Jurisprudentie
Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:
05-02-2026, Rb Rotterdam, Iran, beroep gegrond [afvalligheid; actuele situatie]
Reden signalering:
Mondelinge einduitspraak na een eerder tussenuitspraak. De rechtbank is van oordeel dat de tussenuitspraak bood verweerder geen ruimte bood om over de wijze van uiting van de afvalligheid in Iran en de verwachtingen daaromtrent een nader standpunt in te nemen.
Verweerder dient, in het kader van de samenwerkingsplicht, te onderzoeken hoe de Iraanse autoriteiten op dit moment aankijken tegen en omgaan met Iraniërs die terugkeren na een langer verblijf in het Westen. Dergelijk onderzoek heeft verweerder niet verricht.
De eerste reden voor vernietiging van de besluiten is dat verweerder met het aanvullend besluit een onjuiste en onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak. Wat verweerder in het aanvullend besluit heeft gemotiveerd is dat het voor eiser, ter behoud van zijn religieuze identiteit, niet noodzakelijk is dat hij zich Iran openlijk uit over zijn afvalligheid, dat daarom wordt verwacht dat hij dit, zowel op het vliegveld als daarbuiten, niet zal doen, dat de Iraanse autoriteiten daarom niet op de hoogte zullen raken van zijn afvalligheid en dat eiser daarom geen problemen te duchten heeft van die autoriteiten. De tussenuitspraak bood verweerder echter geen ruimte om over de wijze van uiting van de afvalligheid in Iran en de verwachtingen daaromtrent een nader standpunt in te nemen. Dat is binnen het bestek van deze procedure een gepasseerd station.
De tweede reden voor vernietiging van de besluiten is gelegen in de actuele situatie in Iran. Het ligt op de weg van verweerder, in het kader van de samenwerkingsplicht, om te onderzoeken hoe de Iraanse autoriteiten op dit moment aankijken tegen en omgaan met Iraniërs die terugkeren na een langer verblijf in het Westen en om de twijfel weg te nemen dat deze groep bij terugkeer naar Iran te maken zal krijgen met vervolging of ernstige schade enkel als gevolg van hun verblijf in het Westen. Dergelijk onderzoek heeft verweerder niet verricht. Verweerder heeft ook niet om aanhouding verzocht om dergelijk onderzoek te kunnen verrichten. Gelet hierop heeft verweerder binnen het bestek van deze procedure niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Iran geen risico loopt op asielwaardige problemen met de Iraanse autoriteiten vanwege zijn lange verblijf in Nederland.
Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op de asielaanvraag. Daarin dient verweerder op basis van de huidige stand van zaken een geloofwaardigheidsbeoordeling te maken ten aanzien van de bekering van eiser en een risico-inschatting te maken ten aanzien van de geloofwaardige afvalligheid en de terugkeer vanuit het Westen, tegen de achtergrond van de actuele situatie en gebeurtenissen in Iran. Beroep gegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:2065
28-01-2026, Rb Groningen, Syrië, beroep ongegrond [regimewijziging; geen nader gehoor; dienstplicht]
Reden signalering:
Nader horen in verband met de regimewijziging was in dit geval niet nodig. De minister heeft kunnen volstaan met het bieden van een mogelijkheid om een zienswijze over het voornemen in te dienen. Met betrekking tot de dienstplicht is de rechtbank van oordeel dat de minister in het bestreden besluit voldoende uiteen heeft gezet waarom eiser niet valt aan te merken als gewetensbezwaarde en dat ook het anderszins gestelde niet leidt tot inwilliging van de aanvraag. De rechtbank ziet in het gevoerde betoog van eiser over 15c geen aanleiding anders te oordelen dan is gedaan in de uitspraak van deze zittingsplaats van 9 december 2025.
Eiser heeft de Syrische nationaliteit en behoort tot de Arabieren. In Syrië heeft hij geen problemen ondervonden, maar bij terugkeer vreest hij voor gewapende groeperingen en de militaire dienstplicht.
De minister stelt zich op het standpunt dat het feit dat eiser uit Syrië komt op zichzelf niet genoeg is om als vluchteling te worden aangemerkt. De vrees van eiser voor de dienstplicht voldoet niet aan het in paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) neergelegde beleid, zodat er ook op dat punt geen sprake is van vluchtelingschap. Ook zijn de identiteit, nationaliteit en herkomst niet genoeg om een risico op ernstige schade bij terugkeer aan te nemen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij heeft te vrezen voor gewapende groeperingen. De algemene situatie in Syrië is zodanig dat er een relatief laag niveau van willekeurig geweld is. Niet is gebleken dat er individuele omstandigheden zijn waardoor eiser een verhoogd risico loopt bij terugkeer. Eiser heeft waarschijnlijk identiteitsdocumenten weggemaakt of vernietigd en kennelijk inconsequent en vals verklaard. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.
Horen
Met betrekking tot de stelling van eiser dat uit de Procedurerichtlijn volgt dat hij nader gehoord had moeten worden nu het regime in Syrië is gewijzigd overweegt de rechtbank als volgt.
Op grond van artikel 16 van de Procedurerichtlijn, geïmplementeerd in artikel 3.113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, wordt eiser in de gelegenheid gesteld om zo volledig mogelijk de tot de staving van zijn aanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren. Dit houdt onder meer in dat hij in de gelegenheid wordt gesteld om tijdens het nader gehoor uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. Dit is blijkens het verslag van het nader gehoor op 8 april 2024 ook gebeurd.
Op 15 juli 2025 is een voornemen genomen aan de hand van deze verklaringen. Op dat moment was het regime al gewijzigd. Dat het regime is gewijzigd maakt niet dat de verklaringen van eiser daarmee veranderen. In beginsel kan de minister uit gaan van het gegeven relaas. In het geval er door de regimewijziging onderwerpen onderbelicht zijn gebleven in het gehoor had het op de weg van eiser gelegen om dit in de zienswijze aan te geven. De minister heeft kunnen volstaan met het bieden van een mogelijkheid om een zienswijze over het voornemen in te dienen. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Militaire dienstplicht
De rechtbank overweegt ten aanzien van de stelling van eiser dat de minister zijn vrees voor rekrutering bagatelliseert als volgt.
In het bestreden besluit is getoetst aan het in paragraaf C2/3.2.7 van de Vc neergelegde beleid.
Eiser heeft tijdens het nader gehoor van 8 april 2024 naar voren gebracht dat hij niet in een leger wil dienen waar president Assad de leider van is. Hij heeft verder verklaard wel bereid te zijn om militaire dienst te ondergaan, alleen niet onder Assad.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het onzeker is of eiser als Arabier daadwerkelijk de dienstplicht zal moeten vervullen, aangezien de rekruteringscampagne onder Arabieren minder strikt wordt toegepast. Zelfs in het geval eiser wel de dienstplicht zou moeten vervullen, is het volgens de minister onbekend of hij überhaupt gevechtshandelingen zou moeten verrichten. De minister acht het op dit moment niet aannemelijk dat eiser als dienstplichtige handelingen zal moeten verrichten die oorlogsmisdrijven (of andere misdrijven die onder artikel 1F vallen) vormen. Evenmin is het aannemelijk geacht dat eiser disproportioneel of discriminatoir bestraft zal worden op grond van dienstweigering of desertie. Ten derde wordt eiser niet aangemerkt als gewetensbezwaarde. Daarbij is er op gewezen dat eiser heeft verklaard dat hij zichzelf niet ziet werken voor het leger, omdat Assad de leider van het leger was.
De rechtbank overweegt dat gelet op voornoemde ontwikkelingen speelt het aangevoerde asielmotief betreffende het moeten vervullen van dienstplicht onder Assad niet meer. Eiser heeft in de zienswijze van 12 augustus 2025 kunnen reageren op de ontwikkelingen. Daarbij noemt eiser de twaalf maanden dienstplicht in het DAANES-gebied te vrezen. Dit staat dan weer haaks op wat hij op 8 april 2024 heeft verklaard, namelijk dat hij wel bereid is om militaire dienst te ondergaan, alleen niet onder Assad. De minister heeft in het bestreden besluit uiteengezet waarom eiser niet valt aan te merken als gewetensbezwaarde en het gestelde ook anderszins niet leidt tot inwilliging van de aanvraag. De rechtbank ziet in de thans door eiser gegeven onderbouwing, gelet ook op landeninformatie uit onder meer de ambtsberichten van december 2024 en mei 2025, onvoldoende grond om het besluit op dit punt te vernietigen.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn
Met betrekking tot het beroep op artikel 15c van Richtlijn 2011/95/EU overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466. Eiser heeft gewezen op andere uitspraken.
In de Country Guidance van de EUAA van 2 december 2025 is op blz. 84 onder meer het volgende vermeld:
“Given the impact of the March 2025 agreement on the security situation reflected in the low number of civilian fatalities in comparison with the number prior to the said agreement, the pattern of violence that appears to be mostly targeted, the decline of the number of security incidents after a peak in January and February 2025, and the number of returnees, it can be concluded that indiscriminate violence takes place in the governorate of Raqqa, however not at a high level.”
De rechtbank ziet in het gevoerde betoog, waaronder de door eiser ingebrachte landeninformatie en gestelde individuele en persoonlijke omstandigheden, geen aanleiding anders te oordelen over 15c dan is gedaan in de uitspraak van deze zittingsplaats van 9 december 2025 en het bestreden besluit te vernietigen. In het ter zitting gedane beroep op artikel 3 EVRM ziet de rechtbank, gelet op de daarbij gegeven onderbouwing, evenmin aanleiding het besluit te vernietigen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:1362
05-02-2026, Rb Middelburg, Syrië, beroep ongegrond [seksuele gerichtheid; positie afvalligen en verwesterde vrouwen onder nieuwe regime]
Reden signalering:
Verweerder heeft bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid het referentiekader van eiseres in voldoende mate in kaart gebracht. Hoewel eiseres nog jeugdig is, was zij ten tijde van het aanvullend gehoor over haar gestelde biseksualiteit al negentien jaar oud en daarmee volwassen. Ook heeft verweerder mogen betrekken dat eiseres hoogopgeleid is en dat zij volgens haar verklaringen heeft deelgenomen aan diverse LHBTI-discussiegroepen, zodat van haar mag worden verwacht dat zij met enig detailniveau over haar geaardheid kan verklaren. De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres niet nogmaals aanvullend had moeten worden gehoord over haar gestelde verwestering. Hierbij speelt mee dat niet valt in te zien waarom eiseres hierover in het aanvullende gehoor niet zou hebben kunnen verklaren. Verder is in beroep niet concreet toegelicht waaruit haar gestelde verwestering precies bestaat, hoe die tot uiting komt en hoe dat zou maken dat zij in het huidige Syrië te maken zou krijgen met vervolging.
In 2020 is eiseres naar Nederland gekomen op basis van een machtiging tot voorlopig verblijf voor het verblijfsdoel ‘studie’. Na het volgen van een tweejarige opleiding heeft eiseres op 25 mei 2022 asiel aangevraagd. Op 21 en 23 augustus 2023 is eiseres door verweerder gehoord over haar asielmotieven. Eiseres heeft verklaard dat zij in Syrië gevaar loopt vanwege de algemene veiligheidssituatie, de politieke activiteiten van haar vader en haar afvalligheid van de islam.
Op 10 oktober 2023 heeft verweerder het voornemen geuit om de asielaanvraag van eiseres af te wijzen. In haar zienswijze op dit voornemen heeft eiseres een nieuw asielmotief naar voren gebracht, namelijk dat zij in Syrië ook gevaar loopt omdat zij biseksueel is. Hierover is eiseres op 15 december 2023 door verweerder aanvullend gehoord. Verweerder heeft vervolgens een aanvullend voornemen uitgebracht, waarop eiseres heeft gereageerd met een aanvullende zienswijze. Verweerder heeft de door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiseres afvallig is van de islam. Dat haar vader politieke activiteiten heeft ontplooid en dat eiseres daardoor problemen heeft ondervonden, heeft verweerder echter ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft ook ongeloofwaardig geacht dat eiseres biseksueel is. Er is volgens verweerder geen aanleiding om aan eiseres een asielvergunning te verlenen omdat zij eerder uit eigen beweging is teruggekeerd naar Syrië, en omdat afvalligen van de islam in Syrië niet worden vervolgd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 14 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3175 en ECLI:NL:RVS:2024:3291) geoordeeld dat verweerders beleid over Syrische terugkeerders zoals dat toen gold niet onrechtmatig was. Verweerder heeft er echter in het verweerschrift terecht op gewezen dat dit beleid inmiddels niet meer geldt. Anders dan eiseres stelt, heeft zij daarom geen belang meer bij bespreking van de beroepsgrond hierover. De stelling van eiseres dat er ten tijde van het bestreden besluit meer aandacht had moeten zijn voor de korte duur van haar terugkeer en haar minderjarigheid, is geen aanleiding voor een ander oordeel.
Zoals ter zitting nogmaals is bevestigd, volgt uit de gronden van beroep dat eiseres geen vervolging vreest vanwege haar gestelde journalistieke werkzaamheden. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om hier verder op in te gaan.
Verweerder heeft bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid het referentiekader van eiseres in voldoende mate in kaart gebracht. Hoewel eiseres nog jeugdig is, was zij ten tijde van het aanvullend gehoor over haar gestelde biseksualiteit al negentien jaar oud en daarmee volwassen. Ook heeft verweerder mogen betrekken dat eiseres hoogopgeleid is en dat zij volgens haar verklaringen heeft deelgenomen aan diverse LHBTI-discussiegroepen, zodat van haar mag worden verwacht dat zij met enig detailniveau over haar geaardheid kan verklaren.
In artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn staat dat van een asielzoeker mag worden verlangd alle elementen die relevant zijn voor de asielaanvraag zo spoedig mogelijk naar voren te brengen. Verweerder mocht dan ook aan eiseres tegenwerpen dat zij dat op dit punt niet heeft gedaan. Maar zoals ook voortvloeit uit de Werkinstructie 2019/17 heeft verweerder desondanks een integrale beoordeling gemaakt van de daarin genoemde thema’s.
Daarbij heeft verweerder niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat zij summier heeft verklaard over het besef van haar geaardheid, over wat dit met haar deed en over haar relatie met een meisje in Syrië. Zo heeft verweerder kunnen overwegen dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt wat zij ermee bedoelt dat zij geen ontkenningsfase, maar wel een twijfelfase heeft gehad. Ook heeft verweerder kunnen overwegen dat de verklaring van eiseres dat het slecht voelde dat haar vader boos werd na een algemene vraag over homoseksualiteit, weinig inzicht geeft. Verder heeft verweerder kunnen overwegen dat de verklaringen van eiseres dat haar vriendin in Syrië ook van boeken hield, een charismatische persoonlijkheid had, hard werkte en aantrekkelijk en lief was, weinig inzicht geven in de aard van de gestelde relatie. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat zij summier heeft verklaard over de LHBTI-gemeenschappen in Syrië en Nederland. Anders dan eiseres stelt, zijn de omstandigheden dat zij in [stad] woonde en weinig geld had, daarvoor geen verontschuldiging. Conform de Werkinstructie 2019/17 heeft de LHBTI-coördinator van verweerder met de besluitvorming meegekeken. Ten slotte biedt het rapport van het aanvullende gehoor van 15 december 2023 geen ondersteuning voor de stelling van eiseres ter zitting dat zij te weinig ruimte heeft gekregen om over haar seksuele geaardheid te verklaren.
Er zijn geen beroepsgronden gericht tegen het ongeloofwaardig achten van de gestelde politieke activiteiten van de vader en de daardoor ondervonden problemen. De vervolgvraag die voorligt, is of eiseres vanwege haar afvalligheid van de islam gevaar loopt in het huidige Syrië. Verweerder heeft gemotiveerd overwogen dat er geen aanleiding bestaat om dit aan te nemen en daarbij verwezen naar recente landeninformatie, met name het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Syrië van mei 2025. Eiseres heeft hier geen andere landeninformatie tegenover gesteld. Daarnaast heeft zij haar stelling dat het nieuwe regime in de toekomst mogelijk strenger gaat optreden, niet concreet onderbouwd. De enkele omstandigheid dat het nieuwe regime een (fundamentalistische) islamitische achtergrond heeft, is hiervoor onvoldoende.
In aanvulling hierop merkt de rechtbank nog het volgende op.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 11 juni 2024 in de zaak KL (ECLI:EU:C:2024:487) geoordeeld dat vrouwen onder omstandigheden kunnen worden aangemerkt als een sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In reactie daarop heeft verweerder via het WBV 2024/23 zijn beleid aangepast. Anders dan eiseres stelt, vloeit hieruit niet voort dat zij nogmaals aanvullend had moeten worden gehoord over haar gestelde verwestering. Hierbij speelt mee dat niet valt in te zien waarom eiseres hierover in het aanvullende gehoor van 16 juli 2025 niet zou hebben kunnen verklaren. Verder heeft eiseres in beroep niet concreet toegelicht waaruit haar gestelde verwestering precies bestaat, hoe die tot uiting komt en hoe dat zou maken dat zij in het huidige Syrië te maken zou krijgen met vervolging.
De conclusie is dat verweerder de asielaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:1994
03-02-2026, Rb Utrecht, Syrië, beroep ongegrond [artikel 15c Kwalificatierichtlijn; actuele informatie]
Reden signalering:
De minister stelt terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vroegere problemen met de Al Massalma clan opnieuw een probleem zullen zijn bij terugkeer. De minister heeft de problemen die eiser voor het eerst in de correcties en aanvullingen naar voren brengt terecht niet gevolgd. Ten aanzien van de veiligheidssituatie in Syrië stelt de rechtbank vast dat eiser geen bronnen heeft overgelegd die een ander beeld geven dan het AAB Syrië of de cijfers van Syria Weekly. Ook heeft eiser geen individuele omstandigheden naar voren gebracht die maken dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van algemeen geweld.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij problemen heeft gehad met de Al Massalma clan . Leden van de clan hebben eiser in 2020 mishandeld en bedreigd. Sindsdien heeft eiser na bemiddeling persoonlijk geen problemen meer gehad met de clan . Wel zijn er problemen tussen de clan van eiser en de Al Massalma clan in het algemeen. Eiser verwacht bij terugkeer dat hij weer problemen krijgt met de Al Massalma clan . Ook is de algemene situatie in [plaats] slecht, waardoor eiser niet kan terugkeren naar Syrië.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vroegere problemen met de Al Massalma clan opnieuw een probleem zullen zijn bij terugkeer. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hoewel uit het rapport van professor [naam] blijkt van generatie-overschrijdend clangeweld, eiser met de verwijzing naar dit algemene bericht niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te maken zal krijgen met dit geweld. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de problemen die eiser met de Al Massalma clan heeft gehad van lang geleden zijn. Eiser heeft na de twee incidenten nog drie jaar in Syrië verbleven zonder problemen te ondervinden. Daar komt bij dat er altijd te bemiddelen viel bij de problemen. De rechtbank volgt de minister daarom in het standpunt dat niet valt in te zien dat er niet opnieuw kan worden bemiddeld mocht eiser opnieuw problemen krijgen. Verder heeft eiser verklaard dat hij veilig kon verblijven op het platteland van [plaats] . Ook daaruit volgt niet dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor problemen met de Al Massalma clan.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser terecht tegenwerpt dat eiser tijdens de asielgehoren niets heeft verklaard over de problemen die hij stelt te hebben gehad met zijn vader, zijn eigen clan en de Bani Khaled clan. Uit het nader gehoor volgt dat de gehoorambtenaar meermaals heeft gevraagd naar de problemen met de andere clans dan de Al Massalma clan, eisers persoonlijke problemen die hij had met de clans, en de problemen die hij met zijn vader had. Eiser is dus uitgebreid in de gelegenheid gesteld om hierover te verklaren. Eiser heeft telkens geantwoord dat hij geen problemen heeft gehad. Dat eiser voor het eerst in de correcties en aanvullingen naar voren brengt dat hij ook persoonlijke problemen heeft gehad met zijn eigen clan, zijn vader en zijn familie, en de Bani Khaled clan heeft de minister daarom terecht niet gevolgd. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser dat hij niet (eerder) kon of hoefde te verklaren over de andere gestelde problemen omdat de asielaanvragen tijdens het Assad-regime snel werden behandeld. Uit het gehoor volgt duidelijk dat eiser in de gelegenheid is gesteld om over verschillende onderwerpen te verklaren. Niet valt in te zien dat eiser tijdens het nader gehoor hierover niets heeft verklaard, maar een dag later in de correcties en aanvullingen deze problemen wel naar voren brengt. De stelling van eiser dat hij aangeeft wel en geen problemen te hebben en dat dit verband houdt met zijn onvermogen om het gevaar daadwerkelijk in te schatten en zijn psychische aandoeningen, heeft eiser niet onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De minister heeft zich in het bestreden besluit en in de verweerschriften op het standpunt gesteld dat voor heel Syrië geldt dat sprake is van een relatief lage mate van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Verder stelt de minister dat humanitaire omstandigheden die geen verband houden met willekeurig geweld in het kader van een lopend gewapend conflict wel een rol kunnen spelen in de meer algemene beoordeling van artikel 3 van het EVRM. Dat valt echter buiten de scope van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en wordt in het algemeen meer restrictief uitgelegd. De minister stelt dat het feit dat het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 ziet op een relatief korte verslagperiode en dat het onzeker is hoe de situatie in Syrië zich gaat ontwikkelen onvoldoende is voor de conclusie dat de minister de veiligheidssituatie te licht heeft ingeschat.11 Ten aanzien van de provincie [plaats] stelt de minister dat terecht de laagste gradatie van algemeen geweld is aangenomen. Hoewel de situatie fragiel is, is er geen sprake van een toename in het aantal geweldsincidenten. Ter onderbouwing heeft de minister een bijlage met recente cijfers van Syria Weekly overgelegd met daarin een weergave van de geweldsincidenten in [plaats] en de verwijdering van ontplofbare oorlogsresten.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen bronnen of cijfers heeft overgelegd die een ander beeld geven dan het Algemeen Ambtsbericht Syrië (mei 2025) of de in beroep door de minister overgelegde recente cijfers van Syria Weekly. Ook heeft eiser geen individuele omstandigheden naar voren gebracht die maken dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het algemene geweld en dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De enkele stelling van eiser dat de algemene situatie in [plaats] slecht is, zonder dit nader te onderbouwen, is daartoe onvoldoende. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij niet op een veilige manier naar [plaats] zou kunnen reizen. De rechtbank ziet daarom in wat eiser heeft aangevoerd geen reden voor het oordeel dat het besluit van de minister wat betreft artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn niet klopt.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:1931
06-02-2026, Rb Groningen, Egypte, beroep gegrond [Koptische christen; islamitische terroristische groep]
Reden signalering:
Eiseres heeft op verschillende momenten tijdens het nader gehoor verklaard dat leden van een islamitische terroristengroep haar hebben ontvoerd, verkracht, bekeerd en haar man telefonisch hebben bedreigd. Anders dan de minister is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat het daarbij volgens eiseres gaat om een islamitische terroristische groep niet los kan worden gezien van de gebeurtenissen. Deze omstandigheid raakt de kern van het relaas van eiseres en kan daarvan niet worden losgetrokken. Dat betekent dan ook dat de minister dit asielmotief niet juist en volledig heeft vastgesteld. En daarmee is dit asielmotief dus ook ten onrechte niet in zijn geheel beoordeeld.
Eiseres is een Egyptisch koptisch orthodoxe vrouw. Zij verklaart dat zij in Egypte is ontvoerd en verkracht door twee mannen van een islamitische terroristengroep. Het doel van deze mannen was om eiseres te bekeren tot de Islam. Eiseres is tijdens de ontvoering mondeling bekeerd en vervolgens gedwongen hier documenten voor te ondertekenen. Nadat zij is vrijgelaten begonnen de dreigtelefoontjes naar haar man omdat eiseres openlijk moest uitkomen als moslima. Naar aanleiding van deze telefoontjes heeft eiseres ondergedoken gezeten en is zij uiteindelijk gevlucht uit Egypte. Bij terugkeer vreest eiseres voor haar eigen veiligheid en die van haar twee minderjarige dochters. Via de correcties en aanvullingen heeft eiseres aanvullend aangegeven dat zij vreest dat haar dochters bij terugkeer naar Egypte besneden zullen worden.
De minister stelt zich op het standpunt dat de nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De ontvoering, verkrachting, veronderstelde bekering en telefonische bedreiging zijn volgens de minister ook geloofwaardig. Dat de dochters van eiseres niet zijn besneden wordt door de minister tot slot ook geloofwaardig geacht. De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Niet is gebleken van een gegronde vrees voor vervolging of dat eiseres bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiseres kan de hulp inroepen van de autoriteiten, omdat niet aannemelijk is dat de feiten zijn gepleegd door leden van een terroristische organisatie die invloedrijk is. Daarnaast heeft zij de vrees voor besnijdenis van haar dochters niet aannemelijk gemaakt.
De asielmotieven
Eiseres heeft in haar verklaringen steeds benadrukt dat de feiten zijn gepleegd door leden van een islamitische terroristengroep.
In de samenvatting die de hoormedewerker aan het eind van het nader gehoor heeft gemaakt is onder meer te lezen: “U heeft verklaard dat u in Egypte ontvoerd en verkracht bent door twee mannen van een islamitische terroristengroep”.
Uit het voorgaande blijkt dat eiseres op verschillende momenten tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat leden van een islamitische terroristengroep haar hebben ontvoerd, verkracht, bekeerd en haar man telefonisch hebben bedreigd. Anders dan de minister is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat het daarbij volgens eiseres gaat om een islamitische terroristische groep niet los kan worden gezien van de gebeurtenissen. Deze omstandigheid raakt de kern van het relaas van eiseres en kan daarvan niet worden losgetrokken. Dat betekent dan ook dat de minister dit asielmotief niet juist en volledig heeft vastgesteld. En daarmee is dit asielmotief dus ook ten onrechte niet in zijn geheel beoordeeld.
Heeft eiseres te vrezen voor vervolging dan wel loopt zij een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Egypte?
Heeft de minister het ontbreken van het verband tussen de gebeurtenissen en het zijn van Koptisch-christen begrijpelijk gemotiveerd? De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ontvoering, verkrachting, veronderstelde bekering en telefonische bedreiging verband houden met het feit dat zij een Koptisch-christen is.
Tijdens het nader gehoor heeft eiseres over de telefoontjes aan haar man verklaard dat hij kreeg te horen “dat ze weten dat ik nog leef en dat ze weten dat ik mij heb bekeerd tot de islam. Als ik anders ga doen, val ik onder de afvalligen. En als afvallige verdien ik de doodstraf”.7 Eiseres heeft verklaard dat makkelijk te herkennen was dat zij geen moslima is, maar christelijk toen zij in de taxi stapte, omdat zij geen hoofddoek droeg, een shirt met korte mouwen en een ketting met een kruis.8 Later heeft eiseres daaraan toegevoegd dat zij op haar pols het koptische kruis heeft getatoeëerd en christenen die al vroeg in hun leven krijgen.9 Eiseres heeft verklaard dat de betrokkenen christelijke vrouwen ontvoeren en hen bekeren tot de islam.10 In de correcties en aanvullingen is er naar diverse nieuwsberichten verwezen om de verklaring van eiseres te onderbouwen “dat er in Egypte sprake is van een gestructureerde praktijk van moslimfundamentalisten om Koptische christelijke vrouwen gedwongen te laten bekeren naar de islam”.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zonder nadere motivering, die niet is gegeven, de minister onbegrijpelijk heeft gemotiveerd dat er geen verband is tussen de geloofwaardig geachte gebeurtenissen en het zijn van (Koptisch) christen.
Vrees voor besnijdenis van de minderjarige dochters
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar dochters bij terugkeer naar Egypte een reëel risico lopen op ernstige schade door gedwongen besnijdenis. Eiseres heeft aangegeven tegenstander te zijn van een besnijdenis. De minister heeft eiseres terecht tegengeworpen dat haar verklaring dat haar echtgenoot vóór besnijdenis zou zijn, in strijd is met haar eerdere verklaringen. Uit de algemene landeninformatie volgt dat de beslissing om wel of niet tot besnijdenis over te gaan bij de ouders ligt. De minister heeft eiseres tegen kunnen werpen dat zij tot op heden hebben weten te voorkomen dat hun dochters worden besneden. De rechtbank ziet in de niet nader onderbouwde stelling van eiseres dat zij vanwege haar gezondheid minder goed in staat is zich tegen besnijdenis te verzetten geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.
Documenten
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de door haar overgelegde medische stukken uit Egypte en Nederland en de vertaalde verklaring van haar advocaat in Egypte niet kenbaar in de beoordeling zijn betrokken. In het voornemen is benoemd dat eiseres deze documenten heeft. Bij de beoordeling van de motieven heeft de minister zich bij ieder afzonderlijk motief op het standpunt gesteld dat eiseres geen documenten heeft overgelegd om het motief te staven. Volgens de minister is er niet specifiek op de door eiseres overgelegde documenten ingegaan, maar zijn deze wel betrokken bij de beoordeling van de asielmotieven bij het besluit. De rechtbank is van oordeel dat onduidelijk is of en hoe de documenten in de beoordeling zijn betrokken. De enkele stelling op zitting dat ze zijn betrokken is onvoldoende. Daarmee zijn de documenten door de minister niet kenbaar in de beoordeling betrokken, zodat het besluit op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
De minister heeft de relevante elementen niet volledig vastgesteld en in zijn geheel beoordeeld door de daders los te trekken van de gebeurtenissen. Verder is onbegrijpelijk gemotiveerd dat er geen verband is tussen de geloofwaardig geachte gebeurtenissen en het zijn van (Koptisch) christen. Tot slot zijn de medische documenten en de vertaalde verklaring van de advocaat niet kenbaar in de beoordeling betrokken. Het beroep is daarom gegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:1998
06-02-2026, Rb Groningen, Venezuela, beroep gegrond [politieke overtuiging; noodtoestand]
Reden signalering:
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres bij terugkeer naar Venezuela geen reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank acht de motivering van de minister onvoldoende concreet en volledig om op basis daarvan te concluderen dat er voor eiseres gelet op haar politieke overtuiging geen risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM. Bovendien blijkt uit de overgelegde informatie ook dat als gevolg van de afgekondigde noodtoestand meer politie, leger en collectivos op straat aanwezig zijn en dat er checkpoints zijn ingesteld waar mensen worden gefouilleerd en wordt gecontroleerd of zij online berichten hebben geplaatst over de militaire actie van de Verenigde Staten.
Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij in Venezuela aan één mars en twee demonstraties heeft deelgenomen en als gevolg daarvan problemen heeft ondervonden met [naam 2] , een vrouw die werkzaam was voor de wijkraad en wist dat eisers en haar moeder hadden deelgenomen aan de demonstraties. [naam 2] heeft meermaals aangegeven aan de politie door te zullen geven dat ze eiseres en haar moeder bij de demonstraties heeft gezien. Eiseres vreest bij terugkeer alsnog te zullen worden opgepakt en in de gevangenis te belanden wegens deelname aan de demonstraties.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eisers over de problemen met [naam 2] geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft hierbij terecht overwogen dat eiseres slechts summier heeft verklaard over de rol die [naam 2] vervult en de werkzaamheden die zij vanuit die rol uitvoert. Ook heeft eiseres summier verklaard over de mogelijke problemen die zij als gevolg van de werkzaamheden van [naam 2] zou ervaren. De minister heeft in dit kader ook kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiseres en haar moeder problemen met de autoriteiten hebben ondervonden na hun deelname aan de mars en de demonstraties. De enkele verwijzing naar de algemene landeninformatie over spionnen is onvoldoende om anders te oordelen. De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres een politieke overtuiging heeft. In dat kader heeft de minister dan ook niet betrokken dat de politieke overtuiging van eiseres onvoldoende fundamenteel of diepgeworteld zou zijn. De minister heeft in het kader van de zwaarwegendheid wel betrokken dat de politieke overtuiging van eiseres niet zo sterk is. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er in het geval van eiseres niet is gebleken dat zij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Ook in dit kader heeft de minister terecht betrokken dat niet is gebleken dat eiseres problemen heeft ondervonden met de autoriteiten vanwege haar deelname aan de mars en demonstraties. Dit wordt ondersteund door het feit dat zij legaal heeft kunnen uitreizen. Verder heeft de minister terecht betrokken dat eiseres slechts aan een mars en twee demonstraties heeft deelgenomen en eiseres buiten deze activiteiten nooit meer politiek actief is geweest of haar mening heeft uitgesproken. Gelet hierop en gelet op de verklaringen van eiseres over haar toekomstige politieke uitingen heeft de minister terecht geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres bij terugkeer uiting zal geven aan haar politieke overtuiging en als gevolg daarvan problemen zal krijgen.
Heeft de minister terecht geoordeeld dat eiseres bij terugkeer naar Venezuela geen risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 EVRM gelet op de actuele situatie?
Eiseres voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij bij terugkeer naar Venezuela geen risico zal lopen op behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Eiseres voert hiertoe onder andere aan dat de veiligheids- en humanitaire situatie in Venezuela na de Amerikaanse missie op 3 januari 2026 zodanig is gewijzigd dat het bestreden besluit zonder nadere motivering geen stand kan houden. Eiseres wijst op verschillende nieuwsberichten en het reisadvies van het ministerie van buitenlandse zaken over Venezuela.
De minister stelt zich op het standpunt dat gelet op de beschikbare informatie blijkt dat sinds 3 januari 2026 de noodtoestand van kracht is in Venezuela. Via een decreet werd de politie onder meer opgedragen om “onmiddellijk in het hele nationale grondgebied op zoek te gaan naar en iedereen te arresten die betrokken is bij het bevorderen of steunen van de gewapende aanval van de Verenigde Staten op het grondgebied van de Republiek”. Ook is het recht om te demonstreren opgeschort en zijn er brede beperkingen opgelegd met betrekking tot bewegingsvrijheid en het recht op bijeenkomen van burgers. De minister meent dat hieruit niet volgt dat er sprake is van een significante verslechtering in de behandeling van politiek actieve personen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres bij terugkeer naar Venezuela geen reëel risico loopt op ernstige schade. Uit de door eiseres overgelegde informatie blijkt dat de huidige situatie in Venezuela erg onzeker is. De rechtbank acht de aanvullende motivering van de minister in het verweerschrift onvoldoende concreet en volledig om op basis daarvan te concluderen dat er voor eiseres gelet op haar politieke overtuiging geen risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM. Bovendien blijkt uit deze informatie ook dat als gevolg van de afgekondigde noodtoestand meer politie, leger en collectivos op straat aanwezig zijn en dat er checkpoints zijn ingesteld waar mensen worden gefouilleerd en wordt gecontroleerd of zij online berichten hebben geplaatst over de militaire actie van de Verenigde Staten. Gelet hierop is het beroep gegrond.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:1999
26-01-2026, Rb Utrecht, Eritrea, beroep ongegrond [leeftijdsbepaling; vertrouwensbeginsel]
Reden signalering:
De rechtbank is van oordeel dat eiser de conclusie van de minister dat hij minderjarig is, onvoldoende heeft betwist. Eiser heeft immers geen gronden ingediend tegen de leeftijdsschouw die door de AVIM en IND zijn uitgevoerd. De minister daarentegen heeft alle feiten en omstandigheden meegewogen bij het beoordelen van de geboortedatum van eiser en kon die gelet op Werkinstructie 2025/1 vaststellen op [geboortedatum 1] 2005.
De rechtbank oordeelt dat aan de enkele mededeling van de gehoormedewerker geen rechten ontleend kunnen worden, omdat die mededeling geen ondubbelzinnige toezegging is die aan de minister kan worden toegerekend en waaraan eiser het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat zijn geboortedatum vastgesteld zou worden op een datum waarbij hij minderjarig zou zijn. Dit te meer, omdat hem wordt meegedeeld dat hij wordt aangemerkt als meerderjarig en de daarna genoemde datum van [geboortedatum 2] 2005 daar niet mee strookt.
De minister heeft met het bestreden besluit van 20 maart 2025 de aanvraag van eiser in de verlengde procedure ingewilligd en hem een asielvergunning verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De minister is hierbij uitgegaan van een geboortedatum [geboortedatum 1] 2005.
De minister heeft bij het bestreden besluit eisers verklaringen over zijn naam, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht, maar de verklaringen over zijn leeftijd en geboortedatum ongeloofwaardig.
Eiser voert aan dat dat de minister ten onrechte zijn geboortedatum heeft vastgesteld op [geboortedatum 1] 2005, terwijl eiser geboren is in 2006. Eiser is daarnaast tijdens het nader gehoor meegedeeld dat voor hem een geboortedatum van [geboortedatum 2] 2005 gehanteerd zou worden. De geboortedatum van [geboortedatum 1] 2005 wordt in het bestreden besluit zonder enige uitleg vastgesteld. De reden daarvoor is volgens eiser, dat de door de minister gehanteerde datum nareis onmogelijk maakt. Het besluit is dan ook op dit punt onzorgvuldig en ongemotiveerd tot stand gekomen. Eiser verzoekt de rechtbank om te bepalen dat eiser op [geboortedatum 1] 2006 of [geboortedatum 2] 2005 is geboren.
De rechtbank stelt het volgende vast. Eiser heeft geen identiteitsdocumenten overgelegd. Daarom heeft er door de AVIM en de IND een schouw plaatsgevonden. De twee opsporingsambtenaren van de AVIM hebben op grond van eisers lichamelijke kenmerken, eigen verklaringen en gedrag unaniem geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. De gehoormedewerker van de IND heeft op basis van eisers lichamelijke kenmerken, gedrag en verklaringen geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. In de kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens (de kennisgeving) van 6 december 2023 wordt meegedeeld dat eiser na schouwverhoor meerderjarig is verklaard en zijn geboortedatum [geboortedatum 2] 2005 is. De gehoormedewerker die het nader gehoor op 18 maart 2025 heeft afgenomen, heeft eiser meegedeeld dat uit leeftijdsonderzoek is gebleken dat de door eiser opgegeven geboortedatum onjuist is en dat hij meerderjarig is. Eiser heeft daarop verklaard dat zijn leeftijd is aangepast en dat hij de wijziging heeft geaccepteerd. Hierop heeft de gehoormedewerker eiser meegedeeld dat hem op basis van de resultaten van het leeftijdsonderzoek een nieuwe geboortedatum is toegekend, te weten [geboortedatum 2] 2005.
De rechtbank is van oordeel dat eiser de conclusie van de minister dat hij minderjarig is, onvoldoende heeft betwist. Eiser immers heeft geen gronden ingediend tegen de leeftijdsschouw die door de AVIM en IND zijn uitgevoerd. De minister daarentegen heeft alle feiten en omstandigheden meegewogen bij het beoordelen van de geboortedatum van eiser en kon die gelet op Werkinstructie 2025/1 vaststellen op [geboortedatum 1] 2005. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Voor zover eiser meent dat de verklaring van de gehoormedewerker en de kennisgeving een beroep op het vertrouwensbeginsel rechtvaardigt, volgt de rechtbank dat om de volgende redenen niet.
Volgens vaste jurisprudentie kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen, indien sprake is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging van een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.
De rechtbank oordeelt dat aan de enkele mededeling van de gehoormedewerker als hiervoor weergegeven geen rechten ontleend kunnen worden, omdat die mededeling geen ondubbelzinnige toezegging is die aan de minister kan worden toegerekend en waaraan eiser het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat zijn geboortedatum vastgesteld zou worden op een datum waarbij hij minderjarig zou zijn. Dit te meer, omdat hem wordt meegedeeld dat hij wordt aangemerkt als meerderjarig en de daarna genoemde datum van [geboortedatum 2] 2005 daar niet mee strookt.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat de minister uitgaat van de datum [geboortedatum 1] 2005 om nareis te blokkeren. Ten eerste niet, omdat eiser zijn stelling niet heeft onderbouwd. Ten tweede niet, omdat uit WI 2025/1 volgt, dat het belangrijk is om een vreemdeling evident meerderjarig te verklaren, als deze dat is. Dit om een veilige verblijfsomgeving te garanderen voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:1930