Verrekenen proceskosten in civiele zaken

4 mei 2011

Tot 1 november 2010 betaalde de in het ongelijk gestelde partij de proceskostenvergoeding aan de griffier, als er een toevoeging was verleend aan de wederpartij. Sinds 1 november is deze regel komen te vervallen. De cliƫnt met een toevoeging is nu ook zelf verantwoordelijk voor het innen van de proceskostenvergoeding. Hoe gaat de Raad hier mee om?

Sinds 1 november 2010 is het griffierechtenstelsel gewijzigd. Daarbij is artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) komen te vervallen. Dit artikel regelde hoe de griffier omging met een proceskostenveroordeling wanneer er een toevoeging was verleend.

Zoals al gebruikelijk was verrekende de Raad de vaststelvergoeding met de proceskostenvergoeding, wanneer de toevoeging niet tijdig aan de rechtbank was overgelegd. Door het vervallen van artikel 243 Rv geldt deze werkwijze voor alle situaties.

Wanneer verrekent de Raad niet?

In civiele zaken brengt de Raad de proceskostenvergoeding in mindering op de vaststelvergoeding, tenzij:

  • een bewijsstuk wordt overgelegd waaruit blijkt dat de tegenpartij failliet is;
  • een bewijsstuk wordt overgelegd waaruit blijkt dat conservatoir derdenbeslag is gelegd op de gelden waaruit de proceskostenvergoeding betaald moeten worden;
  • bewijsstukken (zoals een brief van de deurwaarder) waarin wordt toegelicht waarom inning niet mogelijk is (bijvoorbeeld omdat de tegenpartij met onbekende bestemming is vertrokken (MOB);
  • aangegeven is dat er hoger beroep of cassatie is ingesteld tegen de uitspraak.

Meer nieuws

Terug naar nieuwsoverzicht