Jurisprudentie
Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:
05-03-2026, Arrest Hof van Justitie EU, 5 maart 2026 [prejudiciële vragen; verlengen beslistermijn; maximale duur opeenvolgende verlengingen]
Reden signalering:
Het Hof van Justitie in Luxemburg heeft in een arrest van 5 maart 2026 antwoord gegeven op enkele aanvullende prejudiciële vragen die de Afdeling bestuursrechtspraak in juli 2024 stelde over de beslistermijn in asielzaken. De Afdeling bestuursrechtspraak wilde van het Europese Hof weten of en hoe vaak de minister van Asiel en Migratie aansluitend gebruik mag maken van de bevoegdheid om de beslistermijn voor asielverzoeken te verlengen. Het Hof oordeelt dat een lidstaat meerdere malen achter elkaar kan besluiten om de beslistermijn te verlengen. Wel moet de lidstaat aan de hand van concrete gegevens aannemelijk maken dat hij, ondanks de geleverde inspanningen om het hoofd te bieden aan de gelijktijdige toestroom van asielaanvragen, niet voldoende tijd heeft gehad om passende en voldoende middelen ter beschikking te stellen om op tijd te beslissen. Daarbij mag de opgetelde duur van de opeenvolgende verlengingen niet langer zijn dan de tijd die de lidstaat nodig heeft om aan die verplichting te voldoen en niet langer zijn dan maximaal 21 maanden na indiening van een asielverzoek.
Artikel 31, lid 2, derde alinea onder b, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, van deze richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat herhaaldelijk en achtereenvolgens kan besluiten om de termijn die van toepassing is op de behandelingsprocedure voor in die lidstaat ingediende verzoeken om internationale bescherming te verlengen, indien die lidstaat aan de hand van concrete gegevens naar behoren kan aantonen dat hij, ondanks de geleverde inspanningen om het hoofd te bieden aan de gelijktijdige toestroom van verzoeken om internationale bescherming, niet voldoende tijd heeft gehad om de beslissingsautoriteit passende en voldoende middelen ter beschikking te stellen om die autoriteit in staat te stellen de verzoeken om internationale bescherming naar behoren en volledig te behandelen, en voorts dat de gecumuleerde duur van de opeenvolgende verlengingen niet langer is dan de tijd die deze lidstaat nodig heeft om aan die verplichting te voldoen, noch langer dan maximaal 21 maanden na indiening van een specifiek verzoek om internationale bescherming.
Gehele uitspraak HvJ EU: C‑489/24
Zie voor meer informatie dit nieuwsbericht: Raad van State
19-02-2026, Rb Roermond MK, tussenuitspraak [prejudiciële vragen; inwilliging asielaanvraag andere lidstaat; terugkeerbesluit]
Reden signalering:
In deze verwijzingsuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Deze vragen gaan over de uitleg van het arrest QY en de reikwijdte van de daarin genoemde verplichting van lidstaten om bij het beoordelen van een verzoek om internationale bescherming (in Nederland: asiel) ‘ten volle’ rekening te houden met een eerdere inwilligende beslissing op een dergelijk verzoek van dezelfde persoon door de autoriteiten van een andere lidstaat en de elementen die die beslissing ondersteunen. Daarnaast stelt de rechtbank prejudiciële vragen over de verenigbaarheid van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit naar het land van herkomst aan een vreemdeling die in een andere lidstaat internationale bescherming geniet met die beschermde status.
De rechtbank:
- verzoekt het Hof van Justitie bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen:
- Moeten, in het geval dat een lidstaat geen gebruik kan maken van de mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming van een verzoeker aan wie een andere lidstaat (de erkennende lidstaat) reeds een dergelijke bescherming heeft verleend, niet-ontvankelijk te verklaren (op grond van artikel 33 lid 2 onder a richtlijn 2013/32) omdat die verzoeker een risico loopt dat hij in de erkennende lidstaat wordt onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest, bij het onderzoek naar het verzoek om internationale bescherming waarbij de lidstaat ten volle rekening moet houden met de beslissing van de erkennende lidstaat om de vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming te verlenen en met de elementen die deze beslissing ondersteunen, de artikelen 10, leden 2 en 3, en artikel 11, tweede lid van richtlijn 2013/32 en artikel 4, eerste en tweede lid van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met de uitleg van die bepalingen in het arrest QY (ECLI:EU:C:2024:524), aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat de lidstaat in de beslissing tot afwijzing van het verzoek om internationale bescherming volstaat met de enkele verwijzing naar de uitkomst van een herkomstonderzoek (zoals een taalanalyse), als de erkennende lidstaat dat onderzoek niet heeft gedaan?
- Verzet het beginsel van non-refoulement (artikel 18, artikel 19, lid 2, van het Handvest, artikel 5 van richtlijn 2008/115, artikel 21, lid 1, van richtlijn 2011/95) zich tegen een terugkeerbesluit naar het land van herkomst van de verzoeker krachtens artikel 6, lid 2, tweede volzin, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met lid 1 van dat artikel, indien de verzoeker in een andere lidstaat de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus is toegekend, maar de lidstaat waar hij thans verblijft en een asielverzoek heeft ingediend bij een onderzoek zonder dat de uitkomst reeds op voorhand vaststaat, tot de conclusie komt dat aan de verzoeker geen beschermingsstatus kan worden verleend en de beschermingsstatus in de erkennende lidstaat niet is ingetrokken?
- Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend is, moet dan reeds bij de vaststelling van het terugkeerbesluit krachtens artikel 6, lid 2, tweede volzin, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met lid 1 van dat artikel, worden onderzocht of het beginsel van non-refoulement (artikel 18, artikel 19, lid 2, van het Handvest, artikel 5 van richtlijn 2008/115, artikel 21, lid 1, van richtlijn 2011/95) van toepassing is, met als gevolg dat er geen terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd? Of moet noodzakelijkerwijs een terugkeerbesluit krachtens artikel 6, lid 2, tweede volzin, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met lid 1 van dat artikel, worden uitgevaardigd en moet de verwijdering vervolgens op grond van artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/115 worden uitgesteld tot het moment dat de erkennende lidstaat de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus heeft ingetrokken en de lidstaat hiervan op de hoogte heeft gesteld? En geldt daarbij de verplichting om gelijktijdig met het nemen van een terugkeerbesluit, schriftelijk te bevestigen dat de verwijdering van die derdelander wordt uitgesteld, indien deze in strijd is met het beginsel van non-refoulement. (prejudiciële vraag van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 maart 2025, bij het Hof ingeschreven onder zaak C-202/25)?
- Moeten de artikelen 1, 4 en 7 van het EU Handvest, en de artikelen 5, 6, 9 en 14 van richtlijn 2008/115/EG, gelezen in samenhang met de uitleg van die bepalingen in de arresten AA, ECLI:EU:C:2023:540, en Ararat, ECLI:EU:C:2024:892, aldus worden uitgelegd dat deze zich ertegen verzetten dat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd indien daarin onmiddellijk de verwijdering voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld vanwege het risico op schending van het non-refoulementbeginsel (prejudiciële vraag van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 augustus 2025, bij het Hof ingeschreven onder zaak C-569/25)?
- schorst de behandeling van de beroepen tot het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan en houdt iedere verdere beslissing aan.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:3626
10-03-2026, Rb Groningen, Iran, beroep ongegrond [geloofwaardigheidsbeoordeling Werkinstructie 2024/6]
Reden signalering:
De minister heeft aan het einde van de beoordeling van stap 2b van WI 2024/6eisers verklaringen op de verschillende elementen kenbaar in onderlinge samenhang beoordeeld en gewogen en op die basis de conclusie getrokken dat deze relevante asielmotieven ongeloofwaardig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met deze werkwijze in eisers concrete geval wel een integrale beoordeling van het asielrelaas verricht.
Eiser heeft verklaard dat zijn familie religieus is, maar niet fanatiek. Dat heeft te maken met zijn etniciteit, [etniciteit] . Eiser verklaart dat hij altijd in één God heeft geloofd, maar zichzelf nooit als moslim te hebben gezien en daarom in Iran niet binnen de kaders van de islam te hebben geleefd. Eiser heeft verklaard dat hij in [jaartal] of [jaartal] tijdens zijn werk seksueel geweld heeft ondervonden. Hij is verkracht door een voormalige collega, [naam collega] (hierna: [naam collega] ), in een werkplaats in [plaats] . Drie jaren later hebben de broers van eiser deze collega daar opgezocht en hebben zij hem mishandeld. Eiser heeft daarna berichten gestuurd naar die collega, waarin hij heeft aangegeven dat dit zijn straf is geweest voor wat hij eiser heeft aangedaan. De voormalige collega heeft aangifte tegen eiser gedaan, waarna eiser Iran heeft verlaten. Eiser vreest bij terugkeer voor de juridische gevolgen en voor deze collega. Eiser heeft ook verklaard dat hij bekeerd is tot het christendom. Hij staat in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst en het theïsme geloofwaardig zijn. De geloofwaardige asielmotieven leiden niet tot de conclusie dat eiser een vluchteling is of dat hij recht heeft op subsidiaire bescherming. De andere asielmotieven zijn ongeloofwaardig geacht. De minister acht de verkrachting geloofwaardig, maar gelooft niet dat eiser juridisch zal worden vervolgd in Iran. Eiser heeft zijn verklaringen over de juridische vervolging en de daaruit voortvloeiende problemen onvoldoende onderbouwd met objectieve documenten en heeft niet voldaan aan zijn inspanningsplicht op grond van artikel 31, zesde lid, onder b, Vw en hij heeft daarvoor ook geen goede verklaring. De minister heeft vervolgens beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval. Daarom heeft eiser, volgens de minister, niet voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder c, Vw. Eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De verklaringen over de bekering en daaruit voortvloeiende problemen heeft eiser ook niet onderbouwd met objectieve documenten. Ook is vervolgens beoordeeld of dit asielmotief alsnog geloofwaardig is, maar er wordt niet voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder c, Vw. De verklaringen van eiser daarover vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
De geloofwaardigheidsbeoordeling aan de hand van Werkinstructie 2024/6
De rechtbank stelt vast dat het asielrelaas van eiser is beoordeeld aan de hand van WI 2024/6. Uit de besluitvorming en het verweerschrift blijkt dat de minister niet uitsluitend een checklist-benadering heeft gevolgd. De minister heeft, aan de hand van WI 2024/6, eerst de asielmotieven vastgesteld en beoordeeld in welke mate deze door documenten zijn gestaafd (stap 2a). Volgens de minister moet de vreemdeling elk van deze motieven voldoende met bewijsmateriaal onderbouwen. Dat is een correct standpunt volgens de rechtbank, gelet op artikel 4, vijfde lid van de Kwalificatierichtlijn, nu ook duidelijk is dat zowel objectieve bewijstukken als andere bewijsmiddelen bij de beoordeling als bedoeld in stap 2a worden betrokken. Eiser heeft, zo stelt de rechtbank vast, ten tijde van zijn asielverzoek geen documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas. Daarop heeft de beoordeling volgens stap 2b plaatsgevonden. Die stap houdt volgens de Werkinstructie in dat het asielmotief geloofwaardig wordt bevonden als aan de cumulatieve voorwaarden wordt voldaan. Bij die stap heeft de vreemdeling die niet in staat is om zijn asielrelaas met bewijsmateriaal te onderbouwen, de mogelijkheid om zijn asielmotieven op andere wijze aannemelijk te maken.
Ter zitting is toegelicht en benadrukt dat na de vaststelling aan welke van de voorwaarden niet wordt voldaan, vervolgens een integrale individuele beoordeling plaatsvindt. De rechtbank stelt vast dat in WI 2024/6 uitdrukkelijk is vermeld dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid alle feiten en omstandigheden worden betrokken, terwijl ook wordt bekeken of het redelijk is het niet voldoen aan een enkele voorwaarde van artikel 31, zesde lid Vw tegen te werpen.
Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat meergenoemde geloofwaardigheidsbeoordeling in overeenstemming is met het Unierecht.
Voor zover eiser heeft willen stellen dat niet blijkt hoe de minister bij de beoordeling van voorwaarde c de geloofwaardigheid in zijn geheel heeft beoordeeld en welke invloed alle naar voren gebrachte feiten en omstandigheden daarbij hebben gehad en niet alleen heeft nagelaten om duidelijk te maken of en aan welke van de overige voorwaarden is wel voldaan, maar ook heeft nagelaten duidelijk te maken of er niet aan is voldaan, zodat sprake is van een motiveringsgebrek, deelt de rechtbank dit standpunt niet.
Allereerst blijkt uit het bestreden besluit, waarin een individuele beoordeling is neergelegd, aan welke voorwaarden niet is voldaan. Het ligt voor de hand dat de voorwaarden waaraan wel is voldaan niet zijn tegengeworpen. De minister heeft dit ook uitdrukkelijk bevestigd. Benadrukt is ook dat de overige gegeven verklaringen zijn betrokken bij de beoordeling van de algehele geloofwaardigheid van het asielrelaas. In dat licht is een eis om nog een beoordeling van de vijf voorwaarden “onder de streep” naar het geheel van alle feiten en omstandigheden te maken niet zinvol.
De minister heeft aan het einde van de beoordeling van stap 2b eisers verklaringen op de verschillende elementen kenbaar in onderlinge samenhang beoordeeld en gewogen en op die basis de conclusie getrokken dat deze relevante asielmotieven ongeloofwaardig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met deze werkwijze in eisers concrete geval wel een integrale beoordeling van het asielrelaas verricht.
Ook de overige beroepsgronden, slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:4905
06-03-2026, Rb Middelburg, Egypte, beroep gegrond [politieke overtuiging; Algemeen Ambtsbericht; motiveringsgebrek]
Reden signalering:
Gezien de ontoereikende beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers relaas kan de afwijzing van de asielaanvraag als ongegrond niet in stand blijven.
In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat eisers verklaringen over zijn arrestatie in 2019 ongerijmd zijn. Eiser heeft namelijk na zijn arrestatie in 2015 geen zichtbare uitingen gedaan waaruit zou blijken dat hij behoort tot de Ultra’s. Er was dan ook geen directe aanleiding om eiser te arresteren. Eiser heeft verder in juli 2019 legaal en zonder problemen kunnen uitreizen naar Turkije, terwijl uit het algemeen ambtsbericht over Egypte van november 2021 volgt dat Egyptische burgers in de leeftijd van achttien tot veertig jaar oud toestemming nodig hebben om naar Turkije te reizen om het voor hen moeilijker te maken zich aan te sluiten bij terroristische groepen. Dat hij in de gaten zou zijn gehouden na zijn arrestatie in 2015, is niet te verenigen met het feit dat eiser reisdocumenten heeft kunnen aanvragen. Dat eiser vervolgens bij zijn terugkeer naar Egypte in november 2019 na een controle alsnog zou zijn aangehouden vanwege twitterberichten op zijn telefoon, wordt door verweerder niet gevolgd.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers verklaringen over zijn arrestatie in 2019 en de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten sindsdien ongeloofwaardig zijn. Daarvoor is het volgende van belang.
Zoals verweerder heeft overwogen en door eiser in beroep is benadrukt, behoort eiser tot de in het ambtsbericht genoemde groep die voor het reizen naar Turkije de verhoogde aandacht heeft van de Egyptische autoriteiten. Eiser heeft verklaard dat zijn vader voor hem tegen betaling een uitreistoestemming heeft geregeld om naar Turkije te gaan. Het door eiser gebruikte paspoort was volgens eisers verklaringen al in 2017 verkregen. Voor zover verweerder tegenwerpt dat dit vreemd is gelet op de gestelde arrestatie als Ultra in 2017, geldt dat verweerder die arrestatie niet gelooft en dat het overigens volgens het ambtsbericht mogelijk is om bij een lopend politie- of gerechtelijk onderzoek een paspoort te verkrijgen en uit te reizen. Voor de in het verweerschrift aangehaalde passages uit het ambtsbericht geldt dat deze gaan over problemen voor mensenrechtenverdedigers en politiek activisten om al dan niet door omkoping uit te kunnen uitreizen. Verweerder heeft niet onderbouwd dat dit, gelet op eisers profiel, relevante informatie is. Voor zover uit het ambtsbericht wel kan worden afgeleid dat eiser toestemming nodig had van de Egyptische autoriteiten om naar Turkije te kunnen uitreizen, geldt dat het ambtsbericht ook vermeldt dat deze regel in de praktijk niet nauwlettend gehandhaafd wordt. Eiser heeft niet verklaard dat tegen hem een uitreisverbod is uitgevaardigd.
Verweerder heeft erkend dat bij de Egyptische autoriteiten in 2019 verhoogde aandacht bestond voor in- en uitreizen naar bepaalde landen, waaronder Turkije. In aanmerking genomen dat eiser in 2019 vanuit Turkije is teruggekeerd en hij op dat moment behoorde tot de specifieke groep van personen voor wie in het bijzonder belangstelling bestond in verband met mogelijke aansluiting bij terroristische groeperingen, valt dan niet zonder nadere motivering in te zien waarom het niet in de lijn der verwachting zou liggen dat eisers telefoon bij binnenkomst in Egypte wordt onderzocht, zoals verweerder stelt. De enkele omstandigheid dat het ambtsbericht niets zegt over internetscreening van deze groep bij terugkeer, is in het licht van het voorgaande onvoldoende om aan eisers verklaringen te twijfelen. Dat eiser zelf niet aannemelijk heeft verklaard dat hij sinds 2015 geregistreerd staat als Ultra laat onverlet dat verweerder nader zal moeten motiveren waarom de arrestatie niet aannemelijk is.
In het verlengde hiervan heeft verweerder evenmin toereikend gemotiveerd dat eiser tegenstrijdig zou hebben verklaard over de bedreigingen (door de autoriteiten) aan het adres van zijn ouders en broer. Verweerder heeft immers ten onrechte overwogen dat deze bedreigingen niet rijmen met de toestemming van de autoriteiten voor eisers vertrek naar Turkije. Eiser heeft daarbij verklaard dat de autoriteiten eerst na zijn vertrek uit Egypte in 2020 contact hebben gezocht met zijn familie, omdat eiser de - na zijn arrestatie in 2019 - opgelegde meldplicht niet is nagekomen. Gezien de ontoereikende beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers relaas kan de afwijzing van de asielaanvraag als ongegrond niet in stand blijven. Beroep gegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:4931
26-01-2026, Rb Amsterdam, Oman, beroep gegrond [afdoening pilot zwaarwegendheid]
Reden signalering:
De rechtbank stelt voorop dat de zaak van eiser zich naar haar oordeel niet leent voor afdoening in de pilot zwaarwegendheid. Verweerder heeft er toch voor gekozen om de door eiser gerelateerde problemen met de Omaanse autoriteiten enkel te beoordelen op zwaarwegendheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarbij, in strijd met de pilot en de aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling, niet alle verklaringen van eiser als uitgangspunt genomen.
Eiser schrijft sinds 2011 sciencefiction verhalen. Hij heeft in 2016 een ( [soort] )verhaal geschreven over een [onderwerp] die rechten heeft gekregen. Het verhaal was bedoeld als kritiek op de overheid, de dochter in het verhaal stond symbool voor de sultan van Oman. De overheid heeft het tijdschrift met het verhaal direct van de markt gehaald omdat het jongeren tegen de overheid kon opzetten. Eiser zegt dat door zijn verhaal alle cartoons in Oman verboden zijn en dat de afdeling tijdschriften van Borders bookshop, die internationale geschriften naar Oman brengt, is gesloten. Eiser kreeg bekendheid door een artikel in een krant over zijn tijdschrift. Ook eerder werk van eiser werd van de markt gehaald. De Omaanse overheid heeft eiser verboden om nog verhalen te schrijven en te publiceren. Vervolgens is eiser drie maanden gevangengezet. Eiser is tegen het publicatieverbod een gerechtelijke procedure gestart, maar zijn klacht is afgewezen. In het vonnis staat dat eiser geen procedure meer mag voeren tegen het Ministerie van Binnenlandse Zaken. In 2022 heeft eiser een brief gestuurd aan de minister van Binnenlands Zaken, waarin hij uitlegt dat hij door het publicatieverbod niet kan werken en schulden heeft en dat hij opnieuw naar de rechter wil stappen. Dit werd door de minister als een dreigement gezien. Eiser werd vervolgens bedreigd en wederom drie maanden gevangengezet. Hij werd gedwongen een geheimhoudingsverklaring te ondertekenen. Als hij zou zeggen wat hem was overkomen, dan zou hem een gevangenisstraf van zes tot tien jaar worden opgelegd. Eiser heeft vervolgens een visum aangevraagd en hij heeft op reguliere wijze zijn land verlaten. In Qatar heeft eiser op het platform X een bericht geplaatst over zijn ervaringen in de gevangenis in Oman. Dat was in een groep van tegenstanders van het regime. Een aantal dagen voor het nader gehoor heeft eiser de oproep geplaatst om in opstand te komen tegen de dictator. Hij wil dat Oman democratisch wordt en vrijheid aan de mensen geeft. Ook wil hij een klacht indienen bij het hof van justitie van Oman over het onrecht dat de overheid hem heeft aangedaan. Bij terugkeer vreest eiser voor de Omaanse autoriteiten.
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen van eiser met de autoriteiten worden op voorhand niet zwaarwegend genoeg geacht om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Dit asielmotief is daardoor niet op geloofwaardigheid getoetst.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief ‘problemen met de autoriteiten’ niet heeft beoordeeld. Dat betekent dat de rechtbank het besluit moet toetsen alsof verweerder de geloofwaardigheid van dit asielmotief heeft aangenomen.
Daarbij is van belang dat verweerder niet van een deel van de verklaringen de geloofwaardigheid in het midden kan laten en een ander deel van de verklaringen geloofwaardig of ongeloofwaardig kan achten. Op de zitting heeft verweerder verduidelijkt dat de zaak is afgedaan in de pilot zwaarwegendheid zoals beschreven in IB 2022/102.
In IB 2022/102 staat dat normaliter altijd eerst de geloofwaardigheid van de relevante elementen van een asielrelaas wordt getoetst. Daarna worden de geloofwaardig geachte relevante elementen getoetst op zwaarwegendheid. Soms is het echter op voorhand al duidelijk dat de verklaringen – indien geloofwaardig – nimmer zwaarwegend genoeg zijn om te leiden tot gegronde vrees voor vervolging. De geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling wordt daarbij uitdrukkelijk in het midden gelaten. Bij de beoordeling van de zwaarwegendheid moeten alle verklaringen van de vreemdeling als uitgangspunt worden genomen. Het is niet mogelijk om de geloofwaardigheid van slechts een deel van de verklaringen in het midden te laten.
Volgens het IB 2022/102 zijn er in beginsel twee type zaken te onderscheiden waarin de voorgestelde werkwijze kan worden toegepast:
“1. Vreemdelingen waarvan de gestelde problemen niet asiel gerelateerd zijn of van zo’n aard en omvang zijn dat deze verlening van internationale bescherming noodzakelijk maken. Dat zijn bijvoorbeeld zaken waarin een vreemdeling enkel economische motieven naar voren brengt of om bescherming vraagt omdat hij in zijn land van herkomst wordt gediscrimineerd, maar de discriminatie niet van zo’n aard is dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming [voetnoot: Denk bijv. aan de situatie dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor de door hem gewenste baan of dat hij één keer op straat wordt aangesproken of bespuugd.].
- Vreemdelingen die de bescherming van de autoriteiten in hun land van herkomst kunnen inroepen tegen de problemen waarvoor zij stellen te vrezen. Het gaat in dit soort zaken om het inroepen van effectieve bescherming, zoals neergelegd in C2/3.4 Vc 3 .”
Verder staat in het IB 2022/102 beschreven welke zaken zich op voorhand niet lenen voor afdoening op grond van zwaarwegendheid zonder eerst de geloofwaardigheid te toetsen. De volgende voorbeelden worden hierbij genoemd:
“ - er onvoldoende landeninformatie voorhanden is om tot het oordeel te komen dat er in zijn algemeenheid bescherming van de autoriteiten van het land van herkomst kan worden verkregen voor de gestelde problemen;
- de vreemdeling stelt te vrezen voor iets dat zonder meer raakt aan vervolging. Het gaat hier om zaken waarin de vreemdeling bijvoorbeeld vervolging vreest van de autoriteiten;
- de vreemdeling stelt dat hij tevergeefs geprobeerd heeft de bescherming van de (hogere) autoriteiten in te roepen. In deze zaken kunnen de verklaringen van de vreemdelingen hieromtrent beter op geloofwaardigheid beoordeeld worden.”
De rechtbank stelt voorop dat de zaak van eiser zich naar haar oordeel niet leent voor afdoening in de pilot. Verweerder heeft er toch voor gekozen om de door eiser gerelateerde problemen met de Omaanse autoriteiten enkel te beoordelen op zwaarwegendheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarbij, in strijd met de pilot en de aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling, niet alle verklaringen van eiser als uitgangspunt genomen. Eiser stelt immers niet meer te kunnen werken als schrijver in Oman en dat hij daardoor voor zijn levensonderhoud is aangewezen op zijn ouders en zelf geen inkomsten meer kan genereren. In het aanmeldgehoor heeft hij al aangegeven dat hij niet meer mocht werken en zeker niet publiceren en dat hij probeerde ander werk te zoeken, maar door iedereen werd geweigerd. Verweerder heeft dit in de beoordeling van de zwaarwegendheid niet als uitgangspunt genomen. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat eiser niet onderbouwd heeft dat hij niet kan werken en dat eiser op een andere wijze in zijn inkomen kan voorzien. Eiser kiest er volgens verweerder voor om zodanig te schrijven dat hij niet in Oman kan publiceren. Daarmee neemt verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet alle verklaringen van eiser als uitgangspunt bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. Verweerder volgt eiser immers niet in zijn verklaring dat hij niet in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien.
Verweerder stelt dat uit rapporten blijkt dat de wijze waarop de autoriteiten in Oman omgaan met kritische schrijvers te wensen overlaat, maar dat dit niet betekent dat eiser zodanig wordt geraakt dat hij na 2022 nog in de problemen is gekomen. Eiser stelt echter wel in de problemen te zijn gekomen. Hij is weliswaar niet voor een derde keer gevangengezet, maar stelt dat hij te maken had met repressie en censuur. Hij mocht niet publiceren en ook niets over zijn detentie op sociale media plaatsen, op straffe van een gevangenisstraf van zes of tien jaar. Verweerder neemt ook deze verklaring van eiser niet als uitgangspunt bij zijn beoordeling.
Uit de aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2333) volgt dat het er bij de rechterlijke toetsing van het bestreden besluit voor moet worden gehouden dat verweerder de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. Daarvan uitgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende met actuele informatie heeft gemotiveerd dat de vrees van eiser voor vervolging niet aannemelijk is. Over de situatie in Oman is geen algemeen ambtsbericht verschenen. Ook is er geen informatie over de bescherming van kritische schrijvers tegen de Omaanse overheid. Eiser heeft gesteld dat hij die bescherming wel heeft gezocht door een klacht in te dienen, maar deze bescherming is niet effectief gebleken en het publicatieverbod geldt nog steeds. Verder volgt uit het relaas van eiser dat hij met zijn bericht op X over zijn detentie in Oman de geheimhoudingsverklaring heeft geschonden en hem daardoor bij terugkeer een gevangenisstraf van zes tot tien jaar te wachten staat. Uit het relaas van eiser blijkt verder dat hij te maken heeft gehad met repressie en censuur van de Omaanse overheid en dat het hem onmogelijk wordt gemaakt om als schrijver in zijn levensonderhoud te voorzien. Daarbij wijst de rechtbank erop dat het relaas van eiser duidelijk blijk geeft van een politieke overtuiging. Hij stelt immers dat hij met zijn werk als schrijver een politiek doel nastreeft en dat volgens hem in Oman sprake is van een dictatoriaal regime waartegen in opstand moet worden gekomen. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het asielrelaas van eiser onvoldoende zwaarwegend is. Het beroep slaagt. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:4107
18-02-2026, Rb Haarlem, beroep gegrond [AMV; vaststelling leeftijd]
Reden signalering:
De rechtbank is van oordeel dat de schouw van de AVIM in deze zaak niet inzichtelijk en concludent is. In het proces-verbaal ontbreekt een verbinding tussen de observaties en de bevindingen en de conclusies die de AVIM daaruit trekt. De schouwers leggen in het proces-verbaal niet uit waarom de lichamelijke kenmerken en het gedrag van betrokkene typerend zijn voor een meerderjarige en waarom juist niet voor een minderjarige. Ook relateren de schouwers hun observaties niet aan specifieke kennis en inzichten over minder- en meerderjarigheid. De rechtbank kan uit het verslag niet opmaken hoe de gedragingen en verklaringen hebben bijgedragen aan de conclusie dat twijfel bestaat over de leeftijd die betrokkene heeft opgegeven. Verweerder mocht de leeftijdsschouw niet betrekken bij zijn standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die eiser heeft opgegeven.
Feiten en omstandigheden
Eiser heeft op 26 mei 2023 asiel aangevraagd in Nederland. Hij heeft daarbij aangegeven de Eritrese nationaliteit te hebben en 16 jaar oud te zijn op dat moment. De AVIM heeft op 26 mei 2023 een leeftijdsschouw verricht waarin ze hebben geconcludeerd dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd omdat eiser ouder overkomt en dat er verder onderzoek naar de leeftijd van eiser plaats zal vinden. Een medewerker van de IND heeft in het aanmeldgehoor ook een leeftijdsschouw verricht en geconcludeerd dat eiser evident minderjarig is. Daarna is aan eiser medegedeeld dat er nader onderzoek zal worden verricht naar zijn leeftijd.
Uit Eurodac blijkt dat eiser op 28 april 2023 is aangekomen op Lampedusa en dat eisers vingerafdrukken daar zijn afgenomen op 2 mei 2023. Eiser heeft in het aanmeldgehoor verklaard dat hij later heeft begrepen dat zijn medereizigers voor hem bij de Italiaanse autoriteiten de naam van zijn moeder hebben doorgegeven en dat hij achttien jaar oud was. Hij was erg ziek geworden vanwege de geur van benzine op de boot en daardoor bij aankomst op Lampedusa niet aanspreekbaar.
Verweerder heeft op 14 juli 2023 informatie opgevraagd bij de Italiaanse autoriteiten. Uit de reactie van 25 juli 2023 blijkt dat eiser bekend staat in Italië met geboortedatum [datum 2] 2004. Op 28 juli 2023 heeft verweerder een kennisgeving verstuurd van gewijzigde persoonsgegevens waarin hij eisers geboortedatum aanpast naar [datum 2] 2004. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 12 januari 2024 en een kopie van een doopakte overgelegd ter onderbouwing van de bij verweerder opgegeven geboortedatum. Verweerder heeft het bezwaar op 21 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard omdat de kennisgeving geen besluit is in de zin van de Awb. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Verweerder heeft in het bestreden besluit als geboortedatum van eiser [datum 2] 2004 opgenomen. Het besluit bevat geen inhoudelijke motivering ten aanzien van de opgenomen geboortedatum.
Is de leeftijdsschouw bij de AVIM voldoende inzichtelijk en concludent?
De rechtbank stelt het volgende vast. In het proces-verbaal van het gehoor door de AVIM worden in het kader van de leeftijdsschouw enkele lichamelijke kenmerken opgesomd. Er staat onder andere: ‘betrokkene heeft geen opvallende kraaienpoten/rimpels om de ogen, betrokkene heeft geen terugwijkende haargrens, betrokkene heeft wel duidelijk zichtbare groeven rond de neus, betrokkene heeft geen grijze haren, betrokkene heeft wel duidelijke zichtbare adamsappel, betrokkene heeft geen stoppels, heeft zich heel gladgeschoren’. Over de uiterlijke kenmerken van eiser wordt het volgende opgenoemd: ‘Betrokkene ziet er erg verzorgd en netjes uit. Uiterlijk en kleding. Betrokkene zijn haren zijn kortgeleden geschoren. Betrokkene zit op het puntje van zijn stoel en kijkt ons verbalisanten uitdagend aan. Betrokkene werkt niet mee aan het beantwoorden van een aantal vragen, betrokkene gaf afwijkende antwoorden. Betrokkene komt uiterlijk en gedrag ouder over dan de opgegeven leeftijd.’ Als conclusie hierop volgt: ‘op basis van bovenstaande verklaringen en signalen oordelen wij unaniem dat geconcludeerd kan worden dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd’.
De rechtbank is van oordeel dat de schouw van de AVIM in deze zaak niet inzichtelijk en concludent is. In het proces-verbaal ontbreekt een verbinding tussen de observaties en de bevindingen en de conclusies die de AVIM daaruit trekt. De schouwers leggen in het proces-verbaal niet uit waarom de lichamelijke kenmerken en het gedrag van betrokkene typerend zijn voor een meerderjarige en waarom juist niet voor een minderjarige. Ook relateren de schouwers hun observaties niet aan specifieke kennis en inzichten over minder- en meerderjarigheid. De rechtbank kan uit het verslag niet opmaken hoe de gedragingen en verklaringen hebben bijgedragen aan de conclusie dat twijfel bestaat over de leeftijd die betrokkene heeft opgegeven.
Nu de rechtbank tot het oordeel komt dat de schouw van de AVIM in deze zaak niet inzichtelijk en concludent is, mocht verweerder de leeftijdsschouw niet betrekken bij zijn standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die eiser heeft opgegeven. De beroepsgrond slaagt.
Verweerder heeft er wel terecht op gewezen dat hij alsnog nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van eiser. De rechtbank wijst in dit verband op een uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 volgt dat hierbij als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid geldt en dat het aan verweerder is om de presumptie van minderjarigheid te ontzenuwen. De rechtbank zal hierna, om het geschil zoveel mogelijk finaal te beslechten, beoordelen of verweerder hierin is geslaagd.
Heeft verweerder de presumptie van minderjarigheid voldoende ontzenuwd?
Eiser heeft in zijn gronden aangevoerd dat verweerder in ieder geval niet zonder nader onderzoek uit had mogen gaan van de leeftijdsregistratie in Italië, maar had moeten onderzoeken op basis waarvan die leeftijdsregistratie tot stand is gekomen: of aan deze registratie brondocumenten ten grondslag hebben gelegen dan wel of er een leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden. Verweerder had niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mogen gaan van de leeftijdsregistratie in Italië. Eiser verwijst naar eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024.
Eiser heeft in zijn reactie op het verweerschrift aangevoerd dat, nu hij vindt dat de schouw van de AVIM onvoldoende inzichtelijk en concludent is, de leeftijdsregistratie in Italië enkel op hem zou kunnen worden overgenomen indien aan deze registratie brondocumenten en/of een medisch leeftijdsonderzoek ten grondslag heeft gelegen. Nu dit niet het geval is, kan het vermoeden van minderjarigheid niet worden weerlegd. Verweerder handelt daarmee in strijd met paragraaf 3.4.1. van WI 2025/1. Eiser betwist verder dat hij ontoereikende, afwijkende en tegenstrijdige verklaringen heeft gegeven over zijn leeftijd, de leeftijdsregistratie en omstandigheden bij aankomst. Ook betwist eiser dat de gestelde geboortedatum van [datum 1] 2007 niet past bij de door hem afgelegde verklaringen in het nader gehoor. Verder stelt eiser dat hij met het overleggen van de kopie van zijn doopakte in ieder geval een begin van bewijs heeft geleverd dat hij is geboren op [datum 1] 2007. Eiser wijst er in dit verband ook op dat de bewijslast om de presumptie van minderjarigheid te ontzenuwen bij verweerder ligt en niet bij eiser.
Verweerder stelt zich in het aanvullend verweerschrift op het standpunt dat van beide schouwen kan worden uitgegaan. Dat verweerder in strijd zou hebben gehandeld met WI 2025/1, meer specifiek paragraaf 3.4.1, wordt niet gevolgd. Volgens verweerder miskent gemachtigde dat het moet gaan om beide schouwen die tot evidente minderjarigheid hebben geconcludeerd. In dit geval is dan ook paragraaf 3.4.3. van WI 2025/1 van toepassing, en niet paragraaf 3.4.1. Daarom mogen in dit geval de registratie in Italië en de verklaringen van eiser betrokken worden in de beoordeling.
De rechtbank constateert dat paragraaf 3.4.1. van WI 2025/1 beschrijft hoe verweerder omgaat met een schouw waarvan de uitkomst evident minderjarig is. Paragraaf 3.4.3. van WI 2025/1 beschrijft hoe verweerder omgaat met een schouw waarvan de uitkomst twijfel is. Hoe de uitkomst van een schouw wordt bepaald staat in paragraaf 3.2: er moet in beide sessies evident minder- of meerderjarig zijn geconcludeerd om tot evidente minderjarigheid respectievelijk evidente meerderjarigheid te komen. Elke andere combinatie leidt tot de eindconclusie twijfel. Omdat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat de schouwsessie bij de AVIM niet kon betrekken is hier geen sprake meer van een combinatie van twee leeftijdsschouwen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dus op geen van beide paragrafen worden teruggevallen. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder – zonder de werkinstructie te betrekken – de presumptie van minderjarigheid heeft kunnen weerleggen.
In haar uitspraak van 9 oktober 2024 heeft de Afdeling het volgende overwogen:
‘7.2. Als de minister twijfels heeft over de minderjarigheid van een vreemdeling, dan geldt als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid. Dat betekent dat hij dan van het vermoeden moet uitgaan dat de vreemdeling minderjarig is en deze vreemdeling als minderjarige moet behandelen. De Afdeling wijst ter vergelijking op artikel 25, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, de paragrafen 139-141, 153 en 154 van het hiervoor genoemde arrest Darboe en Camara en de punten 72 en 73 van het eerdergenoemde arrest K en L. Het is dan aan de minister om dat vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Hij zal dan nader onderzoek moeten doen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten. Als hij na dat onderzoek toch tot de conclusie komt dat de twijfel over de minderjarigheid is weggenomen en hij ervan uitgaat dat de vreemdeling meerderjarig is, dan zal hij dat moeten motiveren.
Bij dit onderzoek zal hij ook moeten samenwerken met de vreemdeling. Daarbij moet hij rekening houden met de belangen van het kind bedoeld in artikel 24 van het EU Handvest en artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag, en vreemdelingen bij het ontbreken van bewijsmateriaal onder bepaalde omstandigheden het voordeel van de twijfel geven. Zie artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, en het arrest van het EHRM van 22 februari 2024, M.H. en S.B. tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2024:0222JUD001094017, paragrafen 71, 72 en 79.
7.3. Als de minister een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat aantreft, waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is, dan mag hij die bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Daarbij zal hij zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als een leeftijdsregistratie is gebaseerd op een brondocument of een medisch leeftijdsonderzoek, dan zal hij hierover navraag moeten doen bij de betreffende lidstaat en nader moeten toelichten waarom hij daaraan al dan niet een bepaalde waarde hecht. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. De minister moet bij deze beoordeling ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen, zoals officiële en onofficiële identificerende documenten en/of verklaringen van voogden van Nidos, betrekken.’
Onvoldoende gemotiveerd dat presumptie van minderjarigheid is weerlegd
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de presumptie van minderjarigheid is weerlegd. Verweerder heeft niet zorgvuldig onderzocht en niet voldoende gemotiveerd welk gewicht aan de registratie bij de Italiaanse autoriteiten toekomt en waarom. Uit de overgelegde informatie van de Italiaanse autoriteiten blijkt niet wanneer deze registratie heeft plaatsgevonden, door welke autoriteiten en op basis waarvan. Waarom verweerder stelt dat dit op basis van eisers eigen verklaringen is geweest acht de rechtbank dus onduidelijk. Verweerder kan zich er dus niet op beroepen dat een eigen verklaring afbreuk doet aan de gestelde minderjarigheid. Het had dus op de weg gelegen van verweerder om nadere informatie op te vragen bij de Italiaanse autoriteiten voordat hij toekwam aan de vraag of eiser een plausibele verklaring had voor een eigen verklaring. De aannemelijkheid van de verklaringen van eiser over zijn ervaringen in Italië zegt op zichzelf niets over de waarde die aan de Italiaanse registratie toekomt. Dit geldt ook voor het standpunt van verweerder dat de verklaringen van eiser uit het nader gehoor niet passen bij de door hem gestelde geboortedatum.
Verweerder heeft daarnaast de uitkomst van de schouw van de medewerker van de IND waarin is geconcludeerd dat eiser evident minderjarig is niet kenbaar betrokken. Dit had, gelet op wat de Afdeling onder 7.3 heeft overwogen in haar uitspraak van 9 oktober 2024, wel gemoeten. Het blijft hiermee onduidelijk wat volgens verweerder de waarde is van deze schouw. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
Gelet op hetgeen is overwogen kent het bestreden besluit meerdere zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken en is het bestreden besluit dus in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Dit betekent dat het beroep gegrond is.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:5057
29-01-2026, Rb Den Haag, Turkmenistan, beroep gegrond [bloedwraak; landeninformatie; 3 EVRM]
Reden signalering:
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de enkele verwijzing naar Turkmeense wetgeving en het rapport van BTI, niet conform de op hem rustende bewijslast, zoals die voortvloeit uit de rechtspraak, onderbouwd dat bescherming door de autoriteiten in Turkmenistan in het algemeen mogelijk is. De omstandigheid dat moord in Turkmenistan in de wet strafbaar is gesteld en dat bloedwraak daarbij strafverzwarend werkt, is onvoldoende om aan te nemen dat door de autoriteiten in Turkmenistan in het algemeen bescherming wordt geboden tegen bedreigingen als die waar eiser mee te maken heeft.
Eiser stelt de Turkmeense nationaliteit te hebben. In 2019 is eiser naar Oekraïne vertrokken, waar hij een studie heeft gevolgd. Na de Russische invasie in Oekraïne heeft eiser besloten dit land te verlaten. Eiser heeft vervolgens asiel aangevraagd in Nederland, waarna hij als ontheemde derdelander afkomstig uit Oekraïne eerst een verblijfsrecht op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming1 heeft gehad. Na definitieve beëindiging van het verblijfsrecht van eiser onder deze Richtlijn heeft verweerder de asielaanvraag inhoudelijk behandeld en afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Turkmenistan een reëel risico op ernstige schade loopt. In 2021 is eiser als bestuurder van een auto betrokken geweest bij een verkeersongeluk waarbij twee van zijn bevriende medestudenten zijn overleden. Bij terugkeer naar Turkmenistan vreest eiser voor de represailles van de familieleden van deze overleden personen, die hem dreigberichten hebben gestuurd en bloedwraak op hem willen nemen.
Verweerder heeft alle asielmotieven geloofwaardig geacht. De asielaanvraag is afgewezen als ongegrond, omdat verweerder geconcludeerd heeft dat gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 EVRM niet aannemelijk is gemaakt door eiser. Redengevend daarvoor is ten eerste dat eiser geen verklaringen heeft afgelegd die raken aan één van de gronden voor vervolging als bedoeld in artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Ook een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 EVRM is niet aannemelijk gemaakt volgens verweerder. Niet gebleken is namelijk dat de autoriteiten eiser niet willen of niet kunnen beschermen tegen aanvallen van de familieleden van de overleden medestudenten.
Goede procesorde
Ter zitting is namens verweerder op de beroepsgronden gereageerd en is landeninformatie over Turkmenistan naar voren gebracht. De rechtbank heeft het onderzoek om die reden geschorst en eiser de mogelijkheid geboden om op deze nadere onderbouwing van het standpunt van verweerder te reageren. Dat de goede procesorde zich ertegen zou verzetten de landeninformatie waar verweerder ter zitting een beroep op heeft gedaan bij de beoordeling van het beroep te betrekken volgt de rechtbank niet. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting immers geschorst en eiser in de gelegenheid gesteld op deze landeninformatie te reageren, waarna partijen beiden nog een keer op elkaar hebben gereageerd. De rechtbank zal deze stukken daarom in haar beoordeling betrekken.
Bescherming door de autoriteiten
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen eerst door verweerder moet worden onderzocht of door de autoriteiten in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden tegen de betreffende bedreiging. Daarbij moet hij informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, betrekken. Als verweerder die vraag bevestigend heeft beantwoord, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien hij dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.
Aan het standpunt dat eiser in Turkmenistan bescherming kan krijgen van de autoriteiten, is in het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Moord is in Turkmenistan strafbaar gesteld en volgens het desbetreffende artikel 101 van het Turkmeense Wetboek van Strafrecht geldt een hogere straf als sprake is van moord op basis van bloedwraak. Ter onderbouwing heeft verweerder op de zitting verwezen naar een rapport met landeninformatie van BTI over Turkmenistan. Eiser en verweerder hebben hier in de schriftelijke standpunten na zitting inhoudelijk op gereageerd. Verweerder heeft in zijn reactie vastgehouden aan de conclusie dat niet gebleken is dat de autoriteiten geen bescherming aan eiser kunnen en willen verlenen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de enkele verwijzing naar Turkmeense wetgeving, o.a. artikel 101 van het Wetboek van Strafrecht van Turkmenistan, en het rapport van BTI, niet conform de op hem rustende bewijslast, zoals die voortvloeit uit de genoemde rechtspraak, onderbouwd dat bescherming door de autoriteiten in Turkmenistan in het algemeen mogelijk is. De omstandigheid dat moord in Turkmenistan in de wet strafbaar is gesteld en dat bloedwraak daarbij strafverzwarend werkt, is onvoldoende om aan te nemen dat door de autoriteiten in Turkmenistan in het algemeen bescherming wordt geboden tegen bedreigingen als die waar eiser mee te maken heeft. Immers, de strafbaarstelling van moord alleen maakt nog niet duidelijk hoe de Turkmeense autoriteiten in de praktijk bescherming bieden en hoe dat op dit moment gaat. Het rapport met landeninformatie van BTI dat verweerder ter zitting heeft overgelegd heelt dat gebrek niet. In dit rapport worden over de situatie in Turkmenistan meerdere thema’s besproken, zoals de “Rule of Law”, maar daarin is geen tekst opgenomen over de mogelijkheid van de bevolking om bescherming te krijgen tegen bloedwraak bij politie en justitie. Met de verwijzing naar het BTI rapport heeft verweerder de tegenwerping dat bescherming door de autoriteiten mogelijk is niet onderbouwd. De stelling van verweerder dat bescherming krijgen aannemelijk is, omdat de vader van eiser aangifte heeft willen doen en dat toen tegen hem gezegd is dat eiser zelf moet komen, maakt dit niet anders, want dit zegt niets over het daadwerkelijke beschermingsniveau dat geboden kan worden door de autoriteiten. Nu een onderbouwing er dus niet is, heeft het bestreden besluit, ook met de aanvullende motivering ter zitting en het schriftelijke standpunt na de schorsing, een motiveringsgebrek.
Conclusies en gevolgen
Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en moet daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank zal verweerder opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:1548