Jurisprudentie
Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:
02-09-2026, Rb Haarlem, Turkije, beroepen ongegrond [HDP; DEM; CaseMatcher geen AI]
Reden signalering:
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzingen van de asielaanvragen in stand kunnen blijven. De rechtbank oordeelt in deze zaak over CaseMatcher. Dit is een computerprogramma dat verweerder kan gebruiken bij zijn besluiten over asielaanvragen. Het is mogelijk ook voor de besluiten over eisers gebruikt. CaseMatcher is, zo oordeelt de rechtbank, geen AI, complex algoritme of blackbox. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de besluitvorming niet (gedeeltelijk) tot stand is gekomen door CaseMatcher of dat de motivering is gestuurd door CaseMatcher. Daarom is verweerder ook niet gehouden om het gebruik van CaseMatcher te vermelden in zijn besluiten.
CaseMatcher
De beroepsgronden van eisers richten zich allereerst tegen het gebruik van het computerprogramma ‘CaseMatcher’ door verweerder. CaseMatcher is volgens eisers een geavanceerd AI-systeem dat invloed heeft op de besluitvorming en verweerder is over het gebruik ervan niet transparant geweest in de bestreden besluiten. De rechtbank beoordeelt of verweerder bij zijn besluitvorming gebruik mocht maken van CaseMatcher en zo ja, of verweerder daarover voldoende transparant is geweest.
Is Casematcher een AI-systeem dan wel een complex algoritme en/of black box?
Eisers voeren, kort samengevat, aan dat CaseMatcher een vorm van AI is dan wel een complex algoritme. CaseMatcher valt daarmee onder artikel 3 van de AI-verordening. CaseMatcher is een verboden AI-systeem op grond van artikel 5 van de AI-verordening. Eisers stellen dat CaseMatcher gebruik maakt van tekst mining en artificiële intelligentie, het verschillende niveaus van autonomie kent en natuurlijke personen op basis van bijzondere persoonskenmerken sorteert. CaseMatcher bepaalt zelf de relevante input en het genereert nieuwe output in de vorm van een ‘ranking’ en score die niet vooraf door mensen is vastgelegd, maar door algoritmische berekening wordt afgeleid. Het algoritme dat ten grondslag ligt aan de werking van CaseMatcher is dus anders dan een klassiek ‘rule-based algoritme’, aldus eisers. Eisers voeren, kort samengevat, subsidiair aan dat als CaseMatcher geen AI is, het dan wel een complex algoritme betreft waarbij er onvoldoende informatie over de werking ervan is vrijgegeven door verweerder. CaseMatcher is in dat geval een zogenoemde ‘black box’, aldus eisers. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat CaseMatcher geen geavanceerd AI-systeem of complex algoritme is, maar een simpele ‘rule-based’ zoek- en vindtool. Volgens verweerder staat ten eerste de AI-verordening niet in de weg aan het gebruik van CaseMatcher, omdat de verboden uit artikel 5 van de verordening pas na het bestreden besluit van kracht zijn geworden. Ten tweede zijn de aannames van eisers over de werking van CaseMatcher onjuist. CaseMatcher kan niet als een AI-systeem worden gekwalificeerd zoals bedoeld in artikel 3 van de AI-verordening. CaseMatcher is als zoek- en vindtool niet in staat om te leren, redeneren of modelleren, om zelfstandig acties uit te voeren of om zelf capaciteiten aan te leren. De rechtbank komt tot het oordeel dat CaseMatcher geen AI-systeem. Ook is het geen complex algoritme of black box. Er is geen reden om aan te nemen dat CaseMatcher meer dan een simpele zoekfunctionaliteit betreft. De rechtbank volgt de stelling van eisers dus niet. De rechtbank is als volgt tot dit oordeel gekomen.
De rechtbank volgt ten eerste de uitleg van verweerder dat CaseMatcher het voor een geautoriseerde beslismedewerker van de IND mogelijk maakt om te zoeken naar eerder behandelde zaken en in die zaken opgeslagen documenten waarin een bepaalde zoekterm voorkomt. De rechtbank begrijpt het doel van CaseMatcher dus zo dat via deze zoek- en vindtool een beslismedewerker, bij het nemen van besluiten, kennis kan vergaren door het raadplegen van oude zaken en kan nagaan hoe in andere gevallen met bepaalde materie is omgegaan in de besluitvorming.
De rechtbank volgt verder de uitleg van verweerder dat CaseMatcher hierbij gebruikt maakt van een simpel rule based algoritme. CaseMatcher geeft alleen weer welke zaken een zoekterm bevatten en rangschikt deze resultaten op basis van de datum of op relevantie. Bij de rangschikking wordt gebruik gemaakt van een statistische methode die achterhaalt hoe veelvuldig een woord in een bepaald document voorkomt. De rangschikking van de zoekresultaten wordt ook bepaald door het gewicht dat aan bepaalde type documenten wordt toegekend. De rechtbank acht de motivering van verweerder dat aan een beschikking een hoger gewicht wordt toegekend dan een aanmeldformulier, omdat een beschikking meer relevante informatie bevat, inzichtelijk en begrijpelijk. Dat uit het evaluatierapport over CaseMatcher volgens eiser zou blijken dat CaseMatcher een AI-systeem is volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft uitgelegd dat uit het rapport slechts blijkt dat het oorspronkelijke idee was om een geavanceerd model te ontwerpen waarmee vergelijkbare zaken konden worden onderzocht, maar dat uiteindelijk is gekozen voor een simpele zoekfunctie omdat beslismedewerkers hadden aangegeven dat hier meer behoefte aan was. De rechtbank ziet geen aanleiding om de motivering van verweerder op dit punt in twijfel te trekken. De rechtbank kan daarnaast de motivering van verweerder volgen dat CaseMatcher niet leert, redeneert of modelleert, en dat de zoekresultaten volledig deterministisch en rule-based worden gegenereerd en gesorteerd. Daarmee valt CaseMatcher ook buiten de werking van de AI-verordening omdat CaseMatcher niet als een AI-systeem kan worden gekwalificeerd volgens de rechtbank. In het hetgeen eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding om te twijfelen aan de uitleg van verweerder over de werking van CaseMatcher als eenvoudig algoritme. De deskundigen van eisers hebben met name gesteld dat niet uitgesloten kan worden dat sprake is van meer dan een simple rule based algoritme. De deskundigen van verweerder hebben echter kennis van het ontwerp en de technische werking van CaseMatcher. Er is geen reden om aan te nemen dat de deskundigen van verweerder niet onafhankelijk zouden zijn.
Over de aanvullende informatie die partijen op verzoek van de rechtbank na de zitting hebben ingebracht, overweegt de rechtbank het volgende. Deskundige [deskundige 3] heeft uitleg gegeven over de invloed van de ‘KnowledgePlaza Business Logic Layer’ op CaseMatcher. Volgens hem zorgt de Layer voor communicatie tussen de webapplicatie (waarin de medewerker zijn zoekvraag invoert) en de zoekmachine waarmee wordt gezocht, heeft geen effect op zoekvragen en zoekresultaten. De Layer kan gezien worden als ‘onderdeel’ van CaseMatcher, omdat het doorlopend voor communicatie zorgt. Er zijn daarnaast twee zoekoptimalisaties ingesteld. Dit houdt in dat bij het zoeken op een ECLI-nummer de Layer dit patroon van cijfers, letters en leestekens herkent als een ECLI-nummer en er dubbele quotes omheen zet, en ten tweede, dat bij het zoeken met meer dan één term, alleen documenten worden gevonden waarin alle gebruikte termen voorkomen. De Layer vormt echter geen onderdeel van de werking van CaseMatcher in de zin dat het invloed heeft op de wijze waarop CaseMatcher de zoekopdracht uitvoert. De zoekopdracht wordt uitsluitend uitgevoerd door de door OpenText ontwikkelde IDOL-software. Ten slotte bestaat de techniek die ten grondslag ligt aan de Layer uitsluitend uit harde beslisregels en is dit geen AI, aldus [deskundige 3] . Naar aanleiding hiervan heeft een deskundige van eiser, [deskundige 1] , kortgezegd verklaard dat hij de toelichting van [deskundige 3] niet overtuigend vindt. De rechtbank leidt hieruit geen duidelijke conclusie af. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van de uitleg van [deskundige 3] over de Knowledge Business Logic Layer.
De rechtbank is ten slotte ook van oordeel dat CaseMatcher geen complex algoritme en/of black box is. Daarbij overweegt de rechtbank dat in het geval van CaseMatcher uit de hiervoor besproken overwegingen is gebleken dat het resultaat van de zoekopdracht logisch herleidbaar is, hetgeen niet het geval zou zijn bij een complex algoritme. Bovendien is de rechtbank in die eerdere overwegingen tot de conclusie gekomen dat CaseMatcher een eenvoudig rule based algoritme betreft. Eisers kunnen daarom ook geen geslaagd beroep doen op de aangehaalde uitspraken over AERIUS en SyRi, omdat het in die uitspraken anders dan in deze zaak, wel ging om complexe algoritmen.
De beroepsgrond slaagt dus niet.
Is de besluitvorming (gedeeltelijk) tot stand gekomen door CaseMatcher?
Eisers voeren, kort samengevat, aan dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen omdat verweerder niet transparant is geweest over het gebruik van CaseMatcher. Eisers voeren in dit kader aan dat het gebruik van CaseMatcher leidt tot een groot risico op ‘automation bias’ omdat de beslismedewerker door CaseMatcher structureel eenzijdige input krijgt. Verweerder heeft in dit kader volgens eisers onvoldoende gedaan aan risicobeheersing van het systeem. Dit brengt volgens eisers met zich dat er een risico op bias ontstaat en dat niet kan worden uitgesloten dat het recht op privacy van eisers is geschonden. Daarnaast stellen eisers dat de stukken die zijn gebruikt als referentiemateriaal door CaseMatcher op grond van artikel 8:42 van de Awb als op de zaak betrekking hebbende stukken moeten worden ingediend en dit dus ook transparantie van verweerder vereist.
De rechtbank volgt de stelling(en) van eisers niet. De rechtbank is van oordeel dat de besluitvorming niet (gedeeltelijk) tot stand komt door CaseMatcher en ook niet dat de motivering wordt gestuurd door CaseMatcher. Daarom is verweerder ook niet gehouden om het gebruik van CaseMatcher te vermelden in zijn besluiten. De rechtbank is als volgt tot deze conclusie gekomen. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:46 van de Awb volgt dat de motivering van een besluit deugdelijk moet zijn en dit houdt in dat overheidsbesluiten gebaseerd dienen te zijn op een draagkrachtige en kenbare motivering. Dit heeft als gevolg dat als de motivering van een besluit niet tot stand had kunnen komen zonder een bepaald algoritme, maar waarbij in het besluit dat algoritme niet is vermeld, het besluit een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek bevat. Andersom betekent dit volgens de rechtbank dat als een algoritme is gebruikt en de instructies van het algoritme een deel van de beslissing omvatten, er een verplichting bestaat voor verweerder om het algoritmegebruik te vermelden. Een toegevoegde waarde van transparantie zal zich in dit kader dus vooral voordoen wanneer algoritmen een wezenlijke invloed hebben gehad op of bepalend zijn geweest voor de inhoud van het besluit.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat CaseMatcher een simpel algoritme betreft dat op geen enkele manier, dus ook niet al dan niet gedeeltelijk geautomatiseerd, heeft geleid tot de inhoud van de bestreden besluiten. Ook heeft het in dat kader geen instructies gegeven. De rechtbank volgt de uitleg van verweerder dat CaseMatcher slechts weergeeft welke zaken een zoekterm bevatten en dus niet welke zoekresultaten daadwerkelijk relevant zijn voor de besluitvorming. Naar het oordeel van de rechtbank zal inzicht in CaseMatcher dus niet leiden tot een betere controleerbaarheid van de bestreden besluiten. Daarom is verweerder ook niet gehouden om transparant te zijn over het gebruik.
In dat kader oordeelt de rechtbank ook dat verweerder niet gehouden is om volgens artikel 8:42 van de Awb de stukken in te dienen die het resultaat zijn geweest van de zoekopdracht in CaseMatcher. Dit zijn geen stukken die relevant kunnen zijn voor de bestuursrechter om tot een uitspraak te komen. De rechtbank concludeert in dat kader dat voor de beslechting van het onderhavige geschil enkel relevant is of zij zich kan vinden in de motivering van de bestreden besluiten. CaseMatcher is een systematische gegevensverzameling, een database. Naar vaste rechtspraak zijn gegevens in een database alleen op de zaak betrekking hebbende stukken als zij ‘van belang en raadpleegbaar zijn met het oog op’ die zaak. Het enkele feit dat gegevens in CaseMatcher zijn geraadpleegd in het kader van de totstandkoming van de besluiten over eisers betekent niet dat het dit soort gegevens zijn of zijn geworden door het raadplegen. Het is ook niet zo dat voor eisers een ongelijkwaardige procespositie ontstaat als zij geen inzicht krijgen in en controle kunnen uitoefenen over de gegevens uit CaseMatcher die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de bestreden besluiten.
Daarnaast volgt de rechtbank ook niet de stelling van eisers dat CaseMatcher leidt tot een risico op (automation) bias. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat beslissingen van beslismedewerkers in belangrijke mate leunen op de output van CaseMatcher. De rechtbank volgt de motvering van verweerder dat CaseMatcher een beslismedewerker niet stuurt met de manier waarop de zoekresultaten worden gepresenteerd. Er is al helemaal geen reden om aan te nemen dat Casematcher een instructie of een (gedeeltelijke) uitkomst genereert die de beslismedewerker kan volgen. De inhoudelijke beslissing van verweerder kan zijn beïnvloed door de uitkomsten van het zoeken in CaseMatcher, maar het programma op zich heeft geen sturende invloed gehad op die inhoudelijke beslissing.
De rechtbank volgt ook niet de stelling van eisers dat verweerder onvoldoende heeft gedaan aan risicobeheersing. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat er een beperkt aantal filters gebruikt kunnen worden binnen CaseMatcher. Ook wordt een beleid over het gebruik van zoektermen gehanteerd, medewerkers mogen pas gebruik maken van CaseMatcher na het volgen van een onlinecursus, er vindt logging plaats van activiteiten van een beslismedewerker in een individuele zaak en er is een DPIA verricht naar Indigo (waar CaseMatcher onderdeel van is). De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder ten onrechte de besluiten niet ondertekend?
Eisers voeren, kortgezegd, aan dat de bestreden besluiten niet zijn ondertekend en daarom niet kunnen worden gecontroleerd op (onder meer) het gebruik van CaseMatcher. De rechtbank volgt de stelling van eisers niet. Uit een uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2026 volgt dat verweerder niet verplicht is om meeromvattende asielbeschikkingen die ook terugkeerbesluiten bevatten te voorzien van een ondertekening. Het ontbreken van de ondertekening leidt daarnaast niet tot een gebrek in de besluitvorming, omdat voldoende controleerbaar is dat de beschikkingen door bevoegde personen zijn genomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat met deze beroepsgrond onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of niet door een bevoegde ambtenaar zijn genomen.
Inhoudelijke gronden gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag
De rechtbank is van oordeel dat eisers niet concreet hebben gemaakt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling in deze zaken vanwege de toepassing van WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet onzorgvuldig tot stand is gekomen doordat verweerder in het voornemen de term ‘risicogroep’ heeft genoemd in plaats van ‘risicoprofiel’. Zowel in het bestreden besluit als in het verweerschrift heeft verweerder uitgelegd dat er per ongeluk risicogroep stond vermeld in het voornemen. De rechtbank volgt dan ook het standpunt van verweerder dat het gaat om een kennelijke schrijffout en niet om toepassing van oud beleid. Volgens de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit dan ook niet een nieuw standpunt ingenomen. De beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft de aanvragen terecht afgewezen als ongegrond. De beroepen zijn ongegrond.
Lees meer
- CaseMatcher beïnvloedt volgens rechtbank besluiten IND niet direct | Rechtspraak
- Hoe gaat de IND om met kunstmatige intelligentie (AI)? | IND
- Aanbevelingen AI in de advocatuur | Nederlandse orde van advocaten
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:25209.
01-09-2026, Rb ’s-Hertogenbosch, beroep ongegrond [AMBV; Duitsland; overgangsrecht; discretionaire bevoegdheid]
Reden signalering:
De Dublinverordening is met ingang van 12 juni 2026 ingetrokken en de AMb-verordening is vanaf dat moment van toepassing geworden. Vanaf het moment waarop de AMb-verordening van toepassing is geworden, dient deze verordening te worden toegepast op onderwerpen die niet onder het toepasselijke overgangsrecht vallen. Nu de AMb-verordening met ingang van 12 juni 2026 van toepassing is geworden, beoordeelt de rechtbank de door eisers ingestelde beroepen aan de hand van het bepaalde in artikel 43, eerste lid, van deze verordening. Dit artikellid bepaalt dat een verzoeker tegen een overdrachtsbesluit een doeltreffend rechtsmiddel kan instellen, waarbij de omvang van de rechterlijke toetsing is beperkt tot de in de onder a tot en met c genoemde gronden. De wijze waarop de minister gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 35 van de AMb-verordening is hierin niet genoemd. De rechtbank dient deze bepaling direct toe te passen omdat de AMb-verordening geen overgangsrecht kent ten aanzien van deze bepaling. Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de vraag of de minister in het geval van eisers ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid, zoals eisers betogen. Dat geldt ook voor het betoog van eisers dat de toepassing van artikel 35 van de AMb-verordening in plaats van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Dat betoog vergt immers een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de toepassing van artikel 35 van de AMb-verordening en voor een dergelijke beoordeling is in deze procedure, gelet op artikel 43, eerste lid, van de AMb-verordening, geen ruimte.
Eisers zijn begin januari 2026 Nederland vanuit Duitsland ingereisd en heeft Nederland op 26 februari 2026 aan Duitsland verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 3 maart 2026 op diezelfde grondslag aanvaard. De minister heeft daarop op 21 mei 2026 het voornemen uitgebracht om eisers over te dragen aan Duitsland. Eisers hebben op 5 juni 2026 gereageerd op dit voornemen middels hun zienswijze. In de bestreden besluiten van 7 juli 2026 is de minister bij het voornemen gebleven. De verantwoordelijkheid van Duitsland is in de bestreden besluiten gebaseerd op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Voor het overige heeft de minister de bestreden besluiten gebaseerd op de AMb-verordening. Daarbij heeft hij toegelicht dat deze nieuwe verordening sinds 12 juni 2026 van toepassing is en directe werking heeft, wat volgens de minister betekent dat de meeste (procedure)regels vanaf die datum gelden.
Mocht de minister de AMb-verordening toepassen in de zaken van eisers?
Eisers stellen zich op het standpunt dat de minister in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het overgangsrecht heeft gehandeld door de AMb-verordening ten grondslag te leggen aan de bestreden besluiten. De asielaanvragen van eisers dateren immers van 2 januari 2026 en op 3 maart 2026 zijn de Duitse autoriteiten akkoord gegaan met de claimverzoeken op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Eisers wijzen op artikel 84, tweede lid, van de AMb-verordening waaruit volgt dat bij verzoeken die vóór 12 juni 2026 zijn geregistreerd de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald aan de hand van de regels van de Dublinverordening, niet van de AMb-verordening. Het gedurende de procedure met terugwerkende kracht aanpassen van het juridische kader brengt onduidelijkheid met zich mee over de toepasselijke normen voor rechtsbescherming, overdrachtstermijnen en discretionaire bevoegdheden. Volgens eisers had de minister het besluit moeten nemen met inachtneming van het materiële recht en het overgangsrecht zoals dat gold ten tijde van het claimakkoord. De minister heeft daarom ten onrechte artikel 35 van de Amb-verordening toegepast en had volgens eisers artikel 17 van de Dublinverordening moeten toepassen.
De rechtbank overweegt allereerst dat de AMb-verordening op 22 mei 2024 in het Publicatieblad van de Europese Unie is gepubliceerd. Daarbij is in artikel 85 vermeld dat de AMb-verordening in werking treedt op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie en van toepassing is met ingang van 1 juli 2026. Op 25 november 2025 is laatstgenoemde datum gecorrigeerd naar 12 juni 2026. Dit betekent dat de Dublinverordening met ingang van 12 juni 2026 is ingetrokken en dat de AMb-verordening vanaf dat moment van toepassing is geworden. Vanaf het moment waarop de AMb-verordening van toepassing is geworden, dient deze verordening te worden toegepast op onderwerpen die niet onder het toepasselijke overgangsrecht vallen. Verder geldt dat de nationale rechter aan het rechtstreeks toepasselijke Unierecht volle werking moet geven en een daarmee strijdige praktijk zo nodig buiten toepassing kan laten.
Nu de AMb-verordening met ingang van 12 juni 2026 van toepassing is geworden, beoordeelt de rechtbank de door eisers ingestelde beroepen aan de hand van het bepaalde in artikel 43, eerste lid, van deze verordening. Dit artikellid bepaalt dat een verzoeker tegen een overdrachtsbesluit een doeltreffend rechtsmiddel kan instellen, waarbij de omvang van de rechterlijke toetsing is beperkt tot de in de onder a tot en met c genoemde gronden. De wijze waarop de minister gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 35 van de AMb-verordening is hierin niet genoemd. De rechtbank dient deze bepaling direct toe te passen omdat de AMb-verordening geen overgangsrecht kent ten aanzien van deze bepaling.
De rechtbank overweegt verder dat het een bewuste keuze is van de Uniewetgever om in artikel 43, eerste lid, van de AMb-verordening te bepalen dat de rechtbank niet kan oordelen over de vraag of de minister op de juiste wijze invulling heeft gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. De rechtbank ziet hiervoor aanknopingspunten in de toelichting van de Europese Commissie bij het voorstel van 23 september 20209 en de preambule van de AMb-verordening.
Voor zover eisers (ook) hebben bedoeld te betogen dat het rechtszekerheidsbeginsel zich verzet tegen toepassing door de rechtbank van artikel 43, eerste lid, van de AMb-verordening, ziet de rechtbank hiervoor geen aanknopingspunten. Zoals hiervoor is overwogen is de AMb-verordening immers op 22 mei 2024 in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd, vervolgens op 11 juni 2024 in werking getreden en van toepassing geworden op 12 juni 2026. Op het moment dat eisers begin januari 2026 Nederland inreisden en hun asielaanvragen in Nederland indienden was de AMb-verordening dus al geruime tijd in werking getreden. In zoverre is van het tijdens de procedure met terugwerkende kracht aanpassen van het juridische kader ten aanzien van de rechtelijke toetsing als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de AMb-verordening geen sprake.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de vraag of de minister in het geval van eisers ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid, zoals eisers betogen. Dat geldt ook voor het betoog van eisers dat de toepassing van artikel 35 van de AMb-verordening in plaats van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Dat betoog vergt immers een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de toepassing van artikel 35 van de AMb-verordening en voor een dergelijke beoordeling is in deze procedure, gelet op artikel 43, eerste lid, van de AMb-verordening, geen ruimte. De rechtbank gaat daarom aan dit betoog voorbij.
Houdt de overdracht van eisers een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest in?
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
Daarnaast voeren eisers aan dat het standpunt van de minister dat Duitsland in het algemeen voldoet aan de Europese richtlijnen geen recht doet aan hun concrete, individuele ervaringen waarin de drempel van zwaarwegendheid uit het arrest Jawo wordt gehaald. Eisers zijn namelijk gedurende hun verblijf in Beieren systematisch uitgesloten van adequate medische zorg en opvangvoorzieningen. Doordat een noodzakelijke medische ingreep bij zoon [naam] een jaar lang is vertraagd, heeft hij blijvende zenuwschade aan zijn vingers opgelopen. Daardoor waren meerdere hersteloperaties nodig. Eisers kregen geen reguliere zorgverzekeringskaart, maar slechts losse A4-formulieren, waardoor zij bij medische instanties stelselmatig werden geweigerd of belemmerd. Daarnaast werd stelselmatig geweigerd een tolk in te zetten bij medische consulten en vaccinaties. Eiseres kampt als gevolg van de opvangsituatie, intimidatie en de voortdurende dreiging van nachtelijke invallen door de politie met een ernstige psychische inzinking en nachtelijke paniekaanvallen. Volgens eisers kan het standpunt van de minister dat zij bij de Duitse autoriteiten hadden moeten klagen, geen standhouden. Zij hebben immers circa twintig verschillende instanties om hulp gevraagd, maar van geen enkele instantie een antwoord ontvangen. Eisers hebben ter onderbouwing van dit standpunt e-mails overgelegd.
Eisers doen met het bovenstaande een beroep op de grond genoemd in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de AMb-verordening. Deze grond ziet op de beoordeling of de overdracht voor eisers een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zou opleveren. De rechtbank zal deze beroepsgrond hierna beoordelen.
Tussen partijen is niet in geschil dat de minister ten aanzien van Duitsland in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Wel zijn partijen verdeeld over de vraag of de minister daarvan ook in het specifieke geval van eisers mag uitgaan.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij na overdracht aan Duitsland een reëel risico lopen op behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Eisers hebben allereerst niet geconcretiseerd en onderbouwd welke ernstige tekortkomingen het Duitse opvang- en asielsysteem kent. De enkele omstandigheid dat hun asielverzoeken zijn afgewezen is daartoe onvoldoende. Eisers hebben verder verklaard dat zij in Duitsland opvang hebben gekregen. Daarnaast heeft de minister eisers mogen tegenwerpen dat zij geen medische gegevens hebben overgelegd van de medische ingreep bij zoon [naam]. Eisers hebben ook anderszins hun betoog niet met (medische) documenten onderbouwd en al daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij in Duitsland zijn uitgesloten van een noodzakelijke medische behandeling dan wel dat sprake was van stelselmatige discriminatie. Daar komt bij dat eisers hebben verklaard dat zij in Duitsland wel toegang hebben gehad tot het zorgsysteem en dat er uiteindelijk ook hersteloperaties zijn verricht vanwege de ontstane zenuwschade bij [naam]. Dit bevestigt het uitgangspunt dat de medische voorzieningen in Duitsland als gelijkwaardig worden beschouwd. Er zijn verder ook geen aanknopingspunten dat Nederland het meest aangewezen land is om eiseres voor haar (psychische) klachten te behandelen.
Gelet op het voorgaande kan ten aanzien van Duitsland ook in het geval van eisers worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat eisers zich bij eventuele problemen dienen te beklagen bij de daarvoor geëigende instanties in Duitsland, dan wel bij de (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat eisers zich, voor zover het de medische behandeling en de gestelde uitsluiting betreft, hebben gewend tot de daartoe bevoegde instanties of hogere autoriteiten in Duitsland. Ook is niet gebleken dat deze mogelijkheid ontbreekt of bij voorbaat zinloos is. Weliswaar hebben eisers een aantal e-mails overgelegd, maar van een deel daarvan is onduidelijk aan wie deze zijn geadresseerd. Ook ter zitting hebben eisers dit niet nader kunnen concretiseren. Voor zover de adressant van de e-mails wel duidelijk is, gaat het niet om e-mails aan de Duitse (hogere) autoriteiten maar om e-mails aan rechtsbijstandverleners en Caritas Augsburg, een kerkelijke liefdadigheidsinstelling. Met deze e-mails onderbouwen eisers daarom niet dat klagen bij de hogere autoriteiten in Duitsland bij voorbaat zinloos is, nog daargelaten dat deze Duitse e-mails betrekking lijken te hebben op de afwijzing van hun asielverzoeken in Duitsland. Tot slot weegt de rechtbank mee dat eisers hebben verklaard dat zij in Duitsland niet hebben geklaagd over de gestelde discriminatie.
Beroep op het arrest C.K.
Eisers doen verder een beroep op het arrest C.K. van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Aan eiseres is namelijk in Nederland op doktersvoorschrift het antipsychoticum quetiapine verstrekt voor de behandeling van haar psychische klachten. Het abrupt onderbreken of wijzigen van deze behandeling vanwege overdracht aan Duitsland leidt in haar geval tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar medische situatie. De minister heeft nagelaten om een medisch onderzoek in te stellen naar de aard van deze medicatie, noodzaak van de continuïteit hiervan en de vraag of de Duitse autoriteiten in de praktijk direct kunnen en zullen voorzien in een naadloze voortzetting van exact deze psychiatrische zorg en medicatietoediening. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
De rechtbank overweegt als volgt. Het Hof heeft in het arrest C.K. geoordeeld dat overdracht van een asielzoeker achterwege dient te blijven indien dit een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou inhouden. Onder die omstandigheden zou die overdracht namelijk een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest vormen.
De Afdeling heeft overwogen dat uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een betrokkene objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.
De minister hanteert bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. en of er nader medisch onderzoek door het Bureau Medische Advisering (BMA) nodig is om dit in beeld te brengen een vaste gedragslijn. WI 2026/17 vermeldt dat een BMA-onderzoek wordt opgestart wanneer een vreemdeling tijdens de Dublinprocedure een impliciet of expliciet beroep doet op het arrest C.K. of op de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, omdat er bij hem sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening en hij aantoont dat hij onder actieve medische behandeling staat van een behandelaar/specialist. En als uit objectieve medische gegevens blijkt dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand.
De minister heeft in het bestreden besluit kenbaar gemotiveerd dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit het arrest C.K. In beroep heeft eiseres ter onderbouwing van haar medische situatie een kopie van een afsprakenkaart van GZA overgelegd waaruit volgt dat er op 25 juni 2026 een afspraak bij de POH-GGZ gepland stond. Verder heeft eiseres een (ongedateerde) schriftelijke verklaring van de POH-GGZ overgelegd waarin deze verklaart dat eiseres wordt behandeld voor klachten die passen bij een posttraumatische stressstoornis welke zijn ontstaan na gebeurtenissen in Turkije en Duitsland. Tevens heeft eiseres een doktersvoorschrift voor het medicijn quetiapine overgelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat er onvoldoende aanleiding bestaat dat hij zich moet vergewissen van de impact van de overdracht op de gezondheidstoestand, door het BMA nader onderzoek te laten doen. Daarbij acht de rechtbank met de minister van belang dat uit de overgelegde stukken onvoldoende valt op te maken dat specifiek de Dublinoverdracht zou leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van eiseres. Bij het ontbreken van deze informatie, is het enkele feit dat eiseres medicatie gebruikt onvoldoende voor een andersluidend oordeel. Dat geldt ook voor de niet nader onderbouwde stelling van eiseres ter zitting dat zij als gevolg van een onaangenaam gesprek met de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) een paniekaanval heeft gekregen en naar de eerste hulp is gebracht. De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank verwijst in dit verband nog naar haar oordeel over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook Duitsland draagt zorg voor adequate voorzieningen voor asielzoekers op het gebied van gezondheidszorg. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in Duitsland niet zou kunnen worden behandeld voor haar eventuele mentale of lichamelijke aandoeningen. Bovendien kunnen met toestemming van eiseres haar medische gegevens worden gedeeld met de Duitse autoriteiten.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de belangen van de kinderen van eisers?
Eisers hebben ter zitting tot slot aangevoerd dat in de bestreden besluiten onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van hun kinderen. Zij hebben dit al in de zienswijze aangevoerd en in de beroepsgronden is integraal naar de zienswijze verwezen. Eisers wijzen ter onderbouwing van dit standpunt op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 27 juli 2026.
De rechtbank stelt vast dat eisers in de zienswijze hebben betoogd dat overdracht in hun geval van onevenredige hardheid getuigt, onder meer omdat hun zoon [naam] zenuwschade heeft opgelopen en omdat hun zoon [naam] landloos is. Anders dan eisers stellen heeft de minister deze aspecten betrokken in het bestreden besluit. Daarin heeft de minister – namelijk bij de vraag of de overdracht in strijd is met artikel 4 van het Handvest, welk aspect ook door de rechter in beroep mag worden getoetst – overwogen dat de medische situatie van [naam] niet met documenten is onderbouwd en dat eisers zelf aangeven dat hij in Duitsland is geopereerd vanwege een gebroken arm en dat hij ook een hersteloperatie heeft gehad in verband met de ontstane zenuwschade. Ook is de minister ingegaan op de omstandigheid dat [naam] landloos zou zijn. Hierover stelt de minister in de bestreden besluiten terecht dat eisers dit evenmin met documenten hebben aangetoond en dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat [naam] in Duitsland geen recht zou hebben op alle voorzieningen die een pasgeboren kind nodig heeft. Dat de belangen van de kinderen in de besluitvorming onvoldoende zijn betrokken, volgt de rechtbank dan ook niet. Eisers hebben ook geen andere belangen gesteld die de minister onvoldoende zou hebben betrokken en welke gelet op artikel 43, eerste lid, van de AMb-verordening binnen de draagwijdte van het beroep vallen. Naar het oordeel van de rechtbank wijkt de onderhavige situatie al daarom af van de situatie zoals die aan de orde was in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, te meer nu uit deze uitspraak blijkt dat de minister in die besluitvorming de belangen van het kind niet kenbaar had betrokken.
Conclusie en gevolgen
De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de minister hen mag overdragen aan Duitsland
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:25992.
26-08-2026, Rb Middelburg, beroep ongegrond [AMBV; overdracht naar Duitsland; reikwijdte rechtsmiddel]
Reden signalering:
In artikel 43, eerste lid, van de AMBV is de draagwijdte van het rechtsmiddel van beroep bepaald. Hieruit volgt dat de rechtbank niet kan ingaan op wat is aangevoerd over het niet kunnen uiten van bezwaren door eisers voorafgaand aan het overdrachtsbesluit, en over de discretionaire bevoegdheid van verweerder op grond van artikel 35 van de AMBV. Wel moet worden ingegaan op de stelling van eisers dat overdracht in strijd is met het verbod op onmenselijke behandeling van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Voor zover eisers een beroep hebben gedaan op andere Handvest-rechten, in dit geval het recht op gezinsleven (artikel 7), het belang van het kind (artikel 24) en het recht op een effectief rechtsmiddel (artikel 47), kan daarop slechts worden ingegaan voor zover dit weerslag heeft op het verbod op onmenselijke behandeling. In dit kader voert de AMBV niet zo ver dat verweerder gehouden was om eisers te horen.
Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eisers eerder al asiel hebben aangevraagd in Duitsland. Verweerder heeft de autoriteiten van Duitsland hiervan kennisgegeven. Zij hebben de ontvangst daarvan bevestigd. Vervolgens heeft verweerder in de bestreden besluiten de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidt met ingang van 12 juni 2026. Volgens verweerder is Duitsland namelijk verantwoordelijk voor het behandelen van de asielaanvragen van eisers op grond van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) 2024/1351 (Asiel- en migratiebeheerverordening, hierna: AMBV). De bestreden besluiten strekken tot overdracht van eisers aan Duitsland.
Eisers voeren aan dat zij onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld om hun bezwaren tegen overdracht aan Duitsland kenbaar te maken. Volgens eisers zijn de belangen van hun minderjarige kinderen daardoor geschonden, alsook het recht op gezinsleven en het recht op een effectief rechtsmiddel. Eisers vinden dat er een gehoor had moeten plaatsvinden. Volgens eisers hebben zij in Duitsland geen zorgvuldige asielprocedure gekregen en konden zij de kosten voor rechtsbijstand niet betalen, terwijl zij in Turkije gevaar lopen omdat eiser actief is geweest voor de oppositiepartij DEM en omdat zij de Koerdische etniciteit hebben. Daarnaast voeren eisers aan dat Duitsland gezinnen gescheiden uitzet en dat dit blijkt uit ervaringen van familieleden en diverse nieuwsberichten. Verder voeren eisers aan dat eiseres hoogzwanger is, en dat dochter [kind 1] lijdt aan diabetes type 1 en paniekaanvallen. Dit hebben zij onderbouwd met medische stukken. Eisers vrezen vanwege deze omstandigheden in Duitsland onmenselijk te worden behandeld. Zij vinden dat verweerder hun asielaanvragen wel in behandeling had moeten nemen, zowel vanwege de tekortkomingen in Duitsland als op grond van de discretionaire bevoegdheid van artikel 35 van de AMBV.
De rechtbank overweegt als volgt.
In artikel 43, eerste lid, van de AMBV is de draagwijdte van het rechtsmiddel van beroep bepaald. Hieruit volgt dat de rechtbank niet kan ingaan op wat is aangevoerd over het niet kunnen uiten van bezwaren door eisers voorafgaand aan het overdrachtsbesluit, en over de discretionaire bevoegdheid van verweerder op grond van artikel 35 van de AMBV.
Wel moet worden ingegaan op de stelling van eisers dat overdracht in strijd is met het verbod op onmenselijke behandeling van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Voor zover eisers een beroep hebben gedaan op andere Handvest-rechten, in dit geval het recht op gezinsleven (artikel 7), het belang van het kind (artikel 24) en het recht op een effectief rechtsmiddel (artikel 47), kan daarop slechts worden ingegaan voor zover dit weerslag heeft op het verbod op onmenselijke behandeling. In dit kader voert de AMBV niet zo ver dat verweerder gehouden was om eisers te horen.
Tijdens de zitting van 20 augustus 2026 is gesproken over de mening van de minderjarige kinderen, in het bijzonder [kind 1]. Namens eisers is meegedeeld dat zij niet de wens hebben dat [kind 1] wordt gehoord vanwege de kans op paniekaanvallen. Ter zitting hebben eisers niet het verzoek gedaan om de gelegenheid te krijgen voor het alsnog inbrengen van een schriftelijke verklaring van de kinderen. Bovendien is ter zitting de mening van [kind 1] door eisers gemachtigde weergegeven, namelijk dat zij bang is voor de politie en bang is om van haar moeder te worden gescheiden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en verweerder op te dragen alsnog om de mening van de kinderen te vragen.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in het arrest van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo geoordeeld dat van een risico op schending van artikel 4 van het Handvest sprake is als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt waartegenover de autoriteiten onverschillig staan. Het ligt op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat een dergelijk risico aanwezig is. Eisers zijn hierin niet geslaagd. De stelling dat familieleden in Duitsland te maken hebben gekregen met gescheiden uitzetting is niet onderbouwd. Uit de door eisers overgelegde nieuwsberichten kan niet worden afgeleid dat gescheiden uitzetting in Duitsland regelmatig voorkomt, en evenmin waarom daartoe in deze specifieke gevallen is overgegaan. Daarnaast blijkt uit wat door eisers is aangevoerd niet dat de Duitse asielprocedure niet voldoet aan de Verordening (EU) 2024/1348 (Procedureverordening). Deze schrijft niet voor dat er in alle gevallen een recht bestaat op kosteloze rechtsbijstand.
Eisers hebben met stukken onderbouwd dat eiseres hoogzwanger is en dat haar dochter lijdt aan diabetes type 1 en paniekaanvallen. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat overdracht aan Duitsland op zichzelf zal leiden tot ernstige en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheid zoals bedoeld in het arrest van het HvJEU van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, in de zaak CK. Daarnaast hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland niet beschikt over de voor hen noodzakelijke medische voorzieningen, dan wel dat Duitsland niet bereid is om deze aan hen te verstrekken.
De conclusie is dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:25183.
03-09-2026, Rb Haarlem, beroep gegrond [statushouder Griekenland; gehoor; artikel 3 EVRM]
Reden signalering:
Het gehoor van eiser is onzorgvuldig geweest, nu het voor eiser onvoldoende kenbaar was dat het gehoor betrekking had op zijn eerdere verblijf in Griekenland. Verweerder heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd dat de terugkeer van eiser naar Griekenland niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Uit het IB 2026/1 noch uit andere informatie blijkt dat er sprake is van een verbetering voor Griekse statushouders bij terugkeer naar Griekenland. Dat eiser zelfredzaam is heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Eiser stelt de Palestijnse nationaliteit te hebben, afkomstig te zijn uit Gaza en te zijn geboren op [datum] 2003. Hij is Gaza in september 2023 ontvlucht vanwege de oorlog. Zijn huis in Gaza is verwoest en veel van zijn familieleden zijn omgekomen. Hij heeft op 30 september 2023 in Griekenland asiel aangevraagd. Die aanvraag is door de Griekse autoriteiten op 9 november 2023 ingewilligd. Aan eiser is een vluchtelingenstatus verleend. Eiser heeft een aantal maanden in Griekenland verbleven, waarna hij is doorgereisd naar verschillende andere Europese landen. Op 20 januari 2026 heeft hij asiel aangevraagd in Nederland.
De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de Griekse autoriteiten aan eiser een vluchtelingenstatus hebben verleend en dat eisers Griekse asielvergunning een geldigheidsduur heeft van 9 november 2023 tot en met 8 november 2026. Het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de stukken in het dossier, zodat daarvan kan worden uitgegaan.
Was het gehoor zorgvuldig?
Eiser voert aan dat het besluit in strijd met het IB 2026/1 tot stand is gekomen, nu er ten onrechte geen ‘gehoor bescherming EU’ is afgenomen maar een nader gehoor. Voor eiser kwam de niet-ontvankelijkverklaring als een verassing, te meer nu er geen voornemen door verweerder is uitgebracht. Eiser heeft onvoldoende naar voren kunnen brengen over de situatie in Griekenland. Dat in het nader gehoor wel vragen zijn gesteld over eisers ervaringen in Griekenland laat onverlet dat hierin niet voldoende is doorgevraagd naar omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling of eiser zelfredzaam was in Griekenland. Er is dan ook sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.
De rechtbank stelt allereerst vast dat in het IB 2026/1 is vermeld dat er, nadat een aanmeldgehoor is afgenomen en is vastgesteld dat de zaak mogelijk als niet-ontvankelijk kan worden afgedaan, een ‘gehoor bescherming EU’ wordt afgenomen. Ook staat in het IB 2026/1 dat het mogelijk is dat het pas op een later moment duidelijk wordt dat de aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het is daarom van belang dat er in het gehoor wordt doorgevraagd op het eerdere verblijf van de vreemdeling in Griekenland.
De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat er sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank stelt vast dat verweerder al met de afwijzing van het claimverzoek door de Duitse autoriteiten op 24 februari 2026, op de hoogte was van de Griekse asielstatus van eiser. Ook heeft eiser dit verklaard in het aanmeldgehoor op 2 maart 2026. Vervolgens heeft verweerder een nader gehoor met eiser gepland en niet een ‘gehoor bescherming EU’. Uit het verslag van het nader gehoor van 6 mei 2026 blijkt dat aan eiser is meegedeeld dat het nader gehoor is aangevangen met het oog op de vaststelling van eisers asielrelaas en zijn redenen voor vertrek uit zijn land van herkomst. De rechtbank stelt vast dat in het nader gehoor vragen zijn gesteld over zijn problemen in Gaza en ook over zijn verblijf in Griekenland. Hoewel verweerder met het plannen van een nader gehoor in plaats van een ‘gehoor bescherming EU’ in strijd met het IB 2026/1 heeft gehandeld, hoeft dit naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer te betekenen dat het gehoor onzorgvuldig is geweest. Van belang is dat het voor eiser voldoende duidelijk was in welk kader hij werd gehoord, zodat hij de mogelijkheid had om alles naar voren te brengen wat relevant kan zijn voor de beoordeling of eiser kan terugkeren naar Griekenland. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het nader gehoor onvoldoende dat verweerder voornemens was om de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren en eiser terug te sturen naar Griekenland. Zo is eiser bijvoorbeeld niet expliciet gevraagd naar omstandigheden die maken dat hij niet teruggestuurd zou kunnen worden naar Griekenland. Verweerders standpunt ter zitting, dat eiser in de correcties en aanvullingen de mogelijkheid heeft gehad om zijn verklaringen aan te vullen, volgt de rechtbank niet. Pas met het nemen van het bestreden besluit was het voor eiser en zijn gemachtigde duidelijk dat de aanvraag niet inhoudelijk werd behandeld, waardoor eiser niet al eerder (zoals in de correcties en aanvullingen op het gehoor) aanvullende informatie heeft kunnen geven over zijn ervaringen in Griekenland. De beroepsgrond slaagt.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer niet terechtkomt in een situatie in strijd met artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest?
Eiser voert aan dat het beleid zoals opgenomen in IB 2026/1 niet deugdelijk is gemotiveerd en dat verweerder hieraan ten onrechte uitvoering heeft gegeven. Het gewijzigde beleid is volgens eiser niet gebaseerd op een verbeterde situatie in Griekenland. De situatie voor Griekse statushouders lijkt juist te zijn verslechterd ten opzichte van de situatie ten tijde van de uitspraken van de Afdeling van juli 2021. Eiser verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 27 november 2025. Eiser voert verder aan dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat hij zelfredzaam was in Griekenland. Verweerder heeft allereerst niet betrokken dat eiser heeft verklaard dat er in Griekenland geen werk is, dat het geld dat hij met zijn online werk verdiende niet genoeg was om zich in Griekenland te redden en dat hij het online werk niet meer kan doen omdat hij niet meer beschikt over zijn telefoon. Daarnaast gaat verweerder er ten onrechte van uit dat eiser in Griekenland zelfstandig huisvesting heeft kunnen vinden. Nu eiser geen inkomsten meer heeft kan hij niet langer in hotels verblijven. Daarbij komt dat uit het rapport van 27 april 2026 over de positie van statushouders in Griekenland blijkt dat het niet makkelijk is om in Griekenland aan een woning te komen. Ook neemt verweerder ten onrechte aan dat eiser een sociaal netwerk heeft in Griekenland. Verder voert eiser, onder verwijzing naar het AIDA rapport van juli 2026 (update 2025), aan dat het voor hem moeilijk zal zijn om zijn asielvergunning in Griekenland te verlengen.
De rechtbank stelt allereerst vast dat in het IB 2026/1 staat dat de aanleiding voor het informatiebericht het tweede verslag feitenonderzoek naar statushouders Griekenland van september 2024 is en dat dit feitenonderzoek was aangevraagd naar aanleiding van voornoemde uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021. Ook wordt gewezen op een mededeling van de Europese Commissie van 4 april 2025 over de status van migratiebeheer op het Griekse vasteland en de positie van statushouders. Deze informatie lag ook aan eerdere informatieberichten ten grondslag. Verder staat in het IB 2026/1 dat een aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd. Verweerder heeft hierbij een aantal criteria opgesomd op basis waarvan de zelfredzaamheid van de vreemdeling wordt aangenomen. Het moet gaan om een niet kwetsbare, volwassen en alleenstaande man, die beschikt over een geldige Griekse verblijfsvergunning. Daarbij is het niet noodzakelijk dat de vreemdeling de documenten ook daadwerkelijk kan overleggen. Als de vreemdeling deze documenten is verloren, kan hij in Griekenland vervangende documenten aanvragen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet in een situatie terechtkomt die in strijd is met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest.
De rechtbank betrekt hierbij allereerst dat uit het IB 2026/1 noch uit het bestreden besluit blijkt dat dat de situatie in Griekenland voor statushouders is verbeterd sinds de situatie ten tijde van voornoemde Afdelingsuitspraken. De rechtbank acht het van belang op die algemene situatie in te gaan, nu dit de aanleiding vormt voor het IB 2026/1 en ook van belang is bij de beoordeling of zelfredzame statushouders kunnen terugkeren naar Griekenland. In het IB 2026/1 wordt weliswaar verwezen naar het tweede feitenonderzoek naar Griekse statushouders van september 2024 en de mededeling van de Europese Commissie van 4 april 2025, maar verweerder heeft desgevraagd niet toegelicht op grond van welke concrete informatie sprake is van een verbetering ten opzichte van de situatie voor Griekse statushouders in 2021. De rechtbank is van oordeel dat uit het tweede verslag feitenrapport van september 2024 blijkt dat er nog steeds grote problemen zijn voor Griekse statushouders en dat mogelijk zelfs sprake is van een verslechtering. Ook uit dit tweede verslag feitenonderzoek blijkt, net als uit het eerste verslag feitenonderzoek en uit de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021, dat het vinden van huisvesting/onderdak voor terugkerende statushouders zeer problematisch is, dat statushouders die niet beschikken over hun ADET, AMKA of AFM geen toegang hebben tot sociale uitkeringen, werk, gezondheidszorg en huisvesting, dat de wachttijden voor het opnieuw aanvragen van die documenten lang (maanden tot meer dan één jaar) zijn en dat veel terugkerende statushouders uiteindelijk in dakloosheid of illegale huisvesting terecht komen. Meer concreet blijkt uit het tweede verslag dat voor het verkrijgen van een sociaal zekerheidsnummer (AMKA) inmiddels (sinds april 2024) een arbeidscontract of werkgeversverklaring is vereist. Dit is een extra complicatie voor het verkrijgen van documenten. Ook meldt het feitenrapport dat het vinden van onderdak via HELIOS binnen twaalf maanden na het verlenen van het eerste verblijfsrecht moet geschieden, vanuit de asiel-opvanglocatie, en dat de meeste terugkerende statushouders niet aan deze toelatingseisen voldoen. Ook als de terugkerende statushouders genoeg financiële middelen hadden om huur te betalen, resulteerden de wachttijden op de juiste verblijfsdocumenten, administratieve procedures en de moeilijkheid om aan werk of een uitkering te komen later alsnog in dakloosheid of in informele huisvesting.
In de mededeling van de Europese Commissie van 4 april 2025 wordt gewezen op het HELIOS+ programma dat begin 2025 van start is gegaan en dat is gericht op integratie van statushouders in Griekenland door middel van hulp bij het verkrijgen van huursubsidie, taaltraining en bij het verkrijgen van werk. Hoewel dit programma een verbetering beoogt te bewerkstelligen voor terugkerende statushouders, blijkt uit het door eiser overgelegde rapport van RSA en Stiftung PRO ASYL van april 2026 dat er nog steeds problemen zijn. Allereerst wordt in het rapport erop gewezen dat de schaal van het programma ver achterblijft bij de werkelijke behoeften. Zo heeft het HELIOS+ programma een doelstelling van 4.323 statushouders per jaar terwijl de Griekse autoriteiten vorig jaar al 134.576 asielaanvragen heeft ingewilligd. Daarnaast blijkt uit dit rapport dat HELIOS+ geen huisvesting biedt maar alleen huursubsidie en dat daaraan strenge voorwaarden zijn verbonden. De huursubsidie is alleen beschikbaar voor werklozen aan wie niet eerder dan 24 maanden voor de inschrijving internationale of tijdelijke bescherming is verleend. Ook wordt in dit rapport aangehaald dat dakloosheid en extreme onzekerheid de bijna onvermijdelijke gevolgen zijn van de uitzetting van statushouders naar Griekenland.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank met het IB 2026/1 niet onderbouwd dat sprake is van een structurele verbetering voor Griekse statushouders ten opzichte van de situatie in 2021. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat uit het tweede verslag feitenonderzoek en de mededeling van de Europese Commissie volgt dat het door verweerder gehanteerde zelfredzaamheidscriterium volstaat om de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk te verklaren. Het is voor de rechtbank onduidelijk waarop de algemene criteria van zelfredzaamheid in IB 2026/1 zijn gebaseerd.
Ook als de rechtbank uitgaat van het zelfredzaamheidscriterium in IB 2026/1 en de uitwerking daarvan in het bestreden besluit, is de rechtbank van oordeel dat eiser ten onrechte als zelfredzaam is aangemerkt. Dit legt de rechtbank hierna uit.
Eén van de criteria is dat de vreemdeling een geldige Griekse verblijfsvergunning moet hebben. Eiser heeft verklaard dat hij niet meer over zijn Griekse verblijfsdocument beschikt, hetgeen in zoverre ook niet door verweerder wordt betwist. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat het niet noodzakelijk is dat eiser ook daadwerkelijk zijn verblijfsdocument bezit, omdat eiser in een dergelijk geval een vervangend document in Griekenland kan aanvragen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierbij echter ten onrechte niet heeft betrokken dat onder meer uit het tweede verslag feitenonderzoek blijkt dat het voor terugkerende statushouders die niet meer in het bezit zijn van hun Griekse verblijfsvergunning (ADET) maanden kan duren voordat deze opnieuw wordt afgegeven. Ook voor de verlenging van de verblijfsvergunning moeten vreemdelingen maanden tot een jaar wachten. Als gevolg hiervan kunnen zij geen belastingnummer (AFM) en geen sociaalzekerheidsnummer (AMKA) bemachtigen, waardoor de vreemdeling geen toegang kan krijgen tot huisvesting, sociale voorzieningen, zorg en de arbeid.
De andere criteria – dat eiser een volwassen, alleenstaande en niet-kwetsbare man is – acht de rechtbank ook onvoldoende voor het standpunt dat eiser zelfredzaam is en bij terugkeer niet in een situatie in strijd met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest zal geraken. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat hij niet zal voldoen aan de voorwaarden van het HELIOS+ programma, nu uit het rapport van RSA en Stiftung PRO ASYL blijkt dat huursubsidie alleen beschikbaar is voor werklozen aan wie niet eerder dan 24 maanden voor de inschrijving internationale of tijdelijke bescherming is verleend. Verweerders standpunt dat eiser in 2023 in Griekenland werk en huisvesting heeft gehad, acht de rechtbank in het licht van voornoemde landeninformatie op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat eiser dit bij terugkeer in Griekenland weer zal kunnen krijgen. Daarbij komt dat eiser heeft verklaard dat hij geen sociaal netwerk heeft in Griekenland bij wie hij terecht kan voor huisvesting. Eiser heeft enkel een neef in Griekenland, die in de gevangenis zit. Ook beschikt hij niet over voldoende geld om in bijvoorbeeld een hotel te verblijven.
Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal zij de overige gronden onbesproken laten.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Nu de asielaanvraag van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, draagt de rechtbank verweerder op om de asielaanvraag van eiser inhoudelijk te beoordelen. De rechtbank wijst erop dat verweerder in dat kader rekening moet houden met de beslissing op de asielaanvraag van eiser in Griekenland en de motivering daarvan, zoals volgt uit het arrest QY (ECLI:EU:C:2024:524). De rechtbank geeft verweerder hiervoor ten hoogste tien weken.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:25628.
26-08-2026, Rb Utrecht, beroep gegrond [niet verschijnen op gehoor; impliciete intrekking]
Reden signalering:
De minister heeft de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld omdat eiser niet op zijn gehoor is verschenen. De minister beschouwt dit als een impliciete intrekking van de asielaanvraag zoals bedoeld in artikel 41, eerste lid, onderdeel d, van de Procedureverordening. In die bepaling staat dat van een impliciete intrekking sprake is als een vreemdeling zonder gegronde reden niet op het persoonlijk onderhoud is verschenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet zorgvuldig onderzocht of eiser gegronde redenen had voor het niet verschijnen bij zijn gehoor. Het standpunt van de minister is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen.
De minister heeft aan de buiten behandeling stelling van de asielaanvraag van eiser het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is niet verschenen op zijn gehoor van 13 juli 2026. Dit gehoor was verplicht. Eiser heeft volgens de minister geen goede reden gegeven voor zijn afwezigheid. De minister heeft navraag gedaan bij het COA. Hieruit volgde dat eiser de nacht vóór het gehoor niet op zijn COA-locatie, maar op een externe locatie heeft verbleven waardoor hij ’s ochtends het vervoer naar het gehoor heeft gemist. De minister heeft daarom besloten om de asielaanvraag van eiser niet inhoudelijk te beoordelen. De minister heeft overwogen dat zijn besluit van rechtswege tot gevolg heeft dat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en Nederland onmiddellijk moet verlaten. De minister heeft eiser opgedragen om op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vw, zich te begeven naar het grondgebied van Griekenland.
Op de zitting heeft de minister bevestigd dat hij het niet verschijnen van eiser bij het gehoor als een impliciete intrekking van de asielaanvraag beschouwt zoals bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de Procedureverordening. Volgens de minister is namelijk onderdeel d van het eerste lid van toepassing, waaruit volgt dat een asielverzoek als impliciet ingetrokken wordt verklaard indien de verzoeker zonder gegronde reden een persoonlijk onderhoud niet heeft bijgewoond, hoewel hij of zij daartoe verplicht was ingevolge artikel 13.
De beroepsgronden
Eiser voert aan dat de minister geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de vraag of eiser gegronde redenen had voor het niet verschijnen bij het gehoor. Eiser betoogt dat de minister in strijd heeft gehandeld met de Procedureverordening, omdat artikel 41, vierde lid, uitdrukkelijk de bevoegdheid geeft aan de minister om een hersteltermijn te bieden voor het rechtvaardigen of rechtzetten van het niet verschijnen bij het gehoor. De minister heeft hier, zonder deugdelijke motivering, geen gebruik van gemaakt.
Eiser heeft verder verklaard dat hij de nacht voorafgaand aan het gehoor wel degelijk op de COA-locatie heeft verbleven. Eiser zou om 6.30 uur worden opgehaald door een taxi, maar hij meldde zich om 6.40 uur bij de beveiligers. Eiser was dus 10 minuten te laat. De beveiligers hebben eiser toen teruggestuurd naar zijn kamer. Eiser kon op dat moment geen hulp vragen van de woonbegeleiders van het COA, aangezien het COA-loket op de locatie pas om 9.00 uur open ging. Eiser is teruggegaan naar zijn kamer en heeft zich vervolgens om 10.45 uur bij het COA gemeld.
Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat eiser op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vw, zich onmiddellijk dient te begeven naar het grondgebied van Griekenland. Immers, uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat ten aanzien van Griekenland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan waardoor eiser niet kan worden teruggestuurd naar Griekenland.
Het juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Vw volgt dat de minister een asielaanvraag buiten behandeling kan stellen als deze aanvraag impliciet is ingetrokken overeenkomstig artikel 41 van de Procedureverordening.
Uit artikel 41, eerste lid, onder d, van de Procedureverordening, volgt onder meer dat een asielaanvraag als impliciet ingetrokken wordt beschouwd indien de vreemdeling zonder gegronde reden een persoonlijk onderhoud niet heeft bijgewoond, hoewel hij of zij daartoe verplicht was ingevolge artikel 13. In het vierde lid van artikel 41 van de Procedureverordening staat: “De bevoegde autoriteit kan de procedure schorsen om de verzoeker de mogelijkheid te bieden nalatigheden of handelingen als vermeld in lid 1 te rechtvaardigen of recht te zetten voordat een beslissing wordt genomen om het verzoek als impliciet ingetrokken te verklaren”.
Het bovenstaande is nader uitgewerkt in het beleid van de minister, paragraaf C4/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Hierin staat, voor zover relevant:
“De IND kan de vreemdeling gelet op artikel 41, vierde lid van de Procedureverordening een hersteltermijn van maximaal drie dagen aanbieden om gegronde redenen aan te voeren voor de nalatigheden of handelingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 41 Procedureverordening en / of om alsnog te voldoen aan het hetgeen in dit artikel is opgenomen. Bij de grensprocedure, bewaringszaken en VRIS-zaken kan er maximaal een termijn van één dag gegeven worden.
Het bieden van een hersteltermijn blijft achterwege indien:
- de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken;
- het niet mogelijk is om contact met de vreemdeling op te nemen; en
- de vreemdeling (nog) geen advocaat heeft of een advocaat heeft die desgevraagd aangeeft geen contact meer te hebben met de vreemdeling.”
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank constateert dat niet in geschil is dat eiser per brief van 26 juni 2026 was uitgenodigd voor het gehoor op 13 juli 2026 en dat eiser op de hoogte was van deze uitnodiging. Evenmin is in geschil dat eiser niet is verschenen bij dat gehoor.
De rechtbank constateert dat de minister zijn standpunt, dat eiser geen gegronde redenen had om niet bij het gehoor te verschijnen, heeft gebaseerd op het telefonisch contact dat tussen de minister en het COA zou hebben plaatsgevonden op de ochtend van het gehoor. De minister heeft in het rapport van het niet verschijnen bij het gehoor genoteerd dat het COA telefonisch aan de minister heeft medegedeeld dat eiser de nacht voorafgaand aan het gehoor op een externe locatie zou hebben verbleven. Eiser zou te laat terug zijn geweest voor de taxi naar het gehoor. De minister heeft de asielaanvraag van eiser diezelfde dag nog buiten behandeling gesteld. Op de zitting voegde de minister hieraan toe dat hij van het COA heeft begrepen dat eiser zich op de dag van het gehoor om 10.45 had gemeld bij het COA.
De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de minister dat eiser zonder gegronde redenen het persoonlijk onderhoud niet heeft bijgewoond onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank acht het onzorgvuldig dat de minister zijn besluit enkel heeft gebaseerd op het gestelde telefonische contact met COA en geen deugdelijke poging heeft ondernomen om eiser in de gelegenheid te stellen zelf te verklaren over zijn redenen van het niet verschijnen. Weliswaar heeft de minister ter zitting verklaard dat op de ochtend van het gehoor contact is opgenomen met de gemachtigde van eiser, maar de gemachtigde van eiser heeft daarop naar voren gebracht dat hij op dat moment niet wist waar eiser was en wat er aan de hand was. Dit vindt de rechtbank niet vreemd, gelet op het korte tijdsbestek tussen het missen van de taxi en het melden bij COA om 10.45 uur. Er is ook niet gebleken dat de minister de gemachtigde nog enige tijd heeft gegund om alsnog met eiser in contact te komen en duidelijkheid te krijgen over de gang van zaken volgens eiser. Bovendien heeft de minister zijn stelling, dat eiser niet zou hebben overnacht op de COA-locatie, op geen enkele manier onderbouwd terwijl eiser zijn weergave van de feiten wel heeft onderbouwd. Eiser heeft namelijk een schriftelijke verklaring van een medebewoner overgelegd waarin staat dat eiser de nacht voorafgaand aan het gehoor op de COA-locatie verbleef. Overigens heeft de minister ook het gestelde telefonische contact met het COA niet onderbouwd.
Gelet op het voorgaande, heeft de minister zich niet op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een impliciete intrekking in de zin van artikel 41, eerste lid, onder d, van de Procedureverordening en heeft de minister de asielaanvraag ten onrechte op grond van artikel 30c, eerste lid, van de Vw buiten behandeling gesteld.
De verwijzing van de minister naar zijn beleid ter invulling van artikel 41, vierde lid, van de Procedureverordening leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit artikel 41, eerste lid, onder d, van de Procedureverordening volgt dat van een impliciete intrekking slechts sprake is als een vreemdeling zonder gegronde redenen niet op het persoonlijk onderhoud is verschenen. Het is dan aan de minister om, gelet op artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zorgvuldig onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden alvorens te concluderen of al dan niet sprake is van gegronde redenen. Pas als op basis van zorgvuldig onderzoek de minister tot de conclusie komt dat een situatie als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder d, van de Procedureverordening zich voordoet, komt de vraag aan de orde of de minister gebruikt maakt van de discretionaire bevoegdheid opgenomen in artikel 41, vierde lid, van de Procedureverordening. Nu de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de minister zijn standpunt dat sprake is van een impliciete intrekking in de zin van artikel 41, eerste lid, onder d, van de Procedureverordening niet heeft gebaseerd op zorgvuldig onderzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de minister gebruik had moeten maken van de in het vierde lid opgenomen discretionaire bevoegdheid.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. In het beleid ter invulling van artikel 41, vierde lid, van de Procedureverordening worden (cumulatieve) omstandigheden genoemd wanneer het bieden van de hersteltermijn achterwege blijft. Van die omstandigheden is in deze zaak geen sprake. Anders dan de minister op de zitting stelde, volgt uit de tekst van de Vc niet dat de minister zich ook onder andere dan daar genoemde omstandigheden bevoegd acht om een hersteltermijn achterwege te laten.
Het beroep is gegrond. Aan de beroepsgrond gericht tegen het standpunt van de minister dat eiser moet terugkeren naar Griekenland wordt niet toegekomen.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:25059.
02-09-2026, Rb Roermond, beroep gegrond [persoonlijk onderhoud; Asielprocedure verordening; intrekking asielaanvraag]
Reden signalering:
Eiser dient vanuit bewaring een asielaanvraag in en trekt zijn aanvraag in voordat hij is gehoord over zijn asielmotieven. Verweerder beoordeelt de asielaanvraag desondanks inhoudelijk en wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet bevoegd is om een inhoudelijke afwijzende beslissing op de asielaanvraag te nemen zonder eiser te horen over zijn asielmotieven. Verweerder stelt over voldoende informatie te hebben beschikt. Dat is hiervoor echter niet bepalend. Doorslaggevend voor de beoordeling van het geschil is de omstandigheid dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken voordat verweerder heeft vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor bescherming en dat deze vaststelling alleen zou hebben kunnen plaatsvinden nadat er een persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden.
Eiser voert aan dat zijn asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij niet is gehoord voordat inhoudelijk op zijn asielaanvraag is beslist. Eiser heeft in een gesprek met DT&V aangegeven dat hij zijn asielaanvraag wilde intrekken. DT&V is echter geen beslisautoriteit en niet bevoegd om vast te stellen dat eiser zijn asielaanvraag intrekt. Daarnaast heeft eiser recht op een persoonlijk onderhoud over de inhoud van zijn verzoek voordat over de gegrondheid hiervan wordt beslist. Verweerder heeft ten onrechte een strafrechtelijk verhoor en het vertrekgesprek gebruikt als bewijsmiddel. Dit zijn geen persoonlijke onderhouden die worden afgenomen door de beslisautoriteit. Eiser is daarbij van mening dat de volledige ex nunc-toets van de rechter niet in de plaats kan komen van het ontbrekende persoonlijk onderhoud omdat het onderzoek ter zitting niet de waarborgen uit de Procedureverordening biedt. Omdat er geen persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden, kan ook de geloofwaardigheidsbeoordeling geen stand houden. De beoordeling is tegenstrijdig en onvoldoende dragend. Verder voert eiser aan dat sprake is van schending van de hoorplicht en het verdedigingsbeginsel bij het opleggen van het terugkeerbesluit en inreisverbod. Eiser voert ook aan dat geen van de vijf gronden voor kennelijk ongegrondheid van toepassing is. Volgens eiser heeft verweerder de belangen in het kader van artikel 8 van het EVRM onvoldoende gemotiveerd, heeft verweerder geen medisch advies gevraagd en de reisvaardigheid van eiser zelfstandig beoordeeld en heeft verweerder niet beoordeeld of eiser behoefte heeft aan bijzondere procedurele waarborgen.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij op grond van Verordening 2024/1348 bevoegd is tot het afwijzen van de asielaanvraag van eiser zonder eiser te horen over zijn asielmotieven.
De rechtbank overweegt allereerst dat eiser zijn asielaanvraag op 6 juli 2026 rechtsgeldig heeft ingetrokken. Dat eiser zijn voornemen om zijn asielaanvraag in te trekken kenbaar heeft gemaakt aan DT&V en DT&V eiser in de gelegenheid heeft gesteld om de M35 in te vullen en te ondertekenen is voor deze vaststelling niet relevant. DT&V is geen beslissingsautoriteit en dus niet bevoegd om de gegrondheid van een asielaanvraag te beoordelen maar DT&V heeft een dergelijke beslissing ook niet genomen. In het Unierecht is niet bepaald welke autoriteiten een verzoeker in de gelegenheid kunnen stellen om een ingediend verzoek expliciet in te trekken. Wel is geregeld op welke wijze verzoeken kunnen worden ingetrokken en wanneer een verzoek als impliciet ingetrokken mag worden beschouwd. Eiser is meerderjarig en kan zelfstandig en zonder tussenkomst en advies van zijn gemachtigde zijn asielaanvraag intrekken en heeft dat dus ook gedaan. Dat eiser tegelijkertijd stelt dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst vanwege het refoulementrisico laat onverlet dat hij zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. Eiser hoeft geen asielaanvraag in te dienen om beschermd te worden tegen refoulement. Deze beoordeling zal indien geen asielaanvraag is ingediend of indien een dergelijke aanvraag is ingetrokken dan plaatsvinden in de terugkeerprocedure.
Eiser heeft zijn asielaanvraag ingetrokken voordat hij door verweerder is gehoord over zijn asielmotieven. Verweerder heeft evenwel een inhoudelijke beslissing genomen over de gegrondheid van het -ingetrokken- asielverzoek. Partijen zijn met name verdeeld of Verordening 2024/1348 hiervoor de bevoegdheid aan verweerder verleent. De rechtbank stelt vast dat dit niet het geval is. Uit artikel 34, lid 1, van Verordening 2024/1348, dat ziet op de behandeling van verzoeken om internationale bescherming, volgt dat de behandeling van en de beslissing over verzoeken om internationale bescherming plaatsvinden overeenkomstig de in hoofdstuk II beschreven fundamentele beginselen en waarborgen.
In artikel 12 van Verordening 2024/1348 is onder meer het navolgende bepaald:
(…)
Inhoudelijk onderhoud
- Voordat de beslissingsautoriteit een beslissing over de gegrondheid van een verzoek om internationale bescherming neemt, wordt de verzoeker in de gelegenheid gesteld een persoonlijk onderhoud te hebben over de inhoud van zijn of haar verzoek (het “inhoudelijk onderhoud”). (…)
(…).
Verweerder heeft eiser niet gehoord, maar stelt onder verwijzing naar artikel 40, lid 4, van Verordening 2024/1348 en artikel 30b, lid 2, aanhef en onder a Vw te mogen beslissen over de gegrondheid van de asielaanvraag.
In artikel 40, lid 4, van Verordening 2024/1348 is het navolgende bepaald:
(…)
- Indien de beslissingsautoriteit in de fase waarin het verzoek expliciet wordt ingetrokken door de verzoeker reeds heeft vastgesteld dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van Verordening 2024/1347, kan zij nog steeds een beslissing nemen tot afwijzing van het verzoek als zijnde ongegrond of kennelijk ongegrond.
(…).
De rechtbank overweegt dat uit deze bepaling niet volgt dat verweerder zonder eiser te horen kan vaststellen dat eiser niet in aanmerking komt voor bescherming. Artikel 12, lid 1, van Verordening 2024/1348 staat hieraan ook in de weg. Indien verweerder, die de beslissingsautoriteit in de nationale procedure is, eiser wel zou hebben gehoord over zijn asielmotieven en dan -kenbaar- zou hebben vastgesteld dat aan eiser geen bescherming hoeft te worden verleend, en eiser daarna zijn asielaanvraag expliciet intrekt, kan verweerder een inhoudelijke beslissing nemen op de asielaanvraag. Verweerder brengt geen voornemens meer uit. Een voornemen waarin zou zijn gemotiveerd waarom geen bescherming hoeft te worden verleend zou wel de bevoegdheid verlenen om de asielaanvraag als (kennelijk) ongegrond af te wijzen als de vreemdeling zijn asielaanvraag intrekt na het voornemen en voordat het besluit is genomen. In de onderhavige procedure stelt verweerder pas in het besluit vast dat eiser niet in aanmerking komt voor bescherming en dat is nadat eiser zijn aanvraag heeft ingetrokken zodat artikel 40, vierde lid, van Verordening 2024/1348 geen bevoegdheid verleent aan verweerder om de asielaanvraag af te wijzen kennelijk ongegrond.
Verweerder heeft erkend dat zijn besluit is genomen na de intrekking, maar stelt dat het niet altijd noodzakelijk is om eerst te horen. Verweerder heeft om deze stelling te onderbouwen naar jurisprudentie van de Afdeling en een rechtbank verwezen. Deze jurisprudentie ziet echter niet op Verordening 2024/1348 en is daarom niet relevant voor deze procedure. De Uniewetgever heeft in artikel 13, lid 11, van Verordening 2024/1347 de situaties opgesomd waarin kan worden afgezien van een persoonlijk onderhoud. Ook hieruit kan worden afgeleid dat verweerder niet zelfstandig kan bepalen dat in de onderhavige procedure ondanks het ontbreken van een persoonlijk onderhoud een inhoudelijke (afwijzende) beslissing kan worden genomen op de asielaanvraag. De rechtbank heeft verweerder ter zitting gevraagd waarom verweerder zoveel belang hecht aan de mogelijkheid om een inhoudelijke beslissing te kunnen nemen. Verweerder heeft daarop te kennen gegeven een belang te hebben bij een inhoudelijke afdoening van de procedure in verband met de afdoeningsmogelijkheden indien een opvolgend verzoek om bescherming zou worden ingediend. De rechtbank stelt vast dat dit ‘belang’ in Verordening 2024/1348 niet is aangemerkt als een rechtvaardiging om af te wijken van het uitgangspunt dat een verzoeker in de gelegenheid wordt gesteld om de elementen aan te voeren ter staving van zijn of haar verzoek overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1347. Weliswaar heeft eiser zijn verzoek ingetrokken en dus geen gebruik gemaakt van een mogelijkheid om een persoonlijk onderhoud te hebben. Dit betekent niet dat de procedure door verweerder dan kan worden afgerond door het nemen van een (afwijzende) beslissing over de gegrondheid van het verzoek.
Verweerder heeft in het verweerschrift voorts het navolgende opgemerkt:
(…)
Verweerder wijst er op dat noch uit het vierde lid van artikel 40 van de Procedureverordening, noch uit de Vreemdelingenwet, de Memorie van Toelichting of de Vreemdelingencirculaire volgt dat alleen na een persoonlijk onderhoud een expliciet ingetrokken asielaanvraag als (kennelijk) ongegrond kan worden afgewezen. In de Vreemdelingencirculaire staat bovendien dat de IND bij de beoordeling of er voldoende informatie voorhanden is om inhoudelijk te beslissen onder meer het persoonlijk onderhoud kan betrekken (Paragraaf C4/4.2 Vc, als gepubliceerd in de WBV 2026/8). Daarnaast kan overgelegde documentatie en ambtshalve bekende informatie worden betrokken. Dat heeft verweerder in onderhavig geval ook gedaan.
(…)
De rechtbank overweegt dat artikel 40, lid 4, van Verordening 2024/1348 geen betrekking heeft op het persoonlijk onderhoud en de specifieke vereisten die daaraan worden gesteld. Omdat in artikel 12, lid 1, van Verordening 2024/1348 uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud is bepaald dat voordat de beslissingsautoriteit een beslissing over de gegrondheid van een verzoek om internationale bescherming neemt, een persoonlijk onderhoud moet plaatsvinden en in artikel 13, lid 11, van Verordening 2024/1347 de uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn neergelegd, komt aan de opmerking van verweerder dat in andere bepalingen in Verordening 2024/1348 of in de Vw, MvT of Vc dit niet is herhaald geen betekenis toe. In deze procedure is overigens niet de vraag welke informatie verweerder mag betrekken bij de beoordeling van de asielaanvraag van eiser. Doorslaggevend voor de beoordeling van het geschil is de omstandigheid dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken voordat verweerder heeft vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor bescherming en dat deze vaststelling alleen zou hebben kunnen plaatsvinden nadat er een persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden.
Dat verweerder is aangewezen als de beslissingsautoriteit en een persoonlijk onderhoud zoals bedoeld in artikel 12 van Verordening 2024/1348 dus alleen kan plaatsvinden als verweerder de derdelander hoort, is in deze procedure dan ook niet bepalend. De informatie die door anderen is vergaard en op grond waarvan verweerder heeft beslist dat eiser geen bescherming behoeft heeft immers niet tot een ‘vaststelling’ zoals bedoeld in artikel 40, lid 4, van Verordening 2024/1347 geleid. Verweerder is na de intrekking van de asielaanvraag dus niet bevoegd geweest om een inhoudelijke afwijzende beslissing te nemen ook al heeft verweerder, zoals hij zelf stelt, over voldoende informatie beschikt om die beslissing te kunnen nemen.
Verweerder heeft voorts aangegeven dat ook indien hij niet bevoegd zou zijn geweest om op de asielaanvraag te beslissen, hij een terugkeerbesluit had moeten vaststellen. In dat geval zou verweerder, zo stelt verweerder onder verwijzing naar het arrest Ararat, ook een refoulementbeoordeling hebben gemaakt op grond van de beschikbare informatie. De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van de beschikbare informatie had kunnen vaststellen dat na de intrekking van de asielaanvraag sprake is van illegaal verblijf en dat Tunesië als land van terugkeer kan worden aangemerkt. Verweerder had eiser evenwel dan uitdrukkelijk moeten horen over de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen. De rechtbank begrijpt dat verweerder naar mogelijkheden zoekt om zijn capaciteit efficiënt in te zetten en dat verweerder die inspanningen ook verricht in procedures zoals de onderhavige waarin asielaanvragen worden ingediend om de terugkeer te frustreren. Ook in deze gevallen kan verweerder zijn Unierechtelijke verplichtingen om zorgvuldig te handelen echter niet omzeilen en zal hij de procedurele voorschriften en vereisten in acht moeten nemen. Verweerder had dus in de gegeven omstandigheden alleen op grond van artikel 40, lid 3, van Verordening 2024/1348 een beslissing kunnen nemen waarin wordt verklaard dat het verzoek expliciet is ingetrokken.
De rechtbank zal het besluit dan ook vernietigen omdat de beroepsgrond die hierop ziet slaagt. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de andere geschilpunten en komt niet toe aan de rechtmatigheidsbeoordeling van het terugkeerbesluit. De rechtbank zal niet zelf voorzien in de zaak omdat het allereerst aan verweerder is om te beslissen of hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid om een beslissing zoals bedoeld in artikel 40, lid 3, van Verordening 2024/1348 te nemen, dan wel een zelfstandig terugkeerbesluit wil vaststellen. De rechtbank zal daarvoor een termijn van vier weken bepalen. De rechtbank zal niet voldoen aan het verzoek van eiser om verweerder op te dragen om alsnog een persoonlijk onderhoud met eiser te laten plaatsvinden. Eiser heeft zijn asielaanvraag immers ingetrokken zodat verweerder niet bevoegd maar ook niet langer verplicht is om te beoordelen of aan eiser een asielvergunning moet worden verleend. Het beroep is gegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:25243.
28-08-2026, Rb Zwolle, beroep gegrond [terugkeerbesluit; non-refoulementbeoordeling]
Reden signalering:
Op 25 juni 2026 heeft het EU Hof van Justitie in het arrest Hardeker geoordeeld dat meerdere landen in een terugkeerbesluit kunnen worden vermeld, mits de verwijdering van de vreemdeling in het licht van het non-refoulementbeginsel mogelijk is naar ten minste een van de in dat besluit genoemde landen. De rechtbank leidt hieruit af dat de minister in het bestreden besluit een non-refoulementbeoordeling had moeten maken ten aanzien van ten minste één van de genoemde landen, Nigeria of Jamaica. Nu een non-refoulementbeoordeling in het bestreden besluit geheel ontbreekt, is het terugkeerbesluit in strijd met het Unierecht.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarvoor is, anders dan eiser stelt, niet vereist dat al zijn verklaringen inhoudelijk zijn beoordeeld als kennelijk ongeloofwaardig. De kennelijk inconsequente en onwaarschijnlijke verklaringen met betrekking tot zijn nationaliteit en herkomst zijn al voldoende om dit oordeel te dragen.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte een terugkeerbesluit en inreisverbod heeft opgelegd. De minister stelt enerzijds dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over zijn nationaliteit en herkomst, maar noemt anderzijds zowel Nigeria als Jamaica als land van terugkeer. Volgens eiser verdraagt zich dat lastig met de vereiste zorgvuldigheid voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Bovendien is niet kenbaar onderzocht of zijn uitzetting verenigbaar is met artikel 3 EVRM.
Uit het bestreden besluit volgt dat aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd. Hierbij is eiser opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en terug te keren naar Nigeria of Jamaica. Ook is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
De minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat in de asielprocedure voldoende is beoordeeld of sprake is van een risico op non-refoulement. De minister heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1970) en naar een uitspraak met de bevestiging van deze lijn van 25 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5668).
In de uitspraak van 8 mei 2024 heeft de Afdeling overwogen dat het risico op nonrefoulement slechts realistisch kan worden onderzocht tegen de achtergrond van een aannemelijke nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. Volgens de Afdeling is een verdere effectieve beoordeling van dat risico op non-refoulement op het moment van het nemen van een terugkeerbesluit niet mogelijk en kan deze beoordeling daarom achterwege blijven zolang niet meer bekend is over de nationaliteit en herkomst van de vreemdeling. De Afdeling heeft hierin verder overwogen dat een inhoudelijke en volledige beoordeling van het risico op non-refoulement op een later moment alsnog zou kunnen en soms zou moeten plaatsvinden, bijvoorbeeld door het indienen van een opvolgende asielaanvraag of herzieningsverzoek of door het maken van bezwaar tegen de feitelijke uitzetting.
De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) in het arrest Ararat (ECLI:EU:C:2024:892) op 17 oktober 2024 heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn een algemene regel vormt die de lidstaten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en die de bevoegde nationale autoriteiten verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Op 25 juni 2026 heeft het Hof in het arrest Hardeker onder meer geoordeeld dat meerdere landen in een terugkeerbesluit kunnen worden vermeld, mits de verwijdering van de vreemdeling in het licht van het non-refoulementbeginsel mogelijk is naar ten minste een van de in dat besluit genoemde landen.
De rechtbank leidt hieruit af dat de minister in het bestreden besluit een non-refoulementbeoordeling had moeten maken ten aanzien van ten minste één van de genoemde landen, Nigeria of Jamaica. Nu een non-refoulementbeoordeling in het bestreden besluit geheel ontbreekt, is het terugkeerbesluit in strijd met het Unierecht. De rechtbank zal daarom het terugkeerbesluit vernietigen. Omdat daarmee de grondslag van het inreisverbod vervalt, zal de rechtbank ook het inreisverbod vernietigen.
Conclusie en gevolgen
De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft echter ten onrechte aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod is opgelegd. De afwijzing van de asielaanvraag blijft wel in stand.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:25103.
03-09-2026, Rb Zwolle, Pakistan, beroep gegrond [Ahmadi’s; vluchtelingenstatus]
Reden signalering:
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem van bijzonder persoonlijk belang is om zijn geloof te belijden op een manier die hem zou blootstellen aan vervolging. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat eiser internationale bescherming geniet op grond van de vluchtelingenstatus. De rechtbank draagt de minister daarom op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij al van kinds af aan deel uitmaakt van de Ahmadiyya-geloofsgemeenschap. Als kind kon eiser in Pakistan deelnemen aan verscheidene religieuze activiteiten. Naarmate hij ouder werd, groeide zijn interesse in de religie, maar namen de beperkingen toe. Eiser ervaarde in Pakistan geen geloofsvrijheid meer en is meermaals bedreigd en gediscrimineerd vanwege zijn geloof. De laatste keer werd eiser bedreigd door een imam. Deze bedreiging was voor eiser aanleiding om te vluchten. Bij terugkeer vreest eiser om gedood te worden of de gevangenis in te moeten vanwege het belijden van zijn geloof.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Ook is geloofwaardig dat eiser tot de Ahmadiyya-geloofsgemeenschap behoort. De minister vindt echter het incident met de imam niet geloofwaardig, omdat eisers verklaringen op dit punt geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hoewel Ahmadi’s in Pakistan zijn aangemerkt als risicoprofiel, voldoet eiser volgens de minister niet aan het individualiseringsvereiste. Hij heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem van bijzonder belang is om zijn geloof te belijden op een manier die hem zou blootstellen aan vervolging. Volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging.
De rechtbank overweegt als volgt.
Uit eisers verklaringen blijkt duidelijk dat zijn religieuze vrijheid in Pakistan beperkt was. Dat erkent de minister ook als zodanig. Uit de omstandigheid dat eiser in Pakistan enige geloofsactiviteiten – zoals het binnenshuis bidden of het bezoeken van geheime bijeenkomsten – heeft kunnen verrichten, heeft de minister niet zonder meer kunnen concluderen dat hij deze activiteiten bij terugkeer naar Pakistan weer zonder problemen zal kunnen verrichten. Daarbij is van belang dat uit eisers verklaringen kan worden afgeleid dat hij zich in Pakistan al terughoudend opstelde, omdat hij de laatste tien tot vijftien jaar al steeds minder openlijk zijn geloof beleed. Daar komt bij dat eisers verklaringen over zijn geloofsactiviteiten in Nederland en het belang dat hij daaraan hecht naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke indicatie zijn dat voor eiser van belang is zijn geloof op een meer openlijke manier te uiten dan hij in Pakistan deed. Eiser heeft immers ook verklaard dat hij zou terugkeren als de wetgeving in Pakistan het toelaat om zijn religie te mogen belijden, maar dat dat in de huidige situatie voor hem onmogelijk is.
De minister heeft bij zijn beoordeling ook onvoldoende kenbaar betrokken dat uit de landeninformatie, zoals het Algemeen ambtsbericht Pakistan van 23 juli 2024 en het Country of Origin Report – Pakistan: Country Focus van 20 mei 2026 van het EUAA, volgt dat de situatie van Ahmadi’s in Pakistan sinds eisers vertrek in oktober 2022 verder is verslechterd, dat het geweld tegen deze minderheidsgroep is toegenomen en dat de mogelijkheden om hun geloof te uiten verder beperkt zijn, ook binnenshuis.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem van bijzonder persoonlijk belang is om zijn geloof te belijden op een manier die hem zou blootstellen aan vervolging. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.
Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de bestuursrechter een geschil zoveel mogelijk definitief beslechten. In lijn met de eerder genoemde arresten Quotal en Ebilum heeft de rechtbank de bevoegdheid om een bindende uitspraak te doen over onder andere de gegrondheid van een verzoek om internationale bescherming. In artikel 8:72, derde lid, van de Awb is aan de bestuursrechter de bevoegdheid verleend om, in voorkomend geval, zelf in de zaak te voorzien door zijn uitspraak in de plaats te laten treden van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. Uit de rechtspraak van de Afdeling kan worden afgeleid dat de bestuursrechter de overtuiging moeten hebben dat de uitkomst van het geschil, in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn dan die waarin hij zelf voorziet en de toets aan het recht kan doorstaan.
De rechtbank stelt vast dat geloofwaardig is dat eiser Ahmadi is en dat Ahmadi’s in Pakistan een risicoprofiel vormen. Dat betekent dat een individuele beoordeling moet worden gemaakt van de manier waarop eiser zijn geloof wil belijden en of dit een risico op vervolging oplevert. Uit de arresten Quotal en Ebilum volgt, zoals eerder overwogen, dat de vrees voor vervolging als bewezen moet worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aannemelijk gemaakt dat het voor hem van bijzonder persoonlijk belang is om zijn geloof te belijden op een manier die hem zou blootstellen aan vervolging. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij zich in Pakistan eerder al terughoudend opstelde, terwijl hij voor de verslechterde situatie zijn geloof in Pakistan meer openlijk uitte. Ook de wijze waarop hij in Nederland zijn geloof uit, is een indicatie dat het voor eiser van belang is om zijn geloof op een meer openlijke wijze te uiten dan hij in Pakistan kon doen. Verder is van belang dat van eiser niet verwacht mag worden dat hij zich terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloof om vervolging te voorkomen. Deze omstandigheden, mede bezien in het licht van de landeninformatie waaruit een beeld volgt dat de situatie voor Ahmadi’s is verslechterd, juist ook ná het vertrek van eiser, en de mogelijkheden om zijn geloof binnenshuis en met geheime bijeenkomsten te belijden (verder) zijn beperkt, leiden de rechtbank tot het oordeel dat een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door eiser aangevoerde risico voor vervolging zich zal voordoen. Dat betekent, gelet op het toetsingskader zoals geschetst in rechtsoverweging 5.2, dat eiser moet worden gekwalificeerd als vluchteling op grond van de Kwalificatieverordening en dat hij daarmee in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus.
Conclusie en gevolgen
De minister heeft de asielaanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De minister heeft immers onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging op grond van zijn geloofsovertuiging heeft. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. Naar het oordeel van de rechtbank is immers voldaan aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming. Uit de Kwalificatieverordening volgt dan dat een status moet worden verleend.
De minister wordt verder opgedragen om binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig zijn vluchtelingenstatus te verstrekken, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:25845.
01-09-2026, Rb Zwolle, beroep gegrond [registratie Italie; leeftijdsonderzoek]
Reden signalering:
Het standpunt van de minister dat eisers verklaringen over de familieomstandigheden, het vertrek uit Eritrea en de reis richting Noord-Afrika twijfels oproepen over zijn gestelde leeftijd, volgt de rechtbank niet. Het ontzenuwen van de minderjarigheidspresumptie kan namelijk niet worden gebaseerd op eisers verklaringen die volgens de minister twijfels oproepen, maar moet worden gestoeld op een toelichting van de minister waarop de Italiaanse autoriteiten de leeftijdsregistratie hebben gebaseerd en welk gewicht door hem aan deze registratie wordt toegekend en waarom. Gelet op wat hiervoor is overwogen, concludeert de rechtbank dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gestelde leeftijd van eiser en onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet minderjarig was ten tijde van de aanvraag. Het ligt daarom op de weg van de minister om een herbeoordeling te maken en de gestelde leeftijd van eiser nader te onderzoeken.
Eiser stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op 12 september 2008. Eiser stelt dan ook minderjarig te zijn geweest ten tijde van zijn asielaanvraag.
De minister vindt de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar de identiteit, specifiek de leeftijd van eiser, vindt hij niet geloofwaardig. De AVIM en de minister hebben afzonderlijk van elkaar een leeftijdsschouw uitgevoerd. De medewerkers van de AVIM hebben unaniem geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. De gehoormedewerker heeft echter geconcludeerd dat eiser evident minderjarig is. Hierdoor is de eindconclusie dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. De minister heeft daarom nader onderzoek gedaan bij de Italiaanse autoriteiten. Daaruit bleek dat eiser in Italië staat geregistreerd met de geboortedatum 1 januari 2004. De minister is in deze procedure van die geboortedatum uitgegaan.
Eiser betoogt dat de minister van een onjuiste geboortedatum is uitgegaan en hem ten onrechte als meerderjarig heeft aangemerkt ten tijde van zijn asielaanvraag. Hij is namelijk geboren op 12 september 2008 en was ten tijde van zijn asielaanvraag dus minderjarig. Eiser vindt dat de minister de door de AVIM uitgevoerde leeftijdsschouw niet aan de besluitvorming ten grondslag had mogen leggen. De leeftijdsschouw is namelijk uitsluitend gebaseerd op uiterlijke waarnemingen en subjectieve indrukken van de AVIM.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3801) geoordeeld dat als één van de leeftijdsschouwen niet inzichtelijk en concludent is, de leeftijdsschouw in die zaak geen bruikbaar middel is om uitspraken te doen over de vraag of al dan niet getwijfeld moet worden aan de verklaring van een vreemdeling dat hij minderjarig is. De minister moet in dat geval uitgaan van het vermoeden van minderjarigheid en het is aan de minister om dat te ontzenuwen. Ook volgt uit deze uitspraak dat de minister inzichtelijk moet maken welk gewicht hij aan de leeftijdsregistratie in de andere lidstaat heeft toegekend en waarom hij daar gewicht aan toekent. Verder moet de minister toelichten waarop de autoriteiten van de andere lidstaat de leeftijdsregistratie hebben gebaseerd. Als aan de leeftijdsregistratie in een andere lidstaat slechts een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.
De minister heeft in het verweerschrift erkend dat de door de AVIM uitgevoerde leeftijdsschouw niet bij de leeftijdsbepaling van eiser betrokken had mogen worden. Dat neemt echter niet weg dat de minister met het oog op de zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van eiser. Zoals hiervoor is overwogen, moet de minister daarbij uitgaan van de minderjarigheid van eiser en is het aan de minister om het vermoeden van de minderjarigheid te ontzenuwen. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister daar in dit geval niet in geslaagd. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
In de kern komt de motivering van de minister erop neer dat wordt uitgegaan van 1 januari 2004 als de geboortedatum van eiser, omdat hij met die geboortedatum in Italië is geregistreerd, er in Italië geen identificerende documenten zijn en er geen medisch leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken dat de minister heeft uitgezocht op basis waarvan de registratie in Italië heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld op basis van zijn eigen verklaring of de verklaring van medereizigers) en onder welke omstandigheden die registratie heeft plaatsgevonden (in welke medische toestand was eiser ten tijde van de registratie). Dat eiser niet zelf de registratie in Italië heeft gewijzigd doet daar niet aan af omdat het aan de minister is om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen.
Ten aanzien van het standpunt van de minister dat eiser wisselend heeft verklaard over de wijze waarop de registratie in Italië zou zijn verlopen, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat eiser zowel tijdens het aanmeldgehoor als het nader gehoor heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hij in Italië een geboortedatum heeft doorgegeven en dat hij denkt dat iemand anders een datum heeft doorgegeven of dat iemand simpelweg wat heeft opgeschreven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee niet wisselend verklaard over de registratie in Italië, maar heeft hij suggesties gedaan voor wat er zou kunnen zijn gebeurd tijdens de leeftijdsregistratie in Italië, omdat hij niet wist hoe zijn geboortedatum in Italië is geregistreerd en door de minister daarop wel werd doorgevraagd. Tijdens de zitting heeft eiser aanvullend verklaard dat hij na het afnemen van vingerafdrukken zo ziek werd dat hij door de autoriteiten uit de lange wachtrij voor de registratie werd gehaald en naar het ziekenhuis werd gebracht waardoor hij geen geboortedatum heeft opgeven.
De minister stelt dat eiser geen plausibele verklaring heeft gegeven voor de leeftijdsregistratie in Italië. De minister vindt daarvoor bevestiging in de door de Italiaanse autoriteiten opgestelde SOP’s, waaruit blijkt dat de voorgeschreven werkwijze is dat iemand bij de registratie in persoon wordt geïnterviewd. Uit deze SOP leidt de rechtbank af dat de procedure bij binnenkomst is opgedeeld in twee afzonderlijke gedeelten, allereerst de afname van vingerafdrukken voor elke vreemdeling die binnenkomt en vervolgens de screeningsinterviews voor vreemdelingen die internationale bescherming willen aanvragen. De conclusie van de minister dat eiser ten tijde van het afnemen van zijn vingerafdrukken ook zijn geboortedatum moet hebben genoemd en daarom geen plausibele verklaring heeft voor de registratie kan dan ook niet zonder meer worden gevolgd.
Het standpunt van de minister dat eisers verklaringen over de familieomstandigheden, het vertrek uit Eritrea en de reis richting Noord-Afrika twijfels oproepen over zijn gestelde leeftijd, volgt de rechtbank niet. Het ontzenuwen van de minderjarigheidspresumptie kan namelijk niet worden gebaseerd op eisers verklaringen die volgens de minister twijfels oproepen, maar moet worden gestoeld op een toelichting van de minister waarop de Italiaanse autoriteiten de leeftijdsregistratie hebben gebaseerd en welk gewicht door hem aan deze registratie wordt toegekend en waarom.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, concludeert de rechtbank dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gestelde leeftijd van eiser en onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet minderjarig was ten tijde van de aanvraag. Het ligt daarom op de weg van de minister om een herbeoordeling te maken en de gestelde leeftijd van eiser nader te onderzoeken. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De overige beroepsgronden hoeven daarom niet te worden beoordeeld.
- NB: deze uitspraak, zaaknummer: NL25.54734, is nog niet op www.rechtspraak.nl gepubliceerd.