken en de wijze waarop haar oma is gedood. Daarnaast heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het door eiseres overgelegde arrestatiebevel haar relaas niet onderbouwt, omdat Bureau Documenten na onderzoek heeft geconcludeerd dat dit document hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven.
Verder wordt het betoog van eiseres dat het op de weg van verweerder lag om stukken uit het asieldossier van de oom wiens aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is ingewilligd, te betrekken bij de beoordeling niet gevolgd. Iedere aanvraag wordt immers op eigen merites beoordeeld en het is aan eiseres om haar problemen met de milities te onderbouwen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen van zittingsplaats Roermond af te wachten en de zaak aan te houden. De rechtbank heeft hiervoor geconcludeerd dat verweerder het asielmotief niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft in voldoende mate een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling gemaakt.
Verwestering
Ten aanzien van de gestelde verwestering merkt de rechtbank allereerst op dat verwestering een geleidelijk proces kan zijn en dat dit een reden kan zijn dat een vreemdeling niet al tijdens het gehoor naar voren brengt dat hij of zij verwesterd is. Eiseres heeft ter zitting bevestigd dat in haar geval ook sprake is van een proces. Verweerder wordt daarom niet gevolgd in zijn standpunt dat niet valt in te zien waarom eiseres de door haar gestelde verwestering pas in haar zienswijze heeft aangedragen. Verweerder heeft echter terecht overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij is verwesterd en dat zij hierdoor gevaar loopt bij terugkeer. Eiseres heeft namelijk onvoldoende concreet gemaakt wat de verwestering voor haar inhoudt. De enkele stelling van eiseres dat zij het zelfstandig en vrij kunnen maken van levenskeuzes belangrijk vindt, waaronder de keuze voor welke kleding zij draagt, heeft verweerder terecht onvoldoende geacht. Verweerder heeft terecht overwogen dat dit te algemeen van aard is en dat bij eiseres niet is gebleken van een vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om eiseres aanvullend te horen over de door haar gestelde verwestering.
Alleenstaande vrouw
De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het beleid voor alleenstaande vrouwen uit Irak niet op eiseres van toepassing is. Verweerder heeft zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat de ouders van eiseres, die in Egypte verblijven, zich naar Irak kunnen begeven om zich bij eiseres te voegen. Eiseres heeft verklaard dat voor haar ouders een objectieve belemmering bestaat om naar Irak terug te keren. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij meent dat de ouders van eiseres wel degelijk naar Irak kunnen terugkeren en dat eiseres bij terugkeer naar Irak dan ook op hen kan terugvallen. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiseres bij terugkeer kan terugvallen op haar broer. Eiseres heeft dit betwist en heeft erop gewezen dat zij in Nederland niet in hetzelfde asielzoekerscentrum als haar broer verblijft. Daarnaast merkt de rechtbank op dat eiseres en haar broer niet gelijktijdig asiel hebben aangevraagd en dat hun asielaanvragen afzonderlijk zijn beoordeeld, zodat niet zonder meer vaststaat dat zij tezamen zullen terugkeren naar Irak.
Gelet op het voorgaande bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Het beroep is daarom reeds gegrond. De overige beroepsgronden behoeven om die reden geen bespreking meer.
Beroep gegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:9298
16-04-2026, Rb Groningen, Iran, beroep niet-ontvankelijk [intrekking besluit; gewijzigde omstandigheden; proceskosten]
Reden signalering:
Bij brief van 26 maart 2026 heeft de minister medegedeeld dat hij het besluit van 10 september 2025 intrekt, omdat in beroep is gebleken van nieuwe omstandigheden, te weten het onlangs afgekondigde besluit- en vertrekmoratorium ten aanzien van Iran. De rechtbank is van oordeel dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb in dit geval geen sprake is. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat het bestreden besluit is ingetrokken vanwege een veranderde omstandigheid, namelijk de ontwikkelingen en huidige omstandigheden in Iran.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, bestaat er dus geen aanleiding om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Eiser heeft op 27 september 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 september 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Met het besluit van 26 maart 2026 heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken. Ook heeft de minister daarbij het standpunt ingenomen dat hij geen aanleiding ziet om de proceskosten in beroep te vergoeden.
Op 26 maart 2026 heeft eiser aangegeven dat hij van mening is dat de minister de proceskosten dient te vergoeden. Op 1 april 2026 heeft eiser de rechtbank verzocht om uitspraak te doen.
Eiser voert aan dat hij als gevolg van het uitblijven van een beslissing op zijn asielaanvraag en het feit dat hij al lang moet wachten in een schrijnende psychische situatie is beland. Hierdoor is eiser in zijn belangen geschaad. Eiser is van mening dat de minister de asielaanvraag dient in te willigen en de proceskosten dient te vergoeden, in het bijzonder nu de maximale beslistermijn van 21 maanden is overschreden.
De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft het bestreden besluit ingetrokken. Niet is gebleken dat eiser belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom niet-ontvankelijk. De gronden die eiser heeft aangevoerd tegen de intrekking van het besluit zullen dan ook niet worden besproken, nu de minister opnieuw dient te beslissen op de asielaanvraag van eiser.
De proceskosten
Op grond van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak - met toepassing van artikel 8:75 van de Awb - in de proceskosten veroordelen.
Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is van ‘tegemoetkomen’ in de zin van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een in het bestreden besluit ingenomen standpunt, dat binnen de grenzen van het geding valt, heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren ( zie bijv. 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816, en 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487). Intrekking of wijziging van het besluit vanwege nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan wel vanwege pas in beroep verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende, informatie houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een proceskostenveroordeling.
Bij brief van 26 maart 2026 heeft de minister medegedeeld dat hij het besluit van 10 september 2025 intrekt, omdat in beroep is gebleken van nieuwe omstandigheden. Die veranderde omstandigheid is gelegen in het onlangs afgekondigde besluit- en
vertrekmoratorium ten aanzien van Iran (zie: brief van de minister aan de Tweede Kamer van 19 maart 2026, kenmerk: 23432-668).
De rechtbank is van oordeel dat van tegemoetkomen in dit geval geen sprake is. De minister heeft voldoende deugdelijk gemotiveerd dat het bestreden besluit is ingetrokken vanwege een veranderde omstandigheid, namelijk de ontwikkelingen en huidige omstandigheden in Iran.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, bestaat er dus geen aanleiding om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling daarom af. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:9292
20-04-2026, Rb Groningen, beroep ongegrond [seksuele gerichtheid; geloofwaardigheid; gebruik van ChatGpt]
Reden signalering:
Ter zitting heeft eisers gemachtigde -desgevraagd- verklaard dat hij bij het opstellen van het beroepschrift gebruik heeft gemaakt van ChatGpt. Hij is bij de voorbereiding van de zitting tot de conclusie gekomen dat de in het beroepschrift opgenomen verwijzingen naar -ook Europese- jurisprudentie vanaf bladzijde 9 van het beroepschrift onjuist zijn. Het behoort volgens de rechtbank tot de verantwoordelijkheid van een procespartij, in dit geval de gemachtigde van eiser, om het van toepassing zijn van aangehaalde jurisprudentie te verifiëren. Gelet op deze verklaring zal de rechtbank de verwijzingen naar jurisprudentie waarvan buiten kijf is dat deze niet relevant is, buiten beschouwing laten en deze inhoudelijk niet bespreken.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van het voordeel van de twijfel. Daarbij heeft de minister in het bijzonder mogen betrekken dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel zijn en dat eiser zijn verzoek niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend zonder daarvoor een verschoonbare reden te geven. De minister heeft dan ook, in onderlinge samenhang bezien, de gestelde seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen terecht ongeloofwaardig gevonden.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is in Marokko opgegroeid en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Eiser heeft verklaard dat hij op [leeftijd] leeftijd tot het besef kwam dat hij op mannen valt. Eiser heeft in [jaartal] een relatie gehad met [naam 2] . Toen dit werd ontdekt heeft zijn familie hem mishandeld. In [jaartal] heeft eiser Marokko verlaten.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste asielmotief geloofwaardig is. Maar eisers asielmotieven leiden niet tot een verblijfsvergunning asiel op de zogenoemde a- of b-grond, omdat niet is gebleken van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De seksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen zijn ongeloofwaardig. De verklaringen van eiser zijn niet onderbouwd met objectieve documenten. Ook een verdere beoordeling van eisers verklaringen leidt niet tot het alsnog aannemen van geloofwaardigheid. Eiser voldoet namelijk niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, Vw. Zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. Eiser voldoet daarmee ook niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d, Vw. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen als ongegrond.
Inhoud van het beroepschrift
Ter zitting heeft eisers gemachtigde -desgevraagd- verklaard dat hij bij het opstellen van het beroepschrift gebruik heeft gemaakt van ChatGpt (Generative Pre-trained Transformer) en dat hij dusdoende de inhoud van het beroepschrift met generatieve kunstmatige intelligentie heeft opgemaakt en ingediend. Hij is bij de voorbereiding van de zitting tot de conclusie gekomen dat de in het beroepschrift opgenomen verwijzingen naar -ook Europese- jurisprudentie vanaf bladzijde 9 van het beroepschrift onjuist zijn. Hij heeft de rechtbank verzocht dit deel van het beroepschrift, dat, zo stelt de rechtbank vast, het subsidiaire standpunt bevat, niet mee te nemen in haar beoordeling.
De rechtbank betreurt de handelwijze van gemachtigde. Deze manier van werken heeft er namelijk wel toe geleid dat de vertegenwoordiger van de minister bij de voorbereiding van de zitting genoodzaakt was de verwijzingen te bekijken, om, zoals de rechtbank altijd verwacht, ter zitting van mogelijk commentaar of een reactie te voorzien, en waar deze vertegenwoordiger op wordt aangesproken als zo’n reactie uitblijft. Ook de werkzaamheden van de rechtbank zijn hier onmiskenbaar door beïnvloed. Het behoort volgens de rechtbank tot de verantwoordelijkheid van een procespartij, in dit geval de gemachtigde van eiser, om het van toepassing zijn van aangehaalde jurisprudentie te verifiëren. Gelet op deze verklaring zal de rechtbank de verwijzingen naar jurisprudentie waarvan buiten kijf is dat deze niet relevant is, vanaf bladzijde 9 van het 20 pagina’s tellende beroepschrift buiten beschouwing laten en deze inhoudelijk niet bespreken.
WI 2024/6 en het Unierecht
Eiser betoogt primair dat de minister met de door hem gehanteerde werkwijze zoals vastgelegd in Werkinstructie (WI) 2024/6, kort samengevat en voorzover relevant, in strijd handelt met (artikel 4 van )de Kwalificatierichtlijn, artikel 10, derde lid, onder b van de Procedurerichtlijn en de artikelen 4 en 18 van het Handvest. Volgens eiser ontbreekt een integrale beoordeling. Hij verwijst naar en citeert uit de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 augustus 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:14853). Eiser verwijst met name naar de rechtsoverwegingen 8 tot en met 10 van deze uitspraak, waarvan hij de inhoud als herhaald en ingelast wenst te beschouwen. Hij meent dat WI 2024/6 niet in lijn is met het Unierecht. Eiser voert voorts aan dat hem daarom het voordeel van de twijfel dient te worden gegeven. Hij wijst verder op gestelde prejudiciële vragen en Europese jurisprudentie.
De rechtbank ziet ook in deze procedure geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister geen integrale beoordeling heeft verricht of in strijd met het Unierecht heeft gehandeld. Dat over WI 2024/6 divergerende rechterlijke oordelen– ook binnen deze zittingsplaats- zijn gegeven of prejudiciële vragen zijn gesteld, maakt dit niet anders. De rechtbank verwijst naar haar eerdere uitspraken uit de afgelopen periode, waaronder ECLI:NL:RBDHA:2026:4905 en 2026:8269.
Anders dan eiser stelt, volgt uit het onderhavige bestreden besluit niet dat de minister enkel heeft beoordeeld of eiser aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid Vw voldoet. Evenmin heeft de minister overwogen dat in het geval aan één voorwaarde niet wordt voldaan dit automatisch tot de beslissing leidt dat het relaas ongeloofwaardig is. De minister heeft, met andere woorden, geen checklist afgewerkt, maar heeft, overeenkomstig WI 2024/6, eerst de relevante elementen geïnventariseerd en heeft vervolgens het asielrelaas van eiser inhoudelijk gewogen en beoordeeld waarbij verklaringen en bewijsmiddelen zijn betrokken. De minister heeft daarbij uiteengezet dat ook andere bewijsmiddelen (zoals landeninformatie, medische informatie) bij voorbaat niet zijn uitgesloten en, als deze niet tot een voldoende onderbouwing leiden, worden meegewogen in de verdere beoordeling. De minister heeft eisers verklaringen inhoudelijk en in samenhang beoordeeld en heeft daarbij deugdelijk gemotiveerd waarom deze onvoldoende inzicht geven in de persoonlijke beleving en ervaringen van eiser. Van een louter afvinkmatige beoordeling is dan ook geen sprake. Eiser heeft daarbij onvoldoende geconcretiseerd welke relevante elementen in zijn zaak niet zouden zijn betrokken of niet zouden zijn gewogen.
Geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid
Ter zitting heeft eiser -subsidiair- toegelicht dat de kern van zijn beroep erin is gelegen dat hij afkomstig is uit een land, Marokko, waar homoseksualiteit strafbaar is en dat daardoor op een andere wijze over seksuele gerichtheid wordt gesproken dan in Nederland. Volgens eiser is onvoldoende duidelijk hoe de minister bij de beoordeling van zijn verklaringen rekening heeft gehouden met zijn culturele achtergrond en referentiekader.
De minister heeft toegelicht dat bij de beoordeling van de gestelde seksuele gerichtheid uitdrukkelijk is aangesloten bij de Werkinstructie 2019/17. Deze werkinstructie vormt volgens de minister een geschikt instrument voor het onderzoeken en beoordelen van een gestelde seksuele gerichtheid. De minister geeft aan dat volgens WI 2019/17 een individuele beoordeling plaatsvindt, waarbij het zwaartepunt ligt bij de antwoorden van de vreemdeling over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de gestelde geaardheid, de betekenis daarvan voor de vreemdeling zelf en zijn omgeving, de situatie voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst en de wijze waarop de eigen ervaringen van de vreemdeling passen binnen dat algemene beeld. WI 2019/17 verlangt geen stereotyp ‘coming-out verhaal, zoals eiser meent’ Uit de werkinstructie volgt juist dat bij de vraagstelling en beoordeling rekening wordt gehouden met de persoonlijkheid en achtergrond van de vreemdeling. Iedere vreemdeling heeft immers een eigen referentiekader, onder meer bepaald door opleidingsniveau, culturele achtergrond en levensfase.
Volgens de minister is eiser er, ondanks deze contextuele benadering, niet in geslaagd om met zijn verklaringen voldoende inzicht te geven in zijn persoonlijke beleving van de door hem gestelde homoseksualiteit.
Persoonlijke beleving, zelfacceptatie, relaties
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt. De minister heeft eisers verklaringen beoordeeld met inachtneming van WI 2019/17, waarbij oog is geweest voor de culturele en maatschappelijke context van eiser. De minister heeft afdoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser met zijn verklaringen in overwegend algemene termen is gebleven en weinig inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke beleving, ontwikkeling en de betekenis van zijn gestelde gerichtheid op het moment waarop hij zich realiseerde op mannen te vallen. Zo verklaart eiser dat hij zich ‘rustig, opgelucht en gelukkig voelde’, zonder dit te concretiseren naar zijn eigen persoonlijke beleving, afgezet tegen de omstandigheden in Marokko. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom de verklaringen oppervlakkig blijven en onvoldoende inzicht geven in het persoonlijke proces. De minister heeft ook, anders dan eiser stelt, zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser vaag heeft verklaard over zijn relaties, met name over [naam 2] , met wie eiser, naar eigen zeggen, [periode] een relatie heeft gehad. De minister heeft eiser terecht tegengeworpen dat hij nauwelijks concreet kan maken wat hem in [naam 2] aantrok en wie [naam 2] voor hem was, terwijl dit -bij een relatie die eiser zelf als een belangrijk keerpunt presenteert- wel verwacht mag worden.
De rechtbank volgt eiser niet zijn stelling dat onder de gegeven omstandigheden niet van hem kon worden verwacht dat hij meer inzicht zou geven in zijn persoonlijke beleving en acceptatie. De minister stelt terecht dat niet is gebleken dat eiser vanwege psychische omstandigheden of andere belemmeringen niet in staat was om hierover te verklaren. Dat relaties in Marokko heimelijk moeten zijn en dat eiser daarom terughoudend is, leidt niet tot een andere conclusie. De minister heeft immers niet enkel details over identiteit of openbare uitingen verlangd, maar heeft vooral gevraagd naar de persoonlijke inkleuring en betekenisgeving van de relatie(s). Uit het nader gehoor blijkt evenmin dat eiser de tolk niet kon verstaan of begrijpen of dat hij moeite had om de vragen te beantwoorden. Dat homoseksualiteit in Marokko strafbaar is en maatschappelijk wordt afgekeurd, heeft de minister in zijn beoordeling betrokken. Dit gegeven leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat van eiser geen nadere persoonlijke toelichting mocht worden verwacht.
Kennis LHBTI-organisaties
Anders dan eiser stelt, heeft de minister het ontbreken van kennis over LHBTI-organisaties in Marokko niet als zelfstandige afwijzingsgrond gehanteerd, maar als een element dat in samenhang met de overige verklaringen meegewogen en is eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat zijn kennis hierover zeer summier is, nu hij stelt te zijn opgegroeid als homoseksueel in Marokko. De minister heeft dit eiser mogen tegenwerpen. Dat er door eiser geen onderzoek is gedaan, omdat eiser dit te moeilijk vindt, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. De minister betrekt daarbij niet ten onrechte dat eiser heeft verklaard dat hij in Marokko ook personen van de LHBTI gemeenschap heeft ontmoet en dat dan verwacht mag worden dat eiser zich verdiept zou hebben in de situatie voor LHBTI in Marokko.
Conclusie geloofwaardigheid
De minister stelt zich, gelet op het voorgaande, niet ten onrechte op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van het voordeel van de twijfel. Daarbij heeft de minister in het bijzonder mogen betrekken dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel zijn en dat eiser zijn verzoek niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend zonder daarvoor een verschoonbare reden te geven. De minister heeft dan ook, in onderlinge samenhang bezien, de gestelde seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen terecht ongeloofwaardig gevonden. Dit leidt tot de slotsom dat hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd niet leidt tot het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er zich geen asielgrond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw voordoet. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:9527