Ga naar de inhoud
Direct naar
  • Mijn Wrb
  • Mijn RvR
  • Beleidswijzer
  • Contact
  • Nieuws
  • English
  • Best Practices Leidraad voor asieladvocaten
Raad voor Rechtsbijstand (naar homepage)
Zoeken
  • Voor advocaten
    • Algemene inschrijving bij de RvR
    • Ingeschreven en dan?
    • Over toevoegingen
    • Declaratie indienen
    • Nieuws
    • Formulieren voor advocaten
    • Direct regelen
    • Subsidie aanvragen beroepsopleiding sociaal advocaten 2026
  • Voor mediators
    • Algemene inschrijving bij de RvR
    • Ingeschreven en dan?
    • Over toevoegingen
    • Declaratie indienen
    • Nieuws voor mediators
    • Formulieren voor mediators
    • Mijn Wrb voor mediators
  • Beleidswijzer
  • Matching
    • Antwoorden op veelgestelde vragen
  • Mijn Wrb
  • Mijn RvR
  • Beleidswijzer
  • Contact
  • Nieuws
  • English
  • Best Practices Leidraad voor asieladvocaten
  1. Home ›
  2. Voor advocaten ›
  3. Ingeschreven en dan? ›
  4. Legal Aid (Asiel) ›
  5. AC-signalering: berichten AC praktijk en jurisprudentie ›
  6. Jurisprudentie

Jurisprudentie


Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:

10-08-2026, Rb Groningen MK, Jemen, beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand [gewijzigd landgebonden asielbeleid; niveau willekeurig geweld; Taiz]

Reden signalering:

De rechtbank gaat in deze uitspraak in op het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Jemen (WBV 2025/20), en de vraag of het op dat beleid gebaseerde standpunt van de minister, dat zich in Sana’a een relatief hoger niveau van willekeurig geweld voordoet, houdbaar is. Hierbij betrekt de rechtbank het gebied van terugkeer in Jemen en de humanitaire omstandigheden, en de wijze waarop deze zijn betrokken in de beoordeling van de minister. Eiser krijgt geen gelijk en komt niet in aanmerking voor het buitenschuldbeleid.

Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit, behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Eiser vreest gedwongen gerekruteerd te worden door de Houthi’s. De minister acht eisers nationaliteit, identiteit en herkomst geloofwaardig, omdat eiser dit motief heeft onderbouwd met zijn paspoort en geboorteakte. De problemen met de Houthi’s acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft dit asielmotief niet volledig onderbouwd met objectieve documenten. De minister heeft het asielmotief niet alsnog geloofwaardig geacht, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b en c van de Vw. Eiser krijgt evenmin een reguliere verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV.

Werkinstructie (WI) 2024/6

Eiser voert aan dat de toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het recht. Door enkel te toetsen aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw en geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, heeft de minister gehandeld in strijd met het Unierecht, het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser verwezen naar de uitspraak van zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:139) waarin prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie. Eiser is van mening dat, zelfs als zou moeten worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, de minister het asielrelaas van eiser ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht.

De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 8 augustus 2025 twee uitspraken gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14853) over WI 2024/6, waarin is geoordeeld dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De rechtbank oordeelt echter dat er geen grond is voor het oordeel dat toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De geloofwaardigheidsbeoordeling is gebaseerd op de voorwaarden vermeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn (Kri), die zijn geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw, en bevat veel punten die ook al werden betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2014/10. Hoewel er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing van de WI 2024/6 tot een beoordeling kan leiden die in strijd is met artikel 4, vijfde lid, van de Kri, zullen dergelijke situaties zich om uiteenlopende redenen niet in iedere zaak voordoen. De rechtbank zal dus in iedere afzonderlijke asielzaak, aan de hand van de beroepsgronden, moeten toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en voldoende heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. De algemene verwijzing van eiser naar de prejudiciële vragen van de zittingsplaats Roermond is geen reden om de zaak aan te houden of de werkwijze van WI 2024/6 te verlaten.

De rechtbank is van oordeel dat de minister met de toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling in de onderhavige zaak niet in strijd met het Unierecht heeft gehandeld en dat de conclusie over de geloofwaardigheid van eisers gestelde problemen door de minister deugdelijk is gemotiveerd. De minister heeft daarbij alle cumulatieve voorwaarden getoetst en alle feiten en omstandigheden betrokken.

15c-situatie in Jemen en Taiz

De rechtbank zal, alvorens de beroepsgronden te bespreken, eerst het beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.

Als gevolg van het arrest X en Y van het Hof van Justitie, en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2927) over dit arrest, neemt de minister voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw verschillende gradaties van willekeurig geweld aan. De drie gradaties zijn:

  1. uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;
  2. relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
  3. relatief lager niveau van willekeurig geweld.

Het uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld betreft de situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een burger alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon.

Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister het hoogste niveau van willekeurig geweld (voorheen: ‘meest uitzonderlijke situatie’). In WBV 2024/9 heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld (voorheen: ‘minder uitzonderlijke gradatie’). In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.

In paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc staat welke elementen de minister in elk geval en in samenhang weegt bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri.

De Afdeling is in de uitspraak van 16 juli 2025 ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen niet langer sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken, namelijk:

  1. slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;
  2. de recente confrontaties;
  3. het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en
  4. de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.

Op het moment van deze Afdelingsuitspraak was het AAB Jemen 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te maken met inachtneming van dit nieuwe Ambtsbericht. In de Kamerbrief van 8 oktober 2025 heeft de minister naar aanleiding van het Ambtsbericht van april 2025 en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 de wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. De wijzigingen zijn opgenomen in WBV 2025/20. De minister geeft daarin aan dat onder andere in de provincie Taiz sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.

Gevolgen van het wijzigen van het landenbeleid

De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit van 3 februari 2025 toepassing heeft gegeven aan het beleid, zoals dat is opgenomen in WBV 2024/9. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, kan dat besluit, zoals hiervoor al overwogen, geen stand houden. In beroep heeft de minister dit ook erkend en in zijn aanvullende motivering van 8 april 2026 uiteengezet dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen opnieuw is beoordeeld, maar dat in het huidige (nieuwe) beleid ten aanzien Jemen in relatie tot artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri, de door de Afdeling geconstateerde gebreken in WBV 2024/9 zich niet voordoen.

Is de beoordeling van de veiligheidssituatie volledig?

Eiser voert aan dat de minister met het gewijzigde landenbeleid een te beperkte invulling heeft gegeven aan de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Volgens eiser zijn de humanitaire omstandigheden in Taiz direct causaal gerelateerd aan het handelen van de Houthi’s. Zij gebruiken de oorlog bewust in de humanitaire omstandigheden te verslechteren. De minister heeft ten onrechte de humanitaire situatie niet als relevante omstandigheid betrokken in de globale beoordeling van de veiligheidssituatieheden.

De rechtbank oordeelt dat de minister in voldoende mate alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen die van belang zijn voor de beoordeling van de mate van willekeurig geweld in Jemen, meer specifiek in de stad Taiz. De rechtbank wijst allereerst naar de uitspraak van zittingsplaats Arnhem van 17 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17061). Daarin is in rechtsoverwegingen 11.2 en 11.3 geoordeeld dat de minister alle relevante omstandigheden, als genoemd in paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc en genoemd in de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, in de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank kan zich met deze overwegingen verenigen. De minister is in voldoende mate op de humanitaire omstandigheden ingegaan. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat het zorgelijk is dat veel mensen in Jemen afhankelijk zijn van humanitaire hulp zowel in het door de regering gecontroleerde gebied als in Houthi-gebied, maar dat uit het AAB Jemen 2025 ook volgt dat met name de Houthi’s oorlog bewust gebruikten om de humanitaire situatie te verslechteren in frontlinies, regio’s onder eigen controle en indien mogelijk regeringsgebieden. Daarnaast is in de Bijlage 15c-beoordeling bij de toelichting per provincie op de humanitaire situatie ingegaan, waarbij ook specifiek Taiz is benoemd, en ook in de conclusie worden de humanitaire omstandigheden genoemd. Deze beoordeling is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser betoogt, volledig en komt tegemoet aan de opdracht van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor zover zij in voldoende rechtstreeks verband staan met willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. Niet is gebleken dat de minister dit uitgangspunt onvoldoende in acht heeft genomen. De minister heeft erop gewezen dat hij bij zijn beoordeling niet enkel de aantallen dodelijke slachtoffers van geweld in verhouding tot de totale bevolking heeft betrokken, maar daarbij ook de humanitaire omstandigheden en op welke wijze deze beïnvloed werden door methoden van oorlogsvoering. Zo is onder andere betrokken hoe deze methoden van invloed waren op de voedselproductie en infrastructuur. Daarbij komt dat de minister ook nog is nagegaan of er sindsdien relevante wijzigingen in de veiligheidssituatie van Taiz zijn geweest. De verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam van 14 november 2025 leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak wordt ervan uitgegaan dat de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 niet bij de totstandkoming van het gewijzigde beleid is betrokken vanwege een oudere datum in de beslisnota. Die veronderstelling is onjuist, omdat sprake is van een kennelijke fout in de datering van de beslisnota.

Tot slot overweegt de rechtbank dat uit het arrest CF en DN volgt dat de relevante omstandigheden globaal in aanmerking moeten worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat conform de opdracht van de Afdeling van 16 juli 2025 in voldoende mate gedaan. Onder verwijzing naar overweging 10.4 van de uitspraak van zittingsplaats Arnhem vat de rechtbank de term ‘globaal’ aldus op dat de 15-beoordeling allesomvattend moet zijn, in die zin dat alle omstandigheden moeten worden betrokken.

Is sprake van het hoogste niveau van willekeurig geweld?

Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het beleid voor Taiz geen hogere gradatie van willekeurig geweld is aangenomen. Ter onderbouwing van dit betoog heeft eiser onder meer enkele brieven van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) overgelegd.

De minister heeft in het nieuwe beleid WBV 2025/20 aangenomen dat in de provincie Taiz sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld. Daarin verwijst de minister naar de bijlage 15c-beoordeling bij de brief van 8 oktober 2025. De minister heeft in die bijlage uit het Ambtsbericht van april 2025 afgeleid dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, gelet op de aard en intensiteit van het geweld, de gehanteerde oorlogsmethoden en de directe en indirecte gevolgen daarvan voor de humanitaire situatie, het aantal ontheemden en het aantal (dodelijke) burgerslachtoffers afgezet tegen de totale burgerbevolking. In het verweerschrift heeft de minister nader toegelicht waarom in de provincie Taiz geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. Hoewel in Taiz sprake is van een relatief hoge mate van willekeurig geweld, is de intensiteit en schaal van het geweld niet zodanig dat burgers alleen al door hun aanwezigheid in deze provincie een reëel risico lopen op ernstige schade. Het geweld is volgens de minister weliswaar aanhoudend en ernstig, maar beperkt zich in belangrijke mate tot confrontaties tussen de gewapende strijdkrachten langs bestaande frontlinies. Ook acht de minister van belang dat het aantal burgerslachtoffers, afgezet tegen de omvang van de bevolking van de provincie, relatief beperkt is. De minister neemt daarnaast in aanmerking dat de humanitaire situatie in Taiz slecht is, maar hij acht deze omstandigheden niet van zodanige aard dat zij zelfstandig of in samenhang met het geweld leiden tot de conclusie dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. De minister blijft daarom bij de kwalificatie dat sprake is van een relatief hoger, maar niet het hoogste niveau van willekeurig geweld.

De rechtbank stelt vast dat uit de Ambtsberichten van september 2023 en april 2025 volgt dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen zich, sinds het bestand van 2022 en het daarop volgende de facto bestand, kenmerkt door een afgenomen intensiteit van het conflict op nationaal niveau. De minister heeft er in het verweerschrift daarnaast terecht op gewezen dat de meest recente ontwikkelingen in 2025 en begin 2026 weliswaar wijzen op fluctuaties in de veiligheidssituatie, maar dat deze ontwikkelingen niet hebben geleid tot een structurele verslechtering of tot grootschalige nieuwe escalaties in de provincie Taiz zelf. De situatie blijft gekenmerkt door lokale confrontaties en wisselende frontactiviteit, zonder dat dit leidt tot een fundamenteel ander geweldsniveau. Taiz is één van de provincies waar de meeste landmijnen liggen. Deze liggen vooral in gebieden rondom frontlinies. Deze vormen een blijvend veiligheidsrisico voor de burgerbevolking, maar uit de landeninformatie volgt ook dat ruimingsactiviteiten worden uitgevoerd en dat achtergebleven mijnen vooral plaatselijk, namelijk langs voormalige frontlijnen, slachtoffers veroorzaakten. Dit maakt duidelijk dat het gevaar reëel is, maar niet zodanig diffuus en alomtegenwoordig dat iedere burger alleen al door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt.

Ten aanzien van de ontheemden volgt uit de Ambtsberichten dat Taiz behoort tot de provincies met een groot aantal ontheemden, circa 490.000 personen. De ontheemdenproblematiek hangt nauw samen met het conflict en de verslechterende leefomstandigheden. Het aantal nieuwe ontheemden in Jemen is in 2024 echter wel gedaald ten opzichte van voorgaande jaren. Ook zijn de humanitaire omstandigheden in Jemen nog steeds slecht. Uit de landeninformatie volgt dat miljoenen Jemenieten afhankelijk zijn van humanitaire hulp en dat de voedselonzekerheid in zowel regeringsgebied als Houthi-gebied is toegenomen. Deze humanitaire situatie is mede een gevolg van het handelen van strijdende partijen, in het bijzonder de Houthi’s, waardoor de toegang tot voedsel en water voor de bevolking verder onder druk kwam te staan. In delen van het land, waaronder een district in Taiz, is sprake geweest van hongersnood, maar Taiz niet wordt genoemd in de opsomming van provincies met de hoogste voedselonzekerheid. Hoewel de humanitaire omstandigheden dus zorgelijk zijn, hebben die niet de door eiser bedoelde betekenis. Zoals volgt uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 zijn humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend voor de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri. Daarnaast heeft de slechte humanitaire situatie deels ook andere oorzaken die niet in een voldoende rechtstreeks verband staan met het willekeurig geweld in Taiz.

De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat de landeninformatie in onderlinge samenhang bezien – de afgenomen algemene geweldsintensiteit, het geconcentreerde karakter van de gevechten langs bestandslijnen, de daling van het aantal burgerslachtoffers afgezet tegen het inwonertal, de lokale aanwezigheid van mijnen en opruimingsactiviteiten, de omvangrijke ontheemdenstromen en de slechte maar niet doorslaggevende humanitaire situatie – onvoldoende grond biedt voor het standpunt dat in de provincie Taiz sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld.

Wat eiser daartegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser zich deels beroept op dezelfde landeninformatie als die aan het gewijzigde beleid ten grondslag ligt. Uit het voorgaande volgt al dat de minister in die informatie geen aanleiding heeft hoeven zien om voor Taiz uit te gaan van de hoogste gradatie van willekeurig geweld. Voor zover eiser heeft gewezen op meer recente informatie, leidt dit niet tot een ander oordeel. Eiser heeft namelijk niet concreet onderbouwd dat uit de algemene informatie die hij heeft overgelegd blijkt dat er sprake is van verergering van willekeurig geweld tegen de burgerbevolking, noch in welke mate of in hoeverre de informatie op hem persoonlijk van toepassing is.

Bovenstaande betekent dat eiser op basis van zijn individuele omstandigheden aannemelijk moet maken waarom juist hij specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers.

Verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld

De rechtbank overweegt dat uit het arrest X en Y en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3. van de Vc, volgt dat eiser bij lagere niveaus van willekeurig geweld aan de hand van zijn persoonlijke individuele situatie en omstandigheden aannemelijk moet maken dat juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

De rechtbank oordeelt dat de minister bij de beoordeling of eiser een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld alle relevante omstandigheden heeft betrokken. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een groter risico loopt dan anderen. Hierbij heeft hij terecht betrokken dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk problemen heeft ondervonden met de Houthi’s. Door eiser zijn in beroep geen nadere individuele omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan hij een groter risico zou lopen om bij terugkeer slachtoffer te worden van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers.

Conclusie 15c-beoordeling

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister inzichtelijk heeft gemaakt hoe de elementen uit het arrest CF en DN in onderlinge samenhang hebben geleid tot de conclusie dat in Jemen, meer specifiek Taiz, geen sprake is van een hoogste niveau van willekeurig geweld. De minister heeft op deugdelijke wijze de humanitaire omstandigheden betrokken en daarmee in lijn gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Ook heeft de minister voldoende onderzocht en gemotiveerd op welke wijze de individuele omstandigheden van eiser niet leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld bij terugkeer naar Jemen.

Buitenschuldbeleid

Eiser voert aan dat er voor hem geen adequate opvang is in Jemen. De minister moet in de beoordeling alle individuele omstandigheden van de vreemdeling betrekken. In het geval van eiser had de minister zich dus ook moeten uitlaten over de vraag of een gezonde ontwikkeling van eiser bij zijn moeder mogelijk is, gelet op zijn geslacht, leeftijd en positie. Dit heeft de minister niet gedaan. De omstandigheden in de woonplaats van eisers moeder moeten zeker ook bij die beoordeling betrokken worden, hetgeen ten onrechte is nagelaten. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst eiser naar het arrest TQ en relevante jurisprudentie.

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser nog in contact staat met zijn moeder. Uit het arrest TQ en de daarop gebaseerde rechtspraak volgt dat de zorgplicht van ouders voor hun minderjarige kinderen inhoudt dat zij ervoor moeten zorgen dat er op enige wijze opvang voor het kind in het land van herkomst aanwezig is. Uit dit arrest volgt ook dat de minister de situatie van een niet-begeleide minderjarige algemeen en grondig moet beoordelen, rekening houdend met het belang van het kind, en zich ervan moet overtuigen dat adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is voordat hij een terugkeerbesluit uitvaardigt.

De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft overwogen dat er voor eiser bij terugkeer naar Jemen adequate opvang aanwezig is, namelijk bij zijn moeder. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat zijn moeder, die de zorg voor hem heeft gedragen in Jemen, aanwezig is. Eiser is specifiek gehoord omtrent de aanwezige adequate opvang en heeft daarbij zelf zijn moeder en haar specifieke adres genoemd. Nu eiser specifieke informatie heeft gegeven over zijn moeder is adequate opvang evident. In het voornemen is daarnaast uitgebreid aandacht besteed aan de belangen van het kind, waarmee is voldaan aan de toets van het arrest TQ.

Slotsom

Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Dit betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:22379, Rechtbank Den Haag, NL25.9791.

31-07-2026, Rb Roermond, beroep gegrond [grensprocedure; pre-toets; kwetsbaarheid]

Reden signalering:

De rechtbank verricht, gelet op de concrete feiten en omstandigheden, in deze procedure wel een ‘pre-toets’ en de uitkomst hiervan leidt tot de conclusie dat de grensdetentiemaatregel onrechtmatig is opgelegd. De grensdetentiemaatregel strekt er in deze procedure immers toe om de asielgrensprocedure te verzekeren en niet om de buitengrens te bewaken. De asielaanvraag van eiser leent zich evident niet voor de behandeling in de asielgrensprocedure. De opgelegde maatregel kan daarmee niet strekken tot het gestelde doel van de maatregel en is reeds hierdoor onrechtmatig. De handelwijze om in wezen nagenoeg elke asielaanvraag die aan de buitengrens wordt ingediend in de asielgrensprocedure te behandelen en bij een inwilliging de maatregel direct voorafgaand aan de inwilliging op te heffen, omzeilt naar het oordeel van de rechtbank het uitgangspunt dat de asielgrensprocedure alleen voor enkele uitdrukkelijk benoemde afdoeningsmodaliteiten als adequaat is aangemerkt. Dit geldt temeer nu de uitzonderingen op de asielgrensprocedure uitsluitend aan de orde zijn bij meer dan gemiddeld kwetsbare asielzoekers en de controle op deze kwetsbaarheden in zowel de screeningsfase als de fase waarin wordt onderzocht of de maatregel kan worden opgelegd te beperkt is.

Bij besluit van 14 juli 2026 heeft de minister aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, Vw 2000 en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De vrijheidsontnemende maatregel is op 22 juli 2026 opgeheven omdat de asielaanvraag van eiser is ingewilligd en de gemachtigde van eiser heeft desgevraagd te kennen gegeven beroep te willen handhaven.

Eiser, van Russische nationaliteit, heeft zijn land van herkomst verlaten, heeft diverse vluchten via verschillende landen genomen en is uiteindelijk op 13 juli 2026 op Schiphol Airport geland met een vlucht vanuit Marokko. Hij heeft bij de Koninklijke Marechaussee een authentiek Russisch paspoort getoond en aangegeven dat hij in Nederland een asielaanvraag wil indienen. Omdat eisers paspoort niet was voorzien van een geldig visum en hij niet beschikte over voldoende middelen van bestaan, is de toegangsverlening tot het Nederlands grondgebied uitgesteld. In de avond van 13 juli 2026 heeft eiser een aanwijzing gekregen om zich tot 14 juli 2026 om 07.00 uur op te houden in de internationale lounge op de luchthaven. Vervolgens is op 14 juli 2026 aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel (de grensdetentie) opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Op 17 juli 2026 is eiser in het kader van zijn asielprocedure gehoord, op 22 juli 2026 is de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven, is aan hem toegang tot het Nederlands grondgebied verleend en is de asielaanvraag van eiser ingewilligd.

Eiser is het niet eens met de opgelegde vrijheidsontnemende maatregel en heeft hiertoe aangevoerd dat hij direct bij aankomst op Schiphol Airport asiel heeft aangevraagd met als reden dat hij behoort tot de LHBTI-gemeenschap en dat hij daarom gevaar loopt in Rusland. Tevens was hij in het bezit van zijn authentieke paspoort. Volgens eiser heeft de minister nagelaten om zorgvuldig te onderzoeken of er noodzaak was om aan eiser de toegang tot Nederland te weigeren en om hem in grensdetentie te stellen. De minister was, gelet op artikel 42, eerste lid, van de Procedureverordening niet (Unierechtelijk) verplicht om de toegang te weigeren en grensdetentie op te leggen. De minister heeft onvoldoende onderzocht of met een lichter middel kon worden volstaan. Op 16 juli 2026 is eiser gescreend in het Justitieel Complex Schiphol en hierbij heeft hij direct een groot aantal stukken en verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat hij in Rusland grote problemen heeft ondervonden wegens zijn geaardheid. Op dat moment had al ingezien kunnen worden dat de asielaanvraag van eiser zich niet leende voor de grensprocedure. Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:19758) stelt eiser zich op het standpunt dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of de grensdetentie redelijk was.

De rechtbank heeft ter zitting te kennen gegeven aanvullende vragen aan verweerder te willen stellen en heeft de minister hiervoor een termijn verleend. Middels een bericht in het digitale dossier heeft de rechtbank de volgende vragen gesteld:

  1. Beschouwt verweerder de periode waarin gescreend wordt als vrijheidsontneming, dan wel vrijheidsbeperking? Kunt U dit antwoord motiveren?
  2. In welke locatie vindt de screening plaats? Kunt U beschrijven hoe deze locatie er feitelijk uitziet?
  3. Wordt bij de screening op kwetsbaarheid en het onderzoek naar bijzondere opvangbehoeften ook het asielmotief en het land van herkomst betrokken? Zo nee, waarom niet?
  4. Wordt bij de screening beoordeeld of een asielaanvraag mogelijk buiten behandeling wordt gesteld, niet-ontvankelijk wordt verklaard of wordt afgewezen als kennelijk ongegrond? Zo nee, waarom niet?
  5. Wordt bij de beoordeling of volstaan kan worden met een lichter middel betrokken wat het asielmotief van de derdelander is? Zo nee, waarom niet?
  6. Wordt bij de motivering van het afzien van een lichter middel uitsluitend de tekstblokken die 'aangevinkt' kunnen worden betrokken of is er een mogelijkheid om een vrije motivering die toegespitst is op de persoon van de derdelander te geven?
  7. Is het absoluut onmogelijk om een lichter middel op te leggen zonder hetgrensbewakingsbelang op te geven? Zo ja, waarom?
  8. Eiser stelt dat hij gedurende de tenuitvoerlegging van de maatregel 1 uur per dag mocht luchten. Is dit juist en betekent dit dat eiser 23 uur per etmaal 'achter de deur' heeft moeten verblijven? Zo ja, wat is hier de reden van? Hoe ziet de dagindeling van asielzoekers wiens asielaanvraag in de grensprocedure wordt behandeld er doorgaans uit op DTC Schiphol?

Verweerder heeft schriftelijk antwoord gegeven op de vragen. Eiser heeft ook aanvullend gereageerd. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en motiveert dit als volgt.

De rechtbank is bekend met de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026 (o.m. ECLI:NL:RBDHA:2026:19756), waarin de rechtbank een onrechtmatigheid constateert in de wijze waarop de minister de toetsing van aan de buitengrens ingediende asielverzoeken vormgeeft. Volgens zittingsplaats Amsterdam trekt de minister een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe wat betreft het bewaken van de buitengrens dan het Unierecht voorschrijft ten aanzien van mensen die aan de buitengrens een asielwens kenbaar maken. Ten tweede legt de minister een niet door het Unierecht voorgeschreven automatische koppeling tussen het grensbewakingsbelang enerzijds en het opleggen van grensdetentie anderzijds. Ten derde, daarmee verbonden, sluit de minister ten onrechte categorisch de mogelijkheid van het opleggen van een lichter middel uit. Tot slot betrekt de minister ten onrechte standaard niet alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn oordeel of het evenredig is om grensdetentie op te leggen.

Deze rechtbank onderschrijft de overwegingen van zittingsplaats Amsterdam in haar uitspraken van 17 juli 2026. Onderhavige zaak is een voorbeeld van een situatie waarin de behandeling van de asielaanvraag zich evident niet leent voor de grensprocedure, maar waarbij desondanks het indienen van een asielaanvraag aan de buitengrens van de Unie automatisch betekent dat een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Dit wordt ook erkend door de minister middels het antwoord op vraag 7. Volgens de minister kan in het kader van het grensbewakingsbelang niet worden voorzien in een alternatief voor grensdetentie en tegelijkertijd worden voorkomen dat de vreemdeling toegang krijgt tot het grondgebied van Nederland. Een minder dwingende maatregel heeft tot gevolg dat feitelijk verdere toegang tot Nederland wordt verkregen. De rechtbank concludeert hieruit dat het indienen van een asielaanvraag aan de buitengrens betekent ‘bewaring, tenzij’. Dit strookt naar het oordeel van de rechtbank niet met het uitgangspunt dat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel een ultimum remedium is en druist daarmee in tegen artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Een vrijheidsontnemende maatregel mag enkel en alleen worden opgelegd wanneer er geen andere mogelijkheid bestaat om het grensbewakingsbelang te behartigen en de maatregel proportioneel en evenredig is. Eiser was bij aankomst op Schiphol Airport in het bezit van een authentiek paspoort en heeft dit ook aan de Koninklijke Marechaussee getoond. Zoals eiser ook in zijn beroepsgronden heeft aangevoerd had de minister aan hem een meldplicht kunnen opleggen en hem in een AZC kunnen plaatsen, eventueel – zo suggereert de rechtbank – onder inname van zijn paspoort. Het grensbewakingsbelang kon in deze procedure op deze wijze namelijk voldoende worden gediend omdat de toelating vergezeld zou gaan van een effectieve wijze om eiser ‘te verwijderen’ in het geval de asielaanvraag zou worden afgewezen. De grenzen bewaken is noodzakelijk om te controleren wie binnenkomt, maar aan dat doel draagt bij dat degene die binnenkomt snel weer ‘naar buiten kan worden gebracht’. Het belang van grensbewaking betekent dus niet dat iedereen aan de buitengrens moet worden tegengehouden en moet worden onderworpen aan een vrijheidsontnemende maatregel.

Naar het oordeel van de rechtbank is het automatisch opleggen van grensdetentie bij de behandeling van een asielaanvraag in de grensprocedure mede ingegeven door de omstandigheid dat bij de screening en bij de beslissing om de maatregel op te leggen, het asielmotief en het land van herkomst niet worden betrokken. De minister bevestigt dit in zijn antwoorden op de vragen 3 en 5. Het asielmotief van de vreemdeling wordt niet betrokken bij de beoordeling of volstaan kan worden met een lichter middel en het vaststellen van het asielmotief en de beoordeling daarvan vindt plaats in de asielprocedure. De rechtbank overweegt dat het in het specifieke geval van eiser evident is dat wanneer de asielmotieven waren betrokken bij de screening of bij de beoordeling of de maatregel moest worden opgelegd, direct duidelijk was geworden dat de asielaanvraag van eiser zich niet leende voor de grensprocedure. Zoals eiser terecht aanvoert heeft hij bij zijn asielaanvraag direct stukken overgelegd en verklaringen afgelegd en is zijn asielaanvraag binnen enkele dagen ingewilligd. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder voor bepaalde landen een landgebonden beleid voert en dat bepaalde groepen zijn aangewezen als een risicoprofiel. Dit geldt ook in het specifieke geval van eiser. Hij komt uit Rusland en hij behoort tot de LHBTI-gemeenschap, welke specifieke groep als risicoprofiel is aangewezen. Verweerders standpunt ter zitting dat het niet de taak is van de Koninklijke Marechaussee om tijdens de screening de asielmotieven te toetsen op kwetsbaarheid en de geschiktheid voor afdoening in de grensprocedure, maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat deze praktische belemmering niet mag betekenen dat vreemdelingen met een kansrijk asielrelaas, waarbij het asielmotief bovendien mogelijk kwetsbaarheden met zich meebrengt, zonder meer in detentie worden geplaatst. Indien tijdens de screening door de Koninklijke Marechaussee blijkt dat een vreemdeling uit een land komt waarvoor de minister landgebonden beleid voert en deze vreemdeling zijn asielrelaas direct staaft met documenten en verklaringen, dan dient de IND geconsulteerd te worden voor overleg over welke asielprocedure de geschikte procedure is in dat specifieke geval. Dit kan de Koninklijke Marechaussee doen op dezelfde wijze als bij andere bewaringsgehoren wanneer door de vreemdeling een vrees voor refoulement wordt geuit.

De rechtbank is bekend met de jurisprudentie van de Afdeling waarin is geoordeeld dat de zogenoemde ‘pre-toets’ – waarmee als het ware door de procedure heen wordt gekeken – niet is toegestaan. De rechtbank verricht, gelet op de concrete feiten en omstandigheden, in deze procedure echter wel een ‘pre-toets’ en de uitkomst hiervan leidt tot de conclusie dat de grensdetentiemaatregel onrechtmatig is opgelegd. De grensdetentiemaatregel strekt er in deze procedure immers toe om de asielgrensprocedure te verzekeren en niet om de buitengrens te bewaken. Zoals hiervoor overwogen leent de asielaanvraag van eiser zich evident niet voor de behandeling in de asielgrensprocedure. De opgelegde maatregel kan daarmee niet strekken tot het gestelde doel van de maatregel en is reeds hierdoor onrechtmatig. De rechtbank merkt op dat deze beoordeling in wezen niet anders is dan het moeten beoordelen van zicht op uitzetting als een maatregel ter fine van uitzetting wordt opgelegd of als een maatregel ter fine van overdracht wordt opgelegd maar de overdracht moet worden verboden. Ook in die situaties kan met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel het doel van de maatregel, dat de grondslag van de maatregel vormt, niet worden bewerkstelligd, wat de maatregel reeds hierom onrechtmatig maakt. Het karakter van vrijheidsontneming verdraagt zich dan ook niet met het verbieden van een pre-toets in een procedure als de onderhavige. Dit zou namelijk betekenen dat iedere asielzoeker in bewaring kan worden gesteld, ook als er geen verplichting is om de grensprocedure toe te passen en ook als de grensprocedure onterecht - verplicht of onverplicht - wordt aangemerkt als de procedure om de asielaanvraag in te behandelen. In dat geval is de rechterlijke controle van de grensdetentiemaatregel niet effectief omdat de conclusie dat de grensprocedure niet is toegestaan pas kan worden getrokken nadat de asielzoeker enige tijd in detentie heeft moeten doorbrengen en het beroep tegen de beslissing op de asielaanvraag kan worden beoordeeld. Om een doeltreffende voorziening in rechte te kunnen bieden, vereist de rechtmatigheidsbeoordeling van de in de onderhavige procedure opgelegde maatregel een eerdere beoordeling. Al het handelen van verweerder, en zeker als dit handelen vrijheidsontneming van een asielzoeker tot gevolg heeft, moet immers door de rechter kunnen worden gecontroleerd en in een zodanige fase van de procedure dat deze controle ook effectief is in die zin dat een onrechtmatige situatie onverwijld kan worden beëindigd door de rechter.

De rechtbank wijst er in dit verband op dat in ‘Werkinstructie WI 2026/3 Asielgrensprocedure’ is toegelicht dat ‘asielaanvragen die moeten worden ingewilligd niet in de asielgrensprocedure kunnen worden afgedaan’ en ‘er bij een inwilliging eerst een opheffing van de maatregel zal moeten plaatsvinden’. Weliswaar is niet ondenkbaar dat een asielaanvraag waarvan op voorhand wordt ingeschat dat deze zal worden afgedaan als niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond toch moet worden ingewilligd. Deze handelwijze om in wezen nagenoeg elke asielaanvraag die aan de buitengrens wordt ingediend in de asielgrensprocedure te behandelen en bij een inwilliging de maatregel direct voorafgaand aan de inwilliging op te heffen, omzeilt echter, naar het oordeel van de rechtbank, het uitgangspunt dat de asielgrensprocedure alleen voor enkele uitdrukkelijk benoemde afdoeningsmodaliteiten als adequaat is aangemerkt. Dit geldt temeer nu de uitzonderingen op toepassing op de asielgrensprocedure uitsluitend aan de orde zijn bij meer dan gemiddeld kwetsbare asielzoekers en de controle op deze kwetsbaarheden in zowel de screeningsfase als de fase waarin wordt onderzocht of de maatregel kan worden opgelegd te beperkt is.

De rechtbank merk in dit verband tot slot op dat verweerder zich – achteraf - zal realiseren dat de beslissing om de asielaanvraag van eiser in de asielgrensprocedure te behandelen onjuist is gebleken gelet op de spoedige inwilliging van de aanvraag. Eiser heeft op 14 juli 2026 asiel aangevraagd, is op 17 juli 2026 en op 22 juli 2026 gehoord en op 22 juli 2026 is de aanvraag ingewilligd en is eiser erkend als vluchteling. De rechtbank overweegt dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd omdat geheel ten onrechte is beslist dat deze asielaanvraag in de asielgrensprocedure kon worden behandeld. De rechtbank acht het werkelijk onbegrijpelijk dat de enkele omstandigheid dat eiser niet in het bezit was van een visum - het ontbreken van middelen kan immers niet worden tegengeworpen aan asielzoekers - uiteindelijk, vanwege de wijze waarop verweerder vormgeeft aan de asielgrensprocedure, heeft geleid tot 8 dagen vrijheidsontneming van eiser, die inmiddels erkend is als vluchteling.

De rechtbank zal dus in voorkomend geval beoordelen of de asielgrensprocedure terecht is aangemerkt om de asielaanvraag te behandelen en als dat in beginsel is toegestaan, zal de rechtbank daarnaast beoordelen of oplegging van de maatregel rechtmatig is. Het is evident in strijd met het Unierecht om aan een asielzoeker een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen uitsluitend vanwege de indiening van een verzoek om internationale bescherming. Dit betekent ook dat het standaardmatig in de asielgrensprocedure behandelen van asielaanvragen die aan de buitengrens worden ingediend, behoudens de resultaten van een te beperkt onderzoek naar de kwetsbaarheid, en het bij wijze van automatisme in grensdetentie nemen van iedere asielzoeker die aan de buitengrens een verzoek indient behoudens datzelfde te beperkte onderzoek naar de kwetsbaarheden, niet verenigbaar is met het Unierecht. De omstandigheid dat verweerder – gelet op de ligging van Schiphol Airport – geen mogelijkheden ziet om asielaanvragen in de grensprocedure te behandelen zonder deze vreemdelingen in grensdetentie te plaatsen, mag niet voor rekening van de vreemdelingen komen en mag niet tot standaardmatig opgelegde vrijheidsontnemende maatregelen leiden. Volgens de minister zouden deze vreemdelingen dan feitelijk toegang moeten krijgen tot het Nederlands grondgebied en daarmee zou het grensbewakingsbelang prijsgegeven worden. Naar het oordeel van de rechtbank – en daarmee onderschrijft zij de eerder genoemde uitspraken van zittingsplaats Amsterdam - trekt de minister hiermee een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe wat betreft het bewaken van de buitengrens dan het Unierecht voorschrijft. Het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel moet een uitzondering zijn en geen regel. Zoals de rechtbank concludeert is het momenteel andersom voor vreemdelingen die een asielwens kenbaar maken aan de buitengrens en dit is onrechtmatig. Verweerder zal dus ofwel moeten gaan voorzien in mogelijkheden om een lichter middel te kunnen opleggen zonder tot toelating over te gaan, ofwel moeten afzien van het steevast en in nagenoeg elke procedure doorslaggevend belang hechten aan het grensbewakingsbelang. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat het grensbewakingsbelang aanzienlijk is en dat het in het belang van de Unie als geheel is dat deze grensbewaking gedegen plaatsvindt. Desondanks kan de zwaarwegendheid van het belang van grensbewaking niet een standaardmatige inbreuk op het grondrecht op vrijheid rechtvaardigen.

Omdat de oplegging van de maatregel reeds vanwege het voorgaande als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd, zal de rechtbank de overige rechtmatigheidsaspecten niet beoordelen en in deze procedure niet verder ingaan op de vragen die de rechtbank aan verweerder heeft gesteld en de daarop verkregen antwoorden.

Conclusie en gevolgen

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel van meet af aan onrechtmatig is geweest. Omdat de maatregel inmiddels is opgeheven, hoeft de rechtbank eiser niet meer in vrijheid te stellen en zal de rechtbank enkel schadevergoeding toekennen voor de dagen waarop eiser onterecht in grensdetentie heeft verbleven.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:21600, Rechtbank Den Haag, NL26.39342.

29-07-2026, Rb Arnhem, beroep ongegrond [grensdetentie artikel 6, derde lid Vw; informatiefolder; werkinstructie 2026/23; Unierecht]

Reden signalering:

Naar het oordeel van de rechtbank is de werkwijze in werkinstructie 2026/23 niet in strijd met het (ver)nieuw(d)e Unierecht. De minister heeft er terecht op gewezen dat op grond van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening de bevoegdheid bestaat om een asielverzoek te behandelen in een grensprocedure als dat verzoek is ingediend door een onderdaan van een derde land die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van een lidstaat als vastgesteld in artikel 6 van de Schengengrenscode. Verder heeft de minister terecht gewezen op artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van de hernieuwde Opvangrichtlijn, waarin staat dat een verzoeker in bewaring mag worden gehouden om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van de Procedureverordening een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. Verder kan een grondslag voor grensdetentie ook worden gevonden in artikel 5 en 6 van de Screeningsverordening waarin staat dat de lidstaten bepalingen vastleggen in hun nationale recht om ervoor te zorgen dat personen voor de duur van de screening ter beschikking blijven van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de screening om elk risico op onderduiken te voorkomen. Daarmee is het grensbewakingsbelang ook in het (ver)nieuw(d)e Unierecht tot uitdrukking gebracht. Verder geldt dat de werkwijze niet in strijd is met het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de herziene Opvangrichtlijn.

Bij besluit van 16 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De minister van Asiel en Migratie (de minister) heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. De rechtbank heeft het beroep op 24 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld.

Had de minister eiser schriftelijk, in een taal die hij verstaat, op de hoogte moeten brengen van de redenen van grensdetentie?

Eiser voert aan dat de minister in strijd met artikel 5.10 van het Vb 2000 heeft gehandeld. Eiser is niet schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte gebracht van de redenen van grensdetentie. Eiser leest geen Hindi, alleen Tibetaans. De taal van de brochure is dan ook niet juist. Verder heeft het gehoor plaatsgevonden in het Hindi, terwijl eiser die taal niet machtig is.

De minister heeft zich primair op het standpunt gesteld dat wel voldaan is artikel 5.10 van het Vb 2000, omdat aan eiser een folder in de Engelse taal is uitgereikt en hij die taal redelijk machtig was. Dit volgt uit het aanvullend proces-verbaal van 22 juli 2026. Ook in het nader gehoor van 22 juli 2026 heeft eiser aangegeven dat hij een folder in het Engels wel zal begrijpen. Subsidiair moet het gebrek volgens de minister leiden tot een belangenafweging die in het voordeel van de minister moet uitvallen. Aan eiser zijn immers in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel door een tolk in de taal Hindi de gronden van de maatregel meegedeeld. Dat hij deze taal voldoende begreep volgt ook uit het aanvullend proces-verbaal van 22 juli 2026 en het nader gehoor.

In artikel 5.10 van het Vb 2000 staat dat de vreemdeling schriftelijk in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die verstaat, op de hoogte wordt gebracht van de redenen van de maatregel en van de rechtsmiddelen die daartegen openstaan, alsook van de mogelijkheid om gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te vragen.

Eiser stelt terecht dat aan dit artikel niet is voldaan. Aan eiser is een informatiefolder in de Engelse taal uitgereikt. Uit de stukken volgt niet dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die taal verstaat. Dat in het aanvullend proces-verbaal van 22 juli 2026 staat dat de verbalisant eiser in het Engels heeft gevraagd of hij het goed vond om een tolk Hindi te gebruiken waarop eiser bevestigend antwoordde acht de rechtbank daarvoor niet voldoende. Hetzelfde geldt voor wat eiser tijdens het asielgehoor heeft verklaard, nog daargelaten dat dit dateert van na het opleggen van de maatregel. Tijdens dat gehoor is eiser gevraagd of hij nog vragen heeft over de folders met informatie over de asielprocedure. Daarop heeft eiser aangegeven, voor zover hier van belang, dat die informatie allemaal in het Nederlands is, ‘als het in het Engels zou zijn, misschien, maar het is allemaal in het Nederlands’. Daaruit begrijpt de rechtbank dat eiser heeft aangegeven dat hij een folder in het Engels misschien zou begrijpen. Dat is onvoldoende om te zeggen dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die taal verstaat. Dat betekent dat sprake is van een schending van de informatieplicht uit artikel 5.10 van het Vb 2000 en dat aan de maatregel een gebrek kleeft.

Dat betekent echter niet dat de maatregel daarmee onrechtmatig is. Dit is pas het geval als de met de grensdetentie gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Die belangenafweging valt in het voordeel van de minister uit. Daarvoor is van belang dat tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel met behulp van een tolk in de taal Hindi aan eiser de redenen van de maatregel zijn meegedeeld alsook dat de rechtbank in kennis wordt gesteld van de maatregel en dat die kennisgeving geldt als een beroep tegen de maatregel. Dat eiser de taal Hindi niet machtig zou zijn, volgt de rechtbank niet. In het proces-verbaal van gehoor staat namelijk dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen. Het tegendeel blijkt ook niet uit de inhoud van dat proces-verbaal. De verbalisant die het gehoor heeft afgenomen heeft in het aanvullend proces-verbaal van 22 juli 2026 ook verklaard dat het gehoor soepel verliep en hij op geen enkel moment de indruk had dat eiser de tolk niet kon verstaan. Bovendien heeft eiser in het nader gehoor ook aangegeven dat hij afkomstig is uit India en Hindi spreekt. Verder is eiser van kosteloze professionele rechtsbijstand voorzien. Ondanks de schending van de informatieplicht is eiser dus wel in staat gesteld tegen de vrijheidsontneming rechtsmiddelen effectief uit te oefenen en is niet gebleken dat hij door het ontbreken van de vertaling in zijn belangen is geschaad.

Lichter middel

Eiser voert aan dat de minister niet dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Als eerste betoogt hij daartoe het volgende. Eiser is op de hoogte van de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het grensbewakingsbelang in beginsel alleen kan worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel en dat minder dwingende maatregelen tot gevolg hebben dat feitelijk toegang tot Nederland wordt gekregen. Het is echter niet zo dat eiser door toepassing van een lichter middel toegang krijgt tot Nederland. Volgens eiser valt uit de Screeningsverordening af te leiden dat toepassing van een lichter middel niet leidt tot toegang omdat nog steeds niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 en 14 van de Schengengrenscode. Eiser wijst in dit verband ook naar punt 11 van de preambule van de Screeningsverordening en naar artikel 10 en punt 28 van de preambule van de hernieuwde Opvangrichtlijn.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het opleggen van een lichter middel heeft tot gevolg dat eiser feitelijk (onderstreping door de rechtbank) toegang tot Nederland verkrijgt, omdat toepassing van een lichter middel aan de buitengrens niet mogelijk is. Het grensbewakingsbelang kan daarom in beginsel enkel worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. Dat eiser bij het eventueel opleggen van een lichter middel in afwachting van de behandeling van zijn asielaanvraag formeel nog geen toegang tot Schengengebied zou hebben maakt dat niet anders. Feitelijk zou eiser dan immers wel toegang verkrijgen tot het grondgebied en juist in zulke gevallen mag de minister in beginsel voorrang geven aan het grensbewakingsbelang. Punt 11 van de preambule van de Screeningsverordening en artikel 10 van de hernieuwde Opvangrichtlijn doen hieraan niet af.

Als tweede verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:19758). Hij verzoekt om wat daarin staat als herhaald en ingelast te beschouwen.

In de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026 heeft de rechtbank in het kader van de vraag of met een lichter middel had kunnen worden volstaan, geoordeeld dat de maatregel van grensdetentie onrechtmatig is opgelegd. Daartoe is, voor zover hier relevant, het volgende overwogen. Volgens de rechtbank zit die onrechtmatigheid verweven in de manier waarop de minister de toetsing van aan de buitengrens ingediende asielverzoeken vorm geeft. Allereerst trekt de minister volgens de rechtbank een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe wat betreft het bewaken van de buitengrens dan het Unierecht voorschrijft ten aanzien van mensen die aan de buitengrens een asielwens kenbaar maken. In de Werkinstructie Asielgrensprocedure 2026/23 (werkinstructie) staat dat uitgangspunt is dat iedere vreemdeling vanaf de buitengrens die niet voldoet aan de voorwaarden van toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen, uitzonderingen daargelaten. De noodzaak tot het toepassen van de grensprocedure, en in het verlengde daarvan de grensdetentie, ziet de minister in het grensbewakingsbelang. Maar de Procedureverordening verplicht alleen om de grensprocedure toe te passen in de gevallen genoemd in artikel 45, eerste lid, van die verordening. Als de minister onverplicht overgaat tot toepassing van de grensprocedure dan creëert de minister feitelijk zelf de situatie waarin hij zegt dat het noodzakelijk is om ook over te gaan tot grensdetentie. Zo’n zelf gecreëerde noodzaak is volgens de rechtbank dan ook op zichzelf onvoldoende om als rechtvaardiging voor detentie te worden gezien. Detentie is namelijk ultimum remedium. Ten tweede legt de minister volgens de rechtbank een niet door het Unierecht voorgeschreven automatische koppeling tussen het grensbewakingsbelang aan de ene kant en het opleggen van grensdetentie aan de andere kant. Juist omdat de minister niet verplicht is om het asielverzoek in de grensprocedure te behandelen, is het enkele grensbewakingsbelang onvoldoende om de noodzaak van de maatregel van grensdetentie te motiveren. Er moeten ook andere belangen zijn die daartoe nopen en die zwaarwegend genoeg zijn, zoals bijvoorbeeld het risico op onttrekking. Ten derde, daarmee verbonden, sluit de minister door de wijze van bevraging categorisch de mogelijkheid van het opleggen van een lichter middel uit, aldus zittingsplaats Amsterdam.

De rechtbank volgt dit oordeel niet. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat in de werkinstructie inderdaad staat vermeld dat uitgangspunt is dat iedere vreemdeling die vanaf de buitengrens een asielaanvraag doet en die niet voldoet aan de voorwaarden van toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen, uitzonderingen daargelaten. Verder staat ook vermeld dat in Nederland de asielgrensprocedure altijd is gekoppeld aan een vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is in een noot toegelicht dat het grensbewakingsbelang in beginsel enkel kan worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel en dat minder dwingende maatregelen tot gevolg hebben dat feitelijk toegang tot Nederland wordt verkregen. In de werkinstructie staat echter ook opgenomen welke aanvragen zijn uitgezonderd van de asielgrensprocedure. Eén van die uitzonderingen is dat grensdetentie voor een vreemdeling wegens bijzondere individuele omstandigheden onevenredig bezwarend is. Daarbij wordt verwezen naar artikel 5.1a, derde lid, van het Vb 2000 (inmiddels artikel 5.5, tweede lid, van het Vb 2000), waarin dit ook zo staat. De werkwijze van de minister is dus, voor zover hier van belang, dat de vreemdeling die aan de buitengrens een asielaanvraag doet maar niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen en dat daarbij in beginsel de maatregel van grensdetentie wordt opgelegd, tenzij sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor grensdetentie onevenredig bezwarend is (verdere uitzonderingen daargelaten).

Naar het oordeel van de rechtbank is de werkwijze niet in strijd met het (ver)nieuw(d)e Unierecht. De minister heeft er terecht op gewezen dat op grond van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening, voor zover hier van belang, de bevoegdheid bestaat om een asielverzoek te behandelen in een grensprocedure als dat verzoek is ingediend door een onderdaan van een derde land die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van een lidstaat als vastgesteld in artikel 6 van de Schengengrenscode. Verder heeft de minister terecht gewezen op artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van de hernieuwde Opvangrichtlijn, waarin staat dat een verzoeker in bewaring mag worden gehouden om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van de Procedureverordening een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. De minister heeft er ook terecht op gewezen dat een grondslag voor grensdetentie ook kan worden gevonden in artikel 5 en 6 van de Screeningsverordening waarin, samengevat, staat dat de lidstaten bepalingen vastleggen in hun nationale recht om ervoor te zorgen dat personen voor de duur van de screening ter beschikking blijven van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de screening om elk risico op onderduiken te voorkomen. Uit overweging 11 en 12 van de preambule behorende bij de Screeningsverordening volgt dat hier onder meer wordt gedoeld op detentie om onbevoegd toetreden tot het grondgebied te voorkomen. Daarmee is het grensbewakingsbelang ook in het (ver)nieuw(d)e Unierecht tot uitdrukking gebracht. Verder geldt dat de werkwijze niet in strijd is met het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de herziene Opvangrichtlijn.

Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de (destijds geldende) Procedurerichtlijn zich er niet tegen verzet om in beginsel alle aan de buitengrens geuite asielverzoeken in de grensprocedure te behandelen.9 Het is ook vaste rechtspraak dat veel gewicht toekomt aan het grensbewakingsbelang omdat toepassing van een lichter middel dan grensdetentie in de regel tot toegangsverlening zal leiden.10 Daarmee is de noodzaak van de maatregel van grensdetentie in beginsel gegeven. Nu de werkwijze vervolgens inhoudt dat steeds wordt bezien of sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die er toe nopen dat een lichter middel wordt opgelegd, kan niet worden gezegd dat het opleggen van een lichter middel categorisch wordt uitgesloten. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de Procedureverordening in een aantal gevallen de grensprocedure verplicht stelt, geen aanleiding om aan te nemen dat deze vaste rechtspraak thans niet meer geldt.

Eiser heeft verder voorafgaand aan het opleggen van de maatregel geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat grensdetentie onevenredig bezwarend voor hem is en om die reden een lichter middel had moeten worden toegepast. In het asielgehoor, net als op zitting, heeft hij wel aangegeven dat hij mentaal erg gestrest is. Daarin heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel toe te passen. In het Justitieel Complex Schiphol zijn voldoende medische voorzieningen aanwezig. Eiser heeft ter zitting ook verklaard dat zijn bloeddruk is opgemeten waaruit volgt dat hij door de medische dienst is gezien. Daaruit volgt dat hij ook daadwerkelijk toegang heeft tot medische zorg. De minister heeft daarom het grensbewakingsbelang van groter gewicht kunnen achten en heeft geen lichter middel hoeven toepassen.

Uit het voorgaande volgt dat de maatregel die is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, rechtmatig is opgelegd. Dat betekent dat het standpunt van eiser dat zijn screening niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 en 12 van de Screeningsverordening, dat daarom de asielgrensprocedure niet kon worden toegepast en dus ook de maatregel niet kon worden opgelegd, geen bespreking behoeft.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie

Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:22544, Rechtbank Den Haag, NL26.39831.

03-07-2026, Rb Den Haag, beroep ongegrond [grensdetentie; verblijf in JCS; toepassing grensprocedure; zwangerschap]

Reden signalering:

De rechtbank is het niet eens met eiseres dat de grondslag voor detentie met terugwerkende kracht is vervallen omdat de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven vanwege het feit dat de zaak van eiseres zich niet leent voor de grensprocedure. Verweerder hoeft bij toepassing van de grensprocedure niet al bij het opleggen van de maatregel een pré-toets te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Daarnaast moet verweerder een redelijke termijn worden gegeven om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en naar de vraag of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure.

Eiseres voert allereerst aan dat de wettelijke bewaringsgrond ontbreekt. Ten tweede heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast. Ten derde moest eiseres in strijd met de werkafspraken verblijven in het Justitieel Complex Schiphol in plaats van Detentiecentrum Zeist. Ten vierde heeft verweerder niet gemotiveerd of de bewaring voor eiseres strikt noodzakelijk is. Ten vijfde betoogt eiseres dat de grondslag voor detentie is vervallen omdat de grensprocedure niet op haar van toepassing was. Ten zesde had verweerder gelet op de kwetsbaarheid van eiseres een beoordeling moeten maken van haar bijzondere procedurele behoeften. Ten zevende is de maatregel in strijd met de Screeningsverordening, omdat er geen screening heeft plaatsgevonden dan wel sprake is van overschrijding van de screeningstermijn. Ten achtste heeft verweerder het hoorrecht van eiseres geschonden. Ten slotte heeft de maatregel ten onrechte voortgeduurd na het opheffingsbesluit. Daarom verzoekt eiseres om een schadevergoeding.

Gronden met betrekking tot het Migratiepact

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gronden van eiseres die gebaseerd zijn op het Migratiepact, zoals de gronden over de Opvangrichtlijn, de Screeningsverordening en de Asielprocedureverordening, niet slagen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de wijzigingen als gevolg van het migratiepact niet van toepassing zijn op eiser, omdat de maatregel op 10 juni 2026 is opgelegd en de wijzingen van toepassing zijn op maatregelen die zijn opgelegd vanaf 12 juni 2026.

Lichter middel

De rechtbank stelt vast dat eiseres op 10 juni 2026 een asielaanvraag aan de grens heeft ingediend, terwijl zij niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland voldeed. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hiermee aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wordt voldaan. Daarnaast heeft de Afdeling ook geoordeeld dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.

Naar het oordeel van de rechtbank maken de omstandigheden van eiseres, ook in samenhang bezien, echter niet dat er sprake is van een zodanig bijzonder geval dat haar belang zwaarder weegt dan het grensbewakingsbelang. Hierbij heeft verweerder kunnen wijzen op dat hoewel eiseres zwanger is, zij in Detentiecentrum Zeist verbleef waar zij toegang had tot de benodigde zorg.

Verblijf in Justitieel Complex Schiphol

De rechtbank is het niet eens met eiseres dat haar verblijf in het Justitieel Complex Schiphol in strijd was met de geldende werkafspraken. Verweerder heeft er namelijk terecht op gewezen dat de werkafspraak is dat zwangere vrouwen alleen tussen 08:00 uur en 17:00 uur naar het Detentiecentrum Zeist worden vervoerd en dat zij buiten die tijden de volgende dag naar het Detentiecentrum Zeist gaan. Eiseres heeft slechts een nacht op Justitieel Complex Schiphol verbleven en is in overeenstemming met de werkafspraken de volgende dag naar Detentiecentrum Zeist gebracht.

Hoorplicht

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het recht van eiseres om gehoord te worden niet heeft geschonden. Zoals verweerder heeft benadrukt is eiseres tijdens het gehoor in de gelegenheid gesteld om te verklaren. Dat haar echtgenoot (voornamelijk) het woord heeft gevoerd namens haar tijdens het gehoor, maakt dit niet anders. Bovendien heeft eiseres niet aangevoerd wat zij tijdens het gehoor verder naar voren had willen brengen. Tijdens het gehoor is de medische situatie van de zwangerschap eiseres naar voren gekomen en zoals eerder overwogen heeft verweerder hiermee rekening gehouden door haar in het Detentiecentrum Zeist te plaatsen.

Toepassing grensprocedure

De rechtbank is het niet eens met eiseres dat de grondslag voor detentie met terugwerkende kracht is vervallen omdat de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven vanwege het feit dat de zaak van eiseres zich niet leent voor de grensprocedure. Verweerder hoeft bij toepassing van de grensprocedure niet al bij het opleggen van de maatregel een pré-toets te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Daarnaast moet verweerder een redelijke termijn worden gegeven om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en naar de vraag of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om te concluderen dat op een eerder moment al duidelijk moest zijn dat de asielaanvraag van eiseres zich niet leende voor de grensprocedure en dat de maatregel eerder dan 21 juni 2026 opgeheven had moeten worden.

Voortduring maatregel na opheffingsbesluit

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de maatregel ten onrechte heeft voortgeduurd na het opheffingsbesluit omdat de maatregel op 21 juni 2026 is opgeheven en eiseres pas op 22 juni 2026 in vrijheid is gesteld. Eiseres heeft namelijk op 21 juni 2026 getekend voor een vrijwillig verblijf van een nacht op Detentiecentrum Zeist.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verzoek om een schadevergoeding wordt afgewezen.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:19760, Rechtbank Den Haag, NL26.33138.

30-07-2026, Rb Haarlem, beroep ongegrond [grensdetentie; Screeningsverordening; grensbewakingsbelang]

Reden signalering:

Verweerder kon de bewaringsmaatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 aan eiser opleggen voordat alle stappen van de screeningsprocedure waren doorlopen. Verweerders keuze voor toepassing van de grensprocedure kan de rechtbank in deze zaak niet beoordelen. Ook kan in deze procedure niet worden beoordeeld of de screeningsprocedure juist, dus volgens de regels van de Screeningsverordening, is doorlopen. Verweerder mocht aan het grensbewakingsbelang een groot en doorslaggevend gewicht toekennen, gezien de vastlegging van dat belang in Europese regelgeving. Feitelijke toelating doorkruist het grensbewakingsbelang.

Eiser is op 16 juli 2026 op Schiphol aangekomen en heeft daar een asielaanvraag gedaan. Verweerder heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en met het bestreden besluit aan eiser een bewaringsmaatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. In het bestreden besluit is vermeld dat eisers asielaanvraag wordt behandeld in de grensprocedure.

Moest verweerder de screeningsprocedure voltooien om de bewaringsmaatregel op te kunnen leggen?

Eiser voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 8 en 12 van de Screeningsverordening. Uit de dossierstukken blijkt namelijk niet dat er tijdens de screeningsprocedure een voorlopige medische controle is uitgevoerd door gekwalificeerd personeel. Volgens eiser staat in artikel 43 van de Procedureverordening dat de asielgrensprocedure pas kan aanvangen na afloop van de screeningsprocedure. Aangezien er geen volledige, zorgvuldige screening heeft plaatsgevonden, kon de grensprocedure daarom niet worden toegepast. Dat heeft tot gevolg dat verweerder ook geen bewaringsmaatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kon opleggen.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de medische screening volgens de Screeningsverordening nog niet had plaatsgevonden toen de bewaringsmaatregel aan eiser werd opgelegd. Die medische screening zou op een later moment, binnen zeven dagen, plaatsvinden. Dit stond volgens verweerder het opleggen van de bewaringsmaatregel niet in de weg omdat aaneiser voorafgaand aan die oplegging is gevraagd of er medische problemen speelden. Eiser heeft toen verklaard dat die er niet zijn.

Op grond van artikel 1 van de Screeningsverordening strekt de screening ertoe de controle van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden, te versterken, alle onderdanen van derde landen die aan screening onderworpen zijn, te identificeren en aan de hand van de relevante databanken te controleren of de aan de screening onderworpen personen een bedreiging zouden kunnen vormen voor de binnenlandse veiligheid. De screening omvat in voorkomend geval ook voorlopige medische controles en beoordelingen van de kwetsbaarheid om personen die gezondheidszorg nodig hebben en personen die een gevaar voor de volksgezondheid zouden kunnen vormen te identificeren en kwetsbare personen te identificeren. Dergelijke controles vergemakkelijken de doorverwijzing van die personen naar de passende procedure.

Op grond van artikel 5, tweede lid, van de Screeningsverordening is de in deze verordening bepaalde screening van toepassing op alle onderdanen van derde landen die aan buitengrensdoorlaatposten of in transitzones een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend en die niet voldoen aan de in artikel 6 van Verordening (EU) 2016/399 bepaalde toegangsvoorwaarden.

De rechtbank overweegt dat uit deze bepalingen volgt dat eiser, die niet voldoet aan de voor hem geldende toelatingsvoorwaarden en aan de buitengrens een asielaanvraag heeft gedaan, moet worden gescreend overeenkomstig het bepaalde in de Screeningsverordening.

Op grond van artikel 6 van de Screeningsverordening mogen de in artikel 5, leden 1 en 2, bedoelde personen tijdens de screening niet tot het grondgebied van een lidstaat worden toegelaten. De lidstaten leggen in hun nationale recht bepalingen vast om ervoor te zorgen dat de in artikel 5, leden 1 en 2, bedoelde personen voor de duur van de screening ter beschikking blijven van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de screening op de in artikel 8 bedoelde locaties, om elk risico op onderduiken, mogelijke bedreigingen voor de binnenlandse veiligheid als gevolg van dergelijk onderduiken of mogelijke gevaren voor de volksgezondheid als gevolg van dergelijk onderduiken te voorkomen.

Op grond van artikel 43, tweede lid, van de Procedureverordening worden verzoekers die worden onderworpen aan de grensprocedure, onverminderd artikel 51, lid 2, en artikel 53, lid 2, niet toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat. Maatregelen van de lidstaten om onrechtmatige binnenkomst op hun grondgebied te voorkomen zijn in overeenstemming met de Opvangrichtlijn.3

Uit deze bepalingen volgt dat eiser zowel tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure, waarin zijn asielaanvraag wordt behandeld, niet kan worden toegelaten tot Nederland en dat verweerder maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat eiser ter beschikking blijft van de Nederlandse autoriteiten.

In punt 11 van de preambule Screeningsverordening staat:

“Onderdanen van derde landen die aan de screening worden onderworpen, moeten tijdens de screening ter beschikking van de screeningsautoriteiten blijven. De lidstaten moeten in hun nationale recht bepalingen opnemen om de aanwezigheid van die onderdanen van derde landen tijdens de screening te garanderen, teneinde onderduiken te voorkomen. In de gevallen waarin zulks nodig blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, mogen de lidstaten een persoon die aan screening wordt onderworpen in bewaring houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Er mag alleen tot bewaring worden overgegaan als laatste redmiddel en in overeenstemming met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, waarbij, in overeenstemming met het nationale, Unie- en internationale recht, moet worden voorzien in een doeltreffende voorziening in rechte. De toepasselijke bepalingen van Richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad (8) voor personen die om internationale bescherming verzoeken [rechtbank: de Opvangrichtlijn], en de toepasselijke regels inzake bewaring van Richtlijn 2008/115/EG (de “terugkeerrichtlijn”) voor onderdanen van derde landen die geen verzoek om internationale bescherming hebben ingediend, moeten tijdens de screening van toepassing zijn.”

In punt 69 van de preambule van de Procedureverordening staat:

“Hoewel de grensprocedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming kan worden toegepast zonder een beroep te doen op bewaring, moeten de lidstaten toch de mogelijkheid hebben om tijdens de grensprocedure de gronden voor bewaring toe te passen overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn (EU) 2024/1346 [rechtbank: de Opvangrichtlijn], teneinde een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied binnen te komen. Indien tijdens een dergelijke procedure wordt gebruikgemaakt van bewaring, moeten de bepalingen inzake bewaring van die richtlijn van toepassing zijn, onder meer inzake de waarborgen voor verzoekers in bewaring, de voorwaarden met betrekking tot bewaring, rechterlijke toetsing en de noodzaak om elk geval individueel te beoordelen. In de regel mogen minderjarigen niet in bewaring worden gesteld. Minderjarigen mogen enkel in uitzonderlijke omstandigheden in bewaring worden gesteld, als maatregel in laatste instantie en nadat is vastgesteld dat andere, minder dwingende alternatieve maatregelen, onder meer niet-vrijheidsbenemende plaatsing in de gemeenschap, niet doeltreffend kunnen worden toegepast, en nadat overeenkomstig Richtlijn (EU) 2024/1346 is beoordeeld dat bewaring in hun belang is.”

Op grond van artikel 10, vierde lid, van de Opvangrichtlijn mag een verzoeker alleen op een of meer van de in dit artikellid genoemde gronden in bewaring worden gehouden. In dit artikellid zijn onder a en d de volgende gronden genoemd:

  1. om zijn identiteit of nationaliteit vast te stellen of na te gaan;
  2. om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van Verordening (EU) 2024/1348 een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden.

Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, met inbegrip van de vreemdeling op wie artikel 5, tweede lid, van de Screeningsverordening van toepassing is, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder 2, van de Opvangrichtlijn, eveneens worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, onderscheidenlijk in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden deze laatste twee bepalingen de wettelijke grondslag voor verweerders bevoegdheid om eiser, nadat hij om asiel had verzocht, tijdens het vaststellen en nagaan van zijn identiteit en nationaliteit, wat een van de onderwerpen is bij de screening, en tijdens de asielgrensprocedure in bewaring te houden. Daarbij gaat het om een bevoegdheid, dus verweerder moet een belangenafweging verrichten bij het opleggen van een bewaringsmaatregel. Ook moet hij het bepaalde in de Opvangrichtlijn over bewaring in acht nemen.

Op grond van artikel 18, eerste en tweede lid, van de Screeningsverordening worden onderdanen van derde landen, bedoeld in de artikelen 5 en 7, die een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend, zodra de screening is voltooid of uiterlijk bij het verstrijken van de bij artikel 8 van deze verordening bepaalde termijnen, doorverwezen naar de autoriteiten die bevoegd zijn voor de registratie van het verzoek om internationale bescherming.

Op grond van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening kan, na afloop van de overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1356 uitgevoerde screening, indien van toepassing en op voorwaarde dat de verzoeker nog geen toegang heeft gekregen tot het grondgebied van de lidstaten, een lidstaat, in overeenstemming met de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, een verzoek behandelen in een grensprocedure indien dat verzoek is ingediend door een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van een lidstaat als vastgesteld in artikel 6 van de Schengengrenscode. De grensprocedure kan onder meer worden toegepast na de indiening van een verzoek aan een doorlaatpost aan de buitengrens of in een transitzone.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze bepalingen ten eerste dat verweerder - in het geval dat alle stappen van de screeningsprocedure zijn doorlopen - aansluitend de verdere behandeling van eisers asielaanvraag ter hand moet nemen. Ten tweede volgt hieruit dat verweerder na het doorlopen van de screeningsprocedure kan - maar niet moet - kiezen voor de behandeling van eisers asielaanvraag in de grensprocedure. Verweerder is slechts verplicht om de asielaanvraag in de grensprocedure te behandelen als een van de in artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening genoemde gevallen zich voordoet. Uit artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening en artikel 18, eerste en tweede lid, van de Screeningsverordening volgt echter niet dat verweerder niet mag kiezen voor toepassing van de asielgrensprocedure vóórdat alle stappen van de screeningsprocedure zijn doorlopen. Ook in andere bepalingen leest de rechtbank niet dat toepassing van de grensprocedure pas is toegestaan na het doorlopen van alle stappen van de screeningsprocedure. De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in artikel 18, vijfde lid, van de Screeningsverordening. Hierin staat:

“Indien onderdanen van derde landen als bedoeld in artikel 5, leden 1 en 2, en artikel 7 van deze verordening worden doorverwezen naar de passende procedure voor internationale bescherming (…) wordt de screening beëindigd. Indien niet alle controles binnen de in artikel 8 van deze verordening bedoelde termijnen zijn voltooid, wordt de screening van die persoon toch beëindigd en wordt de betrokkene naar de passende procedure doorverwezen.”

Hieruit blijkt namelijk dat een geheel voltooide screeningsprocedure geen noodzakelijke voorwaarde is voor een doorverwijzing naar de asielgrensprocedure.

Verweerders keuze voor toepassing van de grensprocedure en niet voor een andere behandelingsprocedure kan de rechtbank in deze zaak over de oplegging van een bewaringsmaatregel niet beoordelen. Maar waar het nu om gaat is dat, anders dan eiser betoogt, er geen grond is om te oordelen dat verweerder deze bewaringsmaatregel niet aan eiser mocht opleggen voordat alle stappen van de screeningsprocedure waren doorlopen overeenkomstig de Screeningsverordening.

Verder is de rechtbank van oordeel dat in deze procedure niet kan worden beoordeeld of de screeningsprocedure juist, dus volgens de regels van de Screeningsverordening, is doorlopen. Van belang is uiteraard wel dat verweerder voorafgaand aan zijn afweging om de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen adequaat heeft beoordeeld of eiser detentiegeschikt is en of een lichter middel in dit geval op zijn plaats is. Beide aspecten moet verweerder vervolgens ook in zijn afweging betrekken. Of dat goed is gebeurd, beoordeelt de rechtbank hierna. Wat eiser heeft aangevoerd met betrekking tot de screening slaagt echter niet.

Had verweerder een lichter middel moeten toepassen?

Eiser voert aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Door toepassing van een lichter middel, zoals een meldplicht of een borgsom, wordt het grensbewakingsbelang niet prijsgegeven, omdat eiser dan nog steeds geen toegang krijgt tot het grondgebied. Er is dan namelijk nog niet voldaan aan de toegangsvoorwaarden van artikelen 6 en 14 van de Schengengrenscode. Een vrijheidsontnemende maatregel mag alleen als laatste redmiddel worden toegepast en moet voldoen aan de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid. Dat volgt onder meer uit punt 11 van de preambule van de Screeningsverordening en uit punt 28 van de preambule en artikel 10 van de Opvangrichtlijn. Eiser verwijst ten slotte naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19758.

De rechtbank constateert dat verweerder bij zijn beslissing om deze bewaringsmaatregel op te leggen aan het grensbewakingsbelang een groot en doorslaggevend gewicht heeft toegekend. Dat mocht verweerder volgens de rechtbank op zichzelf ook doen. De Europese Unie heeft het belang van effectieve bewaking van de buitengrenzen op meerdere plaatsen in de Europese regelgeving vastgelegd. Zo is het grensbewakingsbelang benoemd in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,6 de preambule en artikel 13 van de Schengengrenscode, en de preambule en artikel 1 van de Screeningsverordening. Verder heeft eiser geen concrete bezwaren aangevoerd tegen het opleggen van de bewaringsmaatregel en geen omstandigheden benoemd die kunnen duiden op detentieongeschiktheid. Zulke omstandigheden zijn ook niet gebleken. 
Eisers betoog dat verweerder een lichter middel kan toepassen omdat uit de Screeningsverordening volgt dat hij daarmee nog niet wordt toegelaten tot Nederland, volgt de rechtbank niet. Bij toepassing van een lichter middel dan grensdetentie krijgt eiser feitelijk toegang tot Nederland. Dat hij dan in juridische zin nog niet is toegelaten, neemt niet weg dat de feitelijke toelating het grensbewakingsbelang doorkruist. De rechtbank concludeert dat verweerder in dit geval doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het grensbewakingsbelang en er daarom voor kon kiezen om eiser een bewaringsmaatregel op te leggen.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

Buiten de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook geen reden om te oordelen dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af.

Gehele uitspraak: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21272&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken.

03-08-2026, Rb Amsterdam, beroep gegrond [asielgrensprocedure; Procedureverordening; Screeningsverordening; multidisciplinair leeftijdsonderzoek]

Reden signalering:

Eiseres is op een echt bevonden Keniaans paspoort Nederland ingereisd, maar zij stelt de Somalische nationaliteit te hebben en minderjarig te zijn. Verweerder heeft in strijd met de Procedureverordening en Screeningsverordening gehandeld door geen multidisciplinair leeftijdsonderzoek te verrichten nu er twijfel was over haar meerderjarigheid. Daarnaast heeft eiseres oprechte inspanning verricht om aan te tonen dat het Keniaanse paspoort frauduleus is verkregen.

Eiseres heeft een echt bevonden Keniaans paspoort overgelegd met de geboortedatum 5 mei 2005. Daarom wordt door verweerder aangenomen dat eiseres de Keniaanse nationaliteit heeft en meerderjarig is. Ze heeft van Somalische documenten enkel kopieën overgelegd, waarvan een deel bewerkte voorbeelden afkomstig van het internet zijn. Zij heeft ook geen bevredigende uitleg gegeven waarom zij de originele Somalische documenten heeft achtergelaten. Dat is voldoende aanleiding om te concluderen dat eiseres willens en wetens bewerkte kopieën van een geboorteakte en een identiteitsverklaring heeft overgelegd. Er wordt vanuit gegaan dat zij de Keniaanse nationaliteit heeft en kan terugkeren naar Kenia. Ze wordt niet aangemerkt als vluchteling, omdat ze daar geen gegronde vrees voor vervolging heeft en ook geen reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij is er een removal order voor China en kan eiseres eveneens hiernaartoe terugkeren zonder dat zij een reëel risico op ernstige schade loopt. Nu haar verklaringen duidelijk niet overtuigend zijn en zij verweerder heeft misleid over haar identiteit en nationaliteit kan de asielaanvraag als kennelijk ongegrond worden afgewezen, aldus verweerder.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder haar ten onrechte niet als een mogelijke minderjarige heeft aangemerkt en bij twijfel een leeftijdsonderzoek had moeten doen zoals in de Procedureverordening staat. Eiseres heeft immers een kopie van haar Somalische paspoort laten zien waaruit volgt dat zij minderjarig is. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld in de screeningsfase door eiseres niet als mogelijk minderjarig te beschouwen en dus als kwetsbaar aan te merken door vast te houden aan de gegevens in het Keniaanse paspoort. Daarbij laat de Procedureverordening geen ruimte aan de lidstaten om zelf te bepalen of er twijfel bestaat over de minderjarigheid. Wanneer de rechtbank vindt dat het Unierecht in dit kader onduidelijk is, verzoekt de gemachtigde van eiseres om hierover prejudiciële vragen te stellen. Verweerder heeft in strijd gehandeld met de presumptie van minderjarigheid, zoals volgt uit het arrest Darboe en Camara en Werkinstructie 2026/15.

De rechtbank merkt eerst op dat er geen rapport van Bureau Documenten in het dossier zit, waaruit volgt dat het Keniaans paspoort echt bevonden is. Verder heeft verweerder op zitting gesteld dat van de overgelegde kopieën van de overige Somalische documenten niet kan worden gesteld dat deze vals zijn, omdat de beslismedewerker niet over de expertise beschikt om de documenten te beoordelen. Verweerder heeft wel gesteld dat de observaties van de beslismedewerker over de kopieën van de Somalische geboorteakte en identiteitsverklaring bevreemding over deze documenten wekken en dat in combinatie met het echt bevonden Keniaans paspoort en de onsamenhangende en onaannemelijke verklaringen van eiseres maakt dat kan worden uitgegaan van de meerderjarigheid van eiseres. De rechtbank kan verweerder echter niet volgen in dit standpunt. Eiseres heeft een kopie van een Somalisch paspoort overgelegd, die haar verklaring onderbouwt. De recente afgiftedatum van het Keniaanse paspoort (10 maart 2026) past bij de verklaringen van eiseres dat het paspoort is aangevraagd na haar vlucht. Daarbij komt dat het uiterlijk en gedrag van eiseres, zoals de rechtbank dat heeft waargenomen tijdens de zitting, doen vermoeden dat zij minderjarig is.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zodanige twijfel over de vraag of eiseres meerderjarig is, dat verweerder niet zonder meer heeft kunnen uitgaan van de geboortedatum in het Keniaanse paspoort en gehouden was om een multidisciplinair leeftijdsonderzoek te doen conform artikel 25 en 53 van de Procedureverordening. Mocht het zo zijn dat een dergelijk multidisciplinair onderzoek om organisatorische redenen (nog) niet mogelijk is, dan dient dit naar het oordeel van de rechtbank niet in het nadeel van eiseres laten werken. De rechtbank merkt hierbij op dat een leeftijdsinterview volgens Werkinstructie 2026/15 niet een afdoende multidisciplinair leeftijdsonderzoek is zoals is bedoeld in de Procedureverordening.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat verweerder te rigide heeft vastgehouden aan het Keniaanse paspoort. Uit de Procedureverordening volgt dat als er twijfel is over de meerderjarigheid van een vreemdeling, verweerder behoedzaam en zorgvuldig te werk moet gaan. Gelet op de eerder genoemde omstandigheden had er bij verweerder wel twijfel moeten zijn over de geboortedatum van eiseres en had hij daarom behoedzamer en zorgvuldiger te werk moeten gaan. Daarbij komt dat de overige tegenwerpingen over tegenstrijdigheden en vaagheden in de verklaringen van eiseres niet dusdanig sterk zijn dat deze twijfel hierdoor voldoende is weggenomen. De rechtbank neemt daarbij ook in overweging dat wanneer eiseres minderjarig blijkt te zijn, dit ook invloed heeft op de kwaliteit van de door haar gegeven antwoorden. Zij is dan immers, als minderjarige, niet gehoord op een kindvriendelijke wijze door daartoe speciaal opgeleide hoormedewerkers. Ook blijkt uit het gehoor dat er onvoldoende vragen zijn gesteld over de herkomst van eiseres, terwijl dit soort vragen meer duidelijkheid had kunnen verschaffen over haar identiteit, nationaliteit en herkomst. Op de zitting zijn enkele van die vragen door de rechtbank aan haar gesteld. Eiseres heeft toen herhaald wat zij in het gehoor al had verklaard, dat zij in [plaats] op een school heeft gezeten die [naam 1] heet. Op de vraag of zich daar in de buurt een winkelcentrum bevindt, antwoordde eiseres dat er inderdaad een winkelcentrum in de buurt is genaamd [naam 2] . Dit komt overeenkomen met openbare bronnen op internet, waaruit volgt dat [naam 2] shopping center op ongeveer 11 minuten lopen ligt van de school [naam 1] in [plaats] . Verweerder is dus ook onzorgvuldig geweest in het gehoor met betrekking tot zogenoemde herkomstvragen.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in lijn met de Screeningsverordening heeft gehandeld en dan specifiek met punten 37 en 38 van de preambule. In het gehoorverslag van 26 juni 2026 staat – voor zover hier van belang – het volgende:

A: "Ik ben geen Keniaanse maar ik ben Somalische ik heb dit paspoort gekregen van de smokkelaar"

V: (bij twijfel over de minderjarigheid van een ongedocumenteerde minderjarig alleenreizende vreemdeling) Er wordt getwijfeld of u daadwerkelijk jonger bent dan 18 jaar. Wij kunnen u om die reden in de asielgrensprocedure plaatsten. Dat betekent dat uw asielaanvraag wordt behandeld in een gesloten detentiecentrum en de u tijdens de procedure wordt onderworpen aan een leeftijdsschouw. Daar wordt vanaf gezien indien u alsnog aannemelijk kunt maken dat u jonger bent dan 18 jaar. Kunt u aannemelijk maken dat u jonger bent dan 18 jaar?

De rechtbank leidt hieruit af dat het niet volstrekt zeker was dat eiseres als meerderjarige werd beschouwd en dat er twijfel was over de vraag of eiseres minder- of meerderjarig was. Er was dus mogelijk sprake van een kwetsbaarheid omdat zij mogelijk als een niet-begeleide minderjarige moest worden gezien. Op grond van de Screeningsverordening had daar bijzondere aandacht aan moeten worden besteed. Dat is in het geval van eiseres niet gebeurd. Zij is in de asielgrensprocedure opgenomen zonder dat er verder onderzoek is gedaan naar de mogelijke kwetsbaarheid op grond van minderjarigheid. Zoals hiervoor overwogen had op grond van de Procedureverordening bij deze twijfel onderzoek moeten worden gedaan naar haar leeftijd. Verweerder heeft nagelaten dat te doen. De beroepsgrond slaagt.

De rechtbank overweegt dat de Afdeling in een uitspraak van 14 maart 2024,  
ECLI:NL:RVS:2024:1071, het toetsingskader heeft uiteengezet rondom de beoordeling van persoonsgegevens en de nationaliteit van een vreemdeling. Hieruit volgt dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de gegevens zoals vermeld in een authentiek bevonden paspoort en dat het in de eerste plaats op de weg van de vreemdeling ligt om aannemelijk te maken dat een echt bevonden paspoort op een frauduleuze wijze is verkregen. Uit deze uitspraak volgt dat van een vreemdeling mag worden verwacht dat hij alles doet waar hij redelijkerwijs toe in staat is om van de autoriteiten een verklaring te verkrijgen waaruit blijkt of zij het paspoort aanmerken als rechtsgeldig afgegeven en/of zij de vreemdeling als hun onderdaan beschouwen. De Afdeling heeft in overweging 4 toegelicht hoe een vreemdeling dit kan doen. Zo wijst de Afdeling op het opnemen van contact met de diplomatieke vertegenwoordiging van het land dat het paspoort heeft afgegeven in een voor hen gangbare taal. Daarnaast moet een vreemdeling de door de betreffende autoriteiten voorgeschreven procedures volgen, de gevraagde informatie verstrekken en zo nodig rappelleren. Als een vreemdeling onvoldoende moeite heeft gedaan om een dergelijke verklaring van de autoriteiten te verkrijgen, mag verweerder ervan uitgaan dat de vreemdeling de nationaliteit heeft die op het paspoort is vermeld. Als een vreemdeling een oprechte inspanning heeft geleverd om een verklaring te krijgen van de autoriteiten over de verkrijging van zijn paspoort en/of zijn nationaliteit, maar daar desondanks niet in is geslaagd, is het aan verweerder om die autoriteiten te benaderen.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende inspanning heeft verrichten om van de Keniaanse autoriteiten een verklaring te verkrijgen over haar paspoort en/of haar nationaliteit. Eiseres heeft een foto getoond van haar Somalische paspoort met een andere geboortedatum dan in het Keniaanse paspoort staat. In het gehoor heeft zij verklaard dat het Keniaanse paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. De gemachtigde van eiseres heeft een week na de asielaanvraag een bericht in het Engels naar de Keniaanse ambassade in Den Haag gestuurd met de vraag of geverifieerd kan worden of het Keniaanse paspoort van eiseres op een legale wijze is uitgegeven. Vervolgens heeft de gemachtigde per e-mail gerappelleerd. Daarnaast is er telefonisch contact geweest tussen de gemachtigde en de ambassade, gevolgd door een e-mail aan een medewerker van de ambassade. Vervolgens is per e-mail door de Keniaanse ambassade aangegeven dat voor een dergelijk onderzoek een formulier moet worden ingevuld, welke de gemachtigde op dezelfde dag heeft ingevuld en per e-mail heeft verzonden. Naar aanleiding van een e-mail van de gemachtigde op 24 juli 2026 heeft de Keniaanse ambassade op dezelfde dag laten weten dat het verzoek is ontvangen, in behandeling is genomen en dat het ongeveer een maand duurt totdat het onderzoek is afgerond. Gelet op het voorgaande is het dan niet zorgvuldig van verweerder om dit onderzoek niet af te wachten en vast te houden aan de vermeende authenticiteit van het Keniaanse paspoort. Het standpunt van verweerder op zitting dat eiseres er niet in is geslaagd om aan te tonen dat zij niet de Keniaanse nationaliteit heeft en het niet op de weg van verweerder had gelegen om zelf contact op te nemen met de Keniaanse autoriteiten omdat er immers wel een verklaring is verkregen van de Keniaanse ambassade, doet daar niet aan af. De reactie vanuit de Keniaanse ambassade betreft namelijk geen inhoudelijk oordeel over het Keniaanse paspoort of de Keniaanse nationaliteit, maar enkel een ontvangstbevestiging en een mededeling over de termijn waarbinnen een inhoudelijke reactie kan worden verwacht. Verweerder heeft dus niet in lijn met de genoemde Afdelingsuitspraak van 14 maart 2024 gehandeld. De beroepsgrond slaagt.

Eiseres heeft aangevoerd dat het terugkeerbesluit ten aanzien van China en Kenia in strijd is met artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Beide landen zijn namelijk geen landen van herkomst. Hiertoe heeft eiseres verwezen naar de Afdelingsuitspraak van 13 mei 2026,  
ECLI:NL:RVS:2026:2660.

De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond ten aanzien van China slaagt. Niet in geschil is dat eiseres niet de Chinese nationaliteit heeft. Niet is gebleken dat zij bij terugkeer naar China toegang krijgt tot dat land. Dat eiseres naar China, als land van doorreis, kan terugkeren overeenkomstig een andere regeling als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn, heeft verweerder op geen enkel moment in de procedure nader toegelicht. Daarom is de motivering in het bestreden besluit onvoldoende. Het terugkeerbesluit met betrekking tot China kan daarom geen standhouden. Over het terugkeerbesluit met betrekking tot Kenia kan de rechtbank nog geen oordeel geven nu het onderzoek door de Keniaanse autoriteiten over de Keniaanse nationaliteit nog moet worden afgewacht.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal namelijk een multidisciplinair leeftijdsonderzoek moeten verrichten en zal dat binnen twee weken na het versturen van deze uitspraak moeten hebben uitgevoerd. Als uit dit onderzoek volgt dat eiseres als minderjarige moet worden beschouwd dan dient zij binnen de asielprocedure als zodanig te worden behandeld. Dit houdt in dat zij opvang moet krijgen die geschikt is voor een niet-begeleide minderjarige en dat [bedrijf] als voogd dient te worden aangewezen waarbij moet worden uitgegaan van de persoonsgegevens conform de kopie van haar Somalische paspoort, te weten [eiseres] , geboren op [geboortedatum] 2009. Bovendien dient het onderzoek van de Keniaanse autoriteiten naar het paspoort en de Keniaanse nationaliteit te worden afgewacht. Daarnaast moeten het originele Somalische paspoort en de overige originele Somalische documenten worden onderzocht, zodra deze zijn ontvangen. Als blijkt dat eiseres minderjarig is en uit Somalië afkomstig, dan dient zij opnieuw te worden gehoord met inachtneming van de regels die voor het horen van minderjarigen gelden en dient zij uitgebreider te worden bevraagd over haar asielmotieven.

Gehele uitspraak: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21691&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken.

11-08-2026, Rb Groningen MK [Dublin / AMbV; overgangsrecht; persoonlijk onderhoud; mensenhandel]

Reden signalering:

claimakkoord vóór 12 juni 2026. De verantwoordelijkheidscriteria uit de Dublinverordening zijn van toepassing. Geen reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest. Geen bijzondere kwetsbaarheid of medische omstandigheden die aan overdracht in de weg staan. Geen verplichting tot het houden van een persoonlijk onderhoud. Geen aanleiding voor toepassing van de discretionaire bevoegdheid.

Zaaksverloop

Op 13 maart 2023 hebben de Duitse autoriteiten een verzoek van eiser om internationale bescherming geregistreerd.

Op 4 juni 2026 heeft eiser in Nederland aangifte gedaan van mensenhandel. Eiser heeft verklaard dat hij vanaf oktober 2025 in Nederland is gedwongen prostitutiewerkzaamheden te verrichten.

De minister heeft op 10 juni 2026 aan de autoriteiten van Duitsland gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. Op 11 juni 2026 heeft Duitsland met het verzoek ingestemd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.2

Bij brief van 11 juni 2026 is de gemachtigde van eiser bericht dat Duitsland akkoord is met een terugnameverzoek en is verzocht binnen twee weken te berichten of eiser bezwaren heeft tegen een overdracht aan Duitsland.

Op 24 juni 2026 heeft het Openbaar Ministerie (OM) aan eiser laten weten geen vervolging in te stellen, omdat het opsporingsonderzoek naar aanleiding van de aangifte geen aanknopingspunten heeft opgeleverd voor nader opsporingsonderzoek. Eveneens op 
24 juni 2026 is door de minister de (ambtshalve) aanvraag voor een verblijfsvergunning afgewezen, onder verwijzing naar het bericht van het OM. Eiser heeft ter zitting, desgevraagd, naar voren gebracht dat hij daartegen bezwaar heeft gemaakt.

Op 29 juni 2026 is er een overdrachtsbesluit tot stand gekomen: op grond van artikel 42 van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (hierna: AMbV), zal worden overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland. Het beroep tegen dat overdrachtsbesluit ligt in deze uitspraak voor.

Toetsingskader

Overgangsrecht

In geschil is of het besluit van 29 juni 2026 kon worden gebaseerd op de AMbV.

Eiser heeft in dit kader bepleit dat de Dublinverordening, en niet de AMbV, het toetsingskader vormt. Eiser wijst op artikel 85 van de AMbV, waarin staat dat de verordening van toepassing is met ingang van 1 juli 2026. De minister heeft naar voren gebracht dat een op 25 november 2025 gedane rectificatie betekent dat de AMbV op 12 juni 2026 van toepassing is geworden en dat, gelet op de onmiddellijke werking van de AMbV, het bestreden besluit terecht op grond van artikel 42 van de AMbV is genomen. Eiser heeft ter zitting gewezen op arresten van het Hof van Justitie en bepleit dat deze rectificatie niet geldig is.

De rechtbank stelt vast dat de AMbV op 22 mei 2024 in het Publicatieblad van de Europese Unie is gepubliceerd. Daarbij is in artikel 85 vermeld dat de verordening in werking treedt op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (12 juni 2024) en van toepassing is met ingang van 1 juli 2026. Op 25 november 2025 is laatstgenoemde datum met een corrigendum aangepast naar 12 juni 2026.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat deze rectificatie niet geldig is. De AMbV maakt onderdeel uit van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, dat is gebaseerd op gemeenschappelijke normen voor asielprocedures, erkenning en bescherming op Unieniveau, opvangvoorzieningen en een systeem voor het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor het onderzoek van een verzoek om internationale bescherming. Met de in het Publicatieblad op 25 november 2025 bekendgemaakte rectificatie zijn de in het kader van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel gezamenlijk opgestelde verordeningen, waarnaar in de AMbV wordt verwezen, alsnog op dezelfde datum van toepassing (twee jaar en twintig dagen na bekendmaking ervan in het Publicatieblad). Dit is gebeurd ruim voor de datum waarop de AMbV van toepassing is. De rectificatie heeft de werkingssfeer van de betrokken verordening niet gewijzigd en is niet van invloed op de inhoud van de toepasselijke regeling. Dit betekent dat de Dublinverordening is ingetrokken met ingang van 12 juni 2026.

In artikel 85 van de geconsolideerde versie van de AMbV is neergelegd dat deze verordening van toepassing is met ingang van 12 juni 2026. In artikel 83 is verder vermeld dat “verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.” Het in het besluit genoemde artikel 42 van de AMbV (uit de afdeling “Procedurele waarborgen” ) vervangt daarbij - volgens de concordantietabel - artikel 26 van de Dublinverordening.

Toepassing Dublinverordening

In geschil is daarmee nog wel in hoeverre de Dublinverordening een rol speelt bij de beoordeling van onderhavig beroep.

De rechtbank leest in de Dublinverordening en de AMbV verschillen in de te volgen procedure voor overname en terugname. De Dublinverordening kent procedures voor overnameverzoeken (artikel 21 en 22) en terugnameverzoeken (artikel 23 t/m 25). De AMbV kent nog wel procedures voor overnameverzoeken (artikel 39 en 40), maar als het gaat om terugname wordt dit beperkt tot een kennisgeving (artikel 41). Een ander verschil is dat de weigering om de in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde discretionaire bepaling toe te passen aan de rechter kon worden voorgelegd, terwijl dit niet geldt voor de in artikel 35, eerste lid, van de AMbV neergelegde discretionaire clausule (artikel 43, eerste lid, van de AMbV).

In artikel 84, tweede lid, van de AMbV is de volgende overgangsmaatregel neergelegd: “Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 vastgelegde criteria.” De rechtbank neemt aan dat hiermee de verantwoordelijkheidscriteria uit hoofdstuk III van de Dublinverordening (artikel 7 t/m 15) en de bepalingen over afhankelijke personen en discretionaire bepalingen uit hoofdstuk IV (artikel 16 en 17) van de Dublinverordening worden bedoeld. De toepassing van laatstgenoemde bepalingen betreft immers ook de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Dit sluit ook aan bij bijlage XII van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 over overnameverzoeken die vallen onder de reikwijdte van artikel 84, tweede lid, van de AMbV. In bijlage XII zijn ook de artikelen 16 en 17, tweede lid, van de Dublinverordening vermeld.

De rechtbank stelt vast dat het claimakkoord op 11 juni 2026 tot stand is gekomen en berust op de in de Dublinverordening genoemde verantwoordelijkheidscriteria. De rechtbank leest de in deel VII van de AMbV neergelegde overgangsbepalingen zo dat in dat geval ook de weigering om de discretionaire bepaling toe te passen aan de rechter kan worden voorgelegd. Hierbij zij wel opgemerkt dat in het tot 12 juni 2026 geldende beleid al was vermeld dat de IND terughoudend gebruik maakt van deze bevoegdheid. In het - inmiddels niet meer geldende - beleid werden twee situaties genoemd: 1) er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt; en 2) bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Voor zover eiser meent dat Nederland op grond van dit beleid de aanvraag in behandeling moet nemen, is het aan hem om dat te onderbouwen. De rechtbank zal dit standpunt vervolgens toetsen.

Reikwijdte van het rechtsmiddel

Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat procedureregels op het moment waarop zij in werking treden in beginsel van toepassing zijn op alle lopende procedures. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen leidt dit in deze zaak tot het volgende toetsingskader.

Krachtens het op 12 juni 2026 in werking getreden artikel 43 van AMbV is de reikwijdte van een rechtsmiddel beperkt tot een beoordeling of:

  1. de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten;
  2. er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening;
  3. inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.

Omdat het claimakkoord berust op de in de Dublinverordening genoemde verantwoordelijkheidscriteria kan daarnaast - gelet op de in deel VII van de AMbV neergelegde overgangsbepalingen - ook de motivering om geen gebruik te maken van de discretionaire clausule worden voorgelegd. De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen in 6.3. Verder zal de rechtbank hierna ook ingaan op de gronden over het hebben van rechtmatig verblijf, de acceptatie op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening en het ontbreken van persoonlijk onderhoud, voordat aan artikel 4 van het Handvest wordt getoetst.

Beoordeling individuele omstandigheden

Rechtmatig verblijf

Eiser stelt dat hij ten tijde van het claimverzoek en het claimakkoord nog rechtmatig verblijf genoot op basis van de aanvraag tot verlening van een reguliere verblijfsvergunning ‘tijdelijk humanitair’. Ook stelt hij op dit moment nog rechtmatig verblijf te hebben op grond van het besluit van 24 juni 2026.

De rechtbank stelt voorop dat met WBV 2023/11 beleid is gemaakt voor vreemdelingen op wie de Dublinverordening van toepassing is. Dit beleid is voortgezet onder de AMbV.28 Hierbij wordt enkel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als slachtoffer van mensenhandel verleend, nadat het OM heeft bericht dat de aanwezigheid van de vreemdeling noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel.

De rechtbank stelt vast dat het bericht van het OM is afgewacht. Eerst na het bericht van het OM van 24 juni 2026 is op 29 juni 2026 een overdrachtsbesluit genomen. Dit besluit houdt niet in dat eiser wordt uitgezet naar een derde land, maar dat hij wordt overgedragen aan een lidstaat die onder meer het EU Handvest en alle uit de richtlijn 2004/81/EG voortvloeiende verplichtingen in acht moet nemen.

De rechtbank ziet geen rechtsregel die eraan in de weg staat om na het besluit tot afwijzing van een aanvraag van een verblijfstitel als slachtoffer van mensenhandel een dergelijk overdrachtsbesluit te nemen.

Persoonlijk onderhoud

Eiser stelt voorts dat de minister inhoudelijk geen rekening heeft gehouden met het feit dat eiser aangifte heeft gedaan van mensenhandel. Eiser is niet gehoord. Dit levert volgens eiser een zorgvuldigheidsgebrek op en is in strijd met artikel 5 van de Dublinverordening. Tot slot benadrukt eiser de verplichting van de minister om te toetsen aan artikel 4 van het Handvest.

Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voerde de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, op grond van artikel 5 van de Dublinverordening een persoonlijk onderhoud met de persoon die een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Dit moest gebeuren voordat een besluit tot overdracht werd genomen. Met de invoering van de AMbV is dit beperkt tot overnameverzoeken. Bij terugname wordt in beginsel direct een kennisgeving verstuurd. Werkinstructie 2026/17 bepaalt op blz. 10 over de noodzaak tot horen: “De algemene regel is dat in terugname zaken niet wordt gehoord. Van deze algemene regel wordt afgeweken wanneer er sprake is van een NBM (niet begeleide minderjarigen).”

De minister heeft erop gewezen dat op 11 juni 2026 geen asielaanvraag voorlag en een persoonlijk onderhoud niet vereist was voor het nemen van een zelfstandig overdrachtsbesluit. De minister stelt dat, gelet op Afdelingsjurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2024:4919), kon worden volstaan met de mogelijkheid een zienswijze in te dienen.

De rechtbank stelt voorop dat eiser terecht stelt dat de minister ook bij een zelfstandig overdrachtsbesluit verplicht is, wanneer daar een beroep op wordt gedaan, te beoordelen of een risico bestaat dat de overdracht in strijd is met artikel 4 van het Handvest.33 De minister was evenwel niet verplicht om een persoonlijk onderhoud te beleggen voordat die beoordeling kon worden uitgevoerd. De minister kon volstaan met het bieden van de gelegenheid om schriftelijk bezwaren tegen een overdracht aan Duitsland kenbaar te maken. Daarbij zij nog opgemerkt dat de minister blijkens het op 24 juni 2026 genomen besluit ermee bekend was dat de aangifte van eiser eruit bestond dat hij tijdens de Oktoberfeesten in Duitsland een persoon heeft ontmoet die hem naar Nederland heeft gebracht en dat dat heeft geleid tot prostitutiewerkzaamheden. Met die kennis is op 29 juni 2026 het overdrachtsbesluit genomen, waarin het navolgende is overwogen: “Nederland mag u niet overdragen aan een ander EU+-land als u na de overdracht een reëel risico loopt op een slechte behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Dit staat in artikel 16, derde lid, van de AMbV. Daar is in uw geval niet van gebleken.”

Artikel 4 Handvest

Eiser heeft in zijn beroepsgronden aangevoerd dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat hij aangifte heeft gedaan van mensenhandel, dat hij als een kwetsbare persoon moet worden gezien en dat overdracht aan Duitsland het gevaar in zich draagt dat hij opnieuw in handen van mensenhandelaren valt. Verder vindt eiser dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat er in Duitsland structurele tekortkomingen in de asielprocedure en – opvang zouden zijn. Ook heeft eiser nog een medische verklaring overgelegd.

De rechtbank oordeelt dat eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan Duitsland leidt tot een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt van welke tekortkomingen in Duitsland sprake zou zijn, en indien dat zo zou zijn, waarom die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid zouden bereiken. Ook is niet gebleken van bijzondere kwetsbaarheid die moet leiden tot het verkrijgen van aanvullende garanties.34 Ten slotte is uit de door eiser overgelegde medische informatie niet gebleken van medische problemen die niet in Duitsland behandeld zouden kunnen worden.

Gelet op het bovenstaande is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder a, van de AMbV. Evenmin is gebleken van de toepasselijkheid van artikel 43, aanhef en onder b of c van de AMbV.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:22422, Rechtbank Den Haag, NL26.37256.

30-07-2026, Rb Utrecht, beroep ongegrond [AMBV; artikel 47 Handvest; toegang asielprocedure Zweden]

Reden signalering:

De rechtbank leidt uit artikel 43, eerste lid, van de AMBV af dat het betoog van eiser dat Zweden niet de verantwoordelijke lidstaat is, buiten de draagwijdte van het rechtsmiddel valt. De rechtbank volgt eiser niet dat sprake is van omstandigheden van ná het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van de verordening, zoals bedoeld in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b van de AMBV. De omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht over van de verantwoordelijkheid van Zweden - zijn vertrek van het grondgebied van de lidstaten in 2021 en de intrekking van zijn verblijfsvergunning op 17 februari 2023 – zijn van vóór het overdrachtsbesluit. Dat pas in Nederland duidelijk is geworden en aangevoerd dat België is uitgegaan van onjuiste informatie, doet daar niet aan af. Dit betekent dat de rechtbank niet beoordeelt of de minister terecht uitgaat van de verantwoordelijkheid van Zweden.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 25 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Zweden verantwoordelijk is voor de aanvraag. Zweden heeft het verzoek om overname aanvaard, op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.

Het bestreden besluit is na de inwerkingtreding van de AMBV genomen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat in deze procedure voor het overige de AMBV van toepassing is, waaronder artikel 43 van de AMBV over de draagwijdte van het rechtsmiddel..

Verantwoordelijke lidstaat

Eiser heeft op 30 januari 2026 asiel aangevraagd in Nederland waarover op 25 juni 2026 het bestreden besluit is genomen. Eiser heeft eerder, op 29 augustus 2025, asiel aangevraagd in België. In die procedure heeft België een overnameverzoek gedaan aan Zweden. Dat verzoek werd niet tijdig beantwoord waardoor Zweden werd geacht hiermee op 2 oktober 2025 stilzwijgend te zijn akkoord gegaan. Eiser heeft zijn overdracht naar Zweden, zonder succes, aangevochten in België en is op 30 oktober 2025 feitelijk overgedragen aan Zweden. Eiser heeft in Zweden geen asielaanvraag ingediend.

Eiser voert in deze procedure aan  dat Zweden niet verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser had in Zweden een verblijfsvergunning, maar heeft in 2021 het grondgebied van de EU verlaten. De verblijfsvergunning is op 17 februari 2023 ingetrokken en op 29 augustus 2025 is eiser de EU weer ingereisd. Zweden is, gelet op het verlaten van het grondgebied van de EU door eiser, ten onrechte op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening akkoord gegaan met het claimverzoek van Nederland. Ook het eerdere (fictieve) claimakkoord tussen België en Zweden op 2 oktober 2025 is om deze reden onjuist geweest. Uit de uitspraak van de Belgische rechter blijkt dat eisers advocaat destijds niet heeft aangevoerd dat de verblijfsvergunning was ingetrokken. Eiser stelt dat hij dus geen effectief rechtsmiddel heeft gehad, en dat deze fout in de Nederlandse procedure moet worden hersteld. Opnieuw zonder juridische grondslag overdragen worden aan Zweden zou immers in strijd zijn met het doel en nuttig effect van de Dublinverordening/AMBV. Eiser wijst ook op verschillende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaruit volgt dat de rechter moet kunnen oordelen over een verkeerde toepassing van de Dublinverordening. Eiser wijst er ook nog op dat de Zweedse autoriteiten er in het claimakkoord ten onrechte vanuit gingen dat de intrekking van de verblijfsvergunning van kracht is geworden op 2 mei 2024. Eiser vindt dat de minister contact had moeten opnemen met België en Zweden om duidelijkheid te krijgen over de ingetrokken vergunning.

Volgens eiser kan toepassing van de AMBV (waaronder artikel 43) niet leiden tot minder rechtsbescherming. De wetgever van de EU mag immers niet de omvang van het recht op een effectief rechtsmiddel, dan is neergelegd in artikel 47 van het Handvest, beperken. Volgens eiser moet artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de AMBV zo gelezen worden dat onder ‘omstandigheden van na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing’ ook de omstandigheid valt dat pas in de Nederlandse procedure aan het licht is gekomen dat de overdracht van Zweden naar België niet gebaseerd is op de Dublinverordening.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV heeft eiser het recht tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen, in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht. De draagwijdte van dat rechtsmiddel is echter beperkt tot een beoordeling of: 
a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten; 
b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening; 
c) inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.

De rechtbank leidt uit artikel 43, eerste lid, van de AMBV af dat het betoog van eiser dat Zweden niet de verantwoordelijke lidstaat is, buiten de draagwijdte van het rechtsmiddel valt. De rechtbank volgt eiser niet dat sprake is van omstandigheden van ná het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van de verordening, zoals bedoeld in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b van de AMBV. De omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht over van de verantwoordelijkheid van Zweden - zijn vertrek van het grondgebied van de lidstaten in 2021 en de intrekking van zijn verblijfsvergunning op 17 februari 2023 – zijn van vóór het overdrachtsbesluit. Dat pas in Nederland duidelijk is geworden en aangevoerd dat België is uitgegaan van onjuiste informatie, doet daar niet aan af.

Dat de beperking van de draagwijdte van het rechtsmiddel in strijd is met artikel 47 van het Handvest, volgt de rechtbank niet. Artikel 47 van het Handvest biedt een recht op een effectief rechtsmiddel aan ‘eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden’. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV biedt de mogelijkheid om een inbreuk op privé-, familie- en gezinsleven, het belang van het kind, en een risico op een onmenselijke en vernederende behandeling naar voren te brengen. Eiser heeft op de zitting gewezen op het belang van de eerlijke verdeling onder de Dublinverordening/AMBV, maar heeft niet toegelicht welke van zijn rechten en vrijheden geschonden zijn door een onjuiste vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet beoordeelt of de minister terecht uitgaat van de verantwoordelijkheid van Zweden. Wat eiser hierover heeft aangevoerd bespreekt de rechtbank dus niet.

Toegang tot de asielprocedure in Zweden

Eiser voert aan dat uit de eerdere ervaringen in Zweden na de overdracht vanuit België blijkt dat hij bij overdracht een reëel loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Eiser verwacht namelijk dat zijn asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen. Eiser heeft verklaard dat bij aankomst in Zweden op 30 oktober 2025 zijn gegevens werden genoteerd en werd gezegd dat hij geen recht had op asiel. Als de minister vindt dat eiser hiermee onvoldoende heeft uitgelegd dat hij geen asiel kon aanvragen, had de minister daarover moeten doorvragen. Eiser kan deze ervaring niet onderbouwen met documenten, wat vanzelfsprekend is als hij geen asielaanvraag mocht doen. Eiser wijst, ter onderbouwing van zijn stelling dat hem toegang tot de procedure en opvangfaciliteiten is ontzegd, erop dat er geen lopende asielaanvraag is in Zweden, ondanks zijn overdracht vanuit België. Hij wijst er verder op dat de manier waarop hij is behandeld haaks staat op landeninformatie waaruit blijkt dat terugkerende Dublinclaimanten in Zweden in een accommodatiecentrum worden opgevangen als hun zaak nog aanhangig is.

De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Zweden zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in het algemeen of in zijn specifieke geval niet kan, en dat in Zweden sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid.

Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat in Zweden sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen. Eiser heeft met zijn verklaringen over zijn ervaringen in Zweden ook niet aannemelijk gemaakt dat overdracht aan Zweden in strijd is met artikel 4 van het Handvest. Ook als wordt aangenomen dat eiser in Zweden geen toegang kreeg tot de asielprocedure en de opvang, dan had het op de weg gelegen van eiser om daarover in Zweden een klacht in te dienen en hulp te zoeken. Eiser heeft dat niet gedaan en heeft ook niet onderbouwd dat klagen in Zweden onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. Er is daarom niet gebleken dat eiser zijn rechten in Zweden niet kan effectueren. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:21612, Rechtbank Den Haag, NL26.36760.

29-07-2026, Rb Amsterdam, beroep gegrond [Dublin-Kroatië; Migratiepact; overgangsrecht; gezinsleden]

Reden signalering:

het asielverzoek is vóór 12 juni 2026 ingediend, waardoor de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Vaststaat dat eiser door de overdracht aan Kroatië gescheiden wordt van zijn biologische en - nu de erkenningsprocedure succesvol is afgrond - ook juridische dochter. De rechtbank kan de minister niet volgen in zijn oordeel dat dit geen bijzondere, individuele omstandigheid is op grond waarvan overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de belangen van eisers dochter. De minister heeft, in reactie op de erkenningsakte, niet ten onrechte opgemerkt dat de Dublinverordening niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een eventueel gezinslid in Nederland kan worden verkregen en dat hier andere, reguliere wegen voor openstaan. Het is de rechtbank echter ambtshalve bekend dat het meerdere jaren kan duren voordat er een beslissing wordt genomen op een dergelijke reguliere procedure. Daar komt nog bij dat een dergelijke reguliere procedure pas kan worden opgestart als de partner en dochter van eiser een definitief (positief) besluit op hun asielaanvragen hebben gekregen, wat ook nog maanden tot jaren kan duren. Dit zou ertoe leiden dat de band tussen eiser en zijn dochter, waarvoor eiser en zijn partner veel moeite hebben gedaan en nog steeds doen om deze zowel juridisch als praktisch in stand te houden, langdurig zal worden onderbroken. Ook dit heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betrokken bij de besluitvorming.

Toepasselijk recht

Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening - die door AMBV vervangen is – met ingang van 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.

Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.

Eisers verzoek om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.

Discretionaire bevoegdheid

Eiser voert onder meer aan dat de minister van zijn discretionaire bevoegdheid onder artikel 17 van de Dublinverordening gebruik had moeten maken om eiser alsnog in de nationale procedure op te nemen. Eiser is namelijk slecht behandeld door de autoriteiten van Kroatië. Hem terugsturen zou daarom resulteren in onevenredige hardheid. Daarnaast maken eisers gezinssituatie en de problemen die hij ondervindt bij het proces van erkenning van zijn dochter ook dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. Eiser acht de kans dat hij vanuit Kroatië zijn dochter zou kunnen erkennen erg klein, gelet op de behandeling die hij daar heeft gehad, het feit dat het hier in Nederland al zo moeilijk gaat en het feit dat zijn partner en dochter in Kroatië niet aanwezig kunnen zijn bij een eventuele erkenningsprocedure daar. Daarnaast zou eiser bij overdracht aan Kroatië gescheiden worden van zijn partner en zijn dochter. Het kind is nu juist op de leeftijd dat zij haar vader begint te herkennen en zich aan hem begint te binden. Scheiding kan daarom noch in het belang van eiser, noch in het belang van zijn dochter worden geacht.

Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangedragen over zijn slechte behandeling door de autoriteiten in Kroatië overweegt de rechtbank als volgt. Dit ziet op een onderwerp dat van betekenis is voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel – de vraag of ervan mag worden uitgegaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen zal nakomen ten aanzien van de behandeling van asielzoekers. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraken van 27 november 2024 en 23 december 2024, volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet ook van betekenis kunnen zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5. Eisers eerdere behandeling in Kroatië kan daarom op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser van een onevenredige hardheid getuigt.

Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangedragen over zijn gezinssituatie overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat overwegingen in verband met het belang van het kind, zoals neergelegd in artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening, niet de verplichting kunnen scheppen om een asielverzoek te behandelen waarvoor de lidstaat in kwestie niet verantwoordelijk is. De rechtbank verwijst op dit punt naar het arrest van het Hof van 23 januari 2019. Dat neemt niet weg dat artikel 17 van de Dublinverordening een bevoegdheid geeft om onverplicht een asielverzoek in behandeling te nemen. In dat kader kan het belang van een betrokken kind relevant zijn en moet de rechter toetsen of de minister zich bij zijn belangenafweging voldoende rekenschap heeft gegeven van de gestelde belangen van het kind. Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die de minister heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank dit terughoudend.

Eiser heeft zijn dochter inmiddels erkend. De erkenningsprocedure is daarmee succesvol afgrond, zodat het voltooien van die procedure zelf geen bijzondere, individuele omstandigheid meer kan vormen. Vaststaat dat eiser door de overdracht aan Kroatië gescheiden wordt van zijn biologische en nu ook juridische dochter. De rechtbank kan de minister niet volgen in zijn oordeel dat dit geen bijzondere, individuele omstandigheid is op grond waarvan overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft zich in dit kader naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende rekenschap gegeven van de belangen van eisers dochter. De minister heeft overwogen dat het in beginsel in het belang is van de dochter om bij de moeder te verblijven. De moeder verblijft alleen met de dochter in het asielzoekerscentrum en heeft met eiser grote moeite betracht om de erkenningsprocedure te laten slagen en het contact tussen eiser en zijn dochter te laten plaatsvinden. Het lukt eiser, die volgens zijn verklaring niet in het asielzoekerscentrum mag verblijven, daardoor om in elk geval meerdere keren per week zijn dochter te bezoeken. Eiser en de moeder zien beide het belang van hun dochter om ook met de vader contact te hebben en een band op te bouwen. In die situatie had de minister niet kunnen volstaan met de overweging dat het in het belang van het kind is om bij de moeder te verblijven.

De minister heeft, in reactie op de erkenningsakte, niet ten onrechte opgemerkt dat de Dublinverordening niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een eventueel gezinslid in Nederland kan worden verkregen en dat hier andere, reguliere wegen voor openstaan. Het is de rechtbank echter ambtshalve bekend dat het meerdere jaren kan duren voordat er een beslissing wordt genomen op een dergelijke reguliere procedure. Daar komt nog bij dat een dergelijke reguliere procedure pas kan worden opgestart als de partner en dochter van eiser een definitief (positief) besluit op hun asielaanvragen hebben gekregen, wat ook nog maanden tot jaren kan duren. Dit zou ertoe leiden dat de band tussen eiser en zijn dochter, waarvoor eiser en zijn partner veel moeite hebben gedaan en nog steeds doen om deze zowel juridisch als praktisch in stand te houden, langdurig zal worden onderbroken. Ook dit heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betrokken bij de besluitvorming.

Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:21241, Rechtbank Den Haag, NL26.13088.

27-07-2026, Rb Roermond, beroep ongegrond [AMBV; proceshouding gemachtigde]

Reden signalering:

de gemachtigde van eiser heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. Hij verschijnt niet ter zitting omdat hij, zoals hij tijdens het telefoongesprek vanuit de zittingszaal zegt, in de veronderstelling verkeerde het beroep ook te hebben ingetrokken. Omdat de gemachtigde het beroep niet alsnog intrekt, doet de rechtbank uitspraak. De rechtbank verzoekt gemachtigde een iets minder lakse proceshouding aan te nemen.

De beroepsgrond dat eiser door het overdrachtsbesluit de Unie moet verlaten en daardoor wordt gescheiden van zijn (zwangere) vriendin slaagt niet. Indien de Zwitserse autoriteiten eiser een terugkeerverplichting hebben opgelegd, dan wel gaan opleggen en uitvoeren, dient eiser daarover te klagen bij de Zwitserse autoriteiten indien hij meent dat dit een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn familieleven vormt. Voor zover eiser meent dat het onevenredig hard is van verweerder om de asielaanvraag niet aan zich te trekken, wijst de rechtbank er op dat eiser zijn beide asielaanvragen heeft ingetrokken. De ‘Chavez-aanvraag’ van eiser is inmiddels ook afgewezen en in de bewaringsprocedure als misbruik van recht gekwalificeerd.

De rechtbank stelt ambtshalve vast dat het beginsel van non-refoulement niet aan de overdracht in de weg staat.

De AMBV roept onder meer ten aanzien van de omvang van het rechtsmiddel fundamentele vragen op. Het ambtshalve aan de orde stellen van deze vragen kan echter beter plaatsvinden in een procedure die op tegenspraak wordt gevoerd. De rechtbank laat deze vragen dan ook onbesproken.

Beroep ongegrond.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:21603, Rechtbank Den Haag, NL26.38369.

10-08-2026, Rb Roermond. Afghanistan, verwijzingsuitspraak [prejudiciële vragen; terugkeerbesluit; niet-begeleide minderjarige]

Reden signalering:

De rechtbank meent dat het uitstellen van een beslissing over de uitvaardiging van een terugkeerbesluit indruist tegen het belang van het kind, niet verenigbaar is met het hoofddoel van richtlijn 2008/115 en niet wordt vereist door de aard en de omvang van het onderzoek naar adequate opvang zoals verweerder dat in het hoofdgeding heeft verricht en vraagt het Hof om dit nader te verduidelijken.

De rechtbank verzoekt het Hof tevens om te verduidelijken of het verblijf van eiser in Nederland in de periode vanaf het moment dat zijn verzoek om internationale bescherming is afgewezen maar geen terugkeerbesluit kon worden vastgesteld vanwege het ontbreken van adequate opvangvoorzieningen, in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of het privéleven in de weg staat aan de vaststelling van een terugkeerbesluit nu eiser meerderjarig is. De rechtbank verzoekt het Hof daarbij om te preciseren op welke wijze en in welke mate het belang van het kind bij deze beoordeling moet worden betrokken.

Eiser, die de Afghaanse nationaliteit heeft, was tijde van het indienen van het verzoek om internationale bescherming 15 jaar, 11 maanden en 22 dagen oud. Ten tijde van het besluit waarin dit verzoek is afgewezen was eiser 16 jaar, 8 maanden en 28 dagen oud. Eiser was ten tijde van zijn verzoek om internationale bescherming en ten tijde van de afwijzing van dat verzoek een niet-begeleide minderjarige zoals bedoeld in artikel 10 van richtlijn 2008/115.

Het beslissen of een terugkeerbesluit moet worden uitgevaardigd of dat daarvan moet worden afgezien omdat er geen adequate opvang in het land van terugkeer is, is een verplichting die -uitsluitend- op verweerder rust. Deze verplichting ziet niet op de verlening van een verblijfsvergunning omdat geen enkele bepaling uit richtlijn 2008/115 de lidstaten verplicht tot het verlenen van een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf.

Op het moment dat verweerder het verzoek om internationale bescherming heeft afgewezen, was in Afghanistan geen familielid, aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten waar verzoeker naar kon worden teruggestuurd aanwezig. Verweerder heeft dit erkend, maar heeft hiervan geen schriftelijke bevestiging gegeven.

Verweerder heeft na de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming aanvullend onderzoek verricht naar de aanwezigheid van adequate opvangmogelijkheden in Afghanistan en heeft dus in wezen de beslissing of een terugkeerbesluit moest worden uitgevaardigd uitgesteld. Het onderzoek naar adequate opvang is stopgezet omdat eiser meerderjarig is geworden.

De rechtbank wendt zich gelet op noodzaak van een nadere precisering van het Unierecht tot het Hof om de navolgende prejudiciële vragen voor te leggen:

  1. Moet artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 5, onder a), en 10, lid 2, van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat de beslisautoriteit die het verzoek om internationale bescherming van een niet-begeleide minderjarige afwijst, verplicht is om onverwijld na deze afwijzing te beslissen of die minderjarige kan worden teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer en als niet onverwijld een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd, verplicht is om van deze beslissing een schriftelijke bevestiging te verstrekken?
  2. Moeten artikelen 5, onder a) en b), 6, lid 1, en 10, lid 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat het illegale verblijf in de lidstaat in de periode dat geen terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd omdat de niet-begeleide minderjarige (nog) niet naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van herkomst kon worden teruggestuurd, in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of het privéleven in de weg staat aan de uitvaardiging van een terugkeerbesluit als deze niet-begeleide minderjarige de leeftijd van 18 jaar bereikt? Zo ja, op welke wijze en in welke mate moet het belang van het kind bij deze beoordeling worden betrokken?

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:22342, Rechtbank Den Haag, NL26.29184 Verwijzingsuitspraak.



Deel deze informatie
  • Delen op Whatsapp
  • Delen op LinkedIn


Raad voor Rechtsbijstand (naar homepage)

Over de Raad voor Rechtsbijstand

Burgers moeten kunnen rekenen op passende ondersteuning en goede rechtsbijstand. Daar maakt de Raad voor Rechtsbijstand zich sterk voor via de organisatie en borging van gesubsidieerde mediation en rechtsbijstand, uitvoering van de Wet schuldsanering natuurlijke personen en de Wet beëdigde tolken en vertalers.

  • Meer over ons
  • Contact
  • Wet open overheid (Woo)
  • Toegankelijkheid
  • Privacy
  • Cookies
  • Proclaimer
  • Informatiebeveiliging

Volg ons op

  • LinkedIn