Ga naar de inhoud
Direct naar
  • Mijn Wrb
  • Mijn RvR
  • Beleidswijzer
  • Contact
  • Nieuws
  • English
  • Best Practices Leidraad voor asieladvocaten
Raad voor Rechtsbijstand (naar homepage)
Zoeken
  • Voor advocaten
    • Algemene inschrijving bij de RvR
    • Ingeschreven en dan?
    • Over toevoegingen
    • Declaratie indienen
    • Nieuws
    • Formulieren voor advocaten
    • Direct regelen
    • Subsidie aanvragen beroepsopleiding sociaal advocaten 2026
  • Voor mediators
    • Algemene inschrijving bij de RvR
    • Ingeschreven en dan?
    • Over toevoegingen
    • Declaratie indienen
    • Nieuws voor mediators
    • Formulieren voor mediators
    • Mijn Wrb voor mediators
  • Beleidswijzer
  • Matching
    • Antwoorden op veelgestelde vragen
  • Mijn Wrb
  • Mijn RvR
  • Beleidswijzer
  • Contact
  • Nieuws
  • English
  • Best Practices Leidraad voor asieladvocaten
  1. Home ›
  2. Voor advocaten ›
  3. Ingeschreven en dan? ›
  4. Legal Aid (Asiel) ›
  5. AC-signalering: berichten AC praktijk en jurisprudentie ›
  6. Jurisprudentie

Jurisprudentie


Bekijk de actuele jurisprudentie die relevant is voor de asielpraktijk:

14-09-2026, Rb Utrecht, beroep gegrond [Italië; AMBV; interstatelijk vertrouwensbeginsel; opvangfaciliteiten]

Reden signalering:

Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2023 is het aan de minister om aannemelijk te maken dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van Italië. De eerdere opvangproblematiek lijkt echter onveranderd. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van de minister dat Italië inmiddels weer structureel in opvang voorziet. Bij overdracht aan Italië zou eiser een reëel risico lopen op schending van zijn of haar grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Met deze uitspraak sluit de vreemdelingenkamer in Utrecht aan bij de uitspraak die de vreemdelingenkamer in Den Bosch eerder deed.

Standpunt eiser

Eiser voert aan dat de minister ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan ten aanzien van Italië. Eiser verwijst hierbij naar berichtgeving op verschillende nieuwskanalen waaruit blijkt dat Italië (opnieuw) weigert om vreemdelingen terug te nemen.

Beoordeling

De rechtbank overweegt allereerst dat in het geval van Italië – gelet op de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2023 – het aan de minister is om aannemelijk te maken dat op dit moment weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het ligt daarmee op de weg van de minister om aannemelijk te maken dat sprake is van nieuwe informatie sinds 7 februari 2023 die tot het oordeel moeten leiden dat de voorheen geldende blokkade – die het gevolg is van de door de Italiaanse autoriteiten zelf gestelde opvangproblematiek – niet meer aan de orde is en dat (voldoende) opvangvoorzieningen aanwezig zijn voor vreemdelingen die worden overgedragen.

Op 1 september 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch uitspraak gedaan waarin is geoordeeld dat de minister er niet in geslaagd is om aannemelijk te maken dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak aanleiding om dit oordeel te volgen. Uit de door de minister aangehaalde landeninformatie komt volgens de rechtbank een ander beeld naar voren dan door de minister is geschetst. De eerder door Italië zelf gestelde opvangproblematiek lijkt namelijk onveranderd. Uit het AIDA-rapport van 2025 volgt namelijk dat het opvangsysteem geen plekken heeft die gereserveerd zijn voor Dublinterugkeerders. In het meest recente AIDA-rapport van 2026 staat een vergelijkbare passage over de situatie in april 2026.

Concrete aanwijzingen ontbreken dat de situatie sinds april 2026, dan wel sinds de inwerkingtreding van het AMP op 12 juni 2026, wezenlijk is gewijzigd. Integendeel, er zijn juist aanknopingspunten dat de situatie ongewijzigd is gebleven. In het EU-rapport van juli 2026, waarnaar de minister in het verweerschrift verwijst, heeft de Europese Commissie de eerste drie weken van de toepassing van de nieuwe verantwoordelijkheidsregels van het AMP in Italië beoordeeld. De Commissie vermeldt dat in Italië weliswaar voorbereidingen zijn getroffen voor de uitvoering van het AMP en het opvangsysteem toereikend lijkt, maar dat overdrachten vanuit andere lidstaten nog steeds niet plaatsvinden. In de eerste drie weken werden alle twaalf aangevraagde overdrachten door Italië geweigerd. De Commissie concludeert dat er vooralsnog geen concrete aanwijzingen zijn dat de eerdere praktijk, sinds de brief van 2022 wordt toegepast, is beëindigd. Volgens de Commissie moet Italië de resterende belemmeringen voor overdrachten met voorrang wegnemen. Bij gebrek aan informatie over de redenen van weigering, gaat de rechtbank uit van het vermoeden dat dit – nog altijd – het gevolg is van de situatie in Italië zoals eind 2022 en begin 2023 is geschetst door de Italiaanse autoriteiten en zoals ook nog blijkt uit het AIDA-rapport van juli 2026, namelijk een gebrek aan opvangcapaciteit.

Daarnaast heeft het EUAA-rapport van juni 2026, waar de minister naar verwijst, niet concreet betrekking op de situatie rondom Dublinclaimanten, terwijl dat wel de situatie is die de rechtbank moet beoordelen. Verder wordt in het AIDA-rapport van 2025 de weigerachtige houding van Italië ten aanzien van de Dublinoverdrachten bevestigd. Ook vermeldt het AIDA-rapport dat de aanzienlijke toename van het aantal asielzoekers het Italiaanse opvangstelsel onder druk heeft gezet en dat de Italiaanse autoriteiten in oktober 2024, in het kader van de verlengde noodtoestand, vasthielden aan de opschorting van inkomende overdrachten. De door de minister genoemde landeninformatie bevestigt daarmee juist de structurele opvang- en overdrachtsproblematiek. Andersluidende informatie waaruit volgt dat deze problematiek wezenlijk is verbeterd, ontbreekt. Er bestaan dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van de minister dat Italië de eenzijdige blokkade per 12 juni 2026 daadwerkelijk heeft opgeheven en inmiddels weer structureel in opvang voor Dublinterugkeerders voorziet, zodat overdracht naar Italië weer mogelijk is.

Wat betreft het beroep van de minister op de arresten RL en QS en Daraa, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit deze arresten volgt dat een lidstaat eenzijdig kan besluiten om overdrachten op te schorten, maar dat hiermee niet is aangetoond dat eiser een reëel risico loopt op slechte behandeling zoals bedoelt in artikel 4 van het Handvest. Het vaststellen van structurele tekortkomingen kan alleen worden gedaan na een analyse van alle relevante elementen op basis van objectieve en recente informatie. De rechtbank neemt niet uitsluitend de eenzijdige opschorting door Italië tot uitgangspunt bij het oordeel dat (nog steeds) niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, maar komt mede tot deze conclusie na de hiervoor weergegeven analyse van de beschikbare informatie ten aanzien van de (onduidelijkheid over de) opvangvoorzieningen in Italië voor terugkeerders. Daarmee is nog steeds sprake van een situatie waarin een reëel risico bestaat dat vreemdelingen buiten hun eigen wil en keuzes om bij overdracht aan Italië terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, als bedoeld in punt 92 van het arrest Jawo, waardoor zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de minister er, aan de hand van de in deze procedure ingebrachte informatie, niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Het beroep is reeds om deze reden gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. Beroep gegrond.

Bekijk de gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:27073, Rechtbank Den Haag, NL26.44011

Zie ook:

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:27082, Rechtbank Den Haag, NL26.46453
  • ECLI:NL:RBDHA:2026:27502, Rechtbank Den Haag, NL26.47019

Met deze drie uitspraken sluit de vreemdelingenkamer in Utrecht aan bij de uitspraak die de vreemdelingenkamer in Den Bosch eerder deed.

Meer lezen:

  • Asielzoekers mogen door minister niet aan Italië worden overgedragen | Nieuws | Rechtspraak.

18-09-2026, Rb Roermond, tussenuitspraak [prejudiciële vragen; AMBV; omvang rechtsmiddel; belang van het kind; aanvang overdrachtstermijn]

Reden signalering:

De rechtbank vraagt het Hof of de beperking in de omvang van het rechtsmiddel geldig is indien de Uniewetgever daadwerkelijk heeft beoogd dat verzoekers geen beroep kunnen doen op het belang van het kind en heeft beoogd om het belang van het kind uit te sluiten van de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten. De rechtbank vraagt het Hof voorts om te verduidelijken op welke wijze de rechtbank invulling moet geven aan haar eigen verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn.

Tot slot rijst de vraag wanneer in het hoofdgeding de overdrachtstermijn aanvangt. Verzoekers hebben door het enkele verzoeken om een voorlopige voorziening reeds opschortende werking verkregen en bereikt dat zij niet kunnen worden overdragen aan Italië. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet toegewezen door de rechtbank en kan niet worden toegewezen met als doel om de overdrachtstermijn veilig te stellen omdat dit een rechtsmiddel is dat uitsluitend aan verzoekers toekomt. De rechtbank vraagt het Hof om te verduidelijken of in deze situatie de overdrachtstermijn aanvangt als de rechtbank uitspraak doet op het beroep of dat de overdrachtstermijn verloopt als zes maanden na de aanvaarding van de overnameverzoeken verstrijken voordat de rechtbank uitspraak doet.

Verzoekers zijn een gehuwde man en vrouw en hun baby. Zij zijn afkomstig uit Libië en hebben de Libische nationaliteit. Verzoekers hebben op 7 juli 2026 een verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend. De Italiaanse autoriteiten hebben erkend verantwoordelijk te zijn voor de behandeling hiervan omdat zij visa aan verzoekers hebben verleend. Verweerder behandelt de verzoeken om internationale bescherming niet inhoudelijk en heeft overdrachtsbesluiten vastgesteld.

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen de overdrachtsbesluiten en hebben verzocht om opschortende werking. Door het tijdig verzoeken om opschortende werking hebben verzoekers reeds bewerkstelligd dat de uitvoering van de overdrachtsbesluiten wordt opgeschort. Verzoekers mogen hierdoor in ieder geval niet aan Italië worden overgedragen voordat de rechtbank heeft beslist op de verzoeken om opschortende werking. Verzoekers maken bezwaar tegen de overdracht aan Italië en leggen aan dit bezwaar mede ten grondslag dat het belang van het kind zich verzet tegen de overdracht.

De Uniewetgever lijkt in de regeling van de rechtsmiddelen, die is neergelegd in artikel 43 van Verordening 2024/1351, de draagwijdte van de omvang van het rechtsmiddel te hebben beperkt tot drie concreet opgesomde situaties. Indien de Uniewetgever met artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 heeft beoogd dat andere grondrechten dan artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet kunnen worden ingeroepen bij het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit, komt de vraag op of deze beperking verenigbaar is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Het belang van het kind is een recht dat het kind van verzoekers toekomt op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties van 1989 inzake de rechten van het kind, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en Verordening 2024/1351. De rechtbank overweegt dat hieruit zou moeten volgen dat verzoekers zich in het hoofdgeding moeten kunnen beroepen op het belang van het kind om de overdrachtsbesluiten te betwisten om zo de naleving van de eerbiediging van dit recht aan een rechterlijke controle te kunnen laten onderwerpen en ook de rechterlijke instantie te kunnen verzoeken om dit recht te beschermen.

Voor zover de Uniewetgever heeft beoogd om met artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 uit te sluiten dat verzoekers zich kunnen beroepen op het belang van het kind en heeft beoogd om het belang van het kind uit te sluiten van de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten, verzoekt de rechtbank het Hof om te beoordelen of deze bepaling geldig is.

Ook indien het Hof de eerste prejudiciële vraag van de rechtbank aldus zou beantwoorden dat artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 met inbegrip van de beperking van de draagwijdte van het rechtsmiddel geldig is, ziet de rechtbank zich in het hoofdgeding voor de vraag gesteld op welke wijze de rechtbank invulling moet geven aan haar eigen verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn.

Omdat verweerder het belang van het kind niet concreet heeft onderzocht en verzoekers hun standpunt dat de overdracht niet in het belang van het kind is, niet deugdelijk hebben onderbouwd, rijst de vraag wat de omvang van de verplichting is die de rechtbank heeft om het belang van het kind een eerste overweging te laten vormen in het hoofdgeding. De rechtbank vraagt zich af of zij gehouden is om, in dit geval ambtshalve omdat partijen dit niet hebben gedaan, zich nader te vergewissen wat het belang van het kind is en te onderzoeken op grond van het dossier en mogelijk door het benoemen van een deskundige, of een mogelijke overdracht aan Italië indruist tegen dit belang.

Tot slot rijst de vraag wanneer in het hoofdgeding de overdrachtstermijn aanvangt. In het hoofdgeding heeft verweerder een termijn van zes maanden om verzoekers over te dragen aan Italië. Er zijn geen omstandigheden aan de orde op grond waarvan verweerder de mogelijkheid heeft om de overdrachtstermijn te verlengen. Thans is verweerder niet bevoegd om de overdracht uit te voeren omdat verzoekers hebben verzocht om opschortende werking en de rechtbank nog geen beslissing heeft genomen op deze opschortingsverzoeken.

De Uniewetgever heeft in artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351 termijnen bepaald voor de rechterlijke autoriteiten om beslissingen te nemen. Er is niet geregeld wat de gevolgen zijn als de rechterlijke instantie niet binnen deze termijnen beslist op het opschortingsverzoek of op het beroep of bezwaar. De rechtbank stelt ook vast dat beide partijen geen mogelijkheid hebben om een beslissing op het eerste opschortingsverzoek of beroep of bezwaar af te dwingen.

Doordat de rechtbank het noodzakelijk acht om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen alvorens het hoofdgeding te kunnen beslechten, voldoet de rechtbank niet aan haar verplichting om binnen een maand na 26 augustus 2026 een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit te nemen. Indien het Hof de vragen van de rechtbank niet in de prejudiciële spoedprocedure behandelt, zal er een termijn van zes maanden nadat de Italiaanse autoriteiten hun verantwoordelijkheid hebben erkend verstrijken voordat de rechtbank beslist op het eerste opschortingsverzoek en het beroep.

Artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 regelt wanneer de overdrachtstermijn aanvangt en bepaalt onder meer dat een verzoeker (…) wordt overgedragen zodra dat praktisch mogelijk is en binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door een andere lidstaat, of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken hoe “vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3” moet worden begrepen.

Indien in de situatie in het hoofdgeding, waarin opschortende werking is verkregen uitsluitend door het tijdig verzoeken om opschorting, de overdrachtstermijn aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet op de beroepen, betekent dit dat de procedure om de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen en de overdracht uit te voeren een aanzienlijke duur zal kennen en verzoekers de gehele procedure in onzekerheid zullen verkeren welke lidstaat hun verzoeken om internationale bescherming zal behandelen.

Indien het Hof artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 aldus uitlegt dat de opschortende werking die uitsluitend is verkregen doordat verzoekers tijdig om opschorting van de uitvoering van de overdrachtsbesluiten hebben verzocht betekent dat de overdrachtstermijn niet aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, rijst de vraag of dit betekent dat Nederland verantwoordelijk wordt voor de verzoeken om internationale bescherming als de rechtbank niet beslist binnen zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek door de Italiaanse autoriteiten. Indien die conclusie moet worden getrokken, doet dit, zo meent de rechtbank, ook afbreuk aan de ratio van Verordening 2024/1351 en de wijze waarop is geregeld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming. Verweerder heeft geen invloed op het moment waarop de rechterlijke instantie in staat is om te beslissen op het eerste opschortingsverzoek en het beroep. Verordening 2024/3151 biedt de lidstaten geen mogelijkheid om te voorkomen dat de overdrachtstermijn verstrijkt indien de rechterlijke instantie niet voldoet aan de beslistermijnen en biedt de lidstaten geen mogelijkheid om in die situatie de overdrachtstermijn te verlengen.

De rechtbank verzoekt het Hof daarom te verduidelijken of de zinsnede “vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3”, in artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351 aldus moet worden begrepen dat dit uitsluitend ziet op de situatie dat de rechterlijke instantie een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit heeft genomen.

Deze vraag is geen louter hypothetische vraag ondanks dat in het hoofdgeding de termijn waarbinnen verzoekers kunnen worden overdragen -ongeacht de wijze waarop het Hof deze prejudiciële vraag zal beantwoorden- nog niet is verstreken. De rechtbank voorziet namelijk reeds nu dat zij niet in staat zal zijn om te beslissen op het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit en het beroep voor het verstrijken van deze termijn in het geval het Hof de vragen niet in de prejudiciële spoedprocedure zal behandelen. Afhankelijk van de verduidelijking die het Hof zal geven, zal alsdan mogelijk moeten worden geconcludeerd dat Nederland verantwoordelijk wordt vanwege het verstrijken van zes maanden na de datum waarop de rechtbank de verzoeken om opschorting van de overdrachtsbesluiten heeft ontvangen.

De rechtbank wendt zich gelet op noodzaak van een nadere precisering van het Unierecht tot het Hof om de navolgende prejudiciële vragen voor te leggen en verzoekt het Hof om de vragen in de spoedprocedure (PPU) te behandelen:

  1. Is artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en artikelen 7, 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van de grondrechten van de Europese Unie, geldig voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden?
  2. Dient artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van de Grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit te controleren verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan wat het belang van het kind is en dit belang als een eerste overweging bij deze rechterlijke controle te betrekken?
  3. Dient artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351, aldus te worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn uitsluitend aanvangt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit, indien de opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3 door een rechterlijke beslissing op het eerste opschortingsverzoek is toegekend of volstaat hiertoe dat om opschortende werking is verzocht?

De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en houdt iedere verdere beslissing aan.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:27252, Rechtbank Den Haag, NL26.49371 en NL26.49369.

15-09-2026, Rb Amsterdam, tussenuitspraak [prejudiciële vragen; grensdetentie]

Reden signalering:

Bij de rechtbank bestaat sterke twijfel of, en zo ja, hoe de handelwijze van de minister rond het opleggen van grensdetentie zich verhoudt tot het unierecht. De door de minister gegeven noodzaak voor detentie, het uitgangspunt “grensdetentie, tenzij…”, het standaard niet toepassen van een lichter middel en de screening / het onderzoek ten opzichte van de toepassing van de grensdetentie, waarbij geen rechtsbijstand wordt verleend, lijken strijdig te zijn met belangrijke bepalingen en uitgangspunten van het unierecht. Reden waarom de rechtbank zich tot het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) wendt voor nadere verduidelijking van het unierecht.

Op 2 september 2026 is eiser vanuit Turkije met het vliegtuig op de internationale luchthaven Schiphol aangekomen. Eiser heeft vervolgens, ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar), om internationale bescherming verzocht. De KMar heeft diezelfde dag, namens de minister, de beslissing om eiser de toegang tot Nederland te weigeren uitgesteld, hem naar de asielgrensprocedure verwezen en in grensdetentie geplaatst.

Ter zitting heeft de minister benadrukt dat hij de bevoegdheid heeft om de asielgrensprocedure toe te passen alsook de asielzoeker daarbij in grensdetentie te plaatsen. Dat de minister in zijn beleid een automatische koppeling maakt tussen beiden ligt in de noodzaak om de buitengrens te bewaken. Op deze wijze kan de minister ook efficiënt en effectief overgaan tot uitzetting indien de asielaanvraag is afgewezen en de vreemdeling juridisch uitzetbaar is. Een lichter middel voor grensdetentie is volgens de minister niet realiseerbaar omdat het grensbewakingsbelang dan wordt prijsgegeven. Er is dus bewust gekozen om in regelgeving of praktijk geen mogelijkheden tot het toepassen van een lichter middel te creëren en/of toe te passen. Verder voert de KMar de eerste screening uit ten behoeve van de vraag welke procedure het meest geëigend is. Bij die screening kijkt de KMar of zich een van de uitzonderingssituaties als bedoeld in WI 2026/23 voordoen. Daarin zit besloten de vraag naar de evenredigheid van de maatregel tot grensdetentie, aldus de minister.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de handelwijze van de minister in strijd is met artikel 10, eerste en tweede lid en artikel 11, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) en considerans 69 bij de Procedureverordening. Detentie is ultimum remedium. Artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn schrijft voor dat een asielzoeker enkel mag worden gedetineerd indien na onderzoek is gebleken dat het in zijn specifieke geval niet anders kan. De minister heeft in eisers geval onvoldoende onderzocht en gemotiveerd of de screening volledig en zorgvuldig is uitgevoerd, of eiser tijdens de screening daadwerkelijk toegang had tot juridische counseling, of de grensprocedure zich leent voor de behandeling van eisers asielaanvraag, of de grensdetentie noodzakelijk, geschikt en evenredig was en of met een lichter middel kon worden volstaan, aldus eiser.

Reden tot het stellen van prejudiciële vragen

Bij de rechtbank bestaat sterke twijfel of, en zo ja, hoe de handelwijze van de minister zich verhoudt tot het unierecht. De door de minister gegeven noodzaak voor detentie, het uitgangspunt “grensdetentie, tenzij…”, het standaard niet toepassen van een lichter middel en de screening / het onderzoek ten opzichte van de toepassing van de grensdetentie, waarbij geen rechtsbijstand wordt verleend, lijken strijdig te zijn met belangrijke bepalingen en uitgangspunten van het unierecht. Reden waarom de rechtbank zich tot het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) wendt voor nadere verduidelijking van het unierecht. De rechtbank geeft bij de uitleg van de vragen tevens aan hoe zij denkt dat het antwoord zou kunnen luiden.

De noodzaak tot het opleggen van grensdetentie

Een belangrijke pijler van het unierecht is dat detentie altijd als ultimum remedium heeft te gelden. Met het opleggen van (grens)detentie maakt de minister immers inbreuk op basale grondrechten als het recht op vrijheid, het recht op eerbiediging van de menselijke waardigheid en het recht op eerbiediging van het privé-leven. Artikel 52, eerste lid van het Handvest bepaalt dat een lidstaat deze grondrechten slechts kan beperken indien dat noodzakelijk is en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn geeft aan dat detentie enkel is toegestaan indien op basis van een individuele beoordeling is gebleken dat andere middelen niet effectief kunnen worden toegepast.

De rechtbank leidt hieruit af dat de minister enkel kan overgaan tot het opleggen van grensdetentie indien dit strikt noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken. Artikel 43, eerste lid, van de Procedureverordening geeft lidstaten de mogelijkheid om in de daarin genoemde gevallen de asielgrensprocedure toe te passen. Deze mogelijkheid wordt ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening in een drietal daarin genoemde gevallen dwingend voorgeschreven. Deze verplichting vervalt (grotendeels) indien een lidstaat de voorgeschreven ‘toereikende capaciteit’ heeft bereikt.

De rechtbank leidt uit deze artikelen af dat een lidstaat enkel in een aantal specifiek genoemde gevallen een verplichting kent om de asielgrensprocedure toe te passen en dat deze verplichting bij het bereiken van het voorgeschreven aantal aan belang inboet. Het toepassen van de asielgrensprocedure wordt in alle andere in de Procedureverordening genoemde situaties niet dwingend voorgeschreven.

Ingevolge artikel 10, vierde lid, van de Opvangrichtlijn kan een lidstaat besluiten om, kort gezegd, bij toepassing van de asielgrensprocedure de asielzoeker tevens in grensdetentie te plaatsen. Artikel 54, eerste lid, van de Procedureverordening verplicht lidstaten om locaties aan te wijzen waar de asielgrensprocedure wordt toegepast. Dit kunnen, maar hoeven geen detentielocaties te zijn. Een open locatie met bijvoorbeeld het hanteren van een meldplicht kan ook volstaan. Het aanwijzen van locaties, in combinatie met een verplichting zich daar op te houden, heeft als doel om de asielgrensprocedure op een efficiënte en effectieve manier vorm te geven.

Artikel 54, vierde lid, van de Procedureverordening bepaalt voorts dat de verplichting om op een locatie te verblijven, niet wordt beschouwd als een toestemming om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen en te verblijven.

Artikel 52, eerste lid van het Handvest bepaalt dat beperkingen op de grondrechten van de Europese Unie daadwerkelijk dienen te beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

De rechtbank leidt uit de artikelen onder 9.1 af dat het unierecht geen verplichte koppeling kent tussen enerzijds het toepassen van de grensprocedure en anderzijds het opleggen van grensdetentie. Het grensbewakingsbelang kan immers ook worden gediend met het aanwijzen van een andere locatie dan een detentielocatie. Het unierecht biedt aldus de mogelijkheid om juridisch nog geen toegang tot het grondgebied te verlenen én de asielgrensprocedure toe te passen zónder daarbij gebruik te maken van grensdetentie.

Verder is het de vraag of het standaardmatig in grensdetentie plaatsen wanneer de asielgrensprocedure wordt toegepast, een door de Europese Unie erkend doel van algemeen belang is. Dit doel is uit de hierboven gegeven regelgeving in ieder geval niet te halen. En staat ook niet als zodanig beschreven in- of is dit anderszins af te leiden uit de Schengengrenscode.

De redenering van de minister dat het enkele grensbewakingsbelang een legitiem doel dient en telkens tot het opleggen van grensdetentie noopt, lijkt op grond van het voorgaande dan ook geen stand te kunnen houden.

De door de minister naar voren geschoven noodzakelijkheid moet dan ook in dit licht worden bezien, en kan in de ogen van de rechtbank daarom niet als strikte noodzaak voor het opleggen van grensdetentie gelden. De werkwijze van de minister betekent in feite dat een asielzoeker die niet onder een van de uitzonderingssituaties van WI 2026/23 valt, gedetineerd wordt omdat hij een asielaanvraag heeft ingediend. Artikel 10, eerste lid van de Opvangrichtlijn verbiedt een dergelijke handelwijze.

Voorts vraagt de rechtbank zich af op welke wijze zij de noodzaak van de detentiemaatregel toetst. Dient zij dit met enige terughoudendheid te doen of moet zij zelfstandig, desnoods ambtshalve, beoordelen of er een noodzaak bestaat tot het opleggen van grensdetentie. De rechtbank wil het Hof in overweging geven om deze vraag aldus te beantwoorden dat de rechter de noodzaak van grensdetentie zelfstandig, en desnoods ambtshalve, dient te vast te stellen. Detentie is immers enkel rechtmatig als deze noodzakelijk is. In het arrest van 8 november 2022 heeft het Hof bepaald dat de rechter ambtshalve elk relevant feitelijk en juridisch element dient te betrekken bij de vraag of de detentie rechtmatig is te achten.

“Grensdetentie, tenzij…” en het standaard niet toepassen van een lichter middel

Artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn bepaalt dat detentie enkel kan worden opgelegd indien op basis van een individueel onderzoek is gebleken dat een minder ingrijpend middel niet effectief kan worden toegepast. Dit artikellid maakt geen onderscheid tussen bewaring van derdelanders die zich al formeel op het grondgebied bevinden en derdelanders die formeel nog geen toegang tot het grondgebied hebben verkregen. In considerans 33 bij de Opvangrichtlijn staat voorts dat een verzoeker pas mag worden gedetineerd nadat alle niet-vrijheidsberovende maatregelen als alternatief voor bewaring naar behoren zijn onderzocht.

Uit de regelgeving en het beleid van de minister volgt dat indien een asielzoeker niet valt onder een van de uitzonderingssituaties in WI 2026/23 automatisch wordt overgegaan tot het opleggen van grensdetentie. De minister hanteert daarmee feitelijk als uitgangspunt “grensdetentie, tenzij…”. Mogelijkheden tot het opleggen van een lichter middel heeft de minister bewust niet gecreëerd en past deze in een individuele casus ook niet toe.

In de ogen van de rechtbank is deze regelgeving en werkwijze strijdig met het uitgangspunt dat detentie altijd als ultimum remedium heeft te gelden. Daarnaast houdt de Nederlandse regelgeving en praktijk ten onrechte geen rekening met het feit dat het unierecht juist de mogelijkheid heeft gecreëerd om het grensbewakingsbelang ook te behartigen op andere wijzen dan met het opleggen van detentie.

Bij de vraag of ingeval van grensdetentie kan worden volstaan met een lichter middel, dient in de ogen van de rechtbank steeds en per asielzoeker te worden gekeken naar de achterliggende reden van het grensbewakingsbelang. Considerans 6 bij de preambule van de Schengengrenscode geeft een aantal redenen voor het bewaken van de buitengrens. Dit betreft bestrijding van illegale immigratie en mensenhandel, het voorkomen van bedreigingen van de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten.

In de praktijk zal de aan te leggen toets met betrekking tot het lichter middel in de ogen van de rechtbank aldus dienen te zijn of zich bij de betreffende asielzoeker een van deze situaties voordoet. Waarbij hoe meer er sprake is van een van deze situaties, hoe minder snel kan worden overgegaan tot het opleggen van een lichter middel. En vice versa, hoe minder sprake er is van een van deze situaties, hoe sneller een lichter middel in zicht dient te komen.

In het licht van het voorgaande valt dus niet in te zien waarom de minister ten aanzien van de groep asielzoekers die niet valt onder een van de uitzonderingssituaties als bedoeld in WI 2026/23 nimmer zou kunnen overgaan tot het toepassen van een lichter middel, zoals het aanwijzen van een open locatie. Niet iedere asielzoeker duikt onder, ook niet indien hem uiteindelijk geen asielvergunning wordt verleend. En mocht er behoefte zijn aan meer toezicht, dan kan de aanwijzing gepaard gaan met bijvoorbeeld een meldplicht, het innemen van een paspoort, een borgsom of een enkelband.

Ook kan de asielzoeker altijd nog in bewaring worden gesteld indien na ommekomst van de asielprocedure op grond van individuele indicaties alsnog van een niet te accepteren onttrekkingsrisico zou blijken. De screening ten behoeve van het toepassen van de asielgrensprocedure en het onderzoek naar het opleggen van de grensdetentie.

Op grond van de WI 2026/23 verricht de KMar de screening ten behoeve het toepassen van de asielgrensprocedure. Gelet op het beleid van de minister zit in deze screening tevens het onderzoek naar de vraag of grensdetentie in het individuele geval onevenredig bezwarend is.

Bij de vraag of de asielgrensprocedure moet worden toegepast – en daarmee het automatisch opleggen van grensdetentie - kijkt de KMar of zich een van de uitzonderingssituaties in WI 2026/23 voordoet. De KMar kijkt daarbij niet naar de eventuele kansrijkheid van het asielverzoek, de (veiligheids)situatie in het land van herkomst en/of de asielzoeker bereid is mee te werken aan de procedure.

Met betrekking tot de evenredigheid van het opleggen van de grensdetentie wordt standaard gevraagd naar de medische omstandigheden van de asielzoeker, of hij in Nederland dan wel de Europese Unie familieleden heeft die hier rechtmatig verblijven en of er nog andere omstandigheden zijn op grond waarvan de minister niet zou moeten overgaan tot het opleggen van grensdetentie. Bij de vraag of de grensdetentie onevenredig bezwarend is, kijkt de KMar evenmin naar de kansrijkheid van het asielverzoek, de (veiligheids)situatie in het land van herkomst en/of de asielzoeker bereid is mee te werken aan de procedure.

Het is de vraag of de minister zich op deze wijze voldoende op de hoogte stelt van alle mee te wegen relevante feiten en omstandigheden.

Voor de vraag of een asielaanvraag zich leent voor behandeling in de asielgrensprocedure lijkt immers een relevante factor te zijn of de asielaanvraag kansrijk is te achten als ook hoe de (veiligheids)situatie in het land van herkomst is. Dit volgt in de ogen van de rechtbank uit de systematiek van de Procedureverordening. Artikel 44 verwijst naar de in artikel 38 en 42 omschreven situaties waarin de asielgrensprocedure kan worden toegepast. Deze situaties kenmerken zich door een op voorhand minder kansrijk toegedichte asielaanvraag. Het unierecht schrijft in een aantal situaties zelfs voor dat met de ogenschijnlijke kansrijkheid rekening dient te worden gehouden. Zo bepaalt artikel 45, eerste lid jo. artikel 42, eerste lid en onder j, van de Procedureverordening dat indien een asielzoeker uit een land komt waarvan het inwilligingspercentage lager dan 20% is, de aanvraag moet worden behandeld in de asielgrensprocedure. Dezelfde artikelen bepalen voorts dat deze verplichting niet geldt indien de asielzoeker behoort tot een categorie van personen voor wie het erkenninsgpercentage van 20% of minder niet als representatief voor hun beschermingsbehoeften kan worden beschouwd.

In de ogen van de rechtbank kan de vraag of een asielzoeker tot en met de screening heeft meegewerkt voorts ook een belangrijke factor zijn voor het wel of niet toepassen van de asielgrensprocedure.

Deze vragen lijken eveneens van belang voor het onderzoek naar de evenredigheid van de op te leggen grensdetentie. Het Hof heeft in voormeld arrest van 8 november 2022 bepaald dat met alle relevante feiten en omstandigheden rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de vraag of detentie rechtmatig is te achten. Kansrijkheid van een asielaanvraag is in de ogen van de rechtbank een relevante factor voor onder andere de vraag of het detineren van een asielzoeker evenredig is te achten. Net zoals de vraag of de asielzoeker bereid is om met de autoriteiten mee te werken.

De rechtbank vraagt zich voorts af of de minister met de hierboven beschreven wijze van bevraging alle relevante feiten en omstandigheden voldoende/op juiste wijze betrekt om te bekijken of de detentie evenredig is te achten. Daarnaast vraagt de rechtbank zich af of de minister met deze wijze van bevraging zou hebben voldaan aan het vereiste dat hij ‘alle niet vrijheidsberovende maatregelen als alternatief voor bewaring naar behoren’ onderzoekt. In de ogen van de rechtbank noopt het unierechtelijke beginsel van evenredigheid bij een inbreuk op grondrechten en de opdracht van artikel 10, tweede lid van de Opvangrichtlijn tot een grondig onderzoek naar alle relevante feiten en omstandigheden. Het op een aantal punten standaardmatig bevragen van de asielzoeker verhoudt zich daar in de ogen van de rechtbank niet toe.

Het ontbreken van rechtsbijstand tijdens het onderzoek naar toepassing van grensdetentie

Bij het gehoor met de KMar in verband met de screening en het onderzoek als bedoeld onder 16.1 wordt de asielzoeker geen rechtsbijstand aangeboden.

Naast de hierboven onder 16.2 en 16.3 gestelde vragen wordt de asielzoeker ook de volgende standaardvraag gesteld: “Het voornemen bestaat om aan u de toegang tot Nederland in verband met uw aanvraag uit te stellen. Uw asielaanvraag wordt in dit geval behandeld in de asielgrensprocedure. Gedurende de behandeling van uw aanvraag in de asielgrensprocedure zult u verblijven in een gesloten detentiecentrum. Kunt u in uw eigen woorden beschrijven wat hiervoor voor u de gevolgen zijn?”

De rechtbank stelt vast dat de screening en het onderzoek door de KMar een voor de asielzoeker belangrijk moment is. Van het gesprek hangt af of er wel of geen detentie wordt opgelegd. Het is de vraag of de minister de asielzoeker voldoende bescherming biedt tegen eventuele onrechtmatige detentie indien hem standaard voorafgaand en tijdens het gehoor geen rechtsbijstand wordt geboden.

De asielzoeker arriveert namelijk aan de buitengrens van een land dat hij doorgaans niet kent. Hij zal doorgaans ook niet weten wat hem in de asielprocedure te wachten staat en wat daarbij zijn rechten zijn. De rechtbank merkt op dat zij in zeer veel dossiers op de onder 22. genoemde vraag antwoorden tegenkomt als “Als dat de regels zijn, dan vind ik het goed” of “Ik heb het begrepen. Dat is geen probleem”. Dit verbaast de rechtbank ook niet omdat de asielzoeker een lidstaat verzoekt om internationale bescherming. Hij is daarmee afhankelijk van die lidstaat. Daardoor kunnen er allerlei redenen zijn waarom de asielzoeker niet eerlijk antwoord geeft op de vraag of hij het een probleem vindt dat hij gedetineerd gaat worden. Op zitting wordt de rechtbank voorts ook regelmatig geconfronteerd met asielzoekers die aangeven niet te hebben geweten dat ze hadden ingestemd met een verblijf “in een gevangenis”.

Gelet op het voorgaande, en nu het om detentie gaat, is het vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming in de ogen van de rechtbank noodzakelijk dat de asielzoeker voorafgaand aan en tijdens de screening en het onderzoek als bedoeld onder 16.1 wordt bijgestaan door een advocaat. De advocaat kan de asielzoeker dan vooraf informeren en tijdens het onderzoek bijstaan door mee te denken over eventuele alternatieven voor de grensdetentie en anderszins relevante informatie of bezwaren naar voren brengen. Op deze wijze kan aan de ongelijke positie die er op het moment van de screening en het onderzoek door de KMar tussen de overheid enerzijds en de asielzoeker anderzijds bestaat, tegemoet worden gekomen. Ook kan de rechtsbijstand bijdragen aan de zorgvuldigheid van de administratieve procedure zoals is voorgeschreven in artikel 11, eerste lid van de Opvangrichtlijn.

De prejudiciële vragen

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de volgende prejudiciële vragen:

  1. “Moeten de artikelen 6 en 52, eerste lid van het Handvest en 9 en 10, eerste en tweede lid, van de Opvangrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 54, eerste en vierde lid, van de Procedureverordening aldus worden uitgelegd dat het grensbewakingsbelang op zichzelf onvoldoende noodzaak is om grensdetentie op te leggen indien wordt overgegaan tot behandeling van de asielaanvraag in de asielgrensprocedure?” “Als ja, aan welke omstandigheden dient dan gedacht te worden om grensdetentie noodzakelijk te kunnen achten?”
  1. “Dient de bewaringsrechter, desnoods ambtshalve, zelf vast te stellen of zich in het individuele geval een noodzaak voor het opleggen van grensdetentie voordoet?”
  1. “Hoe verhoudt zich de door de minister gehanteerde werkwijze waarbij een verzoeker die niet tot een van de uitzonderingsgevallen behoort als omschreven in de WI 2026/23, standaard in grensdetentie wordt geplaatst waarbij geen mogelijkheid is (gecreëerd) tot het opleggen van een lichter middel, zich tot het unierechtelijke uitgangspunt ‘detentie als ultimum remedium’, de artikelen 1, 6, 7 en 52, eerste lid van het Handvest en artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn?”
  1. “Vereist artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn dat een lidstaat in regelgeving en/of beleid mogelijkheden creëert om een lichter middel ten aanzien van grensdetentie toe te passen?” “Als, ja aan welke vormen van lichter middel moet dan worden gedacht?” “Als nee, op welke wijze kan dan verzekerd worden dat een verzoeker kan profiteren van de mogelijkheid van een lichter middel?”
  1. “Hoe verhoudt de werkwijze dat bij de screening ten behoeve van het eventueel toepassen van de asielgrensprocedure geen rekening wordt gehouden met de kansrijkheid van het asielverzoek, de (veiligheids)situatie in het land van herkomst en/of de verzoeker bereid is om mee te werken tijdens de procedure, zich tot de systematiek van artikel 44 en 45 van de Procedureverordening?”
  1. “Hoe verhoudt de werkwijze dat bij de vraag of grensdetentie evenredig is te achten geen rekening wordt gehouden met de kansrijkheid van het asielverzoek, de (veiligheids)situatie in het land van herkomst en/of de verzoeker bereid is om mee te werken tijdens de procedure, zich tot het uitgangspunt dat detentie ultimum remedium is en overigens moet voldoen aan het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel?”
  1. “Welke intensiteit past bij het naar behoren onderzoeken door de minister van alle niet-vrijheidsberovende maatregelen als alternatief voor bewaring, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn en considerans 33 bij de Opvangrichtlijn?”
  1. “Welke intensiteit past bij het onderzoeken door de minister van de evenredigheid van de grensdetentie?”
  1. “Moeten artikel 10, eerste en tweede lid en artikel 11, eerste lid van de Opvangrichtlijn gelezen in samenhang met de artikel 6 en 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat bij de beoordeling of een verzoeker voor de asielgrensprocedure in aanmerking komt en of grensdetentie noodzakelijk en evenredig is, moet worden betrokken of de verzoeker vóór de screening en vóór het opleggen van de maatregel tot grensdetentie daadwerkelijk toegang heeft gehad tot effectieve juridische bijstand, en zo ja, welke gevolgen heeft het voor de rechtmatigheid van de grensdetentie wanneer die bijstand ontbrak?”

Verzoek tot toepassing van de prejudiciële spoedprocedure dan wel versnelde procedure

De rechtbank heeft op 12 september 2026 van de advocaat van eiser bericht ontvangen dat de minister eisers grensdetentie op die dag heeft beëindigd omdat de asielaanvraag niet langer in de asielgrensprocedure zal worden behandeld. Eiser bevindt zich dus inmiddels weer in vrijheid. Desalniettemin wil de rechtbank u verzoeken om de prejudiciële vragen via de spoedprocedure dan wel via de versnelde procedure te behandelen. Beantwoording van de vragen is immers niet alleen van belang voor de onderhavige zaak, maar ook voor alle andere vreemdelingen die dagelijks op Schiphol asiel aanvragen. De antwoorden zijn ook van invloed op de rechtmatigheid van die detentiemaatregelen. Gelet op het voorgaande verzoekt de rechtbank het Hof eerbiedig om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure zoals bedoeld in artikel 267, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering dan wel om toepassing van de versnelde procedure als bedoeld in artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering.

Tussenbeslissing

De rechtbank: - verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder 26 geformuleerde vragen;- schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:26975, Rechtbank Den Haag, <span class="hl0">NL26.51553.

11-09-2026, Rb Amsterdam MK, Syrië, beroep gegrond [Druzen; veiligheids- en humanitaire situatie]

Reden signalering:

Eiser vreest bij terugkeer slachtoffer te worden van willekeurig geweld en wijst daarbij specifiek op de spanningen tussen de Druzen en de Soennieten in ruraal Damascus.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat eiser geen reëel risico loopt om bij terugkeer naar Syrië te worden ontvoerd vanwege eerder verblijf in Europa.

De minister heeft onvoldoende onderbouwd waarom voor heel Syrië kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De situatie is na de val van Assad nog steeds fragiel en diffuus is. Van een stabiele en bestendig verbeterde veiligheidssituatie is onvoldoende gebleken. De minister lijkt dat zelf ook te erkennen nu hij niet overgaat tot herbeoordeling van al verleende verblijfsvergunningen asiel. Ook heeft de minister de slechte humanitaire situatie in Syrië niet op de juiste wijze meegewogen.

Eiser is in eerste instantie gevlucht omdat hij vreesde voor de militaire dienstplicht onder het Assad-regime. Eiser beroept zich op de algemene onveilige situatie in Syrië. Hij loopt bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Hij wijst specifiek op de spanningen tussen de Druzen en de Soennieten in ruraal Damascus. Ook vreest hij bij terugkeer te worden ontvoerd of gedood vanwege zijn verblijf in Europa. Eiser heeft in beroep aangegeven dat dit niet een afzonderlijke asielgrond is, maar veeleer een risicoverhogende factor bij de beoordeling van het reële risico op schade dat hij bij terugkeer loopt.

Het gevaar van ontvoeringen

Eiser heeft zich in het kader van zijn bredere beroep op de algemene situatie in Syrië ook beroepen op het risico dat hij bij terugkeer loopt om ontvoerd te worden als iemand die terugkeert uit het Westen en geacht wordt geld te hebben. De rechtbank zal eerst ingaan op deze grond. Volgens eiser is dit een persoonlijke risicoverhogende omstandigheid die bij zijn beroep op de algemene situatie dient te worden betrokken. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het algemeen ambtsbericht inzake Syrië van 2026 volgt wel dat er ontvoeringen plaatsvinden, maar dat zijn incidenten en betreft vaak specifieke minderheden en vrouwen. De rechtbank begrijpt dat bij eiser een gevoel van onveiligheid leeft, maar de beschikbare landeninformatie biedt geen grond om te concluderen dat het gevaar op ontvoering voor eiser als iemand die terugkeert uit het westen een objectieve risicoverhogende factor is. Deze beroepsgrond faalt.

De algemene veiligheidssituatie in Syrië

Tot 10 juni 2025 stelde de minister zich op het standpunt dat in Syrië sprake was van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld en dat eenieder alleen al door zijn aanwezigheid in Syrië een reëel risico liep op ernstige schade. In een brief aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025 heeft de minister naar aanleiding van het in mei 2025 verschenen algemeen ambtsbericht inzake Syrië het nieuwe landgebonden beleid voor Syrië aangekondigd. Vanaf dat moment gaat de minister voor heel Syrië uit van de laagste gradatie (‘relatief lager niveau’) van willekeurig geweld. Volgens deze brief was de primaire bron van onveiligheid het regime van president Assad en dat regime is op

8 december 2024 gevallen. Volgens de minister is sinds de val van het regime sprake van een redelijke verbetering van de algemene veiligheidssituatie.

Ook in deze zaak gaat de minister uit van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De minister onderbouwt dat – kort weergegeven – als volgt. In het algemeen ambtsbericht inzake Syrië van 2025 blijkt dat er weliswaar sprake is van geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat deze van incidentele en kortstondige aard zijn. Uit het algemeen ambtsbericht inzake Syrië van 2026 blijkt dat het aantal geweldsincidenten tussen 1 januari 2025 en 31 december 2025 sterk is gedaald. Verder verwijst de minister naar de Country Guidance inzake Syrië van 2 december 2025 van het EUAA. Uit dat rapport blijkt dat de situatie in ruraal Damascus weliswaar complex is, maar dat het aantal veiligheidsincidenten en burgerslachtoffers laag is. Verder volgt uit het rapport dat een groot aantal Syriërs terugkeert, met name ook naar deze regio. Het EUAA concludeert dat er sprake is van willekeurig geweld, maar niet op hoog niveau.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende onderbouwd waarom voor heel Syrië kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser wijst er terecht op dat de situatie na de val van Assad nog steeds fragiel en diffuus is. Hoewel het geweld in de loop van 2025 inderdaad is afgenomen, in de zin dat er eind 2025 minder geweldsincidenten waren dan begin 2025, is het totale aantal burgerslachtoffers in 2025 bijna viermaal zo hoog als in 2024. Bovendien zijn de uitbarstingen van geweld die in die periode hebben plaatsgevonden, heftig en onvoorspelbaar geweest. Van een stabiele en bestendig verbeterde veiligheidssituatie is dus onvoldoende gebleken. Daaraan doet niet af dat zich – zoals de minister op zitting heeft aangevoerd – in de eerste weken van 2026 een verdere daling heeft voorgedaan. De situatie is nog altijd instabiel. De groepen die bij eerdere oplaaiingen van het geweld betrokken waren, zoals de Druzen, de Koerden en IS, zijn er nog altijd.

Ook de minister lijkt overigens te erkennen dat geen sprake is van een bestendig verbeterde veiligheidssituatie, nu dat juist als argument is aangevoerd in de brief van 12 juni 2025 om niet over te gaan tot de herbeoordeling van al verleende verblijfsvergunningen. Op grond van artikel 3.37g van het VV moet een wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter hebben om het reële risico op schade weg te nemen, wil kunnen worden overgegaan tot intrekking van een al verleende verblijfsvergunning op grond van subsidiaire bescherming. De rechtbank ziet niet in waarom voor een afwijzing van een verblijfsvergunning op diezelfde grond een ander toetsingskader zou moeten gelden.

De verwijzing van de minister naar andere lidstaten die veel Syrische vreemdelingen terugsturen, kan de minister in dit kader niet baten. Het is immers onduidelijk welke gradatie van willekeurig geweld deze lidstaten aanhouden en op welke informatie dat is gebaseerd. De feitelijke vaststelling dat veel Syriërs worden teruggestuurd maakt bovendien niet dat deze terugkeer de rechterlijke toets ook kan doorstaan. Daarnaast heeft de minister erkend dat terugkeerders niet tot nauwelijks worden

gemonitord. Daarmee is veelal onbekend wat Syrische vreemdelingen bij terugkeer staat te wachten.

De humanitaire situatie in Syrië

Verder is tussen partijen in geschil welke rol de slechte humanitaire omstandigheden kunnen spelen bij de vaststelling van het niveau van willekeurig geweld en daarmee bij de vraag of eiser in aanmerking zou moeten komen voor subsidiaire bescherming.

De minister heeft zich onder verwijzing naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 op het standpunt gesteld dat de humanitaire omstandigheden kunnen worden meegewogen bij de vaststelling of al dan niet sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Daarvoor moeten deze omstandigheden direct of indirect voortkomen uit het handelen of nalaten van één van de strijdende partijen. Daarvan is in dit geval volgens de minister geen sprake omdat het regime van Assad, dat grotendeels verantwoordelijk is voor de slechte humanitaire situatie, niet langer betrokken is bij het gewapend conflict. De humanitaire situatie is dus niet in overwegende mate te wijten aan de huidige actoren bij het gewapend conflict en kan dus bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld geen rol spelen, aldus de minister. De minister heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar twee uitspraken van deze rechtbank. De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22984.

Naar het oordeel van de rechtbank berust het standpunt van de minister op een onjuiste lezing van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. De rechtbank begrijpt de uitspraak zo, dat niet alleen de humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een gewapend conflict moeten worden betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Alleen als slechte humanitaire omstandigheden niet in verband staan met het willekeurig geweld, zijn deze bij de vaststelling van het niveau van willekeurig geweld niet relevant.

De omstandigheid dat het regime van Assad na 8 december 2024 geen rol meer heeft gespeeld in het gewapend conflict, betekent overigens ook niet dat het actieve gewapende conflict een compleet ander conflict is dan voor 8 december 2024. Het huidige conflict vloeit rechtsreeks voort uit de jarenlange oorlog tijdens het regime van Assad en hoewel de machtsverhouding is gewijzigd zijn de actoren, met uitzondering van het regime van Assad, niet veranderd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, die in soortgelijke zin heeft geoordeeld.

De conclusie is dan ook dat de minister de humanitaire situatie in Syrië had moeten betrekken bij de vraag welk niveau het willekeurig geweld nu is. Tussen partijen is niet in geschil dat de humanitaire situatie in Syrië heel erg slecht is. Uit het algemeen ambtsbericht van 2026 volgt dat in Syrië sprake is van grootschalige verwoesting van infrastructuur en woningen, dat veel Syriërs behoefte hebben aan humanitaire hulp, dat naar schatting 90% van de bevolking onder de armoedegrens leeft en dat meer dan de helft kampt met voedselonzekerheid. Verder zijn er veel problemen met de basisvoorzieningen: het stroomnetwerk werkt amper, er is tekort aan water, een groot gebrek aan functionerende gezondheidszorg en enorme problemen in het onderwijs.

Conclusie en gevolgen

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als ongegrond. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij uitgaat van het laagste niveau van willekeurig geweld in Syrië, nu nog geen sprake is van een bestendige verbetering van de veiligheidssituatie. Verder heeft de minister ten onrechte de zeer slechte humanitaire situatie in Syrië niet betrokken bij de vraag van welk niveau van willekeurig geweld dient te worden uitgegaan. Het beroep is dus gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:26486, Rechtbank Den Haag, NL25.61275.

11-09-2026, Rb Amsterdam MK, Syrië, beroep gegrond [christenen; veiligheids- en humanitaire situatie]

Reden signalering:

De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft terecht geoordeeld dat in Syrië geen sprake is van groepsvervolging van christenen. Onvoldoende is echter onderbouwd waarom christenen niet als risicoprofiel zijn aangemerkt in het landenbeleid voor Syrië. De minister heeft ook onvoldoende onderbouwd waarom voor heel Syrië kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De situatie is na de val van Assad nog steeds fragiel en diffuus. Van een stabiele en bestendig verbeterde veiligheidssituatie is onvoldoende gebleken. De minister lijkt dat zelf ook te erkennen nu hij niet overgaat tot herbeoordeling van al verleende verblijfsvergunningen. Ook heeft de minister de slechte humanitaire situatie in Syrië niet op de juiste wijze meegewogen.

Eiser heeft de Syrische nationaliteit, hij is geboren op [geboortedag] 1997 en hij is christen. Eiser is gevlucht uit Syrië omdat hij werd gediscrimineerd vanwege zijn geloofsovertuiging. In november 2022 heeft eiser een incident meegemaakt op zijn werk waarbij collega’s zich negatief uitlieten over christenen. Eiser is daar toen gestopt. In april 2023 ging eiser tijdens de ramadan eten in een parkje. Hij is toen aangevallen en uitgescholden door drie moslim jongens. Daarnaast beroept eiser zich op de algemene onveilige situatie in Syrië.

De minister meent dat het geloofwaardig geachte relaas onvoldoende zwaarwegend is. De situatie van christenen in Syrië is niet geweldig, maar er is geen sprake van vluchtelingenrechtelijke vervolging van deze groep. Ook is geen sprake van discriminatie die dusdanig van aard is dat deze met vervolging gelijk moet worden gesteld.

Volgens de minister is er in heel Syrië sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dat betekent dat eiser persoonlijke omstandigheden moet aanvoeren op grond waarvan hij meent dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van dit geweld. Daarin is hij niet geslaagd. Om die redenen heeft de minister de asielaanvraag als ongegrond afgewezen.

Groepsvervolging van christenen / aanwijzing als risicoprofiel

Eiser heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er in Syrië sprake is van groepsvervolging van christenen. Ter onderbouwing heeft eiser gewezen op het algemeen ambtsbericht inzake Syrië van 2026 en de daar genoemde incidenten die hebben plaatsgevonden in Syrië. Zo is er een aanval geweest van IS op een kerk in [locatie], een wijk in Damascus, die heeft geleid tot 25 doden en 60 gewonden. Ook is sprake van intimidatie van christenen in de vorm van salafistische predikers die in christelijke buurten opriepen tot bekering en beledigende graffiti op kerken in Damascus en ruraal Damascus.

De beroepsgrond van eiser faalt. Uit het algemeen ambtsbericht blijkt inderdaad van incidenten gericht op christenen. Het aantal en de intensiteit van de incidenten is echter niet zodanig dat op grond daarvan kan worden geconcludeerd dat christenen als groep te vrezen hebben voor vervolging. Hoewel met name de aanval op de kerk in [locatie] zeer ernstig is, vormt dat onvoldoende grondslag voor het aannemen van groepsvervolging. Evenmin kan worden geoordeeld dat christenen zodanig worden gediscrimineerd in Syrië, dat deze discriminatie als vervolging is aan te merken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de autoriteiten hebben toegezegd de vrijheid van de verschillende bevolkingsgroepen, inclusief de christenen, te prioriteren. Na de aanslag op de kerk in [locatie] zijn er ook veiligheidstroepen bij de kerk gestationeerd. Hoewel er dus verschillende incidenten hebben plaatsgevonden, is niet gebleken dat het voor christenen onmogelijk is om te leven en hun geloof te uiten in Syrië.

Dat neemt overigens niet weg dat de incidenten op zichzelf wel de kwetsbare positie van christenen in Syrië duidelijk maken. Met name in het licht van de onrustige veiligheidssituatie, waarop de rechtbank hieronder verder zal ingaan, had de minister nader moeten motiveren waarom christenen als kwetsbare minderheid niet worden aangemerkt als risicoprofiel. Op dat onderdeel is het besluit dus onvoldoende gemotiveerd.

De algemene veiligheidssituatie in Syrië

Tot 10 juni 2025 stelde de minister zich op het standpunt dat in Syrië sprake was van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld en dat eenieder alleen al door zijn aanwezigheid in Syrië een reëel risico liep op ernstige schade. In een brief aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025 heeft de minister naar aanleiding van het in mei 2025 verschenen algemeen ambtsbericht inzake Syrië het nieuwe landgebonden beleid voor Syrië aangekondigd. Vanaf dat moment gaat de minister voor heel Syrië uit van de laagste gradatie (‘relatief lager niveau’) van willekeurig geweld. Volgens deze brief was de primaire bron van onveiligheid het regime van president Assad en dat regime is op8 december 2024 gevallen. Volgens de minister is sinds de val van het regime sprake van een redelijke verbetering van de algemene veiligheidssituatie.

Ook in deze zaak gaat de minister uit van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De minister onderbouwt dat – kort weergegeven – als volgt. In het algemeen ambtsbericht inzake Syrië van 2025 blijkt dat er weliswaar sprake is van geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat deze van incidentele en kortstondige aard zijn. Uit het algemeen ambtsbericht inzake Syrië van 2026 blijkt dat het aantal geweldsincidenten tussen 1 januari 2025 en 31 december 2025 sterk is gedaald. Verder verwijst de minister naar de Country Guidance inzake Syrië van 2 december 2025 van het EUAA. Uit dat rapport blijkt dat de situatie in ruraal Damascus weliswaar complex is, maar dat het aantal veiligheidsincidenten en burgerslachtoffers laag is. Verder volgt uit het rapport dat een groot aantal Syriërs terugkeert, met name ook naar deze regio. Het EUAA concludeert dat er sprake is van willekeurig geweld, maar niet op hoog niveau.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende onderbouwd waarom voor heel Syrië kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser wijst er terecht op dat de situatie na de val van Assad nog steeds fragiel en diffuus is. Hoewel het geweld in de loop van 2025 inderdaad is afgenomen, in de zin dat er eind 2025 minder geweldsincidenten waren dan begin 2025, is het totale aantal burgerslachtoffers in 2025 bijna viermaal zo hoog als in 2024. Bovendien zijn de uitbarstingen van geweld die in die periode hebben plaatsgevonden, heftig en onvoorspelbaar geweest. Van een stabiele en bestendig verbeterde veiligheidssituatie is dus onvoldoende gebleken. Daaraan doet niet af dat zich – zoals de minister op zitting heeft aangevoerd – in de eerste weken van 2026 een verdere daling heeft voorgedaan. De situatie is nog altijd instabiel. De groepen die bij eerdere oplaaiingen van het geweld betrokken waren, zoals de Druzen, de Koerden en IS, zijn er nog altijd.

Ook de minister lijkt overigens te erkennen dat geen sprake is van een bestendig verbeterde veiligheidssituatie, nu dat juist als argument is aangevoerd in de brief van 12 juni 2025 om niet over te gaan tot de herbeoordeling van al verleende verblijfsvergunningen. Op grond van artikel 3.37g van het VV moet een wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter hebben om het reële risico op schade weg te nemen, wil kunnen worden overgegaan tot intrekking van een al verleende verblijfsvergunning op grond van subsidiaire bescherming. De rechtbank ziet niet in waarom voor een afwijzing van een verblijfsvergunning op diezelfde grond een ander toetsingskader zou moeten gelden.

De verwijzing van de minister naar andere lidstaten die veel Syrische vreemdelingen terugsturen, kan de minister in dit kader niet baten. Het is immers onduidelijk welke gradatie van willekeurig geweld deze lidstaten aanhouden en op welke informatie dat is gebaseerd. De feitelijke vaststelling dat veel Syriërs worden teruggestuurd maakt bovendien niet dat deze terugkeer de rechterlijke toets ook kan doorstaan. Daarnaast heeft de minister erkend dat terugkeerders niet tot nauwelijks worden gemonitord. Daarmee is veelal onbekend wat Syrische vreemdelingen bij terugkeer staat te wachten.

De humanitaire situatie in Syrië

Verder is tussen partijen in geschil welke rol de slechte humanitaire omstandigheden kunnen spelen bij de vaststelling van het niveau van willekeurig geweld en daarmee bij de vraag of eiser in aanmerking zou moeten komen voor subsidiaire bescherming.

De minister heeft zich onder verwijzing naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 op het standpunt gesteld dat de humanitaire omstandigheden kunnen worden meegewogen bij de vaststelling of al dan niet sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Daarvoor moeten deze omstandigheden direct of indirect voortkomen uit het handelen of nalaten van één van de strijdende partijen. Daarvan is in dit geval volgens de minister geen sprake omdat het regime van Assad, dat grotendeels verantwoordelijk is voor de slechte humanitaire situatie, niet langer betrokken is bij het gewapend conflict. De humanitaire situatie is dus niet in overwegende mate te wijten aan de huidige actoren bij het gewapend conflict en kan dus bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld geen rol spelen, aldus de minister. De minister heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22984.

Naar het oordeel van de rechtbank berust het standpunt van de minister op een onjuiste lezing van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. De rechtbank begrijpt deze uitspraak zo, dat niet alleen de humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een gewapend conflict moeten worden betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Alleen als slechte humanitaire omstandigheden niet in verband staan met het willekeurig geweld, zijn deze bij de vaststelling van het niveau van willekeurig geweld niet relevant.

De omstandigheid dat het regime van Assad na 8 december 2024 geen rol meer heeft gespeeld in het gewapend conflict, betekent overigens ook niet dat het actieve gewapende conflict een compleet ander conflict is dan voor 8 december 2024. Het huidige conflict vloeit rechtsreeks voort uit de jarenlange oorlog tijdens het regime van Assad en hoewel de machtsverhouding is gewijzigd zijn de actoren, met uitzondering van het regime van Assad, niet veranderd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, die in soortgelijke zin heeft geoordeeld.

De conclusie is dan ook dat de minister de humanitaire situatie in Syrië had moeten betrekken bij de vraag welk niveau het willekeurig geweld nu heeft. Tussen partijen is niet in geschil dat de humanitaire situatie in Syrië heel erg slecht is. Uit het algemeen ambtsbericht van 2026 volgt dat in Syrië sprake is van grootschalige verwoesting van infrastructuur en woningen, dat veel Syriërs behoefte hebben aan humanitaire hulp, dat naar schatting 90% van de bevolking onder de armoedegrens leeft en dat meer dan de helft kampt met voedselonzekerheid. Verder zijn er veel problemen met de basisvoorzieningen: het stroomnetwerk werkt amper, er is tekort aan water, een groot gebrek aan functionerende gezondheidszorg en enorme problemen in het onderwijs.

Conclusie en gevolgen

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als ongegrond. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom christenen niet worden aangemerkt als risicoprofiel en waarom hij uitgaat van het laagste niveau van willekeurig geweld in Syrië, nu nog geen sprake is van een bestendige verbetering van de veiligheidssituatie. Verder heeft de minister ten onrechte de zeer slechte humanitaire situatie in Syrië niet betrokken bij de vraag van welk niveau van willekeurig geweld dient te worden uitgegaan. Het beroep is dus gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:26487, Rechtbank Den Haag, NL26.3216.

11-09-2026, Rb Amsterdam, Somalië, beroep gegrond [samenwerkingsplicht; terugkeerbesluit; 3 EVRM beoordeling]

Reden signalering:

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet voldaan aan de op hem rustende samenwerkingsplicht. Het ontbreken van een artikel 3 EVRM beoordeling in het terugkeerbesluit is strijdig met het non-refoulement beginsel.

Geloofwaardigheid identiteit, nationaliteit en herkomst

Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte haar identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig heeft geacht. Zij heeft haar identiteit aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft een door Bureau Documenten echt bevonden Somalisch paspoort overgelegd. Met de stelling van de minister dat Somalische documenten niet worden erkend, komt eiseres in een onhoudbare positie waarin zij alles heeft gedaan wat van haar verwacht kan worden om haar identiteit, nationaliteit en herkomst te onderbouwen, maar de minister vast blijft houden aan zijn standpunt. Dat de minister dit na veertien jaar in Nederland blijft tegenwerpen is onmenselijk. De minister gaat er ook ten onrechte aan voorbij dat eiseres documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar paspoortaanvraag. Verder is er geen enkele indicatie dat eiseres een andere nationaliteit heeft dan de Somalische.

De minister wijst op het Algemeen Ambtsbericht over Somalië van april 2025 en stelt zich op het standpunt dat het verifiëren van de authenticiteit van Somalische identiteitsdocumenten onmogelijk is, omdat er geen betrouwbaar registratiesysteem bestaat in Somalië en burgers met behulp van ‘fixers’ identiteitsdocumenten regelen. Dat Bureau Document het paspoort van eiseres echt heeft bevonden, zegt niets over de inhoud van het document. Uit verklaringen van eiseres blijkt dat de Somalische ambassade in Brussel het paspoort heeft afgegeven enkel op basis van haar eigen verklaringen en zonder verder verificatieonderzoek, wat maakt dat de minister niet uit kan gaan van de inhoud.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen de verzoeker om internationale bescherming (in dit geval eiseres) en de behandelaar van het verzoek (in dit geval de minister) geldt een samenwerkingsplicht. Deze samenwerkingsplicht vloeit voort uit bestaande internationale rechtsnormen en is bijvoorbeeld beschreven in de paragrafen 195 en 196 van het Handboek van de UNHCR. Het EHRM heeft bevestigd dat er een dergelijke ‘shared duty’ bestaat om de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan een asielverzoek vast te stellen en te beoordelen. De minister heeft ook in zijn eigen werkinstructie opgenomen dat de IND actief samenwerkt met de vreemdeling om de relevante feiten en omstandigheden te bepalen en aan te vullen, en de vreemdeling tegemoet kan komen in zijn bewijslast door zelf onderzoek te verrichten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet voldaan aan de op hem rustende samenwerkingsplicht. De rechtbank kan de stelling van de minister dat het paspoort door de Somalische ambassade is afgegeven zonder verificatieonderzoek, niet volgen. Eiseres heeft verklaard dat op de ambassade op informele wijze een taalanalyse heeft plaatsgevonden door middel van een gesprek, waarin haar ook vragen over haar herkomst zijn gesteld. Daarbij maakt de rechtbank uit het algemeen ambtsbericht op dat de ambassade een paspoortaanvraag naar de Somalische variant van de IND opstuurt. Wanneer een paspoortaanvraag wordt ingewilligd, stuurt de Somalische IND in Mogadishu het af te geven paspoort naar de Somalische ambassade in Brussel. Dat de Somalische autoriteiten het paspoort hebben afgegeven zonder verificatieonderzoek en enkel op basis van de door eiseres verstrekte gegevens, blijkt niet uit deze gang van zaken. In elk geval heeft een taalanalyse plaatsgevonden en verdere verificatie door de Somalische IND onttrekt zich aan de waarneming van de minister. Ook kan van eiseres niet worden verwacht dat zij over deze informatie beschikt. Verder is ook niet in geschil dat er geen indicaties zijn dat er in onderhavige zaak gebruik is gemaakt van een ‘fixer’ of anderszins sprake is geweest van corruptie.

De rechtbank merkt ook nog het volgende op. Uit het rapport van de taalanalyse die eiseres in haar eerste asielprocedure heeft gedaan blijkt dat eiseres geen coöperatieve houding heeft getoond en dat er geen herkomstbepaling mogelijk is geweest. Echter, er staat wel in het rapport dat eiseres Somalisch spreekt als moedertaal en dat het zowel zuidelijke als noordelijke elementen van de taal van dat land bevat. De rechtbank acht die vaststelling, in samenhang met de informele taalanalyse die is gedaan bij de ambassade en het echt bevonden paspoort dat door de Somalische IND is afgegeven, voldoende aanleiding voor de minister om in samenwerking met eiseres nader onderzoek te doen naar haar identiteit. Gelet op het feit dat eiseres in onderhavige procedure inspanningen heeft verricht om haar identiteit te onderbouwen, volgt de rechtbank de tegenwerping van de minister dat eiseres zich tijdens de taalanalyse in haar eerste asielprocedure niet coöperatief heeft opgesteld, niet. De beroepsgrond slaagt dan ook.

Refoulementbeoordeling terugkeerbesluit

Vervolgens toetst de rechtbank ambtshalve of de minister met het terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement heeft nageleefd.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest Ararat (ECLI:EU:C:2024:892) verduidelijkt dat de minister verplicht is om een actuele beoordeling van het refoulementrisico te maken vóór de uitvoering van het terugkeerbesluit.

De rechtbank stelt vast dat de minister aan eiseres met het oude terugkeerbesluit dat nu wordt gehandhaafd heeft opgedragen om terug te keren naar Somalië of een ander land. Verder stelt de rechtbank vast dat uit het bestreden besluit, de informatie in het dossier en uit hetgeen de gemachtigde van de minister ter zitting daarover heeft toegelicht, blijkt dat een eventuele schending van artikel 3 EVRM niet is beoordeeld.

Uit bovenstaande jurisprudentie volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister bij het handhaven van een terugkeerbesluit een kenbare en actuele beoordeling moet maken van de vraag of terugkeer naar deze landen strijdig is met het non-refoulementbeginsel. Anders dan de minister stelt, geldt dit naar het oordeel van de rechtbank óók als de nationaliteit en herkomst van een vreemdeling niet aannemelijk zijn geworden, nu bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn het beginsel van non-refoulement in elke fase van de terugkeerprocedure moet worden geëerbiedigd.

De minister moet een kenbare en actuele beoordeling maken van de vraag of terugkeer naar Somalië, op grond van individuele op de specifieke persoon van eiseres betrekking hebbende omstandigheden en/of op grond van algemene informatie over dit land, strijdig is met het non-refoulement beginsel. Daarbij zal rekening moeten worden gehouden met de verklaringen van eiseres en met hetgeen algemeen bekend is over Somalië. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

De minister heeft de asielaanvraag van eiseres ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:26494, Rechtbank Den Haag, NL25.5812 en NL25.46484.

15-09-2026, Rb Utrecht, Eritrea, beroep gegrond [voornemenprocedure; illegale uitreis; geloofwaardigheidsbeoordeling]

Reden signalering:

De rechtbank is van oordeel dat de minister geen voornemen heeft hoeven uitbrengen voordat hij het bestreden besluit nam. Sinds 12 juni 2026 volgt uit artikel 39 van de Vreemdelingenwet 2000 dat op de asielaanvraagprocedure de voornemen- en zienswijzeprocedure niet (langer) van toepassing is. De onderliggende artikelen uit het Vreemdelingenbesluit 2000 die zagen op de voornemen- en zienswijzeprocedure voor de asielaanvraagprocedure zijn ook niet meer van toepassing. Dit betekent dat vanaf 12 juni 2026 voor alle asielaanvragen – ook die van vóór 12 juni 2026 – geen voornemen hoeft te worden uitgebracht. Alleen in geval van lopende asielaanvragen waarin al een voornemen is uitgebracht, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op het moment waarop het voornemen is uitgebracht, voor zover dat betrekking heeft op de voornemen- en zienswijzeprocedure.

Moest de minister een voornemen uitbrengen?

Eiseres heeft op 3 april 2024 een asielaanvraag ingediend. Op 12 juli 2024 heeft zij een aanmeldgehoor gehad. Na een succesvol beroep tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag, krijgt eiseres op 23 april 2026 een brief van de minister. Daarin staat dat haar asielaanvraag wordt behandeld in de verlengde asielprocedure. Op 19 mei 2026 heeft eiseres correcties en aanvullingen gegeven op het aanmeldgehoor. Vervolgens heeft eiseres op 20 mei 2026 een nader gehoor gehad, waarop zij op 3 juni 2026 correcties en aanvullingen heeft gegeven. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact en ook de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking getreden. Vervolgens heeft de minister op 22 juni 2026 de asielaanvraag van eiseres afgewezen.

De rechtbank stelt vast dat in de zaak van eiseres geen voornemen- en zienswijzeprocedure heeft plaatsgevonden, zoals gebruikelijk was vóór 12 juni 2026. Door de inwerkingtreding van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 is met ingang van 12 juni 2026 de nationale voornemenprocedure afgeschaft. In de Memorie van Toelichting bij de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026 staat dat hiermee is beoogd om de Nederlandse asielprocedure zoveel mogelijk in lijn te brengen met die van andere Europese lidstaten. Daarbij wordt onder andere genoemd dat het Unierecht niet verplicht tot het voeren van een voornemenprocedure. Ook wordt genoemd dat de minister niet de verplichting heeft om de aanvrager te informeren over de intentie om een aanvraag af te wijzen. De aanvrager moet wel naar behoren gehoord zijn omtrent de asielmotieven én in de gelegenheid worden gesteld opmerkingen te maken met als doel de mogelijkheid te bieden een onjuistheid recht te zetten of feiten betreffende de persoonlijke situatie aan te voeren.

Verder volgt uit de Memorie van Toelichting dat de nieuwe procedureregels uit het wetsvoorstel per direct ingaan (uitzonderingen daargelaten). Sinds 12 juni 2026 volgt uit artikel 39 van de Vreemdelingenwet 2000 dat op de asielaanvraagprocedure de voornemen- en zienswijzeprocedure niet (langer) van toepassing is. De onderliggende artikelen uit het Vreemdelingenbesluit 2000 die zagen op de voornemen- en zienswijzeprocedure voor de asielaanvraagprocedure zijn ook niet meer van toepassing. Dit betekent dat vanaf 12 juni 2026 voor alle asielaanvragen – ook die van vóór 12 juni 2026 – geen voornemen hoeft te worden uitgebracht. Alleen in geval van lopende asielaanvragen waarin al een voornemen is uitgebracht, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op het moment waarop het voornemen is uitgebracht, voor zover dat betrekking heeft op de voornemen- en zienswijzeprocedure. Op grond van de wet- en regelgeving geldend ten tijde van het bestreden besluit was de minister dus niet verplicht om een voornemen uit te brengen.

De rechtbank ziet in het beroep van eiseres op het rechtszekerheids- en rechtsgelijkheidsbeginsel en haar verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 21 juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:20524) geen aanleiding voor het oordeel dat in het geval van eiseres toch een voornemen had moeten worden uitgebracht.

In de hiervoor genoemde uitspraak oordeelt de rechtbank dat zij het (ontbreken van) overgangsrecht ten aanzien van de voorschriften voor de ingangsdatum en geldigheidsduur van een verleende asielvergunning niet aanvaardbaar acht vanuit een oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en rechtsbescherming. In die concrete zaak zou namelijk de asielvergunning niet ingaan op de datum van de aanvraag met een geldigheidsduur van vijf jaar, maar op de dag na de verlening daarvan met een geldigheidsduur van drie jaar. Dat is een andere situatie dan hier aan de orde. In de zaak van eiseres gaat het over een afwijzende asielaanvraag, waar de vraag over de ingangsdatum en geldigheidsduur van de asielvergunning niet speelt.

Verder overweegt de rechtbank dat uit de brief van de minister van 23 april 2026 kan worden afgeleid dat in aanloop naar het Asiel- en Migratiepact tijdelijk meer zaken om proceseconomische redenen in de verlengde asielprocedure zijn behandeld. Zoals hiervoor reeds is vermeld, heeft eiseres bij de behandeling van haar asielaanvraag een aanmeld- en nader gehoor gehad. Zij heeft op beide gehoren haar correcties en aanvullingen ingediend. Verder heeft zij beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en beroepsgronden ingediend. Tijdens de zitting heeft zij haar beroepsgronden toegelicht en heeft zij kunnen reageren op wat de minister in het verweerschrift en op de zitting naar voren heeft gebracht. Zij is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om een onjuistheid recht te zetten of feiten betreffende haar persoonlijke situatie aan te voeren. Verder heeft eiseres niet geconcretiseerd wat zij in een voornemen- en zienswijzeprocedure anders of meer naar voren zou willen brengen dan zij nu heeft gedaan. Voor zover eiseres stelt dat zij in de zienswijze naar voren had kunnen brengen dat zij haar visum heeft verkregen door middel van omkoping, overweegt de rechtbank dat de stellingen van eiseres over waarom zij dit niet eerder naar voren heeft gebracht – bijvoorbeeld in het nader gehoor of in de correcties en aanvullingen – door de rechtbank in beroep zullen worden beoordeeld. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft eiseres Eritrea legaal verlaten?

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij Eritrea illegaal is uitgereisd en hierom een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer.

Niet in geschil is dat eiseres met een visum Eritrea is uitgereisd. Eiseres stelt voor het eerst in beroep dat zij haar visum via omkoping heeft gekregen. Zij verwijst hiervoor naar informatie op de website van de Immigration and Refugee Board of Canada. Ook heeft zij vier afbeeldingen ingediend van geldtransacties waaruit zou volgen dat haar zoon aan haar geld heeft overgemaakt om de omkoping van het visum te regelen.

De rechtbank overweegt dat de stelling van eiseres dat zij haar visum via omkoping heeft verkregen niet overeenkomt met de door haar afgelegde verklaringen hierover. Zo heeft eiseres tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat zij Eritrea legaal en zonder problemen heeft verlaten. Tijdens het nader gehoor heeft zij verklaard dat zij geen problemen heeft gehad tijdens het aanvragen of verkrijgen van het visum. Op de vraag of zij problemen heeft gehad tijdens de uitreis, antwoordt zij dat zij alleen haar huis en bezittingen moest registreren. Eiseres heeft in haar correcties en aanvullingen deze verklaringen niet gecorrigeerd of aangevuld. De rechtbank ziet in de verklaringen van eiseres dan ook geen onderbouwing van de stelling dat eiseres het visum door middel van omkoping heeft verkregen en Eritrea illegaal heeft verlaten.

Dat niet van de verklaringen van eiseres kan worden uitgegaan, volgt de rechtbank niet. De verslagen van de gehoren geven geen blijk dat de minister geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader (leeftijd, lage geschooldheid) van eiseres. Allereerst is van belang dat eiseres niet heeft geconcretiseerd op welke wijze onvoldoende rekening is gehouden met haar referentiekader en hoe zij hierdoor in haar belangen is geschaad. Verder is van belang dat tijdens de gehoren vragen zijn gesteld over het verkrijgen van het uitreisvisum en de uitreis. De antwoorden die eiseres heeft gegeven bieden geen aanleiding voor de conclusie dat de minister geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met haar referentiekader. Ook heeft de minister in de antwoorden van eiseres geen aanleiding hoeven zien om nadere vragen te stellen. Haar antwoorden zijn voldoende duidelijk en concreet. De door eiseres in beroep aangehaalde informatie en overgelegde stukken, bieden evenmin aanleiding om niet langer uit te gaan van de door haar afgelegde verklaringen. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de minister de verklaringen van eiseres over haar asielrelaas goed beoordeeld?

De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt hoe de minister de verklaringen van eiseres heeft beoordeeld. Niet duidelijk is welke verklaringen van eiseres precies geloofwaardig worden geacht en welke niet.

Conclusie en gevolgen

De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister de verklaringen van eiseres niet goed heeft beoordeeld. De minister heeft niet alle asielmotieven uit de verklaringen van eiseres gehaald. Zo heeft de minister niet beoordeeld of hij al dan niet gelooft dat [B.] de dienstplicht ontduikt en eiseres hierom heeft te vrezen voor de autoriteiten. Ook heeft de minister niet duidelijk gemaakt hoe hij dit afzet tegen de geloofwaardig bevonden eerdere mishandeling in 2023 en de openbare informatie die hierover bekend is. De minister moet dit alsnog doen. Hij moet een nieuw besluit nemen en de verklaringen van eiseres over haar asielmotieven opnieuw beoordelen en in onderlinge samenhang bezien. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de minister, zoals op de zitting is erkend, in het bestreden besluit ook ten onrechte de gestelde verzegeling van het huis van eiseres en het afpakken van haar landbouwgrond niet als asielmotief heeft aangemerkt. Dit moet de minister ook in het nieuwe besluit betrekken. Dat geldt ook voor het bepaalde in artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening.

De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel. Dit betekent dat het besluit niet in stand kan blijven en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:26863, Rechtbank Den Haag, NL26.34848.

10-09-2026, Rb Middelburg, beroep ongegrond [niet verschijnen bij gehoor; evenredigheidsbeginsel]

Reden signalering:

Eiser is niet verschenen op persoonlijk onderhoud, heeft geen gegronde reden, belangenafweging, geen schending evenredigheidsbeginsel.

Niet in geschil is dat eiser niet is verschenen op zijn persoonlijk onderhoud van 23 juli 2026. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij de uitnodiging voor het persoonlijk onderhoud niet heeft ontvangen. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of eiser voor dit onderhoud op de juiste wijze is uitgenodigd en, zo ja, of hij zonder gegronde reden niet is verschenen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitnodiging voor het persoonlijk onderhoud is uitgereikt. Verweerder heeft desgevraagd op 2 september 2026 een schermafbeelding uit INDIGO overgelegd waaruit volgt dat de uitnodiging is uitgereikt. Verweerder heeft dit op 9 september 2026 nader toegelicht en daarbij opnieuw een schermafbeelding uit INDIGO overgelegd, waaruit volgt dat het uitreiken van de uitnodigingsbrief is geregistreerd. Ook in de brief van verweerder van 29 juli 2026 aan de gemachtigde van eiser en in het bestreden besluit is vermeld dat de uitnodigingsbrief in persoon aan eiser is uitgereikt. Er zijn geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van deze registratie. Eiser was daarmee op de hoogte van het persoonlijk onderhoud en diende daarbij te verschijnen.

Vervolgens ligt de vraag voor over eiser voor zijn afwezigheid op 23 juli 2026 een gegronde reden had. Voor zover eiser stelt dat hij niet bij het persoonlijk onderhoud is verschenen wegens ziekte, heeft eiser dit op die dag niet gemeld. Ook geeft eiser hiervan geen doktersverklaring, derdenverklaring of ander document overgelegd ter bevestiging van zijn ziekte. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee geen gegronde reden voor zijn afwezigheid heeft gegeven. De enkele stelling dat eiser op de dag van het persoonlijk onderhoud ziek was, zonder enige (objectieve) onderbouwing daarvan, is daarvoor onvoldoende. De stelling dat een dokter geen verklaring kan afgeven ter bevestiging van zijn ziekte gaat niet op, nu dit wel mogelijk is wanneer hiervoor toestemming wordt verleend.

Verweerder heeft ter zitting terecht gewezen op de kan-bepaling van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw en het feit dat artikel 41, eerste lid, aanhef en onder d, van de Procedureverordening hieraan ten grondslag ligt. Deze bepaling schrijft voor dat een asielaanvraag als impliciet ingetrokken wordt beschouwd indien de vreemdeling niet verschijnt voor het persoonlijk onderhoud, zonder dat hij daarvoor een gegronde reden heeft. Uit de bewoordingen van de Procedureverordening kan niet worden afgeleid dat verweerder voorafgaand aan het buiten behandeling stellen van de aanvraag een belangenafweging moet verrichten.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat eiser overeenkomstig artikel 13 van de Procedureverordening in de gelegenheid is gesteld om het persoonlijk onderhoud bij te wonen en dat hij zonder gegronde reden niet is verschenen. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder d, van de Procedureverordening. De aanvraag wordt in dat geval als impliciet ingetrokken beschouwd.

Het beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. Van een schending van het evenredigheidsbeginsel is geen sprake. Het buiten behandeling stellen van de aanvraag heeft voor eiser weliswaar tot gevolg dat zijn aanvraag niet inhoudelijk wordt beoordeeld, maar het staat eiser vrij om een nieuwe asielaanvraag in te dienen. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat het buiten behandeling stellen van de onderhavige aanvraag voor eiser onevenredig zware gevolgen heeft.

Verweerder heeft de aanvraag daarom terecht buiten behandeling gesteld. Het beroep is ongegrond.

Gehele uitspaak: ECLI:NL:RBDHA:2026:26776, Rechtbank Den Haag, NL26.46793.

15-09-2026, Rb Groningen, beroep gegrond [bewaring artikel 59(a) Vw; AMBV overdracht Frankrijk; onderduikrisico; eenheid gezin]

Reden signalering:

De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eisers een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Dat eisers stellen dat de inbewaringstelling een uiterst middel is, dat een belangenafweging had moeten plaatsvinden, dat onvoldoende is ingegaan op de verzwaarde belangenafweging voor de kinderen en dat zij zich zelfstandig weer hebben gemeld bij de autoriteiten, doet hier niet aan af. Geconcludeerd wordt dat, nu eisers zich eerder aan het toezicht hebben onttrokken door met onbekende bestemming te vertrekken, de overdrachtstermijn reeds eerder met een jaar is verlengd en de uiterlijke overdrachtstermijn van 2 oktober 2026 dichterbij komt, en eisers bovendien verklaren niet terug te willen naar Frankrijk, is het opleggen van een lichter middel niet aan de orde. Ten aanzien van de verzwaarde belangenafweging van de kinderen oordeelt de rechtbank dat de minister deze belangen voldoende heeft afgewogen.

Grondslag

De rechtbank is van oordeel dat eisers vallen onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de AMbV. Eisers hebben op 12 februari 2025 asiel aangevraagd. Deze aanvraag is bij beschikking van 24 april 2025 niet in behandeling genomen in verband met de Dublinverordening, nu AMbV. Op 27 april 2025 is van rechtswege een fictief claimakkoord ontstaan en op 11 april 2025 hebben de Franse autoriteiten het claimverzoek alsnog geaccepteerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Frankrijk is komen vast te staan. Op 27 augustus 2025 is de overdrachtstermijn naar Frankrijk verlengd, omdat eisers op 24 augustus 2025 met onbekende bestemming zijn vertrokken. Op 22 mei 2025 is het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eisers ongegrond verklaard. Eisers mogen overgedragen worden aan Frankrijk. Op 13 augustus 2026 hebben eisers zich weer gemeld voor opvang. Op 2 september 2026 is opnieuw een kennisgeving aangaande de overdracht van eisers aan Frankrijk verzonden, die op 3 september 2026 is geaccepteerd. Hiermee staat de verantwoordelijkheid van Frankrijk vast.

Gronden

De rechtbank stelt vast dat eisers de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet hebben betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.

Gezin als eenheid

Ten aanzien van de stelling van eisers dat zij als een gezin, een eenheid, gezien moeten worden en dat hun gezamenlijke belangen afgewogen dienen te worden, overweegt de rechtbank het volgende. Tijdens vorige procedures is niet gebleken, noch vastgesteld door de rechtbank, dat sprake is van vastgesteld biologisch vaderschap van de heer [naam 7]. Dat eisers en [naam 8] gezamenlijk in Ter Apel hebben verbleven, als zijnde een gezin, en dat een gezamenlijke inbewaringstelling en gehoor heeft plaatsgevonden, doet hier niet aan af. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Indirect refoulement

Eisers stellen zich op het standpunt dat een indirecte refoulementbeoordeling moet plaatsvinden. In Frankrijk is hun asielaanvraag afgewezen en zij vrezen dat zij bij terugkeer worden teruggestuurd naar Oekraïne. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2359) oordeelt de rechtbank dat het aan Frankrijk is om een refoulementbeoordeling te maken en dat hieraan in deze bewaringsprocedure niet wordt toegekomen. De vraag die in deze procedure beantwoord moet worden, is enkel of de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd en zo ja, of aan eisers recht hebben op schadevergoeding. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Lichter middel

De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eisers een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Dat eisers stellen dat de inbewaringstelling een uiterst middel is, dat een belangenafweging had moeten plaatsvinden, dat onvoldoende is ingegaan op de verzwaarde belangenafweging voor de kinderen en dat zij zich zelfstandig weer hebben gemeld bij de autoriteiten, doet hier niet aan af. Immers, eisers zijn op 24 augustus 2025 met onbekende bestemming vertrokken en hebben zich pas na bijna een jaar weer gemeld. Hiermee hebben zij geen melding gemaakt van hun afwezigheid en zich lange tijd onttrokken aan het toezicht. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt ook dat eisers hebben verklaard dat zij naar Frankrijk zijn vertrokken. Dat eisers stellen dat het risico op onttrekken niet groot is omdat zij zich zelfstandig weer hebben gemeld in Ter Apel, maakt niet dat het risico op onttrekking niet meer bestaat. Geconcludeerd wordt dat, nu eisers zich eerder aan het toezicht hebben onttrokken door met onbekende bestemming te vertrekken, de overdrachtstermijn reeds eerder met een jaar is verlengd en de uiterlijke overdrachtstermijn van 2 oktober 2026 dichterbij komt, en eisers bovendien verklaren niet terug te willen naar Frankrijk, is het opleggen van een lichter middel niet aan de orde.

Ten aanzien van de verzwaarde belangenafweging van de kinderen oordeelt de rechtbank dat de minister deze belangen voldoende heeft afgewogen. Hierin zijn hun medische omstandigheden, voor zover aan de orde, meegewogen en er is niet van andere belangen gebleken die tot een andere afweging hadden moeten leiden.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de medische en/of psychische omstandigheden van eisers kenbaar en voldoende zijn betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft er in de maatregel op gewezen dat in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig is. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.

Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eisers die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.

Voortvarendheid en zicht op overdracht

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de overdracht van eisers en dat zicht op overdracht niet ontbrak. Eisers zijn op 11 september 2026 overgedragen aan Frankrijk en de minister heeft ter zitting bevestigd dat de overdracht inmiddels is voltooid.

Conclusie en gevolgen

De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eisers in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring hebben gezeten. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Gehele uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2026:26819.



Deel deze informatie
  • Delen op Whatsapp
  • Delen op LinkedIn


Raad voor Rechtsbijstand (naar homepage)

Over de Raad voor Rechtsbijstand

Burgers moeten kunnen rekenen op passende ondersteuning en goede rechtsbijstand. Daar maakt de Raad voor Rechtsbijstand zich sterk voor via de organisatie en borging van gesubsidieerde mediation en rechtsbijstand, uitvoering van de Wet schuldsanering natuurlijke personen en de Wet beëdigde tolken en vertalers.

  • Meer over ons
  • Contact
  • Wet open overheid (Woo)
  • Toegankelijkheid
  • Privacy
  • Cookies
  • Proclaimer
  • Informatiebeveiliging

Volg ons op

  • LinkedIn