Jurisprudentie
Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:
29-12-2025, Rb Roermond, Syrië, tussenuitspraak [prejudiciële vraag; artikel 15c Kwalificatierichtlijn; willekeurig geweld; actor-vereiste]
Reden signalering:
De rechtbank meent dat een minder strikte toepassing van het actor-vereiste bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld in die zin dat alle humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van willekeurig geweld in het kader van een ononderbroken gewapend conflict bij deze beoordeling moeten worden betrokken, een redelijke en aanvaardbare uitlegging van artikel 15c van richtlijn 2011/95 is stelt hierover een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie.
Artikel 15c Kwalificatierichtlijn
Eiser komt uit Ruraal Damascus in Syrië en heeft op 16 maart 2023 een asielaanvraag ingediend. De rechtbank heeft in deze procedure reeds twee tussenuitspraken gedaan en het geschil deels beoordeeld. De rechtbank moet nu bepalen wat het niveau van willekeurig geweld is om te beoordelen of aan eiser door toepassing van de zogenoemde ‘glijdende schaal’ subsidiaire bescherming moet worden verleend.
Uit het AAB Syrië 2025 en EUAA-rapporten blijkt dat sprake is van een ernstige humanitaire crisis. Op grond van het beleid dat verweerder voert worden humanitaire omstandigheden niet betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict.
Het Hof heeft in een eerdere verwijzing uit 2022 de vraag of humanitaire omstandigheden, die een (in)direct gevolg van handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade zijn, betrokken dienen te worden bij de beoordeling of een verzoeker behoefte aan subsidiaire bescherming niet inhoudelijk beantwoord.
De Afdeling heeft op 16 juli 2025 in procedures waarin het niveau van willekeurig geweld in Jemen onderwerp van geschil was geoordeeld dat humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict als relevante omstandigheid bij deze globale beoordeling moeten worden betrokken.
De rechtbank is het eens met dit door de Afdeling uiteengezette beoordelingskader.
Actor-vereiste
In de onderhavige procedure is in dit verband echter door het standpunt dat verweerder inneemt een andere rechtsvraag gerezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het actor-vereiste zodanig strikt moet worden uitgelegd dat alleen humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van willekeurig geweld dat is uitgeoefend door strijdende partijen die deelnemen aan het thans aan de gang zijnde conflict hoeven te worden betrokken bij 15c. Volgens verweerder is Assad door de val van zijn regime geen actor meer in het gewapende conflict en kunnen de humanitaire omstandigheden die zijn veroorzaakt vóór de val van Assad daarom buiten beschouwing worden gelaten.
De rechtbank vraagt zich af of deze strikte toepassing van het actor-vereiste verenigbaar is met de subsidiaire beschermingsregeling. Uit de landeninformatie kan niet worden afgeleid welke actor van ernstige schade wanneer welke humanitaire omstandigheden heeft veroorzaakt door handelen of door nalaten. Tevens is niet vast te stellen in hoeverre de droogte mede de humanitaire crisis heeft veroorzaakt. De strikte toepassing van het actor-vereiste, zoals door verweerder bepleit, brengt een onevenredige bewijslast voor eiser mee. Voor verweerder, die gelet op de samenwerkingsplicht gehouden is om zo nodig actief met eiser samen te werken, zal een strikte toepassing van het actor-vereiste tot vergelijkbare problemen leiden.
Indien er geen gewapend conflict is of indien gedurende een dergelijk conflict geen sprake is van willekeurig geweld, bestaat er geen aanspraak op subsidiaire bescherming op grond van artikel 15c van richtlijn 2011/95. Tegelijkertijd heeft echter te gelden dat de actuele situatie waarin eiser na terugkeer zou komen te verkeren moet worden beoordeeld en dat het besluit waarin de asielaanvraag van eiser is afgewezen, bovendien een terugkeerbesluit omvat. De bescherming tegen refoulement die de Uniewetgever in richtlijn 2008/115 heeft verankerd, heeft een absoluut karakter en kent geen actor-vereiste.
De rechtbank meent dat een minder strikte toepassing van het actor-vereiste bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld in die zin dat alle humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van willekeurig geweld in het kader van een ononderbroken gewapend conflict bij deze beoordeling moeten worden betrokken, een redelijke en aanvaardbare uitlegging van artikel 15c van richtlijn 2011/95 is.
Ten aanzien van de in deze procedure opgekomen rechtsvraag is inmiddels sprake van divergentie in de lagere rechtspraak. De lidstaten passen artikel 15c van richtlijn 2011/95 ten aanzien van de vraag of humanitaire omstandigheden, die een (in)direct gevolg van handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade zijn dienen te worden betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld, bovendien niet uniform toe.
Prejudiciële vraag
De rechtbank stelt een prejudiciële vraag aan het Hof om een einduitspraak in de onderhavige procedure te kunnen doen en doet het Hof een voorstel voor beantwoording van deze vraag.
De rechtbank verzoekt het Hof om nadere uitlegging van het Unierecht door de navolgende prejudiciële vraag van de rechtbank te beantwoorden:
“Dienen humanitaire omstandigheden die kunnen bijdragen aan een ernstige en individuele bedreiging van het leven van een burger of persoon en die een gevolg zijn van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95 in aanmerking te worden genomen? Zo ja, welke mate van causaal verband is vereist tussen het willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict en deze humanitaire omstandigheden?”
De behandeling van het beroep wordt aangehouden totdat het Hof de prejudiciële vraag heeft beantwoord.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2025:25445
17-12-2025, ABRvS, Ethiopië, hoger beroep minister gegrond [Tigray; willekeurig geweld; artikel 15c-situatie]
Reden signalering:
De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat geen sprake is van willekeurig geweld als gevolg van een binnenlands gewapend conflict in het gebied van Tigray dat onder controle staat van de TIRA.
Veiligheids- en mensenrechtensituatie in Ethiopië
In deze uitspraak gaat de Afdeling in op het beleid van de minister in paragraaf C7/14.4 van de Vc 2000 over de veiligheids- en mensenrechtensituatie in Ethiopië. Naar aanleiding van het algemeen ambtsbericht Ethiopië van januari 2024 stelt de minister zich op het standpunt dat er in Tigray geen sprake meer is van willekeurig geweld in het kader van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft in de Kamerbrief van 29 mei 2024, Kamerstukken II 2023/24, 19637, nr. 3253 en de daarbij horende beslisnota, haar gewijzigde landenbeleid voor Ethiopië uiteengezet. Aanleiding voor de wijziging ten aanzien van Tigray is de in november 2022 gesloten staakt-het-vurenovereenkomst tussen het Tigray People’s Liberation Front (hierna: het TPLF) en de federale Ethiopische autoriteiten.
De minister klaagt in de eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat de algemene landeninformatie over Tigray geen eenduidig beeld zou geven van de daar heersende veiligheidssituatie, en meer specifiek van die in Mek’ele, de hoofdstad van Tigray, waar betrokkene vandaan komt. De minister betoogt dat de rechtbank bij de waardering van de landeninformatie ten onrechte geen onderscheid maakt tussen de situatie in Tigray als geheel, de betwiste gebieden in Tigray, en het deel van Tigray dat onder beheer van de Tigrayan Interim Regional Administration (hierna: de TIRA) staat, waarin Mek’ele is gelegen. Volgens de minister gaat de rechtbank voorbij aan de omstandigheid dat betrokkene dient terug te keren naar Mek’ele, dat in het centrum van Tigray ligt en onder het beheer van de TIRA staat.
Partijen zijn het erover eens dat de mate van willekeurig geweld in Mek’ele niet zo hoog is dat iemand door zijn enkele aanwezigheid daar al een reëel risico op ernstige schade loopt. Partijen zijn het er niet over eens of er in Tigray, en specifiek in Mek’ele, sprake is van willekeurig geweld als gevolg van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en van ‘een minder uitzonderlijke situatie’ zoals hiervoor omschreven. De minister betoogt dat er geen sprake is van een binnenlands gewapend conflict in Mek’ele in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, omdat de verschillende strijdkrachten weinig tot geen confrontaties met elkaar aangaan. Dat er verdeeldheid is binnen de TIRA, doet volgens de minister niet af aan deze conclusie. Daarbij wijst zij op landeninformatie, waaruit weliswaar blijkt dat sprake is van interne spanningen, maar dat deze niet voldoende zijn om te spreken van een binnenlands gewapend conflict. Verder stelt de minister dat uit de landeninformatie niet blijkt dat in Mek’ele sprake is van mensenrechtenschendingen op grote schaal.
Veiligheidssituatie in Mek’ele
Daarentegen betoogt betrokkene, onder verwijzing naar actuele landeninformatie, dat het nog steeds onveilig is in Mek’ele en de humanitaire situatie daar erg slecht is. Volgens betrokkene is ook in Mek’ele nog wel sprake van een binnenlands gewapend conflict en van een minder uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
De Afdeling is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat er in Mek’ele geen sprake is van een binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Er vinden geen confrontaties plaats tussen reguliere strijdkrachten van een staat en een of meer gewapende groeperingen, dan wel een onderlinge strijd tussen twee of meer gewapende groeperingen, zoals beschreven in deze uitspraak, onder 7. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat de incidenten en de criminaliteit in Mek’ele gekwalificeerd kunnen worden als willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister betoogt dan ook terecht dat de rechtbank niet voldoende heeft onderkend dat Mek’ele onder het beheer van de TIRA staat en dat de veiligheidssituatie daar beter is dan in de betwiste gebieden in Tigray. Uit de uiteengezette landeninformatie blijkt dat in het gebied onder beheer van de TIRA, waaronder Mek’ele, weliswaar aanzienlijke criminaliteit plaatsvindt, maar ook dat de veiligheidssituatie sinds de staakt-het-vurenovereenkomst duidelijk is verbeterd, met een significante daling van gewapende confrontaties, mensenrechtenschendingen en het aantal burgerdoden.
Anders dan betrokkene betoogt, heeft de minister in dit verband geen doorslaggevend gewicht toegekend aan de cijfers van het ACLED. De minister heeft zich immers, zoals hierboven uiteengezet, gebaseerd op verschillende bronnen, en zij is bij deze beoordeling ook ingegaan op de door betrokkene overgelegde landeninformatie. Alle genoemde informatie is eenduidig en maakt duidelijk dat er in Mek’ele geen sprake meer is van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict.
Daarnaast heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat de zorgelijke humanitaire omstandigheden in Mek’ele het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 4.2. Uit de overgelegde landeninformatie blijkt dat met name weersomstandigheden, insectenplagen en de economische situatie als oorzaken van voedseltekorten worden genoemd. Ook blijkt uit informatie van de United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) dat Mek’ele toegankelijk is voor humanitaire hulpverlening en dat daarvoor minimale belemmeringen bestaan. In het licht hiervan heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de algemene landeninformatie over Tigray geen eenduidig beeld geeft van de veiligheidssituatie in Tigray, en meer specifiek van die in Mek’ele.
De eerste grief slaagt.
Grief over de individuele beoordeling
De Afdeling stelt - met de minister - vast dat wat betrokkene heeft meegemaakt toen zij tijdens het conflict in Tigray gedetineerd was in Addis Abeba, mensonterend is geweest en betrekt wat zij heeft meegemaakt bij haar oordeel. Een in het verleden ondergane vervolging is op grond van artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000 immers een duidelijke aanwijzing voor de gegrondheid van de vrees voor toekomstige vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Er kunnen niettemin redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
In dit geval heeft de minister voldaan aan de bewijslast om aan te nemen dat het niet aannemelijk is dat betrokkene bij terugkeer naar Mek’ele opnieuw als etnisch Tigreese zal worden vervolgd of ernstige schade zal ondervinden. De minister betoogt namelijk terecht dat de situatie bij een terugkeer naar Mek’ele nu, anders is dan toen betrokkene in politiedetentie zat in Addis Abeba en bedreigd werd met verkrachting vanwege haar Tigreese etniciteit tijdens het conflict in Tigray. Er is al enkele jaren - sinds november 2022 - een staakt-het-vurenovereenkomst, die in grote lijnen wordt nageleefd, en de veiligheids- en mensenrechtensituatie in Mek’ele, waar de TIRA de macht heeft, is dienovereenkomstig verbeterd. De vervolging van betrokkene in het verleden is daarom in dit specifieke geval geen aanwijzing dat die vervolging of schade zich opnieuw zal voordoen.
Daarnaast ligt de bewijslast bij betrokkene om aannemelijk te maken dat zij bij terugkeer naar Mek’ele een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege seksueel geweld tegen vrouwen in het algemeen. De gegrondheid van deze vrees staat los van de onmenselijke behandeling van betrokkene in het verleden, die specifiek gerelateerd was aan het conflict in Tigray en specifiek gelokaliseerd was in Addis Abeba, de hoofdstad van Ethiopië, en niet in Mek’ele, de hoofdstad van de provincie Tigray.
Betrokkene wijst er op zichzelf terecht op dat het aantal gevallen van seksueel geweld ook in Mek’ele waarschijnlijk nog groter is dan het aantal gerapporteerde gevallen, zeker omdat partijen het erover eens zijn dat de autoriteiten geen bescherming kunnen bieden en het doen van aangifte weinig zinvol is. Betrokkene heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat het aantal gevallen van seksueel geweld dusdanig hoog is dat vrouwen die terugkeren naar Tigray, en specifiek Mek’ele, systematisch te vrezen hebben voor seksueel geweld, of anderszins een reëel risico op seksueel geweld lopen.
De minister wijst in dit kader terecht op het rapport van de Physicians for Human Rights van 31 juli 2025, waaruit blijkt dat het aantal slachtoffers van seksueel geweld na het sluiten van het staakt-het-vuren aanzienlijk is gedaald en dat er sindsdien sprake is van een dalende trend. Uit de overgelegde landeninformatie blijkt verder dat het seksueel geweld, dat nog wel plaatsvindt, hoofdzakelijk wordt gepleegd door Eritrese autoriteiten in het noorden van Tigray, en niet in Mek’ele, waar de TIRA de controle heeft. Wel is het zo dat ook in Mek'ele nog sprake is van veel criminaliteit en het vooral 's nachts gevaarlijk is op straat. De minister heeft in dit verband cijfers aangehaald die worden toegeschreven aan een rapport van de politie in Mek'ele. Volgens dat rapport van juli 2024 zouden in de elf voorafgaande maanden twaalf vrouwen zijn vermoord, achttien vrouwen verkracht, tien vrouwen ontvoerd en was bij 178 vrouwen sprake van poging tot moord. De minister erkent dat deze cijfers zeer verontrustend zijn, maar stelt terecht dat deze cijfers, afgezet tegen de omvang van de bevolking in Mek'ele, met ongeveer 600.000 inwoners, niet duiden op een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade voor iedere vrouw. Ten slotte betoogt de minister terecht dat betrokkene met haar verklaringen ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij persoonlijk in de negatieve aandacht staat van de Ethiopische autoriteiten of de TIRA of anderszins persoonlijk te vrezen heeft voor seksueel geweld.
Met de hier weergegeven informatie heeft de minister zorgvuldig onderzocht en deugdelijk gemotiveerd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Mek’ele een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt in strijd met artikel 4 van het EU Handvest. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
De tweede grief slaagt.
Conclusie
Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank.
Gehele uitspraak: Uitspraak BRS.25.000585 - Raad van State
NB: bij deze uitspraak heeft de ABRvS ook een persbericht uitgebracht.
05-01-2026, Rb Haarlem, Haïti, beroep ongegrond [lager niveau van willekeurig geweld; artikel 15c Kwalificatierichtlijn]
Reden signalering:
Verweerder heeft deugdelijk aan de hand van landeninformatie gemotiveerd waarom sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en waarom de persoonlijke omstandigheden niet genoeg zijn voor de conclusie dat eiser een verhoogd risico in Haïti loopt.
Geloofwaardigheid
Eiser is afkomstig uit Haïti en is geboren en woonachtig in departement l'Ouest. Hij stelt dat hij twee keer bijna is ontvoerd door gemaskerde en gewapende mannen en dat de algemene situatie in Haïti zo slecht is dat hij louter vanwege zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade.
Verweerder vindt de twee bijna-ontvoeringen niet geloofwaardig en meent dat in Haïti sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser moet dan aannemelijk maken dat hij wegens persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om in Haïti slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Dat heeft hij volgens verweerder niet gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Verweerder heeft kunnen vinden dat de bijna-ontvoeringen ongeloofwaardig zijn, onder meer omdat eiser hier tegenstrijdige verklaringen over heeft afgelegd.
Beoordeling algemene veiligheidssituatie
De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit het departement l'Ouest. Verweerder bestrijdt niet dat voor dat departement geldt dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict en dat sprake is van willekeurig geweld doordat gewapende bendes in dat departement actief zijn. Tussen partijen is slechts in geschil welke gradatie van willekeurig geweld aan de orde is.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet op wat hierboven is overwogen, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat in Haïti sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en niet van een uitzonderlijk of relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Wat eiser daartegen heeft ingebracht, waaronder een uitspraak van het Cour Nationale du Droit d’Asile (CNDA) van Frankrijk van 5 december 2023, is onvoldoende voor een ander oordeel. Onweersproken is dat de uitspraak van het CNDA specifiek ziet op een persoon waarbij persoonlijke omstandigheden maakten dat diegene subsidiaire bescherming kreeg. De beroepsgrond slaagt niet.
Persoonlijke omstandigheden
Relevant is nu de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij ondanks een relatief lager niveau van willekeurig geweld wegens persoonlijke omstandigheden een reëel risico loopt in Haïti slachtoffer van willekeurig geweld te worden.
Eiser voert in dit kader aan dat met name mannen een verhoogd risico lopen op moord, ontvoering en andere vormen van ernstig geweld door georganiseerde, niet-statelijke actoren. Hij heeft daarnaast een kwetsbare sociaal economische positie en is zelf ook psychisch kwetsbaar. Hierdoor wordt het makkelijker voor de bendes om hem te benaderen en om hem opdrachten te laten uitvoeren.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de enkele stelling dat mannen vaker dan vrouwen slachtoffer zijn van (dodelijk) geweld onvoldoende is om alleen al daarom aan te nemen dat eiser een verhoogd risico loopt op schade wegens willekeurig geweld. Eiser heeft zijn stellingen dat hij een kwetsbare sociaal-economische positie heeft en psychisch kwetsbaar is, niet onderbouwd. Verweerder heeft hierbij terecht betrokken dat eiser nooit lid is geweest van een (gewapende) groepering, hij nooit voor de overheid heeft gewerkt, hij als boer (veeverzorger) werkte, hij niet werkte na zijn verhuizing naar Port-au-Prince, hij niet vermogend is en hij in zijn specifieke herkomstgebied geen risicoverhogende gezinssituatie heeft. Eiser heeft niet eerder problemen met de bendes gehad en de twee bijna-ontvoeringen zijn door verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Haïti een verhoogd risico loopt op ernstige schade vanwege willekeurig geweld. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Conclusie en gevolgen
Het voorgaande betekent dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Haïti sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en niet van een relatief hoger of uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft niet met persoonlijke omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een verhoogd risico loopt op ernstige schade vanwege willekeurig geweld. Verweerder heeft de asielaanvraag als kennelijk ongegrond mogen afwijzen op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod zijn rechtmatig. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het beroep is ongegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:70
17-12-2025, Rb Utrecht, Haïti, beroep gegrond [lager niveau van willekeurig geweld; artikel 15c Kwalificatierichtlijn]
Reden signalering:
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er zich een situatie van een relatief lager niveau van willekeurig geweld voordoet en dat hij in het kader van artikel 3 EVRM onvoldoende aandacht heeft gehad voor de persoonlijke situatie van eiseres en haar kinderen.
Geloofwaardigheid
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende (tweede) asielaanvraag van eiseres en haar twee minderjarige kinderen. Eiseres stelt afkomstig te zijn uit Haïti, meer specifiek uit de hoofdstad Port-au-Prince in de regio Ouest. In deze uitspraak staat de vraag centraal of de minister terecht heeft aangenomen dat in deze regio in Haïti sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, in de zin van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn en of eiseres en haar kinderen hiernaar kunnen terugkeren.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig, maar de problemen vanwege haar biseksualiteit ongeloofwaardig. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Port-au-Prince en dat eiseres niet met individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat zij een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Haïti. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond. Het eerder uitgevaardigde terugkeerbesluit aan eiseres is nog steeds geldig. Ook heeft de minister de asielaanvragen van de minderjarige kinderen van eiseres afgewezen als ongegrond en aan hen een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Verder heeft de minister aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Veiligheidssituatie in Haïti en artikel 3 EVRM
Eiseres voert aan dat de minister het meest uitzonderlijke niveau van willekeurig geweld in Haïti had moeten aannemen, met name in Port-au-Prince. Eiseres wijst daarbij op een aantal openbare bronnen van onder andere Human Rights Watch3 , het U.S. Department of State4 , de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties (UNHRC)5 en naar een uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 mei 20256 . Ook voert eiseres aan dat haar terugkeer naar Haïti in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM, gelet op haar individuele omstandigheden
De minister stelt zich op het standpunt dat de situatie in Haïti zorgelijk is, maar dat geen sprake is van een zodanig uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld dat eiseres enkel door haar aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld dat voortkomt uit een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Daarbij heeft de minister specifiek gekeken naar de regio Ouest en Port-au-Prince, omdat eiseres hier vandaan komt en naar terug zal moeten keren. De minister neemt aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in deze regio, in de zin van artikel 15 c Kwalificatierichtlijn. Dit betekent dat eiseres aan de hand van individuele omstandigheden aannemelijk moet maken dat zij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
De minister wijst op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 16 november 2023 waarin de rechtbank dit standpunt van de minister heeft gevolgd.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn allereerst gaat over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld, in het kader van een gewapend conflict, zo hoog is dat eenieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15c kan echter ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’, volgens het Hof van Justitie. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld moet de minister alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking nemen. Specifiek gaat het daarbij om de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurige geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een vreemdeling bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. Daarnaast is het aantal ontheemden relevant en de humanitaire omstandigheden die het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij het gewapende conflict. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Uit de openbare informatie die eiseres en de minister naar voren hebben gebracht blijkt een zeer zorgelijk beeld. Uit het BINUH rapport van de Verenigde Naties van 11 november 2025 blijkt dat inmiddels 90% van Port-au-Prince in handen is van bendes en dat sprake is van gewapende confrontaties, ook wel battles tussen die bendes. Uit het Human Rights Watch rapport 2025 blijkt dat de bendes in hoog tempo uitbreiden naar delen van Port-au-Prince die daarvoor nog als veilig konden worden beschouwd. Ook nemen ze positie in in belangrijke delen van de regio, bijvoorbeeld voor landbouw. Deze bendes hebben beweerdelijk banden met de politie, politiek en economische elite. In de informatie van de minister staat dat in de periode van 1 januari t/m 3 december 2025 door het geweld in Port-au-Prince in totaal 1.647 doden (inclusief burgerslachtoffers) zijn gevallen en er 344 gevallen bekend zijn waarin geweld tegen burgers is gebruikt. Ook wordt opzettelijk (seksueel) geweld gebruikt tegen burgers. Zo meldt het UNHCR rapport van 4 april 2025 dat seksueel geweld wordt gebruikt als wapen tegen vrouwen en meisjes. In het door eiseres overgelegde rapport van de U.S. Department of State van 2024 staat dit ook: “gangs continued to use sexual violence to punish, spread fear in, and subjugate the population.” . Freedom House schrijft verder voor 2024: “Armed groups continued to subject women, girls and LGBT+ people to sexual violence” en in het BINUH rapport staat dat vooral vrouwen en meisjes slachtoffer worden van seksuele mishandelingen door bendes, die ook gewoon huizen binnenvallen. Uit het Human Rights Watch rapport 2025 volgt tot slot dat het seksuele geweld toeneemt en wijdverspreid is.
Daarnaast acht de rechtbank relevant dat kinderen volgens het Human Rights Watch rapport 2025 behoren tot de groep die het hardst wordt getroffen door het geweld, onder meer door toenemende honger, de dwang om bij bendes aan te sluiten (tenminste 30% van hun leden zijn kinderen) en de dwang tot arbeid en seksuele uitbuiting van meisjes.
Tot slot beschrijven de openbare bronnen dat de humanitaire situatie als gevolg van het geweld zeer zorgelijk is. Zo staat in het UNHCR rapport van 4 april 2025 dat voor Haïti wordt geschat “that armed gang violence has pushed 5.4 million people into conditions of high level of acute food insecurity”18 en zegt een andere door de minister aangehaalde bron van oktober 2025 dat 45% van de zorginstellingen in Port-au-Prince zijn vernietigd of gesloten en slechts 36% volledig operationeel is.
Tot slot leest de rechtbank in de door de minister overgelegde informatie dat het aantal ontheemden toeneemt in Haïti en momenteel op 1.412.199 personen staat.
De rechtbank ziet dat de minister in zijn beoordeling van de gradatie van willekeurig geweld deze bronnen heeft betrokken, maar de rechtbank vindt die beoordeling onvoldoende inzichtelijk. Niet deugdelijk gemotiveerd is hoe die bronnen – en dan specifiek de hierboven genoemde omstandigheden – zijn gewogen en hoe dat leidt tot een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio Ouest en in het bijzonder Port-au-Prince in Haïti.
Individuele omstandigheden en beoordeling 3 EVRM schending
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister afgezien van de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de terugkeer van eiseres naar Haïti geen schending oplevert van artikel 3 EVRM. Daarbij is van belang dat eiseres meerdere individuele omstandigheden heeft aangevoerd die de minister in het bestreden besluit niet inzichtelijk bij zijn beoordeling heeft betrokken. Eiseres is een alleenstaande vrouw met twee minderjarige kinderen en is eerder slachtoffer geworden van seksueel geweld door onbekende mannen. Na afloop van deze aanval hebben de onbekende mannen de zoon van eiseres ontvoerd die na het betalen van losgeld is vrijgelaten. Deze gebeurtenissen heeft de minister in de vorige asielprocedure geloofwaardig gevonden en leveren een aanwijzing op dat eiseres bij terugkeer opnieuw zal worden blootgesteld aan ernstige schade. De minister heeft in het bestreden besluit niet inzichtelijk gemotiveerd hoe met deze omstandigheden rekening is gehouden bij het beoordelen van het risico op ernstige schade, en in het bijzonder hoe deze zijn afgezet tegen de achtergrond van willekeurig geweld in Port-au-Prince in Haïti dat wordt gekenmerkt door bendegeweld.
Gehele uitspraak: NL25.43017 (niet gepubliceerd, uitspraak op te vragen via [email protected]).
09-12-2025, Rb Den Haag, Iran, beroep gegrond [kritiek op islam, geloofwaardigheid problemen met autoriteiten]
Reden signalering:
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet voldoende gemotiveerd waarom hij de problemen van eiser met de autoriteiten vanwege zijn kritiek op de islam, niet geloofwaardig vindt.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
Eiser, van Iraanse nationaliteit, legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Allereerst is hij afvallige van de islam en oriënteert hij zich op het atheïsme. Hij uitte op zijn werk kritiek op de islam en het Iraanse regime. Op een moment dat hij niet thuis was, hebben agenten zijn huis doorzocht en spullen meegenomen. Vervolgens is er een aanklacht tegen eiser ingediend voor opruiing, het in gevaar brengen van de nationale veiligheid en het verstoren van de openbare orde. Eiser is twee maanden ondergedoken en heeft vervolgens het land verlaten. In Nederland uit eiser zich politiek en islamkritisch op sociale media en heeft hij aan twee demonstraties meegedaan. Ook heeft eiser zich aangemeld bij twee atheïstische organisaties. Eiser heeft aanmeldmails, schermafbeeldingen van zijn activiteiten op sociale media en foto’s van zijn deelname aan demonstraties overgelegd.
Verweerder vindt niet geloofwaardig dat eiser problemen heeft met de autoriteiten vanwege zijn kritiek op de islam, omdat zijn verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser baseert namelijk op aannames dat een collega hem heeft verraden en verklaart wisselend over verschillende gebeurtenissen. Verweerder vindt wel geloofwaardig dat eiser zich heeft afgewend van de islam, dat hij in Nederland en op sociale media politiek actief is, dat hij lid is geworden van twee atheïstische organisaties en dat hij een politieke overtuiging heeft. Deze motieven leiden echter niet tot de conclusie dat eiser gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM. Volgens verweerder mag van eiser namelijk worden verwacht dat hij zich bij terugkeer terughoudend uit over zijn afvalligheid en politieke standpunten. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat hij in zijn geloofsidentiteit wordt geraakt als hij zijn islamkritische standpunten niet kan uiten. Daarnaast zijn er geen indicaties dat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat vanwege zijn verschillende activiteiten en uitingen.
Geloofwaardigheid problemen van eiser met de autoriteiten
De rechtbank oordeelt allereerst dat de tegenwerping dat eiser wisselend heeft verklaard of hij veroordeeld zou zijn, geen stand houdt. Gelet op het gehoorverslag en eisers toelichting ter zitting vindt de rechtbank aannemelijk dat eiser tijdens het gehoor heeft bedoeld te verklaren dat tegen hem een aanklacht is ingediend, in plaats van dat een vonnis is uitgevaardigd. Ook mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet aan eiser tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn onderduikadres. Eiser heeft namelijk direct binnen het aanmeldgehoor gecorrigeerd dat hij niet bij zijn ouders heeft verbleven en dat hij twee maanden op het bedoelde adres heeft verbleven. Naar het oordeel van de rechtbank is niet uit te sluiten dat er een misverstand is ontstaan over de periode en het adres waar eiser ondergedoken heeft gezeten. De tegenwerping dat eiser wisselend heeft verklaard over wat er met zijn simkaart is gebeurd, ziet naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende op de kern van eisers relaas om de afwijzing te dragen. Verweerders stelling dat het niet voor de hand liggend is dat eisers collega hem in de problemen heeft gebracht is op zichzelf eveneens onvoldoende, reeds omdat verweerder heeft aangegeven dat het door eiser geschetste scenario zeker niet onmogelijk is. Daarbij komt dat eiser tijdens het gehoor heeft aangegeven dat hem niet precies duidelijk is hoe de autoriteiten van zijn uitingen op de hoogte zijn geraakt.
Alleen al om het voorgaande is het beroep gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op de asielaanvraag van eiser en daarin opnieuw moeten beoordelen of de problemen van eiser met de autoriteiten vanwege zijn kritiek op de islam, geloofwaardig zijn. In het verlengde daarvan zal verweerder ook opnieuw moeten beoordelen of aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat vanwege zijn afvalligheid en/of zijn politieke uitingen. Immers heeft verweerder de conclusie dat niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat, mede gebaseerd op de hiervoor besproken ongeloofwaardigheid van eisers problemen. Verweerder zal bij het nieuwe besluit eisers verklaringen over zijn uitingen zowel in Iran als in Nederland moeten betrekken.
Conclusie
Nu het beroep al vanwege de geloofwaardigheidsbeoordeling gegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de uitspraak van de hoogste bestuursrechter over afvalligen in Iran.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2025:23980
20-11-2025, Rb Den Haag, Afghanistan, beroep gegrond [werken voor Amerikanen; problemen met Taliban]
Reden signalering:
Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiser gestelde problemen met de Taliban, vanwege zijn werk voor de Amerikanen, niet geloofwaardig zijn, eiser heeft dreigbrieven voorafgaand aan de zitting ingediend en verweerder heeft hier, door niet te verschijnen ter zitting, niet op gereageerd.
Geloofwaardigheid
Eiser werkte van 2014 tot 2018 samen met zijn oom voor de Amerikanen op een vliegveld in Afghanistan. Hij was in de leer bij zijn oom als timmerman en verrichtte ook andere klussen op de vliegbasis. In die periode is eisers oom meerdere keren bedreigd door de Taliban. Na de machtsovername hebben de Taliban eisers oom vermoord vanwege diens werkzaamheden op het Amerikaanse vliegveld. Eiser heeft daarop Afghanistan verlaten omdat hij vreesde dat de Taliban hem ook zouden doden. Na zijn vertrek hebben mensen bij eisers broer naar hem gevraagd. Eiser vermoedt dat deze mensen van de Taliban waren of voor de Taliban werkten. Bij terugkeer naar Afghanistan vreest eiser door de Taliban gedood te worden.
Verweerder vindt eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Dat eiser problemen heeft met de Taliban vanwege zijn werkzaamheden bij de Amerikaanse troepenmacht vindt verweerder ook niet geloofwaardig. Eiser heeft volgens verweerder onvoldoende documenten overgelegd die zijn identiteit en zijn gestelde problemen onderbouwen en hij heeft daar geen goede verklaring voor.
Gelet op de door eiser voorafgaand aan de zitting ingediende stukken en de daarop gegeven toelichting en verklaring van eiser zoals die blijken uit de aan het dossier toegevoegde aantekeningen van de zitting, is de rechtbank met eiser van oordeel dat een reactie van verweerder wenselijk is. Nu verweerder niet aanwezig was op de zitting om te reageren en ook geen verweerschrift heeft ingediend, is de rechtbank van oordeel dat het besluit onvoldoende deugdelijk gemotiveerd is. Daarom zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt.
Mocht verweerder eisers identiteit niet geloofwaardig vinden?
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eisers identiteit niet geloofwaardig is. Zo mocht verweerder eiser tegenwerpen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd die zijn identiteit onderbouwen en hij daar geen goede verklaring voor heeft. In dit licht heeft verweerder mogen vinden dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij inspanningen heeft verricht om aan identificerende documenten te komen.
Verweerder heeft verder aan eiser mogen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn identiteit en in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser in Bulgarije geregistreerd staat als [naam] , geboren op [geboortedatum 2] 2002, en hij in Nederland de naam [eiser] en geboortedatum [geboortedatum 1] 2000 heeft opgegeven.
Mocht verweerder eisers problemen met de Taliban vanwege zijn werk niet geloofwaardig vinden?
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door eiser gestelde problemen met de Taliban vanwege zijn werk bij de Amerikaanse troepenmacht niet geloofwaardig zijn. Ter onderbouwing van zijn relaas heeft eiser voorafgaand aan de zitting twee dreigbrieven, gedateerd op 1 november 2024 en 12 december 2024, overgelegd, als ook de vertaling daarvan. Eiser stelt dat deze afkomstig zijn van de Taliban en ze onderbouwen volgens hem zijn betoog dat hij door hen gezocht en bedreigd wordt. Eiser heeft verklaard dat hij deze brieven via een vriend van zijn broer, die naar Londen was gereisd, heeft ontvangen. Nu eiser deze documenten heeft ingebracht ter onderbouwing van zijn relaas en verweerder, door niet te verschijnen ter zitting, hier geen reactie op heeft gegeven en geen standpunt heeft ingenomen over de authenticiteit daarvan, heeft verweerder, gelet op de aanvullende stukken, onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat hij wordt bedreigd en gezocht door de Taliban.
Conclusie
Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers problemen werkt door in de beoordeling van de risico’s bij terugkeer. Gelet op deze samenhang zal de rechtbank de overige beroepsgronden op dit moment niet bespreken. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. Verweerder moet daarbij de door eiser overgelegde stukken en de nadere toelichting daarover kenbaar betrekken.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2025:24327
16-12-2025, Rb Den Haag, beroep gegrond [Dublin-Bulgarije; interstatelijk vertrouwensbeginsel; Turkse asielzoekers]
Reden signalering:
Verweerder dient zich ervan te vergewissen of in Bulgarije al dan niet sprake is van een structurele systeemfout in de asielprocedure die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt voor Turkse asielzoekers.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eisers voeren aan dat Nederland hun asielaanvraag in behandeling dient te nemen en inhoudelijk dient te beoordelen, nu zij aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van ernstige en langdurige tekortkomingen in de Bulgaarse asielprocedure. Bij terugkeer naar Bulgarije vrezen eisers voor een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. In Bulgarije is de opvang ver onder de maat, vinden er pushbacks plaats en worden vreemdelingen mishandeld dan wel slecht behandeld door de autoriteiten. Daarnaast hebben zij in Bulgarije geen toegang tot rechtsbijstand en vrezen zij in vreemdelingendetentie te belanden dan wel over de grens te worden gezet. Eisers kunnen niet terug naar Turkije omdat zij daar gevaar lopen. Eisers verwijzen naar het meest recente AIDA rapport over Bulgarije en de uitspraak van de zittingsplaats Utrecht van 12 mei 2025 en stellen dat verweerder nader onderzoek had moeten verrichten. Verder beroepen eisers zich op artikel 17 van de Dublinverordening.
Verweerder mag ten aanzien van Bulgarije in het algemeen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. De Afdeling heeft recent geoordeeld dat er (in het algemeen) geen aanleiding is om te veronderstellen dat een vreemdeling bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een situatie die in strijd is met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Uit het AIDA-rapport update 2024 volgt geen wezenlijk ander beeld van de opvangsituatie in Bulgarije voor Dublinterugkeerders dan de informatie uit eerdere AIDA-rapporten die reeds door de Afdeling is betrokken.
Kan verweerder voor Turkse asielzoekers ten aanzien van Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
De rechtbank overweegt dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirecte refoulement als gevolg van uiteenlopend beschermingsbeleid, en dat ook materiele meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
In de uitspraak van 12 november 2024 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, waarnaar eiseres in haar zienswijze en in beroep verwijst, is -samengevat - geoordeeld dat er aanwijzingen zijn voor een systeemfout in de Bulgaarse asielprocedure voor Turkse asielzoekers. Uit die uitspraak volgt dat verweerder niet zonder nader onderzoek en zonder nadere motivering voor Turkse asielzoekers ten aanzien van Bulgarije kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
In die uitspraak is onder meer overwogen dat de in die zaak door de vreemdeling aangehaalde informatie over de inwilliging van aanvragen en de behandeling van Turkse asielzoekers uit het AIDA-rapport Bulgarije update 2023, een serieuze aanwijzing is dat er niet alleen sprake is van een verschil in beschermingsbeleid, maar ook van een systeemfout in de Bulgaarse asielprocedure ten aanzien van Turkse asielzoekers. De omstandigheid dat er in de jaren 2018, 2029 en 2023 geen enkele asielaanvraag van een Turkse asielzoeker is toegewezen en in de jaren 2020, 2021 en 2022 het toewijzingspercentage erg laag was, roept volgens de zittingsplaats op zichzelf de vraag op of Turkse asielzoekers in Bulgarije wel een eerlijke asielprocedure, waarin hun aanvraag inhoudelijk beoordeeld wordt, kunnen doorlopen.
Ten opzichte van het AIDA-rapport Bulgarije Update 2023 waarop deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, haar oordeel heeft gebaseerd, zijn er volgens het meest recente AIDA-rapport Update 2024 twee wijzigingen. In 2024 was het inwilligingspercentage namelijk 14% (het ging hier uitsluitend om asielvergunningen voor Turkse personen op grond van subsidiaire bescherming en niet om de vluchtelingenstatus) en inmiddels wordt er in Bulgarije een officiële lijst van veilige landen van herkomst gehanteerd. De rechtbank ziet in deze twee wijzigingen geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan het oordeel in de hiervoor uitgenoemde uitspraak van 12 november 2024. Het AIDA-rapport 2024 Update laat op pagina 75 en 76 een vergelijkbaar wisselend beeld van de afdoening van asielverzoeken van Turkse asielzoekers zien als de in de uitspraak van 12 november 2024 opgenomen informatie uit het AIDA Rapport 2023 Update. Dat in 2024 sprake was van een inwilligingspercentage van 14% zou daarom slechts een tijdelijke en geen structurele verbetering kunne betekenen. Aan dit inwilligingspercentage kan dus geen doorslaggevend gewicht worden toegekend.
Anders dan de zittingsplaats Haarlem heeft overwogen, overweegt deze rechtbank dat het lage inwilligingspercentage op zichzelf genomen onvoldoende is om te twijfelen aan of Turkse asielzoekers wel een eerlijke asielprocedure, waarin hun aanvraag inhoudelijk beoordeeld wordt, kunnen doorlopen in Bulgarije7 . De rechtbank acht het echter van belang dat eisers niet alleen heeft gewezen op het lage inwilligingspercentage van asielaanvragen van Turkse asielzoekers, maar bijvoorbeeld ook de aanwijzingen van de informele overeenkomst tussen Bulgarije en Turkije en de slechte toegang tot de rechtsbijstand in Bulgarije. Uit het AIDA-rapport 2024 Update volgt dat in Bulgarije veel Turkse asielzoekers tijdens hun asielprocedure in detentie verblijven, hun asielaanvragen werden afgewezen en dat zij terug gedeporteerd werden naar Turkije. 8Ook volgt uit het rapport dat de immigratie politie alles aan doet om Turkse gedetineerden weg te houden van advocaten en juridisch advies. Dit zou volgens het rapport een resultaat lijken te zijn van een informele politieke overeenkomst tussen de Bulgaarse en Turkse overheden. Verondersteld wordt dat soortgelijke overeenkomsten halverwege 2023 opnieuw zijn bereikt. In het hiervoor genoemde uitspraak van 12 november 2024 is dezelfde informatie, die ook in het AIDA-rapport Bulgarije Update 2023 is opgenomen, geciteerd om aan te geven dat deze informatie iets zegt over de wijze waarop asielverzoeken van Turkse asielzoekers in Bulgarije worden behandeld. Nu deze informatie ook is opgenomen in de meest recente AIDA-rapport 2024 Update, gaat de rechtbank ervan uit dat deze informatie nog steeds actueel is.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank is alle hiervoor weergegeven informatie samen een zodanige aanwijzing voor een systeemfout in de Bulgaarse asielprocedure ten aanzien van Turkse asielzoekers, dat verweerder niet zonder nader onderzoek en zonder nadere motivering voor eisers als Turkse onderdanen kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. Verweerder moet daarom nader onderzoek doen naar de situatie voor Turken die asiel aanvragen in Bulgarije, en meer in het bijzonder naar de vraag of hun aanvragen wel daadwerkelijk op een eerlijke wijze inhoudelijk beoordeeld worden. Dit mede in het licht van de tussen de beide landen gemaakte afspraken.
Verweerder dient zich ervan te vergewissen of in Bulgarije al dan niet sprake is van een structurele systeemfout in de asielprocedure die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt voor Turkse asielzoekers die om internationale bescherming verzoeken.
Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank overweegt hierbij dat de hiervoor aangehaalde informatie uit het AIDA-rapport Bulgarije Update 2024 die specifiek ziet op de situatie van Turkse asielzoekers in Bulgarije niet is beoordeeld in de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling. Het feit dat de Afdeling recent heeft geoordeeld dat in het algemeen ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank is – in tegenstelling tot verweerder- namelijk van oordeel dat de eerdergenoemde informatie voldoende aanwijzing is dat de situatie van Turkse asielzoekers in Bulgarije wezenlijk anders is dan die van andere asielzoekers.
Gehele uitspraak: zie NL25.39270 (niet gepubliceerd, uitspraak op te vragen via [email protected]).
10-10-2025, Rb Amsterdam, Eritrea, beroep gegrond [Hasa; niet alle risicofactoren en aangevoerde landeninformatie kenbaar betrokken]
Reden signalering:
Verweerder moet het risico van eiseres bij terugkeer naar Eritrea onderzoeken en daarbij de relevante en actuele situatie betrekken. Hiertoe moeten alle aangevoerde risicofactoren onderling en in samenhang worden bezien.
Vrees voor vervolging
Eiseres voert onder meer aan dat zij vreest voor vervolging bij terugkeer naar Eritrea. Er zijn volgens haar diverse factoren die maken dat zij niet kan terugkeren. Eiseres is familielid van deserteurs en kinderen die illegaal zijn uitgereisd. Zij is daarnaast meer dan zeven jaar ongeoorloofd in het buitenland geweest, heeft geen diasporabelasting betaald en ook geen ‘regret form’ ondertekend, waartoe zij ook niet bereid is. Daarbij is eiseres een oudere, alleenstaande vrouw en beschikt zij niet meer over een geldig identiteitsbewijs, waardoor zij ook risico loopt bij terugkeer. Ten onrechte heeft verweerder niet al die factoren meegewogen in het bestreden besluit en ook niet in samenhang beoordeeld. Eiseres heeft in dit verband onder andere verwezen naar diverse ambtsberichten die over Eritrea zijn uitgebracht en enkele recente uitspraken van deze rechtbank.
De rechtbank overweegt het volgende. Uit het meest recente Algemeen Ambtsbericht Eritrea van 2023 blijkt dat het over het algemeen moeilijk is te achterhalen wat de risico’s waren voor personen die terugkeerden, omdat de geïnterviewde bronnen niet op de hoogte waren van veel gevallen van personen die waren teruggekeerd. Toch bevestigden bronnen dat Eritrea geen instituties of mechanismes kende die bescherming konden bieden aan personen die terugkeerden. Hierdoor waren terugkeerders, zelfs aanhangers van het regime, onderworpen aan willekeur en inconsistente behandelingen, net als alle andere Eritrese burgers. Uit het ambtsbericht blijkt dat gewoonlijk alle terugkerende Eritreeërs bij aankomst op de internationale luchthaven worden gecontroleerd over welke Eritrese en buitenlandse identiteitsdocumenten ze beschikten, of ze de diasporabelasting hadden betaald en – indien van toepassing – of ze het ‘regret form’ hadden ondertekend. De procedures op de luchthaven waren echter inconsistent. Als de autoriteiten iemand wantrouwden, konden ze diegene ondervragen. Redenen daarvoor konden zijn: onvolledige documenten of het niet betaald hebben van de diasporabelasting. Wie gedwongen terugkeerde naar Eritrea riskeerde mensenrechtenschendingen, zoals arbitraire detentie, mishandeling, inhumane behandeling en plaatsing in de nationale dienstplicht. Ook vrijwillige terugkeer kon niet altijd als vrijwillig worden beschouwd. Als men geen diasporastatus had, werd men bij terugkeer hetzelfde behandeld als mensen die gedwongen terugkeerden en konden zij ook worden blootgesteld aan mensenrechtenschendingen. Ook blijkt uit de landeninformatie dat illegale uitreis door Eritrea wordt beschouwd als een misdaad en die personen worden beschouwd als niet-loyaal. Ook zij riskeren detentie en mishandelingen.
Risicofactoren en landeninformatie in onderlinge samenhang
De rechtbank stelt vast dat niet alle verschillende risicofactoren en de landeninformatie die eiseres heeft aangevoerd, kenbaar zijn betrokken bij het bestreden besluit. Door verweerder is niet betrokken dat eiseres een alleenstaande oudere vrouw is, die al voor een zeer lange periode (al dan niet legaal) in het buitenland verblijft. Eiseres heeft van meet af aan verklaard dat zij geen diasporabelasting heeft betaald en niet bereid is een ‘regret form’ te ondertekenen. In het bestreden besluit is niet aan eiseres tegengeworpen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen diasporabelasting heeft betaald en dit punt is ook verder niet betrokken in de beoordeling. Ook is in het bestreden besluit niet kenbaar betrokken dat eiseres niet meer beschikt over een paspoort. Drie van haar kinderen – die illegaal zijn uitgereisd – verblijven inmiddels in Nederland en zijn ook genaturaliseerd. Uit het bestreden besluit volgt niet dat alle genoemde factoren in onderlinge samenhang zijn betrokken bij de beoordeling of eiseres een reëel risico loopt bij terugkeer. Dit is een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.
De stelling van verweerder dat de gebreken in de besluitvorming met het verweerschrift zijn hersteld, volgt de rechtbank niet. Ook in het verweerschrift zijn niet alle factoren kenbaar betrokken, laat staan dat deze in onderlinge samenhang zijn bezien. Waar in het verweerschrift een aanvulling is gegeven, dat het niet meer beschikken over een paspoort volgens de rechtspraak van de Afdeling geen probleem zou zijn bij terugkeer, merkt de rechtbank op dat die uitspraak uitging van (inmiddels) verouderde landeninformatie en dat hierbij niet is betrokken dat eiseres geen diasporabelasting heeft betaald en geen ‘regret form’ heeft ondertekend. Uit de recentere landeninformatie blijkt namelijk dat er enkel een nieuw paspoort kan worden aangevraagd indien er een ‘regret form’ wordt getekend en er een bewijs van betaling van de diasporabelasting moet worden aangeleverd. Ook blijkt dat een reden voor ondervraging het ontbreken van identiteitsdocumenten kan zijn. Daar komt nog eens bij dat weliswaar uit de toelichting op het ambtsbericht blijkt dat er geen termijn was verbonden aan het uitreisvisum waarbinnen de houder moest terugkeren naar Eritrea, maar daarmee is niet gezegd dat terugkeer van eiseres naar Eritrea, na een járenlang verblijf in het buitenland, niet als een bijzondere omstandigheid moet worden gezien op basis waarvan zij – al dan niet in samenhang met de andere door eiseres genoemde risicofactoren – wantrouwen wekt bij de autoriteiten aldaar. Verweerder kan dus niet zonder meer van die uitspraak van de Afdeling uitgaan en de aanvullingen in het verweerschrift en ter zitting volstaan niet.
Eiseres heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij bij terugkeer naar Eritrea problemen verwacht. Zij heeft door het aanvoeren van alle informatie een begin van bewijs geleverd dat zij een reëel risico loopt dat zij bij terugkeer wordt blootgesteld aan ernstige schade. Het is dan ook aan verweerder om gelet op de samenwerkingsplicht alle twijfels hierover weg te nemen. Verweerder is hier in het bestreden besluit, het verweerschrift en ter zitting onvoldoende in geslaagd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich zonder nader onderzoek, niet op het standpunt kan stellen dat eiseres geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep reeds hierom slaagt. Verweerder moet het risico van eiseres bij terugkeer naar Eritrea onderzoeken en daarbij de relevante en actuele situatie betrekken. Hiertoe moeten alle aangevoerde risicofactoren onderling en in samenhang worden bezien. Omdat het beroep reeds hierom slaagt, behoeven de overige gronden geen bespreking meer. Beroep gegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2025:22926
22-12-2025, Rb Rotterdam, Turkije, beroep ongegrond [Koerdisch aleviet; discriminatie; activiteiten sociale media]
Reden signalering:
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Turkije, vanwege het feit dat hij Koerdisch aleviet is, door discriminatie zo ernstig zal worden beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon en zal kunnen functioneren.
Eisers problemen als Koerdisch aleviet in Turkije
Eiser stelt dat verweerder zich ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser als Koerdisch aleviet niet heeft te vrezen voor vervolging. Eiser verwijst in dat kader naar het Algemeen Ambtsbericht Turkije van augustus 2023 (AA Turkije 2023). Verder stelt eiser dat verweerder heeft nagelaten om bij de besluitvorming te betrekken dat eiser actief is op sociale media en zich vanuit Nederland kritisch heeft geuit over de Turkse regering. Eiser verwijst in dat kader naar het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 (AA Turkije 2025).
Tijdens de zitting heeft eisers gemachtigde toegelicht dat verweerder zou hebben nagelaten om de discriminatie van eiser als Koerd én aleviet – dus in samenhang – te beoordelen. De rechtbank vindt dat verweerder in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, voldoende is ingegaan op de discriminatie van eiser als Koerdisch aleviet in Turkije. Niet is gebleken dat verweerder daarbij heeft nagelaten om de discriminatie in samenhang te beoordelen. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt daarom in zoverre niet.
Partijen zijn het erover eens dat eiser als Koerdisch aleviet in Turkije discriminatie heeft ondervonden. Discriminatie kan leiden tot het verlenen van asiel (zie het asielbeleid van verweerder, beschreven in paragraaf C2/3.2.6. van de Vreemdelingencirculaire 2000). De lat daarvoor ligt echter wel hoog: de discriminatie moet zo ernstig zijn dat het niet (meer) mogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. De rechtbank vindt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat die situatie zich hier niet voordoet. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Eiser heeft verklaard dat hij met zijn studie is gestopt vanwege persoonlijke gevoelens van eenzaamheid en discriminatie. Zonder dit te willen bagatelliseren, volgt hieruit niet dat het studeren in Turkije eiser onmogelijk is gemaakt. Eiser heeft, nadat hij met zijn studie is gestopt, opleidingen kunnen volgen en daarbij certificaten behaald. Hij heeft in Turkije kunnen werken en succesvolle bedrijven kunnen oprichten waarmee hij opdrachten heeft uitgevoerd voor de gemeente. Weliswaar heeft eiser verklaard dat hij meerdere keren op onrechtmatige wijze door zijn werkgever is ontslagen, maar hij heeft ook verklaard dat een ander dit eveneens zou kunnen overkomen. Verder blijkt uit eisers verklaringen dat hij toegang tot zorg heeft gehad en dat hij in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Uit dit alles volgt dat eiser in Turkije, ondanks de moeilijkheden en beperkingen die hij heeft ondervonden vanwege zijn etnische en religieuze achtergrond als Koerdisch aleviet en die door de rechtbank worden onderkend, in voldoende mate en niet slechts op marginale wijze, op maatschappelijk en sociaal gebied heeft kunnen functioneren. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije niet op eenzelfde manier kan functioneren als voor zijn vertrek uit Turkije.
Eisers verwijzing naar het AA Turkije 2023 leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst volgt uit het ambtsbericht niet dat de discriminatie van Koerden systematisch en van dien aard is dat het voor Koerden in Turkije in het algemeen nagenoeg onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Verder wordt er in dit ambtsbericht niets gezegd over discriminatie van alevieten in Turkije. Uit het (recente) AA Turkije 2025 lijkt te volgen dat alevieten, hoewel zij de grootste religieuze minderheid in het land vormen en van oudsher een problematische verstandverhouding met de Turkse staat onderhouden, in toenemende mate erkenning en bescherming genieten, wat in ieder geval niet in de richting wijst dat de situatie van alevieten in Turkije na het vertrek van eiser is verslechterd.
Get op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Turkije, vanwege het feit dat hij Koerdisch aleviet is, door discriminatie zo ernstig is en zal worden beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon en zal kunnen functioneren. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen verweerders standpunt dat de relevante elementen 3 en 4 van het asielrelaas niet geloofwaardig zijn. Verweerder heeft de (ondervonden en te ondervinden) discriminatie dan ook terecht onvoldoende zwaarwegend geacht voor het verlenen van een verblijfsvergunning. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt in zoverre ook niet.
Eisers problemen vanwege kritische uitlatingen op sociale media
De rechtbank merkt eerst op dat verweerder in het voornemen, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen, wel degelijk is ingegaan op eisers stelling dat hij actief is op sociale media. Verweerder heeft in dat kader namelijk geconcludeerd dat eisers X/Twitter-account niet kon worden getraceerd en dat de door eiser aangeleverde schermafbeeldingen, waarop berichten te zien zijn, van een account van elk willekeurig persoon met dezelfde voornaam als eiser zou kunnen zijn. Eiser heeft in zijn zienswijze de mogelijkheid gehad om daarop te reageren, maar dat heeft hij niet gedaan. Eiser is in zijn zienswijze overigens in het geheel niet ingegaan op eventuele problemen vanwege zijn gestelde kritische uitlatingen op sociale media. Dit komt voor zijn rekening en risico. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling in beroep dat verweerder heeft nagelaten om bij de besluitvorming te betrekken dat eiser actief is op sociale media en zich vanuit Nederland kritisch heeft geuit over de Turkse regering. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt in zoverre niet.
De rechtbank vindt verder dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser door de Turkse autoriteiten wordt gezocht vanwege zijn activiteiten op sociale media. Allereerst is onduidelijk of eisers X/Twitter-account openbaar of gesloten is en of het account herleidbaar is naar eiser. Al zou het gaan om een openbaar en naar eiser herleidbaar account, dan blijkt uit de door eiser in beroep overgelegde schermafbeeldingen dat het account slechts 116 volgers heeft en dat slechts twee berichten door het account zelf zijn geplaatst, namelijk de berichten van 20 en 24 maart 2025. Weliswaar zou de inhoud van die berichten kunnen worden aangemerkt als een kritische uitlating, maar het is onduidelijk of de Turkse autoriteiten van die berichten (hebben) kunnen kennisnemen. Dit geldt ook voor de andere geplaatste en vertaalde berichten, de reposts. Eisers verwijzing naar het AA Turkije 2025 maakt dat niet anders. Gelet op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij door de Turkse autoriteiten wordt gezocht vanwege zijn activiteiten op sociale media. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat niet is gebleken dat eiser om die reden een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt in zoverre ook niet. Beroep ongegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2025:25964