Voorwaardelijke toevoeging
De Raad van State heeft uitspraak gedaan over in een zaak over een voorwaardelijke toevoeging. Een toelichting op de uitspraak.
Tot 1 april 2006 werd dit type toevoeging afgegeven als er sprake was van een aanmerkelijk financieel belang. Als bij de afgifte van de toevoeging niet duidelijk was of het aanwezige vermogen boven een vastgestelde grens uitkwam, werd de beoordeling uitgesteld tot het einde van de zaak.
In de zaak die voor de Raad van State speelde zijn het vermogen dat bij de aanvraag van de toevoeging aanwezig was en het vermogen, dat is voortgekomen uit de zaak, bij elkaar opgeteld. Dat was onjuist. De Raad van State heeft geoordeeld dat uitgegaan moet worden van het feitelijk aanwezige vermogen bij het einde van de zaak.
Wat is er sinds 1 april 2006 veranderd?
Bij de toevoegingaanvraag wordt het vermogen in Box 3 getoetst met behulp van
gegevens van de Belastingdienst (peiljaar is T-2). Als aan het einde van de zaak
een resultaatsbeoordeling moet worden gemaakt, speelt dit vermogen daarbij geen
verdere rol. Er wordt bij de resultaatsbeoordeling alleen gekeken naar de
opbrengst van de zaak, en dus niet naar vermogen dat al bij de aanvraag in
ogenschouw is genomen.
Het beleid rondom de resultaatsbeoordeling staat beschreven in de ‘Regels voor de resultaatsbeoordeling’. De uitspraak van de Raad van State is – vanwege het afschaffen van de voorwaardelijke toevoeging - niet relevant voor toevoegingen die zijn aangevraagd na 1 april 2006.
Toevoegingen voor 1 april 2006
Het oude recht geldt nog wel voor toevoegingen die voor 1 april 2006
zijn afgegeven. Daar waar onjuist beleid wordt gevoerd, wordt dit uiteraard
aangepast.
Meer informatie
- Uitspraak Raad van State:
www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BN2634
- Nieuwsbericht 'Regels rondom resultaatsbeoordeling', januari 2008