Verhoging heffingvrij vermogen heeft geen gevolgen voor vermogensgrenzen gesubsidieerde rechtsbijstand

16 december 2020

Per 1 januari 2021 treedt de Wet aanpassing box 3 in werking. Met deze wet wordt de vermogensrendementsheffing in box 3 aangepast zodat met name de belastingdruk op kleinere vermogens in box 3 daalt. Het heffingvrij vermogen wordt met ingang van 1 januari 2021 verhoogd naar € 50.000.

Deze aanpassing heeft geen gevolgen voor de gehanteerde vermogensgrenzen binnen de Wet op de rechtsbijstand.

Met de verhoging van het heffingvrij vermogen vanaf 1 januari 2021 wordt vanaf 2021 de koppeling tussen de Wet op de rechtsbijstand en het heffingvrij vermogen losgelaten. Dit betekent dat de Raad vanaf 2021 voor wat betreft de resultaatsbeoordeling en de peiljaarverlegging uitgaat van een drempelbedrag, genoemd in artikel 9.4a Wet IB 2001. Dat drempelbedrag is in hoogte vergelijkbaar met het op 2020 van toepassing zijnde heffingvrij vermogen en wordt jaarlijks geïndexeerd.

De verhoging van het heffingvrij vermogen heeft ook geen gevolgen voor de vermogenstoets bij de aanvraag van een toevoeging. De Raad toetst in 2021 bij toevoegingsaanvragen immers aan de hand van het vermogen in 2019 boven het op 2019 van toepassing zijnde heffingvrij vermogen.

Geen gevolgen in 2021 voor resultaatsbeoordeling en peiljaarverlegging

Met de verhoging van het heffingvrij vermogen naar € 50.000 wordt ook de koppeling tussen de Wet op de rechtsbijstand en het heffingvrij vermogen vanaf 2021 losgelaten. Vanaf 2021 geldt een drempelbedrag, genoemd in artikel 9.4a Wet IB 2001. Dat drempelbedrag is in hoogte vergelijkbaar met het huidige heffingvrij vermogen en wordt jaarlijks geïndexeerd.

Voor de vermogensgrens in het kader van peiljaarverlegging (eerste kolom) en het vrijgestelde bedrag voor resultaatsbeoordeling (tweede kolom) geldt voor 2021 dat het drempelbedrag van toepassing is.

 

Vrijgesteld per persoon

Vrijgesteld voor resultaatsbeoordeling

2021

€ 31.340

€ 15.670 (tot de helft van het links genoemde bedrag)

Geen gevolgen in 2021 voor de vermogenstoets bij het aanvragen van een toevoeging

De Raad gaat bij de beoordeling van toevoegingsaanvragen uit van het peiljaar. Het peiljaar ligt twee jaar voor de aanvraagdatum van de toevoeging. Dit betekent dat per 1 januari 2021 voor toevoegingsaanvragen het peiljaar 2019 van toepassing is. De Raad kijkt dan naar het vermogen in 2019 boven het op 2019 van toepassing zijnde heffingvrij vermogen.

Concreet betekent dit voor 2021 dat er geen recht bestaat op gesubsidieerde rechtsbijstand en gesubsidieerde mediation als het vermogen in box 3 in 2019 (het peiljaar) hoger is dan het op 2019 van toepassing zijnde heffingvrij vermogen.

 

Vrijgesteld per persoon

2019 (het peiljaar)

€ 30.360

In 2022 gaat de Raad bij de beoordeling van toevoegingsaanvragen uit van het vermogen in 2020 boven het op 2020 van toepassing zijnde heffingvrij vermogen. Met ingang van 2023 gaat de Raad bij het toetsen van het vermogen bij de aanvraag van een toevoeging dan uit van het drempelbedrag, genoemd in artikel 9.4a Wet IB 2001.

Meer nieuws

Terug naar nieuwsoverzicht